Ga direct naar de hoofdinhoud

Blog 2026

Bijna dagelijks schrijf ik hier ook een droom.
Dromen maken deel uit van deze reis.

 

 

 

 

 

 

 

Wanneer pijn spreekt

 

16 mei 2026

Wanneer is pijn een signaal om te stoppen, en wanneer juist een teken van leven?

Tijdens de fitness begonnen twee dames tegen mij te praten. Het was hen opgevallen hoeveel verschil er zat tussen hoe ik er een half jaar geleden fysiek uitzag en nu. Ook vonden ze mij behoorlijk fanatiek. Nadat de trainer had gezegd dat ik best een apparaat kon overslaan wanneer ik pijn voelde, haakten de dames daar goedbedoeld op in.
“Ja, naar je lichaam luisteren moet je ook leren,” zeiden ze.
Eerst glimlachte ik vriendelijk, maar ze bleven — eveneens vriendelijk — uitleggen wat luisteren naar je lichaam volgens hen betekende.

Toen vertelde ik dat ik een vorm van MS heb — dat herkennen de meeste mensen tenminste — en dat ik anderhalf jaar geleden een herseninfarct heb gehad, dat bovendien vrij laat werd vastgesteld. Ik vertelde dat ik eerst een jaar had gerevalideerd, maar dat het naar mijn gevoel nauwelijks vooruitging. Sinds ik naar de fitness ga, voel ik vanaf de eerste dag verschil. Alleen moet ik dit wel vrijwel dagelijks doen, want zodra ik stilval, bijvoorbeeld door een griepje, merk ik hoe snel ik weer achteruitga. En misschien nog belangrijker: luisteren naar mijn lichaam is voor mij allang een tweede natuur. Alleen niet altijd volgens het boekje.

Dat begrepen ze. De dame die het dichtst bij me zat, vertelde vervolgens dat haar moeder drie jaar geleden ook een CVA had gehad. Aanvankelijk was zij eveneens verlamd geraakt aan de rechterkant van haar lichaam. Ze had zich hevig verzet tegen de revalidatie. Toch leek het eerst goed te gaan. Ze krabbelde weer wat op. Totdat ze opnieuw ziek werd, iets griepachtigs. Vanaf dat moment ging het snel achteruit. Nu is ze zichtbaar gehandicapt en kan ze zelfs haar pasgeboren kleinkind niet meer vasthouden.

Een triest verhaal natuurlijk.

Ik vroeg hoe oud haar moeder was, denkend aan iemand van tachtig of ouder. Blijkt ze gewoon even oud als ik te zijn. Wow. Zowel die vrouw als ik schrokken zichtbaar van dat besef.
Ze zei: “Jammer dat ze het niet heeft opgepakt zoals u.”
Direct daarna verontschuldigde ze zich haast, omdat oefenen voor haar moeder ook pijn deed.

“Tja,” dacht ik.

Ik moest even opletten dat ik niets zou zeggen wat haar pijn kon doen of beledigend zou overkomen. Toen hoorde ik mezelf zeggen:
“Pijn kan ook een teken van leven zijn. Niets voelen bij een verlamming lijkt mij veel enger.”

Tijdens de revalidatie zag ik ook mensen voor wie het soms meer leek op een sociale bijeenkomst waar over mankementen werd gesproken. Wat is dan het verschil tussen mij en die mensen? Misschien is het verschil dat wanneer je vóór een CVA altijd gezond bent geweest, het voelt alsof je hele vanzelfsprekende wereld instort.

Misschien heb ik, juist door mijn handicap, een leven lang pijn en het voortdurend zoeken naar manieren om dóór te gaan, ergens ook geluk gehad. Niet omdat pijn of moeilijkheden iets moois zijn, of mensen beter maken dan anderen, maar omdat ik nooit anders heb gekend dan blijven zoeken naar manieren om met beperkingen te leven. Misschien ontwikkel je daardoor ongemerkt bepaalde overlevingsmechanismen of een vorm van weerbaarheid.

Later vertelde ik Ton over het gesprek op de sportschool.
“Wat is dat toch,” vroeg ik, “dat zo’n relatief jonge vrouw zichzelf min of meer laat afglijden naar een bestaan als gehandicapte?”
Ton antwoordde direct:
“Depressie.”

Is dat zo?

Natuurlijk raakt iemand na een ingrijpende gebeurtenis zoals een CVA acuut depressief of ontregeld. Maar blijvend depressief? Waren er daarvoor misschien al signalen van ontevredenheid, somberheid of innerlijke uitputting aanwezig?

Denken fysiotherapeuten eigenlijk automatisch dat pijn betekent dat iemand moet stoppen? Wordt er ook gedacht: zenuwen die herstellen kunnen juist pijn geven — ga voorzichtig door?

Ik weet nog hoe oncontroleerbaar mijn emoties waren na mijn CVA. Waarom worden mensen daarna niet langer begeleid? Niet alleen met een telefoontje, maar iemand die daadwerkelijk eens in de paar weken langskomt. Iemand die zowel de fysieke als mentale gevolgen van een CVA begrijpt. Niet om mensen te dwingen, maar om hen langzaam weerbaarder te maken nadat hun leven plotseling volledig veranderd is.

Het maakt me verdrietig dat deze moeder blijkbaar geen mogelijkheden meer ziet om zelfstandig verder te leven.

Misschien een vreemde vergelijking, maar het deed me denken aan mijn schoonvader. Hij overleefde zes concentratiekampen, waaronder Auschwitz-Birkenau. Hij had een strenge jeugd gehad, met een vader die makkelijk een pak slaag gaf. Hij vertelde ooit dat hij mensen letterlijk in één nacht spierwit had zien worden van angst.

Hoe vreemd het ook klinkt: het feit dat hij als kind al geleerd had te overleven, hielp hem uiteindelijk in die extreme omstandigheden. Dat betekent natuurlijk niet dat pijn, mishandeling of trauma iets goeds zijn. Maar mensen ontwikkelen soms onder moeilijke omstandigheden een bepaalde mentale weerbaarheid. Veel mensen die een veilig en beschermd leven hadden gehad, bezweken volgens hem al voordat ze werden afgevoerd.

Later in zijn leven sprak mijn schoonvader zelfs met een bepaalde dankbaarheid over zijn jeugd. En gek genoeg begrijp ik dat ergens.

Hoe kun je dankbaar zijn voor pijn en moeilijkheden?

Dat zijn de vragen en gedachten die in mij omhoogkomen na zo’n ogenschijnlijk eenvoudig, goedbedoeld gesprek.

Misschien is pijn niet altijd alleen een waarschuwing, maar soms ook een teken dat iets nog leeft, beweegt of terug probeert te keren.

Misschien bepaalt niet alleen wat een mens meemaakt hoe hij verder leeft, maar ook welke innerlijke houding al vóór die gebeurtenis aanwezig was.

En misschien schuilt echte veerkracht niet in het verheerlijken van pijn, maar in het blijven zoeken naar beweging, zelfs wanneer het leven plotseling van vorm verandert.

 

 

 

 

 

 

 

Schaduwen

15 mei 2026

In de boekhandel kwam ik het boek Het meisje in de witte kimono tegen van Ana Johns. Het fascineerde mij direct, het beeld en het verhaal op de omslag. Thuis besloot ik het als e-book aan te schaffen, zodat ik het kon lezen op mijn laptop. Tijdens het lezen kan je makkelijk stukken markeren die voor mij opvallend zijn.

Het verhaal speelt zich deels af in het naoorlogse Japan en gaat over een jonge Japanse vrouw die verliefd wordt op een Amerikaanse soldaat, terwijl dat cultureel en familiair vrijwel onacceptabel is. Het boek is geïnspireerd op echte gebeurtenissen rond kinderen van Japans-Amerikaanse relaties die na de oorlog vaak verstoten of verborgen werden.

Ook al is het een verhaal over Japan, het raakt aan zoveel thema’s die ook in mijn eigen leven hebben gespeeld. Verborgen familiegeschiedenissen, verlies en loyaliteit, stilte tussen mensen. Maatschappelijke maskers en verwachtingen. Liefde die niet binnen systemen past, de gevolgen van keuzes die generaties doorwerken, en vooral: de onderlaag van wat níét gezegd mocht worden.

Ik kon meevoelen met de personages, maar met afstand. Kennelijk zit mijn angel niet meer bij mijn opvoeding en familiegeschiedenis. Daar zag ik bij mezelf een verschuiving. Momenteel zit die veel meer bij de medische wereld en mijn omgang daarmee.

Er kwam een passage voorbij die mij direct terugbracht naar een verhaal dat Michel vertelde over zijn jeugd in Amsterdam. Destijds had ik het idee dat hij het misschien wat dramatisch bracht. Later ging ik ervaren en zien dat het inderdaad geweest moet zijn zoals hij vertelde. En nu kom ik bijna letterlijk hetzelfde verhaal tegen.

‘Met een zucht leun ik achterover, en ik kijk naar de moeder en dochter tegenover me. Iedereen zit dicht op elkaar in de volle wagon, maar zij hebben een hele bank voor zich alleen. De overige passagiers houden de schijn op van onverschilligheid, maar hun weerzin blijkt uit de afstand die ze bewaren.’

Pffft… wat is de mensheid toch vaak wreed geweest. Vanuit traditie, eer, oorlog, haat. Maar vooral vanuit diepgewortelde angst. Ik wist van de Stolen Generation in Australië, van kindsoldaten in Afrika, van het éénkindbeleid in China en de ellende daar omheen. En nu lees ik hoe in Japan halfbloed baby’s bij de geboorte werden vermoord uit schaamte, eer of angst voor gezichtsverlies. Historische verhalen en overleveringen die eigenlijk nog steeds in het nu bestaan.

Angst, schaamte, groepsdruk, overleving, eer, ideologie, religie, gehoorzaamheid. “Zo hoort het.” Het zijn allemaal dingen die een mens kunnen vastzetten, gevoelens die je van vrijheid beroven. Dat maakt het soms nog confronterender. Gewone mensen kunnen binnen zulke systemen dingen doen die individueel misschien ondenkbaar zouden lijken.

Terwijl ik lees voel ik het. De eenzaamheid van de mens.

Ik loop naar de kamer en Ton vertelt dat hem gevraagd is niets te zeggen over een probleem. Voor hem voelt dat als verraad, als liegen. Het vreet aan hem. Hoe doe je dat? Aan de ene kant wil je iemands vertrouwen niet beschamen en aan de andere kant voel je je door een geheim bijna medeplichtig. Ik luister alleen maar, want hij lost zulke dingen anders op dan ik. Maar uiteindelijk denk ik dat de meeste mensen niet slecht zijn. Angst, status, schaamte en loyaliteit zorgen voor gedrag dat varieert van lichtgrijs tot zwart, zal ik maar zeggen.

Ik denk dat het bijna onmenselijk is om altijd en overal volledig zuiver te zijn in wat je doet, zegt of wat je intenties zijn.

Het was een mooi, pijnlijk verhaal. Herkenbaar en vlot te lezen. En uiteindelijk bleef er eigenlijk maar één gedachte over:

Misschien verandert de wereld nooit ineens.
Misschien gebeurt verandering alleen in kleine bewegingen.
In het moment waarop een mens eerlijk naar zichzelf durft te kijken.
En misschien begint iedere vorm van vrede daar.

 

 

 

 

 

 

Getuigen

14 mei 2026

Weer komt er een tekst voorbij in een RomCom die ik toch even terugdraai.

“Waarom denk je dat mensen trouwen?”
“Passie?”
“Nee. Interessant, want ik zie je als een romanticus. Waarom dan?”
“We hebben een getuige nodig van ons leven. Wat maakt één leven uit op een miljard mensen? Maar in een huwelijk beloof je er voor alles te zijn. Goede dingen, slechte dingen, vreselijke dingen, gewone dingen. Alles, altijd, elke dag. Je zegt: ‘Je leven gaat niet ongemerkt voorbij, want ik zie het. Je leven gaat niet ongezien voorbij, want ik ben je getuige.’”

Wow. Is dat zo? Zo kun je er natuurlijk ook naar kijken.

Voor mij is trouwen altijd meer een traditioneel ritueel geweest. Een ritueel is een reeks handelingen die met zorg, aandacht en in een vaste volgorde worden uitgevoerd, vaak met een symbolische betekenis. Het helpt om structuur aan te brengen, emoties te uiten, overgangen te markeren en verbinding te versterken. Rituelen kunnen religieus, cultureel of persoonlijk zijn. Mensen hebben kennelijk houvast nodig.

Misschien is loslaten of werkelijk vrij zijn wel het moeilijkste voor een mens, begin ik zo langzamerhand te denken.

Ik ben drie keer getrouwd.

De eerste keer deed ik dat uit conditionering. Ik was jong en wilde voldoen aan het beeld dat mijn ouders voor ogen hadden. Een feest waarbij ik me diep ongemakkelijk voelde.

De tweede keer trouwde ik voor mijn man, om te laten zien dat er iemand waarde hechtte aan zijn bestaan. Ook praktisch, met het oog op kinderen. Geen feest, alleen naar het stadhuis. Daarna een koffietafel met onze ouders, die elkaar daar voor het eerst ontmoetten.

De derde keer trouwde ik opnieuw voor mijn man. Hij vond het belangrijk. Uit liefde doe je soms iets voor elkaar. Een klein feestje met alleen naasten was voor mij alweer een hel. Ik heb vrijwel geen herinneringen aan die dag, zo schakel ik mezelf uit om erdoorheen te komen.

Erg romantisch klinkt dit niet hè?

Heb ik een getuige nodig voor mijn leven? Ik weet het niet. Ben ik zelf niet getuige van mijn eigen leven?

Trouwen voelt voor mij ergens ook als een economisch systeem. Het idee dat je je aan iemand bindt. Dat blijft voor mij een benauwend idee. Getrouwd zijn zelf vind ik niet erg. Ik voel dat eigenlijk nauwelijks. Maar zo’n dag waarop je elkaar het JA-woord geeft, voelt voor mij wel confronterend. Waarschijnlijk is dat de reden dat ik daar nooit echt plezier aan beleefd heb.

Bij een rechtszaak kunnen getuigen optreden. Zij hebben iets gezien of gehoord. Als je lid bent van een religieuze gemeenschap noemt men dat volgens mij ook getuigen.

Getuigen betekent uiteindelijk bewijzen, denk ik.

Zo kwam er vandaag een e-mail binnen van het CBR dat de gezondheidsverklaring van een onafhankelijk neuroloog was ontvangen.

Direct loopt de spanning in mij op. Iedere keer weer gekeurd worden. Om dit. Om dat. Alsof ik zelf niet capabel ben om te beoordelen of ik nog kan autorijden of niet. Al veertig jaar moet ik na onderzoeken opnieuw een rijtest afleggen. Terwijl ik beter kan rijden dan lopen. Mijn auto is mijn beste maatje.

In feite was de neuroloog ook een getuige.

Na eerst nog even een snauw en een grauw richting mijn liefste te hebben gegooid, ontdekte ik dat het CBR voor het eerst in exact vijfenveertig jaar heeft besloten dat ik géén rijtest meer hoef af te leggen na beoordeling van de specialist.

Pfffft…

Niet dat ik bang ben voor zo’n test. Ik rijd graag. Het zit hem meer in het idee van regels, moeten, afhankelijkheid, controle, angst… noem maar op.

Rituelen zijn mooi, maar vaak ook vastgeroest. Getuigen lijkt op bewijzen, wat vervolgens weer snel kan veranderen in een oordeel.

De rebel in mij voelt zulke ketenen direct.

Misschien verlangt een mens tegelijk naar verbinding én naar vrijheid. 

Misschien schuilt precies daar de spanning van het bestaan: 

gezien willen worden zonder vastgezet te worden. 

En misschien is liefde op haar mooist wanneer iemand getuige durft te zijn van jouw leven, zonder er bezit van te maken.

 

 

 

 

 

 

Voorbij de woorden

 

13 mei 2026

Soms kom je een paar zinnen tegen die blijven haken. Niet omdat je het er direct mee eens bent, maar juist omdat iets in jezelf begint te bewegen. Vandaag gebeurde dat bij een tekst van Robert Anton Wilson.

“Om te eten moet je hongerig zijn.
Om te leren moet je onwetend zijn.
Onwetendheid is een onderdeel van leren.
Pijn is een onderdeel van gezondheid.
Passie is een onderdeel van denken.
Dood is een onderdeel van leven.”

Mijn eerste reactie was vreemd verdeeld. Bij sommige zinnen voelde ik direct: ja. Bij andere: nee… wacht eens even. En toen weer: misschien toch. Alsof mijn systeem niet zozeer reageerde op de woorden zelf, maar op de lagen eronder.

Vooral bij de zin “Passie is een onderdeel van denken” bleef ik hangen. Is passie niet eerder een vorm van intensiteit? En is denken eigenlijk wel altijd bewust? Wanneer wordt denken voelen? Of verwerken? Of waarnemen?

Het gesprek dat daarna ontstond bracht me steeds verder weg van de oorspronkelijke tekst en tegelijk juist dichterbij de kern ervan. Want wat bedoelen wij eigenlijk wanneer we zeggen dat we “denken”?

De meeste mensen bedoelen daar woorden mee. Redeneren. Analyseren. Bewust conclusies trekken. Maar ik vraag me steeds vaker af of dat maar een heel klein deel is van wat er werkelijk gebeurt in een mens.

Ons lichaam verwerkt ook. Dromen verwerken. Stilte verwerkt soms iets. Kunst verwerkt. Soms begrijp je iets pas maanden later, terwijl het allang onderweg was in jezelf zonder woorden.

En misschien gebeurt daar ook precies het misverstand tussen mensen.

Wij gebruiken dezelfde taal, maar verstaan vaak totaal verschillende dingen. Twee mensen kunnen exact dezelfde zin horen en toch ieder een andere werkelijkheid ervaren. De één hoort veiligheid waar de ander controle hoort. De één hoort vrijheid waar de ander verlatenheid voelt. En omdat de woorden hetzelfde zijn, denken we dat we elkaar begrijpen.

Misschien is “verstaan” daarom wel een bijzonder woord. Ver -staan. Alsof we soms juist op afstand van elkaar staan in betekenis.

Ik merk dat ik daar snel moe van kan worden. Vooral wanneer ik naar gesprekken luister waarin veel woorden worden gebruikt, veel wordt uitgewisseld, maar ik tegelijk voel dat beide mensen eigenlijk in totaal verschillende gesprekken zitten. Dan denk ik weleens: ze hadden net zo goed Chinees en Russisch kunnen praten. Niet omdat ze dom zijn, maar omdat ieder vanuit een andere innerlijke wereld luistert.

Mijn jongste zoon leerde mij daar vroeger enorm veel over. Hij nam taal letterlijk. Spreekwoorden of dubbelzinnigheden werkten bij hem niet vanzelf. Soms kon hij helemaal overstuur raken wanneer iets anders bedoeld bleek dan letterlijk gezegd werd.

Later zei hij dan:
“Maar mama, dat heb je toch gezegd?”

En als Michel en ik dan teruggingen naar het gesprek, bleek vaak dat hij technisch gezien gelijk had. Wij bedoelden iets anders, maar hadden dat niet daadwerkelijk uitgesproken. Het maakte ons veel bewuster van hoe slordig gewone communicatie soms eigenlijk is. Hoeveel mensen impliciet verwachten dat de ander wel “tussen de regels door” leest.

Misschien heeft mijn zoon mij daardoor geleerd om beter te luisteren naar taal. Niet alleen naar woorden, maar naar betekenis, intentie en interpretatie.

En misschien begon dat hele inzicht vandaag gewoon met een klein gedichtje op internet.

Misschien zijn woorden geen vaste vormen,
maar tijdelijke bruggen tussen innerlijke werelden.
En misschien verstaan we elkaar niet werkelijk
wanneer we dezelfde woorden gebruiken,
maar pas wanneer twee werkelijkheden elkaar heel even raken.

 

 

 

 

 

 

Dansen met mijn eigen ritme

 

12 mei 2026

Nu is Ton ziek. Ondanks dat er bij mij, buiten koorts en algehele malaise, niets specifieks te vinden leek, heeft hij toch een virus te pakken gekregen. Keelpijn, schorheid, dikke ogen, vuurrode wangen en koorts.
Ik ben vandaag pas om 12.30 uur gaan trainen, nadat ik eerst naar de bloedbank was geweest. Het voelde wat onwennig, maar eigenlijk voelde ik me best goed. En het mooiste: er was helemaal niemand op de sportschool. Geen sporters, zelfs geen trainers. IDEAAL.
In plaats van drie rondjes heb ik er rustig vijf gedaan. Niet op volle kracht, geen enorme inspanning, maar precies genoeg. Ik voelde me daarna beter dan toen ik binnenkwam. De afname van kracht viel mee, al merkte ik wel dat ik dieper moest ademhalen om mijn hartslag stabiel te houden.
Die lege sportschool voelde werkelijk als een cadeau voor mijn systeem. Ik merk heel sterk sfeer, prikkels en belasting op. Bij mij kost sociale en sensorische input óók energie, niet alleen de training zelf. Zo’n rustige ruimte maakt dan een enorm verschil.
Het is werkelijk een droom om zelf een ruimte te hebben met deze apparatuur. Iedere dag trainen in stilte, volledig gericht op mijn lichaam. Heel even heb ik kunnen ervaren hoe dat zou zijn. Een uur lang alleen in de fitness… dan ga je toch bijna geloven in voorzienigheid.
Doordat het zo rustig was, kon ik in plaats van drie rondjes zonder moeite vijf rondjes doen. Heel bewust zonder spanning of prestatiedrang. Gewoon beweging. Daarna voelde ik me echt goed, en dat gevoel bleef ook.
Kennelijk heb ik een modus gevonden tussen opbouw, afbraak en herstel.
Het zit hem blijkbaar niet in willen, moeten of bewijzen, maar in eerlijk afstemmen en voelen.
Nooit heb ik werkelijk beseft hoeveel druk ik altijd op mezelf gelegd heb om “gewoon” te kunnen functioneren. Achteraf zie ik dat ik eigenlijk voortdurend de strijd ben aangegaan met mijn lichaam. Vanuit conditioneringen, vanuit beeldvorming over mezelf, en vooral vanuit hoe ik dacht dat de buitenwereld mij zou zien.
Wat kan een mens zichzelf toch veel aandoen.
Ziek zijn of een handicap hebben betekent nu eenmaal dat je fysiek anders bent dan anderen. Dat is eigenlijk een vrij eenvoudig gegeven. Je zou denken dat het daardoor makkelijk te accepteren is. Helaas reageren mensen vaak anders op mensen die lichamelijk afwijken. Daar wringt bij mij waarschijnlijk de schoen.
Ik ben niet zielig. Integendeel zelfs, zou ik zeggen.
Juist doordat ik dingen mis, heb ik andere kanten sterker ontwikkeld. Het heeft me inventief gemaakt, zelfstandig en opmerkzaam. Ik verloor iets, maar kreeg daardoor ook de mogelijkheid om andere delen van mezelf verder te ontwikkelen. Dat maakt me niet minder mens, maar juist volledig mens.
Alleen… de maatschappij keurt lichamelijke afwijking vaak onbewust af. En dát schuurt.
Uiteindelijk komt het neer op één vraag: hoe ga ik met al die verschillende kanten om?
De wereld en de mensen om mij heen kan ik niet veranderen. Dat is waarschijnlijk ook niet de bedoeling. Misschien moet ik het leven meer leren zien als een ritmische dans. Met mijn mogelijkheden zal ik het ritme van de wereld en de mensen om mij heen moeten vinden.
Niet strak geleid als een ballroomdanser. Meer losjes. Mee bewegen. Op mijn manier.
Ja… dat vind ik eigenlijk wel een mooi beeld.
Nu ik me weer beter voel, dans ik weer mee op het ritme van de wereld om mij heen.

Misschien vraagt het leven niet altijd om vechten of overwinnen, maar om leren luisteren naar het eigen ritme onder alle ruis vandaan.

Misschien ontstaat echte kracht niet wanneer een mens zichzelf voortdurend overstemt, maar juist wanneer lichaam, gevoel en beweging eindelijk samen mogen vallen.

En misschien is vrijheid soms niets groters dan zonder schaamte durven bewegen zoals je werkelijk bent.

De veilige plek van boosheid

 

11 mei 2026

Ik heb twee huisartsen, twee dames die volgens mij allebei een halve baan hebben. Meestal krijg ik dezelfde, degene met wie het niet echt klikt. Vanochtend had ik een afspraak, om verschillende redenen. In eerste instantie om te achterhalen waar ik deze week zo acuut flink ziek van ben geworden. Daarnaast wil ik, na een moeizaam jaar, een zeer uitgebreid bloedonderzoek laten doen om te zien hoe het er nu werkelijk voor staat.

Thuis had ik mezelf al voorbereid. Ik zou vriendelijk blijven, maar wel duidelijk vertellen hoe ik haar als huisarts ervaar. Niet tegen Ton zeggen natuurlijk, want die gaat het meteen relativeren en zeggen dat ik het misschien anders moet bekijken.

Kom ik daar aan, licht opgefokt vanbinnen, krijg ik uitgerekend de leuke van de twee. Voor het eerst in mijn leven bereid ik me bewust voor om iemand min of meer de les te lezen… en dan gaat het niet door. Dat was echt even een innerlijke schakeling die ik moest maken. Op hetzelfde moment besefte ik ook dat het misschien beter is om een gesprek op een normale manier in te gaan, in plaats van direct al mijn frustraties en grieven op tafel te gooien.

Mijn huisarts luisterde goed. We konden lachen en eerlijk zijn. Er zijn onderzoeken die ik weiger, omdat ik nu al weet dat ik met bepaalde uitslagen toch niets zou doen qua behandeling. Ton zou alles willen weten, maar voor mij voelt dat soms zinloos. Dit keer begreep mijn huisarts dat eigenlijk wel. Ze vroeg alleen waar ik dan nog wél okay mee ben. Een terechte vraag.

Ze begrijpt mijn frustratie en gaf eerlijk toe dat ze niemand kent met CMT. Ze snapt ook dat specialisten deze ziekte vaak onvoldoende meenemen in hun afwegingen rond behandelingen, simpelweg omdat ze er nauwelijks ervaring mee hebben.

De voorlopige conclusie:
morgen bloed laten prikken en opnieuw uitgebreider urineonderzoek doen.

Eenmaal thuis sloeg de spanning er alsnog uit. Ik werd enorm obstinaat en gooide de meest vreselijke uitspraken richting Ton eruit. Dat ik al die mensen die denken slim te zijn wel voor hun kop kan schieten en dat, als niemand me serieus neemt, ik uiteindelijk zelf maar moet overleven en dan wel de last woman standing zal zijn.

NOU GAAT LEKKER MET MIJ HÈ?

Natuurlijk slaat het nergens op. Maar blijkbaar moest de frustratie er toch uit.

En misschien zegt dat ook iets belangrijks:
thuis, op een plek waar ik me veilig voel, bij iemand die veilig voelt, durf ik volledig los te laten wat ik normaal inhoud.

Want eerlijk?
Na een CVA, een zeldzame ziekte, jarenlang aanpassen, artsen die vaak weinig weten van CMT, lichamelijke signalen die ik zelf heel duidelijk voel, én nu opnieuw zo’n heftige lichamelijke ervaring… is het misschien helemaal niet vreemd dat er boosheid omhoogkomt.

Psychologisch wordt vaak gezegd dat wanneer iemand langer dan twee weken ziek is, ziekte óók een psychische laag krijgt. Dus wat doet drieënzestig jaar leven in een lichaam dat voortdurend aandacht vraagt met een mens?

Ik hou veel in. Ik ben vaak stoer in mijn gedrag. Maar vooral sinds mijn CVA heb ik steeds minder behoefte om compromissen te sluiten met mijn eigen gevoelens en frustraties hierover.

Die ruimte geef ik mezelf nu, met liefde.

Alleen… iets meer balans zou misschien beter zijn.
Voor mij.
En voor mijn omgeving.

In dit geval:
Ton.

Misschien is boosheid niet altijd het probleem,

maar de plek waar verdriet,

machteloosheid en uitputting eindelijk even mogen bestaan.

Misschien is veiligheid juist dát: ergens zo jezelf mogen zijn,

dat zelfs je lelijkste emoties geen einde maken aan de verbinding.

En misschien begint balans niet met het wegdrukken van gevoelens,

maar met leren hoe ze mogen bewegen zonder alles omver te trekken.

 

 

 

 

 

 

 

Vrij zijn

 

10 mei 2026

Vandaag is de derde dag dat ik min of meer in mijn bed doorbreng. Ik slaap veel, maar blijf gek genoeg moe. Morgen zal ik even langs de huisarts gaan. Misschien heb ik echt wat onder de leden, misschien word ik moe van simpelweg te lui te zijn nu. Morgen ga ik dat uitzoeken. Aan beide opties valt vast iets te doen.

Tussen mijn dutjes door heb ik tijd gehad om in te voelen wat relaxt zijn eigenlijk betekent voor mij. Ontspanning ligt bij mij bij niets hoeven, alles mag. Geen enkele dwang, verplichting, richting of wat dan ook.

Het lezen van De relaxte vrouw. Waarom is dat gaan schuren bij mij ?

Moderne ideeën lijken wel weer snel nieuwe regels te worden. Zelfs vrijheid kan ongemerkt weer een norm worden.

Vandaag wilde ik nog dieper kijken, meer existentieel. Want blijven we niet vastlopen als we alles maatschappelijk blijven bekijken ? Wat als we dat loslaten en kijken naar de mens an sich ?

Waarom vooral blijven kijken naar de vorm waarin ideeën verschijnen ? Zelfzorg, ontspanning, authenticiteit, vrouwelijkheid, prestatiecultuur. Daaronder voel ik een veel groter existentieel punt liggen: waarom blijft de mens überhaupt steeds nieuwe systemen bouwen ? Zelfs rond vrijheid ?

Misschien omdat een mens moeilijk kan verdragen dat er geen vaste handleiding is.

Dus maken we telkens opnieuw kaders. Vroeger religie, daarna discipline, nu authenticiteit, zelfzorg en bewust leven. Volgens mij zijn het allemaal pogingen om grip te krijgen op iets dat misschien helemaal niet grijpbaar is.

Het gaat er denk ik niet om wie gelijk heeft, maar eerder waarom de mens steeds weer een stroming, richting of nieuwe overtuiging nodig heeft.

Dan verschuift het van vrouw/man of ontspanning/prestatie naar iets veel fundamentelers: kan een mens eigenlijk leven zonder zichzelf voortdurend te definiëren ? Zonder ideaalbeeld ? Zonder nieuwe regels ? Zonder identiteit als houvast ?

Dit soort vragen komen bij mij op.

Dat is waarschijnlijk de reden dat het gebruik van de woorden ‘authentiek leven’ bij mij schuurt. Authenticiteit kan dan alsnog een prestatie worden. Een identiteit. Een moreel ideaal. Terwijl echt bestaan misschien veel beweeglijker, tegenstrijdiger en ongrijpbaarder is.

Zodra een gedachtegoed, hoe aannemelijk ook, te sluitend wordt, voel ik ergens ruimte verdwijnen.

Ik denk dat authenticiteit ruimte nodig heeft als voorwaarde. Vanuit de kwantumfysica weten we dat alles beweegt. Zelfs de meest vaste, dichte stof beweegt. Een mens die alle kanten op mag en kan bewegen leeft in vrijheid.

Dus voor mij is authenticiteit gekoppeld aan vrijheid. VRIJ ZIJN.

Misschien is een mens niet bedoeld om zichzelf definitief vast te leggen.

Misschien leven we juist in de beweging ertussenin.

Tussen weten en niet weten.

Tussen vorm en vrijheid. T

ussen houvast zoeken en het weer los durven laten.

Misschien begint vrijheid pas echt wanneer niets meer volledig hoeft te kloppen

— zelfs wijzelf niet.

 

 

 

 

 

 

 

Ontspannen moeten

 

9 mei 2026

Gisteren ben ik begonnen naar aanleiding van psychologe Nicola Jane Hobbs te kijken hoe een relaxte vrouw ik eigenlijk ben in haar ogen. Zij had volgens mij twaalf kaartjes verzonnen die je zouden helpen herinneren aan enige ontspanning. Het blijken er maar negen te zijn, dus de laatste drie bedenk ik zelf. Wat ontspant mij eigenlijk echt ?

De laatste suggesties van Hobbs.

Al uit het raam gestaard ?
Ik staar denk ik niet echt. Ik kan naar buiten kijken en in mijn geval de groene kruinen van de bomen bekijken, de vogels die in en uit de kruin vliegen. Maar staren zie ik meer als gedachteloos kijken en niet echt opmerken wat je ziet. Dat gebeurt bij mij zelden tot nooit. Ik neem eigenlijk altijd waar waar ik naar kijk. Of staren per se ontspannend is weet ik niet echt. Gevoelsmatig denk ik eerlijk gezegd juist niet.

Je bent al goed zoals je bent.
Dat is een heel ambivalent gevoel in mij. Aan de ene kant voel ik me heel onzeker, niet gezien. Aan de andere kant ben ik juist heel zeker. Ik weet wat ik kan, wat ik wel of niet wil. Ik laat me absoluut niet leiden door hoe men vindt dat het moet. Ik bewandel mijn eigen pad, mijn eigen visie, ook al is de hele wereld het er niet mee eens. Dus er leven twee extremen in mij.

Een ding tegelijk.
Meestal doe ik twee, het liefst drie dingen tegelijk. Hahaha. Als ik maar één ding doe, val ik vaak in slaap. Dat is dan wel de ultieme ontspanning natuurlijk. Maar is dat de ontspanning die bedoeld wordt ? Wat is ontspanning precies ? Fysiek ? Mentaal ? Allebei ?

Dit waren de suggesties van Hobbs, maar wat doe ik zelf om te ontspannen ?

Hou eens een pyjamadagje.
Vooral in de winter hou ik pyjamadagen voor mezelf en voorheen ook met de kinderen. Dan maakten we in de woonkamer een groot bed en bivakkeerden we dag en nacht op de grond. Tv kijken, spelletjes doen. Lekker in mijn eigen ruimte helemaal niets moeten, alles kan.

Fietsen in de natuur, zonder doel.
Voor mij pure ontspanning. Geen geluid van verkeer, maar van vogels en ritselende bladeren. Zoemen van insecten, kleuren, weer en wind.

Alleen zijn.
Ik vind het heerlijk om alleen te zijn. Niemand die iets zegt of vraagt. Mobiel uit, communicatie nihil maken. Stilte in en om me heen. Voor mij misschien wel het meest ontspannen moment.

Het klinkt misschien allemaal logisch, maar ik vraag me toch af of dit voor iedereen manieren zijn om te ontspannen.

Modern en hip, zo’n nieuw boek geschreven door een knappe vrouw. Moderne ideeën lijken wel weer snel nieuwe regels te worden. Ontspanning tegenover prestatie. Zachtheid tegenover kracht. Vrouw tegenover man. Hoe hip of nieuw is dat eigenlijk ? Ik weet het niet.

Tijdens mijn studie klinische psychologie merkte ik ooit al op dat het mooi was om te lezen, maar uiteindelijk allemaal wel heel plausibel werd. Het klinkt aannemelijk, logisch zelfs, maar toch kwam ik innerlijk in de knoei. Waarom ? Daar wil ik morgen over schrijven. Het heeft te maken met wat Hobbs ‘authentiek leven’ noemt. Diep van binnen gaat het bij mij dan toch schuren.

Misschien ontspant een mens pas echt wanneer niets meer hoeft.

Zelfs ontspanning niet.

Misschien begint authenticiteit niet bij een nieuw ideaalbeeld,

maar juist bij het moment waarop je merkt dat iets van binnen zacht begint tegen te stribbelen.

Niet uit verzet, maar omdat iets in jou zegt :

wacht even… klopt dit eigenlijk wel voor mij ?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoe relaxt ben ik eigenlijk?


8 mei 2026

Ik lees een stukje van Nicola Jane Hobbs, een psychologe die zich realiseerde dat ze eigenlijk geen ontspannen vrouwen kende. Vrouwen zorgen, cijferen zichzelf weg, en ondertussen wordt er ook nog ambitie van hen verwacht. Ze ging daarom op zoek naar manieren om authentieker te leven.

Dat maakt me meteen nieuwsgierig. Wat is eigenlijk relaxt? Wanneer wordt zorg een vorm van stress? Wat doet wegcijferen met een mens? En waarom lijkt ambitie nog steeds iets wat eerder bij mannen hoort dan bij vrouwen?

Maar de grootste vraag vind ik misschien wel:
wanneer ben je authentiek?

Ze bedacht kaartjes met korte quotes om in je tas te stoppen of achter je telefoon te plakken. Kleine reminders op plekken waar je vaak kijkt. Hoe gooi je eigenlijk je interne to-do-lijst de deur uit?

Ik vind het in ieder geval interessant om de twaalf kaartjes te bekijken en te voelen hoe ik daar zelf mee omga.

“Nuttig zijn wordt overschat.”

Ja… ik denk dat de meesten van ons zo zijn opgevoed. Ik zeker. Vrij streng zelfs, vergeleken met mijn omgeving. Langzaam lukt het me beter om dat los te laten, simpelweg omdat ik besef dat rust ook goed is voor mijn gezondheid.

En toch voel ik me vaak trots als ik nuttig ben geweest. Alsof ik dan iets goed heb gedaan.

“Met een rommelig huis is niets mis.”

Hahaha… vanochtend schreeuwde ik nog tegen Ton dat de vlekken op de keukenkastjes echt niet konden. Het is maar vuil, je kunt het schoonmaken. “Ja, direct!”, denk ik dan.

Rommel maakt me onrustig. Vroeger moest letterlijk alles op de millimeter goed staan. Als ik thuiskwam, ging ik eerst alles rechtzetten. Een pleegdochter heeft het daar nog steeds over.

Dat extreme heb ik inmiddels losgelaten, maar makkelijk vind ik het nog steeds niet. En als ik het even wél los kan laten, ben ik trots op mezelf. Helaas hou ik dat meestal niet heel lang vol.

“Al een ommetje gemaakt?”

Die is makkelijk. Ja. Ik probeer iedere dag een rondje te fietsen. Even naar buiten, de lucht voelen, de wind, de temperatuur. Dat is iets waar ik bewust zorg voor draag.

“Wees zo lui als je kunt.”

Toevallig ben ik momenteel ziek en lig ik vandaag in bed. Ik voel me alweer veel beter, maar uit respect voor mijn lichaam blijf ik toch nog rustig liggen. Met de televisie aan, een boek erbij en mijn laptop op schoot.

Het bijzondere is misschien nog wel dat ik me daar niet meer schuldig over voel.

Ik ben opgegroeid met:
“Luiheid is des duivels oorkussen.”

Dat dat schuldgevoel langzaam verdwijnt, daar ben ik eigenlijk heel blij mee.

“Neem je tijd, het komt goed.”

Dat is misschien juist weer één van mijn talenten. Dingen die ik niet direct kan veranderen, kan ik vaak uiteindelijk ook loslaten. Dan vertrouw ik erop dat er vanzelf een oplossing, richting of nieuw moment ontstaat.

En als ik eenmaal in beweging kom, dan gaat het meestal snel.

“Vandaag hoef je helemaal niets.”

Zo begin ik mijn dag tegenwoordig soms bewust. Opvallend genoeg doe ik uiteindelijk vaak alsnog van alles. Alleen voelt het anders wanneer het niet moet.

Geen plicht. Geen opgelegd schema. Geen verantwoordelijkheid die op mijn schouders hangt.

Alles mag.

En dat voelt eigenlijk best ontspannen.

Aangezien ik dit weekend thuis blijf om goed te herstellen, ga ik morgen verder met de andere zes kaarten.

Ik ben benieuwd hoe relaxt ik uiteindelijk werkelijk ben.

Wanneer doe je iets
omdat het moet—
en wanneer omdat het klopt?
En hoeveel rust ontstaat er
wanneer niets meer bewezen hoeft te worden?
Misschien is ontspannen niet niets doen,
maar jezelf iets minder strak vasthouden.

 

 

 

 

 

 

 

De stilte van herstel

7 mei 2026

Gisteren leek het alsof mijn lichaam ineens besloot dat het genoeg was geweest.
Nog geen dag eerder stond ik gewoon te trainen. Zweten, bewegen, kracht zetten. Niet perfect, wel stabiel. Tot dat moment in de sportschool waarop een vrouw vlak naast mij hard zat te hoesten. Ik weet nog dat ik dacht: dit voelt niet goed. Daarna verdween het weer uit mijn aandacht.

Pas later begon het.

Eerst het suizen in mijn hoofd. Een vreemd gevoel van instabiliteit. Alsof mijn systeem ineens geen grip meer kreeg op zichzelf. In een paar uur tijd veranderde alles. Koorts. Spierpijn. Pijn in iedere cel van mijn lichaam. Het gevoel alsof letterlijk het licht uitging. Niet dramatisch bedoeld, maar echt fysiek zo ervaren. Ik kon niets meer. Geen concentratie, geen helderheid, alleen nog liggen.

Ton gaf me om de paar uur paracetamol. Verder herinner ik me eigenlijk vooral flarden. Het vreemde is dat mijn Fitbit later liet zien dat ik nauwelijks had geslapen, terwijl ik gevoelsmatig bijna buiten bewustzijn ben geweest. Misschien is dat maar goed ook. Wanneer een lichaam zó ziek is, neemt het blijkbaar tijdelijk de regie over. Denken verdwijnt dan naar de achtergrond. Er blijft alleen nog overleven en herstellen over.

Vandaag werd ik wakker met nog wat koorts, maar het echte ziek-zijn leek verdwenen. Alsof de storm alweer verder trok. Ik bleef wel de hele dag in bed. Niet omdat het moest van iemand anders, maar omdat ik voor het eerst voelde dat herstel niet hetzelfde is als direct weer doorgaan.

Dat is misschien nog wel de grootste verandering.

Vroeger ging ik weer bewegen zodra ik me iets beter voelde. Doorzetten. Niet zeuren. Terug naar normaal. Maar steeds vaker begin ik te begrijpen dat gezondheid niet alleen zit in kracht opbouwen, maar ook in het behouden ervan. In rust toelaten wanneer het lichaam daarom vraagt.

Niet stoer. Niet bewijzen. Niet vechten tegen een grens.

Gewoon luisteren.

En misschien is dat uiteindelijk óók een vorm van kracht.

Misschien verandert herstel pas echt wanneer je niet langer probeert het lichaam te overwinnen,
maar langzaam leert er mee samen te werken.
Niet iedere stap vooruit hoeft bevochten te worden.
Soms ontstaat vooruitgang juist in het stil durven blijven liggen
tot het leven vanzelf weer terugkeert in het lichaam.

 

 

 

 

 

 

 

Wie ben ik?


6 mei 2026

Wie ben jij? Wie ben ik? Een vraag voor een essay om toegelaten te worden tot een universiteit. Of tijdens een sollicitatiegesprek. Een vraag van iemand op een feestje die serieus en geïnteresseerd wil lijken.

Vroeger zou ik daar uitgebreid antwoord op hebben gegeven. Maar zelfs toen zou ik niet hebben gezegd: “Ik ben Annette Groen en ik ben doktersassistente, yogalerares of schilderes.” Nee, zelfs toen zei ik eerder: “Mijn naam is Annette Groen en tegenwoordig houd ik me bezig met…”

Nu zou mijn antwoord waarschijnlijk zijn: ik weet niet wie ik ben.

Wat vraagt iemand eigenlijk wanneer die vraag gesteld wordt?

Ik weet wie mijn ouders zijn — al was zelfs dat soms ingewikkeld. Ik weet wat ik doe en waar ik van hou. Maar ook dat verandert door de jaren heen.

Er zijn zoveel versies van Annette geweest. Teruggetrokken. Vol in de aandacht. Bijna onzichtbaar. Niet over het hoofd te zien. Met harde meningen. Nuchter. Vriendelijk. Empathisch.

Ook mijn partners waren totaal verschillende types. Bij iedere relatie ontwikkelde ik weer een andere kant van mezelf. Angsten die ooit richting gaven verdwenen later weer, waardoor mijn leven opnieuw een andere kant op kon bewegen.

Geboren worden met een handicap gaf mij een duidelijk zichtbaar kenmerk — maar de kleur van mijn ogen doet dat ook. Gekleurde lenzen kunnen dat veranderen. En zelfs de manier waarop ik met mijn handicap omga staat niet vast.

Slachtoffer zijn. Soms ook de beul. Ga zo maar door.

Wie ben ik?

Kies maar uit. Ik ben het allemaal.

Voor de mensen die je ontmoet, ben je vaak degene die ze op dát moment hebben leren kennen. Was ik de losbol, dan blijf ik dat in hun herinnering. Was ik de serieuze filosoof, dan blijft dat beeld hangen.

Bij familie werkt het anders. Zij verbinden mijn gedrag aan een stuk van zichzelf. Ik ben hun spiegel, en iedereen houdt een andere spiegel voor. Andersom werkt het natuurlijk precies zo.

Toch hoop ik dat ik de mens — wie het ook is — blijf zien als iemand met oneindig veel gezichten en mogelijkheden. Dat is eerlijk gezegd niet altijd makkelijk.

Een etiket plakken is simpel. Maar misschien mis ik dan iets. Iets wat ik nog niet heb kunnen zien.

Wie ben je— zonder je rollen, je verleden, je overtuigingen? 

En hoeveel gezichten draagt een mens zonder het zelf te beseffen? 

Misschien zijn we niet één verhaal, 

maar een beweging die steeds iets nieuws laat zien.

 

 

 

 

 

 

 

Waar licht en schaduw elkaar raken


5 mei 2026

In Nederland is het vandaag officieel Bevrijdingsdag. Gisteren was het 4 mei, dodenherdenking. Gelukkig is die herdenking inmiddels breder geworden dan alleen de Tweede Wereldoorlog. Stap voor stap zijn ook andere groepen en latere militaire slachtoffers daarin opgenomen. Het is goed dat dit benoemd wordt, zodat mensen zich niet vergeten voelen.

Dit jaar heb ik er bewust voor gekozen om niet naar televisie te kijken. Alleen rond acht uur heb ik even naar de herdenking op de Dam gekeken. Meer niet. De confrontatie maakt dat ik huil — en blijf huilen.

In een klein kapelletje, ergens onderweg tijdens het fietsen gisteren, heb ik iets geschreven. Ter nagedachtenis aan Michel, zijn familie — en daarmee ook de familie van mijn kinderen.

Als ik denk aan de pijn van toen, en hoe die doorwerkt in volgende generaties, vraag ik me soms af: zijn er nog mensen zonder trauma? We dragen allemaal iets mee. Vanuit ons eigen leven, of vanuit wat ons is doorgegeven.

Ik weet inmiddels dat zulke ervaringen zelfs in het DNA worden vastgelegd en doorgegeven.

Misschien is niemand vrij van die schaduwkanten.

Het is goed om daar af en toe bij stil te staan. Om het te voelen. Die Weltschmerz, die wereldpijn. Als land samen een moment van verbinding te hebben — ook in dat.

Oorlog is niet te rechtvaardigen. Dat voelt voor mij heel duidelijk. En tegelijk zie ik het ook als een schaduwkant van de mensheid. Iets wat er is, zolang er mensen zijn.

Wanneer ik zie dat iemand pijn is aangedaan, voel ik mee. Natuurlijk. Dat is geen vraag.

Maar het wordt benauwend wanneer iemand denkt de enige te zijn met die pijn. Alsof het los staat van alles en iedereen. Want wie draagt het niet in zich, op de een of andere manier?

Dat maakt het niet kleiner. Het maakt het misschien juist draaglijker.

Ik bagatelliseer het niet. Maar ik zie het ook als een onvermijdelijke schaduwkant van de mensheid.

Dan denk ik aan kintsugi, de Japanse techniek die ik soms in mijn schilderijen gebruik. De gouden breuken benadrukken de barsten als onderdeel van de geschiedenis. Niet iets wat verborgen moet worden, maar iets wat het object juist sterker en unieker maakt.

Zou dat ook voor de mens gelden?
Worden we door alles wat we meemaken — zelfs oorlog en verlies — misschien ook sterker?

Vandaag heb ik besloten na mijn ochtendtraining rust te nemen. Zoals zo vaak zit ik op bed, met de televisie aan, mijn laptop op schoot en mijn mobiel in de hand.

In een Argentijnse serie hoor ik iemand zeggen:
“In Japan zien ze schaduw als schoonheid.”

Ja, denk ik dan. Dat klopt.

Komorebi noemen ze dat — het spel van licht en schaduw. Schaduw is daar geen gebrek aan licht, maar een ruimte voor rust en contemplatie.

Voor mij is het belangrijk om niet in de pijn te blijven hangen, maar haar mee te nemen. Als een schaduw die er mag zijn.

En als die schaduw mag dansen met het licht…
dan ontstaat er misschien iets wat lijkt op heling.

Hoe draag je wat donker is—
zonder erin te verdwijnen?
En wat gebeurt er
als je het niet probeert weg te nemen,
maar het laat bewegen naast het licht?
Is heling dan iets wat je doet—
of iets wat ontstaat?

 

 

 

 

 

 

Wat verbrandt — en wat terugkomt


4 mei 2026

Ondanks een vreemde droom — eigenlijk meer een zin waar ik van schrok — heb ik goed geslapen. De hondjes hebben zich voorbeeldig gedragen in het hotel. Onze kleding was zo goed als droog.

We ruimen op, laden mijn auto vol en rijden naar de bus om de fietsen eruit te halen. Het is warm, een beetje benauwd. De lucht donker en dreigend.

Om elf uur zitten we op de fiets, om de omgeving van Noord-Brabant verder te verkennen via ANWB-routes. Zo makkelijk, mijn telefoon op het stuur. Ik krijg het idee dat fietspaden per regio worden aangelegd — afhankelijk van hoeveel er geïnvesteerd wordt.

Langs de B-wegen, van dorp naar dorp, ligt vaak een breed fietspad voor twee richtingen. Maar zodra je het bos in gaat of langs weilanden fietst, worden het smalle, halfverharde paden van misschien een meter breed. Officiële routes, maar duidelijk met minder aandacht aangelegd.

In het bos lijken het soms meer mountainbikepaden: heuvelachtig, kronkelend en eigenlijk te smal voor mijn bakfiets. En dan nog tweerichtingsverkeer ook — iemand moet het struikgewas in als je elkaar passeert.

Ik vind het geweldig.

Het maakt het avontuurlijk. Ton moet lachen dat ik juist dat leuk vind. Voor iedere uitdaging vind ik wel een oplossing. Het is zwaarder dan strakke fietspaden, maar dat voelt dan weer als training.

Ik kijk altijd om me heen. Zie elk bloemetje, elk detail dat afwijkt. De bomen hier zijn opvallend oud, de grond hobbelig. Heuvelachtig is misschien te veel gezegd, maar er zijn wel hoogteverschillen van drie à vier meter. Veel heide, plassen en meren.

Ik fiets zo’n 18 kilometer per uur. Niet snel, maar ik neem alles in me op — bloemen om later op te zoeken, vogeltjes, kleine bewegingen.

Dan zie ik iets vreemds. Op de heide ligt een brandslang, zeker honderd meter verderop. Dat voelt niet logisch, zo midden in de natuur.

Even later zie ik donkere vlekken, als een panorama dat zich voor me ontvouwt.

Ik stop.

En ineens begrijp ik het.

Dit is de heide die een paar dagen geleden in brand heeft gestaan. Een militair oefenterrein — die bordjes had ik al gezien. Het was op het journaal.

Ik vertel het Ton en vraag hem een foto te maken. Van het zwarte landschap. En van de slang, als stille getuige.

Hij snapt niet hoe ik die slang zo snel en van zo’n afstand heb gezien. Maar hij weet inmiddels dat ik alles zie.

Ik moet denken aan Zuid-Afrika, waar ik ooit een gebied zag dat nog smeulde na een brand. Alles zwart. Daar zijn planten die juist ontbranden om hun zaad vrij te geven.

De sfeer was toen naargeestig.

Twee dagen later ging ik terug met mijn dochter om het haar te laten zien. Tot mijn verbazing was er al jong groen. Zelfs bloemen. In zo’n korte tijd had de natuur zich hersteld.

Hier zie ik hetzelfde. Zwarte stukken, ja. Maar ook het besef dat het zich weer herstelt.

Natuurlijk, het ene verhaal is natuur, het andere menselijk handelen.

De gebeurtenis lijkt hetzelfde. De omstandigheden zijn anders. Maar de uitkomst… misschien niet.

En dan vraag ik me af:

hoe zwaar moet je dat wegen?

Of maak ik het mezelf te makkelijk?

Wat zie je—
als je voorbij de gebeurtenis kijkt?
Is verwoesting een einde,
of een begin dat nog niet zichtbaar is?
En hoeveel van wat je voelt
wordt bepaald door wat je weet—
of door hoe je kijkt?

 

 

 

 

 

 

Tussen traditie en beweging


3 mei 2026

Tradities. Wat vind ik daarvan?

Het zijn gebruiken die generaties lang in stand worden gehouden. Koningsdag (vroeger Koninginnedag), Sinterklaas, Luilakken in het noorden, carnaval in het zuiden. Of bijeenkomsten bij geboorte, overlijden en huwelijken. Ze brengen mensen bij elkaar, los van alles wat hen ook weer kan verdelen.

Vandaag vielen we met onze neus in de boter. In het dorp waar we verblijven was het Gildedag. Achtenveertig gilden liepen mee in een optocht. Zo’n 1200 tot 1500 gildebroeders en -zusters. Keizers, koningen, standaardrijders, vendeliers en tamboers — alles kwam voorbij.

Opvallend hoe het hele dorp hiervoor uitloopt, en hoe vanzelfsprekend het is.

Voor mij was het de eerste keer dat ik dit zo zag. Al die mensen, serieus gekleed in middeleeuwse kledij. Natuurlijk heb ik daar respect voor. En tegelijk voel ik ook een lichte weerstand.

Hoe ver verbind je je identiteit aan een eeuwenoude traditie?
Is er ook ruimte voor verandering?

De dag begon met een mis in de kerk. Dan merk ik dat ik huiver voor starheid. Net zoals Sinterklaas voor mij niet meer helemaal van deze tijd is, voel ik dat ik ervan hou wanneer dingen meebewegen.

Beroepsverenigingen kunnen zich ook op andere, misschien creatievere manieren verbinden en laten zien wie ze zijn.

Ton wilde graag naar het veld waar na de optocht de ceremonie van de gilden zou plaatsvinden. Voor mij was het kijken naar de optocht genoeg. Zoveel mensen bij elkaar, en een sfeer waarvan ik niet goed wist hoe die voor mij zou voelen.

In plaats daarvan hebben we vier uur gefietst door de bossen en dorpen in de omgeving. In de stromende regen. Ondanks regenkleding waren we uiteindelijk tot op ons ondergoed doorweekt.

En toch… ik vond het leuk.

Thuis zou ik het niet in mijn hoofd halen om met dit weer te gaan fietsen of wandelen. Maar nu we weg zijn, doen we het gewoon. Het voelt sportief, verfrissend en gezond.

De hondjes zaten in de bakfiets, onder het zeil, lekker in hun mandjes. Af en toe kwam er een koppie naar buiten om te kijken — superschattig.

Een laadpaal vinden die het doet blijkt nog niet zo makkelijk. Dat stuk hebben we duidelijk nog niet onder de knie.

Op de hotelkamer trekken we snel onze natte kleren uit en zakken neer. We voelen dat een paar uur buiten zijn op deze manier toch vermoeiend is.

Ik ben benieuwd hoe de omgeving er morgen uitziet.

Het was weer een fijne dag.

Wat houd je vast—
en wat mag veranderen?
En hoe beweeg je
tussen wat blijft
en wat verschuift?

GILDEDAG 2026

De regen voorblijven


2 mei 2026

Weerberichten. De hele week zou het mooi weer zijn. Vandaag hebben we een hotel geboekt voor twee dagen, om van daaruit te gaan fietsen. Eerst naar de verjaardag van onze kleindochter, een uurtje fietsen door een bosrijke omgeving. Helemaal leuk.

Helaas geven de weerberichten ineens hevige stortbuien en onweer aan. Vanaf de middag, de hele avond en morgen ook. Mijn dochter appt zelfs om te vragen of we nog wel op de fiets komen.

Tegen Ton zeg ik dat we zo vaak slecht weer voorspeld krijgen als we weggaan, maar dat het uiteindelijk altijd meevalt. We besluiten met twee auto’s te gaan. Ton met de bus en de fietsen, ik met mijn eigen auto en de hondjes. In het hotel kijk ik nog een keer naar de buienradar en beslissen we wat we doen: toch fietsen of met de auto verder.

Het weerbericht verandert. Pas rond tien uur ’s avonds regen. We stappen dus toch op de fiets.

Hahaha, ik ga er eigenlijk altijd van uit dat het weer wel meewerkt. En anders hebben we regenkleding.

Normaal rijd ik rechtstreeks naar het huis van mijn dochter. Nu fietsen we eerst een uur door de omgeving waar ze woont. Het geeft me meteen een ander beeld van haar leven. Alleen al daarom ben ik blij dat we deze keuze hebben gemaakt. Nu al geen spijt van dit weekendje weg.

Op verjaardagsvisite gaan is niet mijn favoriete bezigheid. Eigenlijk heb ik er een hekel aan. In de zomer, als we buiten kunnen zitten, gaat het nog. Maar binnen word ik er vaak onrustig van. Nu we erheen fietsen, merk ik dat ik veel frisser en vitaler aankom.

Gelukkig zitten we buiten in de tuin. De hondjes zijn lief, dicht bij ons is genoeg voor ze.

De terugweg naar het hotel wordt een avontuur. De fiets-TomTom stuurt ons via bospaden, onverhard, door mul zand. Met de bakfiets is dat zwaar. Regelmatig moet ik afstappen en duwen. Soms neemt Ton het even over. Het zand is zo los en hobbelig dat mijn enkels als luciferhoutjes buigen en ik in het zand val.

Het zweet loopt langs mijn lichaam.

Het enige wat ik denk: ik heb vanmorgen niet getraind — dit is mijn training.

Ik zeg lachend tegen Ton dat ik het eigenlijk wel fijn vind om even af te zien.

We fietsen richting de ondergaande zon, een blauw-rode lucht voor ons. Achter ons pakken de wolken zich donker samen. We voelen een paar druppels, maar blijven de bui voor.

Een enerverende dag. Met de bus, de fietsen en de hondjes op pad.

Wel leuk.

Ik heb zin in morgen.

Hoe vaak laat je je leiden
door wat er misschien komt?
En wat gebeurt er
als je toch gewoon gaat—
en onderweg ontdekt
dat het precies goed is?

 

 

 

 

 

 

 

Wat blijft — en wat verdwijnt


1 mei 2026

Geheugen… hoe werkt dat eigenlijk?

Ik merk dat het bij mij heel selectief is. Dingen die indruk hebben gemaakt — emotioneel, pijnlijk of juist een hoogtepunt — zijn me bijgebleven. Woorden, zinnen, beelden. Maar juist de interactie met mensen vaak niet.

Vooral als ik een gezamenlijk verleden deel met iemand, blijkt dat de ander heel andere herinneringen heeft vastgehouden. Dat merk ik bij mijn zus, mijn kinderen, en vandaag ook bij mijn pleegdochter. Ze haalde herinneringen op die voor haar veel betekenden. Ik kon me de situatie wel voorstellen, maar me er niets meer van herinneren.

Ervaarde ik vroeger veel dingen als neutraal?
Heeft mijn geheugen ze daarom losgelaten?

Ik merk bij mezelf veel verschuivingen — in hoe ik ooit was en wie ik nu ben. Soms voelt het zelfs alsof ik gespeeld heb met mijn karakter. Stil, onzichtbaar, assertief, brutaal, uitdagend, speels, aanwezig, onzeker, afstandelijk — ik ben het allemaal geweest, in verschillende periodes.

Veel mensen zijn passanten geweest in mijn leven. Anderen zijn altijd gebleven.

Spanning en stress had ik lange tijd nodig om in beweging te komen. De rust die ik nu ervaar is daardoor wennen. Soms verwarrend. Soms zelfs een beetje saai.

Maar die rust geeft ook ruimte. Ruimte om innerlijk te bewegen. Ik zie het, ik voel het, maar het is nog een vrij onontgonnen pad. En dat maakt het dan weer spannend.

Vanmiddag ging het gesprek ook over een gezamenlijke vriendin van vroeger, die ik al vijftien jaar niet heb gezien. Ze stuurde me een e-mail met veel bijlagen — bijna een boekwerk. De intensiteit die ik me van haar herinner, kwam daarin duidelijk naar voren.

Mijn eigen houding is veranderd. Ik wil existentiële vragen open laten. Mijn ideeën zijn precies dat: ideeën. Overtuigingen die ik vroeger had, zijn vervaagd tot een misschien. Het willen weten, of het aangaan van discussies, heeft daardoor voor mij minder zin.

Mijn pleegdochter vertelde over haar leven en stelde vragen over hoe ik het nu zie en beleef. Volgens mij gaf het haar rust om te horen dat ik niet alles wil verklaren.

Dat ik eigenlijk nog maar één vraag heb:

Hoe ga ik ermee om?
Of… hoe reageer ik?

Wat onthoud je—
en wat laat je los?
En hoeveel van wie je was
blijft werkelijk bestaan?
Misschien ligt het antwoord niet in het weten,
maar in hoe je beweegt
met wat zich aandient.

 

 

 

 

 

 

Hulp geven, hulp vragen


30 april 2026

We gaan een lang weekend weg. Een hotel geboekt in Noord-Brabant. Van daaruit kunnen we drie dagen fietsen in de bossen. Zaterdag gaan we op de fiets naar de verjaardag van mijn kleindochter.

Vandaag zijn we bij de ANWB fietstassen gaan kopen en hebben we koffers uit de opslag gehaald. Onderweg op een terrasje gegeten. Voorpret van een vakantie, kort of lang, blijft altijd leuk.

Misschien vreemd, maar ik kan zo gelukkig zijn met een zonnige dag, wat boodschappen doen en voorbereidingen treffen.

Thuis is het schoon. Ik verzorg de planten.

Een vriendin, die vorig jaar weduwe is geworden, vraagt of ik haar kan helpen met de belastingaangifte. Het grappige is dat ik zelf een hekel heb aan dit soort dingen. Toch doe ik het voor haar.

Ik heb ooit de nalatenschap van mijn schoonzus geregeld. Voor deze vriendin heb ik me ook opgeworpen als executeur testamentair. Wat is dat toch? Dat ik voor dit soort zaken voor mezelf bijna een blokkade voel, maar het voor anderen gewoon oppak?

Wil ik aardig gevonden worden?
Kan ik het niet aanzien dat iemand er zoveel moeite mee heeft?

Ik ken inmiddels de klappen van de zweep, dus in feite is het voor mij een eenvoudig kunstje.

In de omgang ben ik niet per se de vriendelijkste of de charmantste, maar daar waar ik kan, bied ik hulp.

Zou ik zelf iemand zijn die graag hulp had gekregen?

Ik zal het nooit en te nimmer vragen.

Is het dan wel een vriendelijke daad, als er misschien een psychologische verklaring onder zit?
Ben ik dan nog wel authentiek?

Ik weet het niet.

Het blijft een vraag.

En toch… houd ik er een goed gevoel aan over.
En ben ik blij dat het geregeld is voor haar.

Wanneer geef je echt—
zonder reden, zonder bedoeling?
Bestaat er zoiets als zuivere hulp,
of zit er altijd iets van jezelf in?
En maakt dat het minder echt…
of juist menselijk?

 

 

 

 

 

 

Van kracht naar vertrouwen


29 april 2026

Vandaag begon met een krachtmeting. Altijd een beetje spannend, want daar wordt zichtbaar wat er in stilte is opgebouwd. Daarna volgde de zwaarste sessie tot nu toe. Geen lange opbouw, maar kort, krachtig en direct. Eerst een opwarming, dan rust. En daarna de pilaren. Steeds weer. Een snelle, krachtige duw of trek, tien seconden rust, en opnieuw. Drie rondes lang.

Ik voelde het meteen. Dit was anders. Geen “even trainen”, maar mijn lichaam echt aanspreken. Niet over de grens, maar er precies tegenaan. Mijn spieren moesten schakelen, mijn adem moest mee, mijn hele systeem organiseerde zich rondom die korte explosies van kracht.

En ergens daarin zit iets bijzonders. Want een jaar geleden was mijn lichaam vooral moe. Zwaar. Onvoorspelbaar. Nu is het een gesprek geworden. Ik vraag iets, mijn lichaam antwoordt. Soms aarzelend, soms verrassend krachtig — maar het antwoord komt.

Misschien raakt me dat nog wel het meest. Het gaat niet alleen om kracht, maar om vertrouwen. Vertrouwen dat mijn lichaam dit kan leren. Dat het zich aanpast. Dat het onthoudt.

Ik zie het terug in de cijfers. In stappen die zich opstapelen zonder dat ik er krampachtig mee bezig ben. In gewichten die langzaam omhoog kruipen. In de koppeling met mijn Fitbit, waardoor mijn dag één geheel wordt. Niet meer losse momenten van inspanning, maar een doorlopende beweging. Dichter bij wie ik nu ben, dichter bij mijn ritme. Niet obsessief, maar ondersteunend. Alsof ik na al dat dokteren heb besloten: dit neem ik zelf weer in handen.

En toch voelt het niet als forceren. Eerder als meebewegen met iets dat al gaande is.

Misschien zit ik op een plateau. Of zoals het voor mij beter voelt: een rustpunt. Een plek waar alles zich opnieuw organiseert. Waar spieren, zenuwen en vertrouwen elkaar vinden. Waar mijn lichaam zegt: wacht even, dit moet ik eerst eigen maken.

En dat doe ik dan ook. Wachten. Niet stilstaand, maar verdiepend. Want onder de oppervlakte beweegt het gewoon door.

Na de training ga ik lunchen met een vriend. In de zon, tegen de harde wind in. Een soulmate. Iemand met een vergelijkbare jeugd, vergelijkbare lagen. We spreken dezelfde taal. Over verantwoordelijkheid voor wat je voelt. Over hoe alles wat zich buiten afspeelt, iets van binnen raakt. Maar dat wat geraakt wordt, is van mij. Niet van de situatie. De wereld gebeurt buiten mij, maar mijn beleving ontstaat van binnen. In alles leer je jezelf kennen.

Hij werkt als coach en counselor en neemt mensen stap voor stap mee naar een groter waarnemen:

  1. Deelnemen

  2. Waarnemen

  3. Observeren

  4. Compassie

  5. Transformatie

Het is altijd fijn om elkaar te spreken. Herkenning doet goed.

Thuis is mijn jongste zoon er. Het blijft bijzonder hoe zo’n grote man bij zijn moeder weer even dat kleine jongetje wordt. Naast me op bed kruipen, kroelen met de honden, en iets lekkers uit de kast pakken.

Later word ik gebeld door het bedrijf waar ik mijn kleurrijke wandelstokken heb gekocht. Een vrolijk gesprek met de eigenaar, die het leuk vindt dat ik ze allemaal wil hebben en er elke maand één koop. Passend bij mijn kleding kies ik er dagelijks een uit. Voor mij zijn het accessoires, waardoor ik het niet als hulpmiddelen ervaar.

Hij vraagt of ik er iets over wil schrijven en eventueel een foto wil sturen. Door mijn verhaal krijg ik voortaan korting.

Ik sluit mijn review af met de zin:

Ik maak het liefst van een nood een deugd.

Wanneer wordt kracht vertrouwen—
niet omdat het bewezen is,
maar omdat het gevoeld wordt?
En hoeveel groeit er in stilte,
terwijl jij denkt dat je stilstaat?

 

 

 

 

 

 

Een generatie verder, een gevoel dichterbij


28 april 2026

Mijn kleindochter is jarig. Ze werd geboren vier dagen nadat we ontdekten dat Michel ziek was. Hij had op school een opa-dag geregeld om iedere woensdag in Maastricht op te passen. Dat heeft hij nooit kunnen meemaken. Haar geboorte wel. Hij heeft haar nog voorgelezen — iets wat hij zo belangrijk vond.

Ik mocht destijds mee naar de OK. Ik was letterlijk bij haar eerste ademteug. De eerste keer oma worden is bijzonder. Op een andere manier aanwezig. Meer bewust.

Ik hou van mijn kinderen, zielsveel. Ik ben gescheiden, daarna kreeg ik een samengesteld gezin: een dochter van mij en een dochter van Michel. Het was gecompliceerd. We maakten fouten, en die hebben hun sporen nagelaten. Later kregen we samen nog twee kinderen, en na Michels overlijden nam ik nog een puber in huis. Mijn hart was altijd groot genoeg om mensen op te nemen en ze deel te laten zijn van ons gezin.

Als ouder wil je perfect zijn. Maar dat lukt niet. Mijn vijf kinderen dragen allemaal hun eigen herinneringen — mooie, moeilijke, en alles daartussenin. Ze zijn nu volwassen en leven hun eigen leven. Ze wonen niet om de hoek. We bellen vooral als er echt iets te melden is.

We hebben onze auto aan de tweede dochter gegeven. Ze kwam hem samen met haar ex-vrouw ophalen. Fijn om ze even te zien. De volgende dag ging de oudste zoon van Ton met zijn dochter langs bij mijn jongste zoon in het restaurant waar hij werkt. We kregen een foto op WhatsApp. Zo’n klein moment, maar het doet me goed.

Vandaag zie ik een foto van mijn kleindochter die met haar gescheiden ouders is gaan lunchen. Wat is het fijn om te zien dat dat kan.

Een dochter heeft bijna een jaar geleden afstand van mij genomen. Sindsdien heb ik niets meer van haar gehoord. We zijn niet allemaal hetzelfde. Zij heeft deze ruimte nodig — ver weg van mij. Rigoureus, maar blijkbaar nodig voor haar.

Ton ziet op Instagram een foto waarop zij met twee vrienden staat. Hij laat het me zien. Ik ben blij om haar te zien lachen. Ze ziet er goed uit. Na lange tijd is dit een klein kruimeltje van leven.

Mijn aangenomen zoon reageert bijna altijd als eerste op de familie-app. Die is er. Altijd in verbinding.

En mijn kleinkind… daar kan ik voluit van houden. Ik ben de gekke, lieve oma die altijd blij is om haar te zien. Zij is een lichtje in mijn hart.

Een generatie verder,
maar een gevoel dichterbij.

Hoe beweegt liefde
wanneer afstand ontstaat?
Verdwijnt ze—
of verandert ze van vorm?
En hoeveel blijft er aanwezig
in de kleine momenten die er wél zijn?

 

 

 

 

 

De meute laten voor wat het is


27 april 2026

Koningsdag. Het is altijd bijzonder om te zien hoe de koninklijke familie een stad bezoekt. Ben ik zo koningsgezind? Geloof ik in sprookjes? Ben ik een dromer? Of zegt mijn nationaliteit iets? De romantica komt in mij in ieder geval wel boven.

Al mijn hele leven kijk ik naar deze dag op tv. Ooit het defilé, later de bezoeken aan steden. Een huwelijk, een kroning — ik kijk. Met het gezin liepen we over de vrijmarkten. Soms stonden we er zelf. De laatste jaren fietsen we erlangs.

Vandaag was het zó druk in het centrum van ons dorp en in de stad aan de overkant van de rivier. Van podium naar podium, overal kabaal, mensen als haringen in een ton. Geen ruimte, alleen de lucht boven me.

Als automatisme gaat er iets in mij uit. Waar ik normaal alles zie en opmerk, komt er nu niets meer binnen. Er is alleen focus: een gaatje vinden om uit de menigte te komen.

Gelukkig lukt dat. Buiten het centrum is het ineens stil. De straten zijn leeg. Toch duurt het even voordat mijn lichaam weer ontspant, voordat ik uit die innerlijke vluchtstand kom.

We fietsen nog langs vrienden, die rustig in de tuin zitten met een drankje. Daar kan ik me langzaam weer openen.

Op de terugweg naar huis fietsen we door een groot natuurgebied.

Thuis merk ik hoe moe ik ben geworden. Ik val in slaap, totaal leeg.

Misschien een harde conclusie, maar voor mij is hij duidelijk:

dit doe ik niet meer.

Ik heb het gezien, meegemaakt, er op mijn manier zelfs van genoten. Maar het hoeft niet meer.

Vanaf volgend jaar zoeken we de stilte op
en laten we de meute de meute.

Wanneer weet je dat iets niet meer bij je past—
niet omdat het verkeerd is,
maar omdat jij veranderd bent?
En hoeveel rust ontstaat er
als je niet meer mee hoeft?

 

 

 

 

 

 

De aard van het beestje


26 april 2026

Zolang ik me kan herinneren, heb ik dingen bijna obsessief gedaan.

Als kind nam ik boekenseries mee op vakantie. Het liefst zat ik dan buiten op het gras, dagenlang te lezen, net zolang tot alle boeken uit waren. Bleek dat er nog een deel ontbrak, dan deed ik er alles aan om dat zo snel mogelijk te bemachtigen. Mijn moeder werd daar soms boos om, ik moest mee naar het strand. Ik zocht dan een plekje in de schaduw en las gewoon verder, totaal onbewust van alles om me heen.

Later, als jong volwassene, verzamelde ik bouquetreeksboekjes. In afwachting van een soort manie. En dan ineens begon het: tientallen boeken achter elkaar lezen. Net zo abrupt als het begon, stopte het ook weer.

Toen de videorecorder kwam, ging ik films huren. Het liefst een hele rij. Series zoals The West Wing, alle seizoenen, alle afleveringen. Michel vond dat ook leuk. Uiteindelijk hebben we bijna alles gezien wat Videoland verhuurde.

Met het gezin maakten we van de woonkamer een groot bed door matrassen tegen elkaar te leggen. We huurden dan bijvoorbeeld alle Harry Potter-films of In de ban van de Ring, en lagen het hele weekend in pyjama op de grond films te kijken. De kinderen vonden dat geweldig.

Tegenwoordig zit ik ’s avonds op bed met de tv aan, mijn laptop op schoot om te schrijven en speel ik spelletjes op mijn telefoon. Nog steeds kijk ik series, aflevering na aflevering. Het heeft inmiddels een naam: bingewatchen.

Waarschijnlijk ongezond. Vast met allerlei consequenties. Ik geloof het wel. Maar binge lezen, bingewatchen, binge schilderen… het hoort denk ik gewoon bij de aard van dit beestje.

In alles waar mijn interesse naar uitgaat, duik ik erin. Volledig. En net zo makkelijk kom ik er weer uit.

Was ik een pionier?
Of gewoon een beetje obsessief?
Past het bij hoe mijn brein werkt?

Er zijn tegenwoordig zoveel theorieën over wat goed is en wat niet. Over hoe we consumeren, mentaal en fysiek. Misschien eigenwijs, maar zolang ik me er goed bij voel, is het goed. Zolang het me niet belemmert in functioneren.

Na Michels overlijden, toen ook de kinderen het huis uit waren, heb ik de tv jarenlang niet aangezet. Totdat Ton weer in mijn leven kwam. Blijkbaar kan ik ook zonder.

Deze dame heeft wat afgebinged in haar leven.

Ik schaam me er niet meer voor.

Ik beweeg gewoon mee met de flow waarin ik leef.

Wanneer wordt iets “te veel”…
en wanneer is het gewoon wie je bent?
En hoeveel hoeft er eigenlijk veranderd te worden,
als het je draagt
in plaats van tegenhoudt?

 

 

 

 

 

 

Is het genoeg ?

 

25 april 2026

Vannacht kon ik niet slapen. Waarom dat weet ik niet precies, normaal heeft dat te maken met te veel pijn. Nu was het iets anders, geen voelbare stress. Gewoon geen slaap, denk ik dan maar. Pas rond een uur of zes viel ik in slaap. De training heb ik deze ochtend dus maar overgeslagen, mijn lichaam was duidelijk niet uitgerust.

Ik kreeg een berichtje van mijn zus dat mijn broer inmiddels was geopereerd aan zijn voet. Wel pijnlijk geweest, nog een ingreep te gaan. Praktisch. Feitelijk. Zoals het vaak gaat bij ons.
En toch… onder die woorden gebeurt er iets anders.

Ik merk dat ik reageer. Vrij direct ook. Niet eens boos, eerder moe. Ik hoor mezelf zeggen dat het allemaal van één kant komt en dat ik me afvraag waarom ik eigenlijk nog moeite doe. Dat is geen nieuwe gedachte, maar hij komt wel steeds vaker en helderder terug. Mijn broers vragen nooit hoe het met mij gaat, zelfs niet als ze weten dat ik in het ziekenhuis lig. En toch fiets ik bij hen langs, drink een kop koffie, blijf in beweging. Alsof ik iets in stand probeer te houden waarvan ik me ondertussen afvraag of het er eigenlijk wel echt is.

Mijn zus zegt dat zij dat ook niet heeft, dat zij degene is die vraagt. Dat het bij ons gewoon zo gaat. En ze zegt ook dat er wel liefde is, maar dat het er niet uitkomt. Dat geloof ik ook wel. Echt. En als we bij elkaar zijn is het vaak ook gewoon gezellig. We lachen, er is contact. Alleen… het blijft ergens aan de oppervlakte. Hun leven is anders, hun belangstelling ook. Dat begrijp ik, maar vraag ik me af of het vasthouden van dit contact niet juist een desillusie wordt.

En dan kom ik vanzelf weer bij mezelf uit. Want daar zit het uiteindelijk. Niet bij hen.

Is het genoeg?

Ik merk dat ik me al los beweeg. Ik verwacht minder, laat het meer bij hen, forceer niets meer. En toch zit er nog iets. Want als het me niets meer zou doen, zou ik deze vraag niet stellen. Blijkbaar is het nog niet helemaal vrij.

Mijn zus zegt dat ik naar mijn gevoel moet luisteren, maar dat dat ook weer kan ombuigen. En dat klopt ook. Vandaag kijk ik wat somber de wereld in. Ik heb slecht geslapen en dat kleurt alles. Ik herken dat bij mezelf, dat dingen kunnen verschuiven, dat het morgen weer anders kan voelen. Maar ergens weet ik ook dat dit niet alleen van vandaag is.

Het is geen grote pijn meer. Geen boosheid. Eerder iets zachts dat blijft terugkomen. Een soort stil weten dat de beweging maar van één kant komt. En de vraag die daaronder ligt wordt daardoor eigenlijk steeds eenvoudiger, maar niet per se makkelijker:

Hoe lang wil ik dit nog zo houden?

Niet uit boosheid of afwijzing, maar omdat ik me afvraag wat nog klopt. Wat echt is, en wat misschien alleen nog een idee is dat ik zelf vasthoud.

Misschien is dit zo’n fase waarin er nog niets besloten hoeft te worden. Waarin het voldoende is om het te zien zoals het is. Dat er liefde kan zijn die niet zichtbaar wordt. Dat contact kan bestaan zonder echte ontmoeting. En dat ik daarin mijn eigen grens langzaam begin te voelen.

Het wordt me wel duidelijk dat als ik wat minder in mijn vel zit, het gezin waar ik uit kom me altijd een eenzaam gevoel geeft.

Dan zit er maar één ding op, en dat is in dit mooie weer gaan fietsen. De natuur in en mezelf vullen met zon, licht en de liefde van het leven zelf.

Thuis denk ik nu even terug aan het gesprek met mijn zus. Ik zet de tv aan en hoor precies wat ik eigenlijk al wist:
“Hoop komt wanneer je het minst verwacht. Je zult het vinden, of het zal jou vinden.”

Misschien is liefde niet altijd zichtbaar in wat gedeeld wordt,
maar voelbaar in wat ontbreekt.

En misschien is de vraag niet of het er is,
maar of ik kan leven met de vorm waarin het zich laat zien.

Wanneer wordt aanvaarden vrijheid…
en wanneer vraagt het leven mij om zachter los te laten?

 

 

 

 

 

 

Wat mij raakt zonder reden


24 april 2026

Ontroering. Waarom raakt iets me zo intens? Ik ontdek bij mezelf geen duidelijk mechanisme. Er kunnen heftige dingen gebeuren of verteld worden, en dan blijf ik opvallend nuchter. Maar soms zie of hoor ik iets — op tv of ergens anders — en hop, de tranen springen in mijn ogen.

Inmiddels heb ik geleerd dat het altijd iets met mij te maken heeft. Soms uit ervaring, soms vanuit iets dat ik pas veel later in mijn leven zal tegenkomen. Dat laatste vind ik misschien nog wel het meest bijzonder: alsof je onbewust al weet wat er voor je ligt.

Wanneer het zo raakt, weet ik dat inmiddels wel. Bij Soldaat van Oranje was het duidelijk dat het te maken had met mijn familie, die de oorlog op allerlei manieren heeft meegemaakt. Maar wanneer het niet duidelijk is, ga ik niet meer zoeken. Ik weet dat het zich ooit vanzelf zal laten zien.

Misschien is het vanuit deze ervaringen dat ik ben gaan voelen dat tijd niet horizontaal is, maar verticaal. Niet iets wat zich lineair ontvouwt, maar iets dat tegelijkertijd aanwezig kan zijn. Er is geen vooruitzien of toekomst voorspellen — het kan nu al gevoeld worden.

Het is moeilijk uit te leggen wat ik bedoel.

Ik kijk naar een documentaire over de terugkeer van tempelwachters. Beeldend kunstenaar Jikke van Loon zet zich in voor de symbolische terugkeer van twee Japanse tempelwachters, Agyo en Ungyo. Imposante houten beelden uit de veertiende eeuw, die sinds 2007 deel uitmaken van de collectie van het Rijksmuseum.

Ooit bewaakten ze de toegangspoort van een tempel in de buurt van Hiroshima. Nu staan ze tegen een muur. Hun functie kwijt. Ontheemd.

Jikke voelde dat. Die ontworteling. Het leidde tot haar project Issho-ni / Tomo-ni — samen. Een poging om de verbinding te herstellen, niet door de beelden simpelweg terug te brengen, maar door een dialoog te openen over hun betekenis, hun plek, hun geschiedenis.

Je ziet wat de tempel betekende voor de mensen uit het dorp. Hoe de afstand is ontstaan. En hoe, via dit project, iets weer open gaat. Niet alleen letterlijk, maar ook in gevoel.

Het zijn “maar” beelden. En toch raakt het me diep. De tranen lopen over mijn wangen. Het gaat over cultureel erfgoed, over betekenis, over verbondenheid met een plek. En ik voel dat in mijn hele lichaam.

Uiteindelijk brengt Jikke van Loon de beelden niet fysiek terug. Ze maakt interpretaties — onder andere in Delfts blauw — als symbool voor de verbinding tussen Nederland en Japan. Het hele dorp werkt eraan mee.

Ik kan niet precies beschrijven hoe. Maar het komt binnen.

Zo mooi om te zien hoe verbinding kan werken.

Wat raakt mij werkelijk

als ik niet weet waarom ?

Is het herinnering—

of iets dat nog moet komen?

En hoeveel ligt er al in mij besloten,

zonder dat ik het hoef te begrijpen?

 

 

 

 

 

 

In beweging komen


23 april 2026

Afgelopen dinsdag ging de ketting van mijn bakfiets stuk. Gelukkig vrij dicht bij huis, zodat Ton kon doorfietsen. Hij haalde me op met de bus en we reden meteen door naar de fietsenmaker. Ik had al gebeld dat ik pech had en vroeg of ik de fiets kon brengen.

Daar aangekomen snelde de fietsenmaker op me af, zichtbaar in paniek. Hij had het zo druk, zei hij, en geen tijd meer. Zaterdag gaat hij op vakantie en hij wist niet hoe hij alles nog af moest krijgen. Misschien zou een collega ernaar kijken, maar waarschijnlijk werd het pas maandag. Duizendmaal excuses.

Ik stelde hem gerust. Het is jammer als ik niet kan fietsen, maar het is geen ramp.

Gisteren, tijdens de pauze van Soldaat van Oranje, keek Ton op zijn telefoon. Een berichtje: mijn fiets was al klaar.

Na het trainen reden we naar de loods om hem op te halen. De fietsenmaker was nu veel rustiger en bood opnieuw zijn excuses aan. Hij had zoveel stress gehad dat hij het overzicht kwijt was. Dinsdag en woensdag had hij zelfs tot vier uur ’s nachts doorgewerkt.

“Jôh,” zei ik, “ik had helemaal niet verwacht dat je dit zou doen. Laat staan dat je hem ook nog een beurt zou geven.”

Nieuwe banden, remmen… alles was gedaan.

Terwijl hij nog wat olie op de ketting spoot, zei hij:
“U bent net een koningin op die fiets, zo gelukkig. Ik vind het zo mooi om te zien dat iemand zoveel plezier haalt uit fietsen. U heeft al 6500 kilometer op de teller, geweldig. Daarom wilde ik hem voor deze mooie dagen in perfecte staat afleveren.”

Misschien is het gek wat ik nu zeg, maar nu ik me mentaal en fysiek beter voel, lijkt er meer positiviteit op me af te komen. Op een rustige, natuurlijke manier.

Na een mooie fietstocht langs de Lek komen we thuis. Ik ben me zo bewust van hoe goed ik me voel en vergelijk het met een jaar geleden. Ik zoek mijn blog van 24 april 2025 op.

Terwijl ik het teruglees, voel ik hoe groot het verschil is. Niet zozeer in wat er gebeurt, maar in hoe ik het beleef.

Een jaar geleden zat ik veel meer in mijn hoofd. Ik probeerde te begrijpen wat er met me gebeurde. Waarom ik zo moe was. Waarom dingen zo binnenkwamen. Alsof ik van een afstandje naar mezelf keek en er woorden aan probeerde te geven. Kwetsbaarheid voelde als iets wat ik nog moest leren.

Nu is dat anders.

Niet omdat alles opgelost is, maar omdat ik er middenin sta. Ik hoef minder te begrijpen, ik voel meer. Dingen mogen er zijn zonder dat ik ze direct hoef te duiden. Waar ik toen nog streng was voor mezelf, merk ik nu dat er zachtheid is. Minder “ik moet niet zeuren”, meer: dit is hoe het is.

Ook mijn lichaam voelt anders. Toen was het zwaar, moe, beperkt. Nu beweegt het. Soms nog zoekend, soms met haperingen, maar het beweegt. Ik werk ermee samen in plaats van ertegenin. Ik luister, stel bij, ga door. Niet voluit, maar in lijn met wat er kan.

En dat geeft een rust die ik toen nog niet kende.

Het is alsof er in dat jaar iets verschoven is van buiten naar binnen. Minder kijken naar hoe het zou moeten, meer voelen wat er al is. En juist daardoor lijkt er ook van buitenaf iets mee te bewegen. Of misschien zie ik het nu gewoon anders.

Ik lees mijn tekst van toen terug met begrip. Zonder oordeel. Het was precies waar ik was.

Maar ik voel ook dat ik daar niet meer sta.

Dat ik ergens anders ben aangekomen.

Zonder dat ik precies kan aanwijzen waar dat punt lag.

En misschien hoeft dat ook niet.

Wanneer merk je dat je verder bent gegaan…
niet omdat alles anders is,
maar omdat jij anders kijkt?
En hoeveel hoeft er eigenlijk te veranderen,
om iets totaal anders te ervaren?

 

 

 

 

 

 

Wat kan niet — en toch doen


22 april 2026

Op tv wordt de kijker steeds gewezen op het feit dat de musical Soldaat van Oranje nu echt gaat stoppen. Ik ben geen fan van musicals, dus mijn interesse was er niet. Toch hebben een paar miljoen mensen deze voorstelling gezien en zijn er zeer positief over. Ton en ik besloten daarom, op de valreep en uit nieuwsgierigheid, toch te gaan kijken.

En eerlijk? Het hele concept is bijzonder. De zaal draait voortdurend van de ene naar de andere set. We zaten op de eerste rij, met onze neus bijna op het toneel. We konden de acteurs bijna ruiken, in ieder geval hun emoties goed zien. Het half zingen, half praten — waar we normaal allebei een hekel aan hebben — viel eigenlijk weg door de manier waarop de hele productie is opgezet.

Een paar keer was ik zo geraakt dat de tranen over mijn wangen liepen. Waar dat precies door kwam, weet ik niet. Het thema? Oorlog, vriendschap? Of de eerlijkheid waarmee er gespeeld werd? Iets raakte.

In de pauze bleken Ton en ik allebei een beetje zeeziek te zijn geworden van het draaien van de zaal. Na de pauze was ik erop voorbereid en gelukkig ging het toen beter.

Op de muur van het restaurant staat een tekst:

“In het leven van ieder mens komen ogenblikken voor waarop hij tot zichzelf zegt: ‘Tja, dat kan niet.’ En dan doet hij iets. De kwaliteit van je leven hangt niet af van wat er met je gebeurt, maar hoe je erop reageert. Aan het eerste kun je niet zoveel doen, aan het tweede alles.”

Ik zit er recht tegenover en denk: ja, dat is waar. Het gaat niet per se om voorkomen of genezen, maar om hoe je ermee omgaat. Misschien is dat wel de sleutel.

In de ontvangsthal staat een bar met honderden oranjebitters. Helaas niet te koop, anders hadden we er één meegenomen als aandenken. Op de terugweg rijden we via Wassenaar, stapvoets door de file. Even niets hoeven. De concentratie loslaten.

En ineens denk ik terug aan Koninginnedag op de school van mijn oudste dochter. Het drinken van talloze oranjebitters met andere moeders. Eén van hen, een beetje teut, keek naar mijn bloesje en vroeg: “Zijn die echt?”
“Hahaha, natuurlijk zijn die echt,” zei ik.
“Ik wil ze ook. Ik laat ze maken.”

Ze is later gescheiden, hertrouwd en in Wassenaar gaan wonen. Glimlachend denk ik eraan terug terwijl we stilstaan in de file.

Het is ook een manier om je situatie te veranderen. Soms letterlijk, soms figuurlijk.

Ik vertel Ton wat anekdotes over die Koninginnedagen. Ondertussen komen er meer herinneringen naar boven. Die houd ik voor mezelf. Ik hoef ze niet te benoemen. Het is een bekende weg, vol oude lagen.

Ik kies er op dat moment voor om het voorbij te laten gaan.

En dat lukt.

Zelfs nu ik het opschrijf, voelt het als iets wat er was —
en er niet meer is.

Wat maakt dat iets “niet kan”…
en we het toch doen?
En wanneer wordt het verleden iets
dat niet meer trekt—
maar alleen nog even langskomt?

 

 

 

 

 

Leven in lagen

 

21 april 2026

De afgelopen maanden heb ik veel geschilderd. Niet eens om iets af te maken, maar om te kijken. Te schuiven. Te voelen wat klopt en wat nog niet. Soms leg ik iets neer en laat ik het weken liggen. Dan loop ik erlangs, kijk opnieuw en zie het ineens anders. Iets verschuift. Niet alleen in het schilderij, maar ook in mij. Ik noem dat wel eens “dweilen”. Kijken tot het terugkijkt.

En ineens zie ik dat ik hetzelfde ben gaan doen met mijn lichaam. Waar ik vroeger wilde corrigeren, oplossen, verbeteren, ben ik nu gaan kijken. Voelen. Aanpassen. Niet meer van alles naar niets, maar bewegen binnen een marge. De afgelopen weken gebeurde er van alles. Een val, een pijnlijke voet, een knie die even niet meedeed. Vroeger betekende dat stilstand, terugval, frustratie. Nu niet. Nu is het onderdeel van het geheel. Een verstoring in de laag, geen breuk.

Vandaag koppelde ik mijn Fitbit aan de EGYM-app. Een klein technisch moment, maar het voelde als iets groters. Niet omdat ik cijfers nodig heb om te weten hoe het met me gaat, maar omdat ik ineens een breder beeld zie. Niet alleen dat ene moment van trainen, maar de hele dag. Mijn hartslag, mijn beweging, mijn herstel. Minder geflatteerd misschien, dichter bij mijn werkelijke leeftijd, maar juist daardoor werkbaarder. Na al dat dokteren, al die adviezen en protocollen, heb ik ergens besloten dit stuk zelf weer in de hand te nemen. Niet obsessief, niet controlerend, maar als een extra laag van kijken. Dicht bij mezelf, en steeds verder weg van wat voor mij niet klopt.

Ik train nog steeds, maar niet meer om te bewijzen dat ik sterker ben. Ik train om in beweging te blijven. Soms halveer ik, soms ga ik door. Soms voelt het zwaar en soms… ineens licht. Alsof mijn lichaam iets begint te herkennen. Niet bewust, maar ergens dieper. Alsof spieren en zenuwen elkaar opnieuw leren verstaan.

Ik dacht even dat ik een plafond had bereikt. Maar dat klopt niet. Het voelt meer als een plateau. Een plek waar niets zichtbaar groeit, maar waar onder de oppervlakte alles zich ordent. Spieren. Zenuwen. Vertrouwen. Volgens sommigen is wat ik doe niet mogelijk, maar mijn lichaam lijkt daar geen boodschap aan te hebben. Het zoekt, leert en herstelt. Niet omdat ik het dwing, maar omdat ik het de ruimte geef.

Net als in mijn schilderijen. Ik leg iets neer, kijk, verschuif, wacht. En op een dag klopt het. Misschien is dat wat leven is. Niet iets maken dat perfect is, maar iets laten ontstaan dat waar is.

Wat vraagt er vandaag om beweging,

en wat mag gewoon even liggen tot het zichzelf laat zien?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het licht en een woord dat blijft hangen

 

20 april 2026

Het weerbericht had ons iets mooier weer beloofd. De gevoelstemperatuur viel mee, dus besloten we te gaan fietsen, daar waar de wolken enigszins wit leken. De donkere wolken — letterlijk en figuurlijk — achter ons laten.

We reden weg terwijl het nog zachtjes regende. De zwarte lucht achter ons en het witte wolkendek voor ons gaven het geheel een bijna feeërieke sfeer. Het geel van het koolzaad werd bijna fluorescerend. Ton en ik bleven erover praten hoe bijzonder het geel, paars en roze van de bloemen door dit licht een nieuw leven kregen. Door de verwondering van dat licht voelde ik de motregen en koude wind nauwelijks meer.

We zien zwanen, ganzen, meerkoeten en waterhoentjes broeden op hun nesten. Langzaamaan zullen we ook weer kuikens gaan zien. Ik word er zo blij van!
Zoveel fietspaden, door het platteland, langs watertjes en rivieren, door dorpen. Prachtige huizen, boerderijen, villa’s met enorme tuinen en weidse uitzichten. Landwinkels, B&B’s, schoonheidsspecialistes aan huis — perfecte banen voor vrouwen aan huis.

Bij een boerderij aan de rand van de weg zie ik een strak vormgegeven bord: Epicurean coaching. Het valt op. Zoals dat bij mij werkt, struikel ik mentaal over zo’n woord.

Op een gegeven moment krijg ik wat stijve kuiten en zeg tegen Ton dat we bij het eerste de beste bankje even afstappen om te rusten en te genieten van het uitzicht. Het duurt even, maar dan vinden we aan het water een tafel met twee banken. Er zit al een man. We vragen of we erbij kunnen zitten. Dat vindt hij prima en hij begint meteen te praten over hoe mooi en rustig het hier is. Hij vertelt waar hij het in Europa ook mooi vindt en dat hij best in Luxemburg zou willen wonen.
“Maar ja,” zegt hij, “mijn vrouw is hier begraven, dus ik kan hier niet meer weg.”

Ton en ik luisteren vriendelijk en glimlachen. We voelen allebei niet echt de behoefte om het gesprek verder te voeren. We groeten hem en laten hem achter met zijn mijmeringen. Wij praten niet zoveel tijdens het fietsen, we kijken vooral.

Na tien minuten zeg ik toch:
“‘Ik kan niet weg want mijn vrouw is hier begraven.’”
Ton lacht. Hij weet dat dit zo’n zin is waar ik op blijf hangen.
Ik ga verder:
“Zo zie je hoe verschillend zo’n zin kan leven. De één zet zichzelf vast, en de ander is juist vrij om een andere kant op te bewegen.”

Meer zeg ik er niet over. Het was fijn dat Ton dit ook hoorde.

Thuis ga ik achter mijn laptop zitten. In de zijbalk verschijnt een advertentie: Epicurean snijplank.

Wat…?! Daar is dat woord weer. Dit moet ik even opzoeken.

Epicurean verwijst enerzijds naar het epicurisme — een filosofie gericht op gematigd genot en innerlijke rust — en anderzijds naar een merk van duurzame snijplanken en keukengerei van geperst houtvezel.

Ik moet lachen.
Dat is dus eigenlijk dat gezegde:
“Alles waar ‘te’ voor staat is niet goed, behalve tevreden.”

Mijn vader zei dat zo vaak.

Waarschijnlijk komt dat gedachtegoed van Epicurus en blijft het op die manier in de overlevering hangen. Kennelijk is het nu opnieuw tot leven gekomen — in de vorm van Epicurean snijplanken en Epicurean coaching.

Wat maakt dat iets ineens blijft hangen—

een zin, een woord, een moment in het licht?

Is het toeval dat het terugkomt,

of begint het pas te spreken

op het moment dat ik het hoor?

 

Levensbeweging — wat liefde mij leerde

 

19 april 2026

Ik heb in mijn leven twee heel verschillende relaties gekend.
En allebei waren ze echt.

De ene relatie was intens.
Alles ging diep.
Voelen, zoeken, raken — niets bleef aan de oppervlakte.
Het was een verbinding die me meenam, die me openbrak, die me dingen liet zien die ik anders misschien nooit had aangekeken.

De andere relatie is rustiger.
Meer in het dagelijks leven.
Samen eten, praten, plannen maken.
Minder groot, minder meeslepend misschien — maar wel aanwezig, stabiel.

Vroeger zou ik gedacht hebben dat het één beter was dan het ander.
Dat diepte zat in intensiteit.

Nu zie ik dat anders.

Beide relaties hebben iets anders in mij aangesproken.
In de ene werd ik geconfronteerd met mijn diepte, mijn overgave, mijn vermogen om alles te voelen.
In de andere leer ik iets anders.
Blijven. Aanwezig zijn. Niet verdwijnen in het grote, maar juist blijven in het gewone.

En eerlijk… dat laatste vind ik soms moeilijker.

Want het leven is niet altijd intens.
Het is vaak gewoon.
Gesprekken die nergens heen gaan, dagen die zich herhalen.

En toch gebeurt juist daar iets.

Ik merk dat ik niet meer weg hoef.
Dat ik niet meer op zoek hoef naar iets groters om te voelen dat het klopt.
De diepte is er nog steeds, maar hoeft zich niet meer te bewijzen.

Toen ik nog lesgaf, zei ik vaak:
je kunt in principe met iedereen een relatie aangaan.
Niet omdat iedereen hetzelfde is, maar omdat elke relatie iets anders in je aanspreekt.

Dat zie ik nu pas echt terug in mijn eigen leven.

De ene relatie liet me zien hoe diep ik kan gaan.
De andere leert me hoe ik kan blijven.

En misschien is dat wel waar het om gaat.
Niet kiezen welke beter is,
maar zien wat ze je laten ontwikkelen.

Misschien is liefde niet één vorm.
Maar een weg waarin je steeds een andere kant van jezelf tegenkomt.

 

 

 

 

 

 

Hemel


18 april 2026

“Wat is dat, de hemel?” vraagt een kind aan zijn moeder. Opa is er niet meer, maar is naar de hemel.

Eigenlijk is dat best bijzonder. Dat we kinderen dingen uitleggen waarvan we zelf niet precies weten of het zo is.

Sinterklaas, de kerstman, de paashaas, engelen, Jezus, Mohammed, God, Arjuna, elfjes, kabouters, de hemel, de hel… het is nog maar een begin van alles waarin we geloven, of waar we iets bij voelen. Geloof, sagen, mythen, sprookjes of misschien feiten. Voor mij mag het er allemaal zijn. Niets wil ik uitsluiten.

Alles wat we zien, horen, ruiken, voelen, proeven of geloven — alles wat is — heeft bestaansrecht. Ieder mens haalt eruit wat hij of zij nodig heeft om de wereld en zichzelf te begrijpen. En daarin is iedereen uniek.

De vraag wat de hemel is, brengt mij terug naar mijn jongste zoon.

Mijn vader lag opgebaard in onze woonkamer. Op een soort brancard met koeling eronder, met een gordijn eromheen. Op de dag van de crematie waren alle kinderen en kleinkinderen aanwezig. Ook mijn kinderen. Mijn zoon was toen drie jaar.

Jaren later, tijdens een groepsgesprek op school, kwam diezelfde vraag voorbij: wat is de hemel?

Hij vertelde vol overtuiging dat je daar naartoe gaat op wielen. Niet achter een stuur, maar liggend.

Iemand had destijds gezegd dat opa naar de hemel ging. En hij had gezien hoe de begrafenisondernemers het gordijn weghaalden, de brancard naar buiten rolden, en mijn vader zo meenamen.

Dat beeld was blijven hangen.

Zelf ben ik altijd vrij direct geweest in mijn antwoorden. Toen mijn kinderen vroegen wat er met opa was gebeurd, zei ik: hij was ziek en is overleden.
“Wat is dat?”
Dat is moeilijk uit te leggen. Iemand leeft niet meer, alleen het lichaam blijft over.
“Waar is die persoon dan?”
Dat weet ik niet precies. Dat is een mysterie. Er zijn veel ideeën over.

Als hij dacht dat opa op wielen naar de hemel was gegaan… dan vond ik dat een mooi beeld.

En nog jaren later wist hij zich dat precies zo te herinneren.

Voor mij is de hemel letterlijk de lucht. De wolken, de blauwe ruimte, de dampkring, de sterrenhemel. Maar figuurlijk is het iets anders. Een gevoel van vrijheid en geluk dat in mij leeft.

Voor mij begint de hemel op aarde.

Ik ervaar het tijdens het creëren. In de natuur. In momenten van rust en ruimte.

En als ik er ooit niet meer ben…
dan kun je mij misschien terugvinden in mijn schilderijen.
Of buiten, in de natuur.

Dan ben je even op bezoek in mijn hemel.

Bestaat de hemel ergens ver weg…
of leeft hij al in ons?
En als een beeld blijft hangen,
wie bepaalt dan…
wat waar is?

 

 

 

 

 

 

Jong van binnen


17 april 2026

Vandaag hadden we afgesproken met vrienden van mij. Ze zijn allebei tachtig. Het is bijzonder om met hen te praten zoals we dat altijd hebben gedaan. Niets lijkt veranderd.

Ze hebben net weer een grote camper gekocht en zijn er twee maanden mee naar Spanje geweest. Binnenkort vertrekken ze naar Zweden, op bezoek bij hun dochter. Ze lachen er zelf om — zo’n enorm gevaarte, op hun leeftijd. Ze weten dat anderen hen misschien voor gek verklaren. Maar wat maakt het uit? Zolang zij er samen plezier en vrijheid in vinden.

Ik ken ze al lang. Twintig jaar geleden kochten ze een huis in Spanje. Hij rijdt nog steeds motor. Ton keek er met verwondering naar — hoe ondernemend ze nog zijn.

Hoe ouder ik word, hoe meer mijn ideeën verschuiven. Ook over leeftijd. Wat kan, wat niet kan. Wat past, wat ongepast zou zijn.

Voor mij zijn zij een voorbeeld. Doorgaan met leven, met doen, met ontdekken — zolang het gaat. En als het lichaam op een dag zegt: “nu is het genoeg,” dan zie je wel verder.

Ik merk dat leeftijd weinig zegt. De één is met zeventig al oud, de ander blijft tot ver in de negentig vitaal. Het is zo persoonlijk. Misschien heeft het te maken met aanleg, met hoe je leeft. Bewegen, gezond eten, sociaal blijven, jezelf blijven uitdagen. Misschien ook gewoon geluk… of pech.

Voor mij is één ding duidelijk.
Ik word misschien ouder in jaren, maar vanbinnen blijf ik jong.

Mijn meningen vervagen. Ze lossen langzaam op. Het maakt me milder. Vriendelijker. Misschien ook wijzer — al weet ik dat ik me daarin zomaar kan vergissen. Elke dag leer ik nog. Van wat ik zie, hoor en voel.

Ik geniet meer van het ouder worden dan ik ooit van mijn jonge jaren heb gedaan.

Ik voel me een gezegend mens.

Wordt een mens ouder in jaren…
of jonger van binnen?
En wat blijft er over
als alles wat zeker leek…
langzaam verzacht?

 

 

 

 

 

 

 

Betekenis


16 april 2026

Ja, daar is er weer één. Zo’n zin die ik hoor en die blijft hangen.

Er is geen motief, dus geen betekenis. Dat denkt u alleen omdat u betekenis zoekt. Maar betekenis kunt u niet vinden, betekenis geef je.

Vandaag moest ik voor mijn rijbewijskeuring naar een onafhankelijk neuroloog. Vanwege mijn handicap rijd ik in een aangepaste auto. Vroeger moest ik elke twee jaar gekeurd worden. Dat gaf veel stress en was ook kostbaar. Alleen al het woord keuren roept weerstand op. Waarom moet ik steeds gekeurd worden? Alsof een handicap automatisch betekent dat je niet competent bent.

Vijf jaar geleden heb ik dat uitgesproken. Hoe vernederend ik het vond. Dat je telkens opnieuw moet bewijzen dat je in staat bent om mee te doen. De neuroloog begreep mijn frustratie en zorgde ervoor dat ik pas na vijf jaar weer terug hoefde te komen.

Vandaag was het zover.

Vanmorgen vroeg Ton iets en ik snauwde hem direct af. Dat zegt genoeg. Voor mij betekent keuren stress. En stress betekent een kort lontje.

Dat is niet wie ik wil zijn. Dus ik heb bewust even stilgestaan, diep ademgehaald, en geprobeerd zonder vooroordeel naar het ziekenhuis te gaan.

We gingen met de bus, zodat we daarna meteen naar het bos konden om te fietsen. Het zonnetje scheen. Alleen dat vooruitzicht gaf al rust.

De neuroloog bleek een jonge, toegankelijke vrouw. Haar vragen voelden oprecht, niet als een protocol. Het onderzoek bevestigde wat ik al weet: mijn romp functioneert goed, mijn ledematen volgen via mijn visuele aansturing. En doordat ik mijn lichaam onderhoud, is het nog krachtig. Mijn spraak is minder, maar daar hoef ik geen auto mee te rijden.

Het gesprek verliep soepel.
En ik liep vrolijk het ziekenhuis weer uit.

Had ik deze keuring minder betekenis gegeven?

Is geen betekenis geven misschien een vorm van loslaten?

Het rijbewijs zelf is belangrijk voor mij. Maar de spanning zat niet in het rijden — die zat in wat ik aan de keuring had gekoppeld. Door dat los te laten, bleef er iets eenvoudigs over. Een formaliteit. Een ontmoeting tussen twee mensen.

En ineens… was er ontspanning.

Even later zat ik, vrij van stress, op mijn fiets.

Thuis, met een rode blos op mijn wangen, zet ik de tv aan.
En precies op dat moment hoor ik weer die zin over betekenis.

Zoek ik naar betekenis,
of leg ik haar zelf overal neer?
En wat blijft er over
als ik dat even niet doe…

 

 

 

 

 

 

De druppel

 

 15 april 2026

Mijn man leest de krant en kijkt naar het nieuws. Hij maakt zich druk over wat er in de wereld gebeurt. Ooit deed ik dat ook. Ik hield mezelf goed op de hoogte, als een vorm van algemene kennis. Sinds Michel is overleden, heb ik heel bewust de tv uitgezet en de krant opgezegd. Ik heb afstand genomen van alle ellende die via de media binnenkomt. Dat betekent niet dat ik niets meer meekrijg — er bereikt mij nog genoeg.

Vroeger had ik meningen. Over politiek, oorlogen, misstanden. Nu probeer ik daar ver van te blijven. Ik heb het gevoel dat niets is wat het lijkt, dat er altijd meerdere perspectieven zijn dan wat ons wordt getoond. Als je kijkt vanuit de geschiedenis zie je dat niets zich in een rechte lijn ontwikkelt. Op alle niveaus — micro, meso en macro — bewegen de lijnen van vrede, oorlog en bewustwording op en neer.

Ik hou me vast aan een eenvoudig cliché: verander de wereld, begin bij jezelf. Volgens mij is dat ook het enige waar ik werkelijk invloed op heb. Ik geloof in de ene druppel van de oceaan.

In de auto begint Ton over wat ik vind dat de koning en zijn vrouw zouden moeten doen. Wel of niet naar president Trump. Ik moet lachen. Dat weet ik natuurlijk niet. Ik zie het als een diplomatieke taak. Dus ik zeg alleen:
“Houd je vrienden dichtbij, maar je vijanden nog dichterbij.”
Ton kijkt me verbaasd aan. Soms gaat het niet om een mening, maar om communicatie. Misschien werkt het ook zo.

Mijn hart doet pijn als ik zie wat er gebeurt in Gaza, in Iran, in die hele regio. Ik denk dan aan Mesopotamië, aan Sumer — de oudste beschavingen. Als puber hield ik me daar al mee bezig. Dat daar zoveel oorsprong ligt voor ons allemaal. En nu… mensen die elkaar en hun omgeving kapotmaken omwille van macht. Het is niet te bevatten. En toch lijkt het een wet van Meden en Perzen dat de mensheid hier steeds weer in vervalt.

Wat kan ik daarin betekenen? Wie kan ik veranderen? Wie kan ik ter verantwoording roepen?

Alleen mezelf.

Ik denk aan een verhaal uit de Mahabharata. Een klein vogeltje legt haar eieren op het strand. Een vloedgolf neemt ze mee de oceaan in. Het vogeltje begint druppel voor druppel de oceaan leeg te drinken om haar eieren terug te vinden. Onmogelijk, zou je zeggen. Maar het vogeltje gelooft dat het zal lukken, zolang ze doorgaat.

Arjuna ziet het en vraagt wat ze doet. Hij wijst op de onmogelijkheid. Maar het vogeltje blijft. Geduldig. Liefdevol. Vastberaden.

Uiteindelijk, na lange tijd, besluit Arjuna de oceaan in één keer leeg te drinken. Het vogeltje vindt haar eieren terug.

Ik geloof in dat wonder van eenvoud.
Ikzelf… als één druppel in die oceaan.

Is de wereld te groot om te veranderen,
of ben ik te klein om het te proberen?
En wat gebeurt er
als één druppel…
gewoon blijft bewegen?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het Woord


14 april 2026

Er zijn woorden, zinnen en situaties die als beeld in mijn geheugen gegrift staan. Op het eerste gezicht soms niets bijzonders. Het feit dat ze steeds iets bij me oproepen, betekent voor mij dat ze betekenis hebben. In ieder geval voor mij. Ik besef heel goed dat dat voor een ander anders kan zijn. Het is de manier waarop ik in het leven sta. Nieuwsgierig, maar niet zoekend. Ik laat binnenkomen wat komt. Vasthouden is niet nodig — het verschijnt vanzelf weer, op het moment dat het ertoe doet.

Ik ben niet per se religieus, maar wel opgevoed in een christelijke traditie. Ik noem mezelf eclectisch spiritueel. Wat resoneert, mag er zijn en helpt mij betekenis te geven aan het leven.

Als kind was ik gefascineerd door de bijbel. Ik ging op in de verhalen. Al jong zag ik er meer metaforen in dan dat ik ze letterlijk aannam.

“In den beginne was het Woord.”
Die zin resoneert al mijn hele leven in mij. Wat de betekenis ook is, het Woord heeft voor mij gewicht. Ik luister heel verfijnd naar wat mensen zeggen — en hoe ze het zeggen. Soms lijkt iets vriendelijk, maar hoor ik er iets heel anders in.

Misschien paranoia… het zou kunnen. Maar zo werkt het voor mij.

Vandaag gingen we met de bus — fietsen en hondjes mee — naar de Betuwe. Het was zonnig, en overal geel van het koolzaad, de paardenbloemen en boterbloemen laag aan de grond. Bomen vol rode, roze en witte bloesem. De zachte, zoete geur — het voelde als een droomtocht. Wat is Nederland mooi.

We fietsen over paden zonder verkeer, alleen de natuur om ons heen. Dan weer door kleine dorpjes, waar de tijd lijkt stil te staan. Goed verzorgd, met zichtbaar liefde voor de plek. We kijken onze ogen uit. In eigen land is nog zoveel te ontdekken. Het plan is om Nederland op de fiets te verkennen.

Alsof ik even terug in de tijd stapte. Vanmiddag fietste ik door een dorp dat 1025 jaar bestaat. De festiviteiten worden al aangekondigd.

Over de kinderkopjes hobbel ik met mijn bakfiets door het dorp. In mijn ooghoek zie ik een tekst op de muur van een kleine kerk.

Bam.

Honderd meter verderop zeg ik tegen Ton: “Wil je even een foto maken van dat kerkje?”

Er staat:
“Uw Woord is een lamp voor mijnen voet en een licht op mijn pad.”

Prachtig.

Ik begrijp dat hiermee het woord van God wordt bedoeld. Dat kan. Maar ik lees iets anders:

“Het Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad.”

Een klein verschil…
maar voor mij gaat het diep.

Ik ga niet op zoek.
Het komt gewoon binnen, via mijn ooghoeken.

Zoek ik betekenis…
of vindt betekenis mij?
En hoeveel van wat mij raakt,
was er al…
lang voordat ik het zag?

De rode draad


13 april 2026

De geschiedenis herhaalt zich. Het klinkt als een cliché, maar binnen families en gezinnen zie je het steeds weer gebeuren. Ik noem het een rode draad die zich in allerlei situaties laat zien — soms duidelijk, soms subtiel.

We willen allemaal uniek zijn. In ieder geval had ik dat vroeger heel sterk. Vergeleken worden met iemand anders voelde als een belediging. Toen ik zelf kinderen kreeg, zag ik iets anders. Ze zijn uniek, en toch nemen ze eigenschappen over die ook bij mij horen.

Ze zijn nu volwassen, en af en toe zie ik ze wegen bewandelen die ik ook heb gelopen.

Op de verjaardag van mijn oudste kleindochter, die nu zestien is, sprak ik met haar andere oma. Ze lijkt sprekend op haar moeder. Je ziet de familiebanden duidelijk terug. Ik vertelde haar dat ik ooit in de binnenstad boodschappen deed, toen er een man naast me stond die me heel intens aankeek. Ik vroeg waarom. Hij zei dat ik sprekend leek op een leerling van hem. Dat bleek mijn oudste dochter te zijn. Zelf zie je die gelijkenis niet altijd, maar voor een buitenstaander is die er meteen.

Mijn dochter heeft inmiddels zelf een samengesteld gezin. Net zoals ik dat ooit had. Tegenwoordig is dat heel normaal, maar de dynamiek die erbij hoort kan complex zijn. Ik zie daarin dingen terug die ik herken.

Ze belt me om advies.

Ook al was ze jong, ze herinnert zich nog hoe moeilijk het soms kon zijn. Het doet me goed om te zien hoe ze nadenkt over haar reacties. Hoe ze probeert zichzelf niet weg te cijferen, zoals ik dat destijds wel deed.

Haar eerste neiging is ook om zich op te offeren. Maar ze ziet inmiddels dat dat niet altijd gezien of gewaardeerd wordt. Dus waarom zou je verantwoordelijkheid nemen die eigenlijk niet van jou is?

Ik kan haar met rust en overtuiging zeggen dat ik, met de wijsheid die ik nu heb, andere keuzes zou maken. Mijn advies hoeft ze niet te volgen. Ze gaat haar eigen weg, met haar eigen lessen. Misschien neemt ze iets over, misschien niet. Dat zal de tijd laten zien.

Vroeger kon ze vragen:
“Mam, moet ik het rode, blauwe of groene truitje aan?”
Als ik zei: “Het rode,” dan zei ze: “Nee, het gaat tussen het blauwe en groene truitje.”
“Oké, dan de groene.”
En uiteindelijk kwam ze naar beneden in het blauwe truitje.

Vanbinnen moest ik dan zo lachen.
De appel valt niet ver van de boom…

Ik ben trots op mijn kinderen. Ze bewegen zich over hobbelige levenswegen, en het lijkt erop dat ze soms sneller leren dan ik.

Misschien werkt het zo door de generaties heen.

De rode draad blijft…
maar verandert zachtjes van kleur.

Herhalen we het verleden,
of schrijven we het langzaam opnieuw?
En hoeveel van wat doorgegeven wordt,
verandert…
zonder dat we het doorhebben?

 

 

 

 

 

Een plek zonder naam

 12 april 2026

Dit keer wil ik iets gevoeligs delen. Het brengt veel in mij naar boven.

Het begon gisteravond. Een vriendin die ik een tijd niet had gezien kwam langs. Gezellig, en fijn om haar weer te zien. Ze heeft een moeilijk jaar achter de rug na het overlijden van haar moeder. Het lukte haar lange tijd niet om contact te houden met vrienden. Dat begrijp ik — rouw kan alles stilleggen.

En toch gebeurt er bij mij iets.

Ik hoor haar verhaal, en ook dat van anderen die hun moeder hebben verloren. Hoe zwaar het is. Hoe groot het gemis. En ik merk dat ik het niet herken. Niet een beetje… maar helemaal niet.

Als ik zeg dat ik geen rouw heb gevoeld, krijg ik vaak te horen dat ik het verdring. Maar dat voelt voor mij niet waar. Het is geen verdringing. Het is eerder een leegte. Of misschien nog beter: een ontbrekende verbinding. Ik mis niets, omdat er niets is om te missen. En juist dat is moeilijk uit te leggen.

Als anderen vertellen over hun verdriet, voel ik dat er in mij iets niet kan aanhaken. Alsof er een schakel ontbreekt. Het is geen probleem. Maar het is er wel.

Vanmorgen word ik vroeg wakker en blijf nog even in bed. Ik zet Netflix aan en begin aan Trust Me: The False Prophet. Het verhaal grijpt me aan. Ik zie hoe mensen opgroeien in een wereld waarin waarheid en leugen door elkaar lopen. Hoe overtuigingen verschuiven en hoe moraal beïnvloed wordt.

In de laatste aflevering zegt een vrouw: “My whole life, I was raised with lies.” Die zin komt binnen als een messteek.

Het is niet hetzelfde, maar het raakt iets wat ik herken. Opgroeien met leugens. Niet als gebeurtenis, maar als onderlaag. Iets wat je vormt, zonder dat je precies weet waar het zit.

Ik vertel het aan Ton. En terwijl ik praat, wordt iets me duidelijk. Een gezin, een systeem, een plek waarin iets fundamenteels niet klopt… heelt misschien nooit helemaal. Je kunt het begrijpen met je hoofd, maar er blijft een plek die je voelt — en niet kunt vinden.

Misschien is dat de plek waar mijn gemis had kunnen zitten.

En misschien raakt dat ook aan iets anders.

Dat ik me soms afvraag of ik in mijn eigen rol, in mijn leven, iets heb gemist. Iets wat ik niet heb kunnen doorgeven. Het moeilijke is dat ik iets voel… maar niet weet wat.

Vandaag brengt dat inzicht me niet in verwarring, maar juist dichter bij mezelf.

Is iets missen alleen mogelijk
als het er ooit echt is geweest?
En wat gebeurt er met een gevoel
dat nooit heeft kunnen ontstaan…
maar wel voelbaar blijft?

 

 

 

 

 

Niets moet


11 april 2026

Gisteren heb ik niet geschreven. Waarom niet? Heel eenvoudig: ik had geen zin. De hele dag onderweg geweest om onze nieuwe bus op te halen. Binnendoor, achter Ton aangereden. Het was al met al een enerverende dag. Vermoeid maar voldaan wilde ik daarna alleen nog maar chillen.

Het overslaan van mijn blog is letterlijk uit mijn comfortzone stappen. Want als ik me iets voorneem, dan wijk ik daar normaal niet van af. Zeker niet uit luiheid. Want dat was het… toch?

Vanmorgen voelde mijn lichaam nog steeds vermoeid. Ik besloot niet te gaan trainen. Gisteren had ik al een ronde minder gedaan. Vandaag zeg ik het gewoon af.

Wat is er met mij aan de hand?

Ik ben iemand die met hoge koorts gewoon doorgaat. Iemand die blijft functioneren ondanks pijn of tegenslag. Iemand die na een heftig CVA na een paar dagen alweer met vriendinnen uit eten gaat, alsof er niets aan de hand is.

Ben ik verstandiger geworden? Waar zit deze verschuiving? Was het gewoonte? Mijn manier van zijn? Mijn comfortzone? Of zat er iets onder — onzekerheid, angst, de behoefte aan bevestiging? Bang dat alles wat ik opbouw weer kan verdwijnen?

Eerlijk? Ik weet het niet precies. Misschien van alles een beetje.

Wat ik nu wel zie, is dat ik luister naar hoe ik me voel. Dat ik minder streng ben voor mezelf. Niets moet, alles mag. Wie weet kan ik over een poosje zeggen dat er veel zelfopgelegde stressfactoren zijn verdwenen.

Ik ben benieuwd of ik dat, van binnen en van buiten, ga terugzien.

Over gisteren en vandaag kan ik alleen maar zeggen dat ik — voor mijn doen — iets heel nieuws aan het doen ben.

Is dit gewoon langzaam wijs worden?

Of ben ik stiekem gewoon grijs?

 

 

 

 

 

 

Samen plannen maken

 9 april 2026

Het was niet echt druk op de fitness vanmorgen, maar de mensen die er waren hadden het naar hun zin. Er werd gelachen. Het zonnetje en het mooie weer maken iedereen een beetje dartel. Ja, dat is het juiste woord. Mensen lijken vol energie, levenslustig en speels.

Ton en ik hadden het plan opgevat om met de fiets naar onze opslag te gaan. In de wintermaanden heeft hij spullen naar deze container gebracht, ik had het nog niet gezien. Een tocht met een doel is altijd fijn. Onderweg brunchen we bij een café-restaurant waar we vorig jaar regelmatig kwamen. Op het terras is nog maar één tafeltje vrij. Het lijkt alsof het op ons wacht.

De serveerster begroet ons enthousiast. Ze vindt het leuk ons weer te zien. Dat doet me goed. In het zonnetje maken Ton en ik plannen voor wat we allemaal gaan doen als we het busje hebben.

Dit keer begint Ton.

Dat vind ik zo fijn… ik kan mijn geluk bijna niet op. En tegelijk verbaast het me. Waarom raakt dit me zo?

Ik ben gewend dat ik degene ben met de plannen en ideeën. Michel volgde mij daarin eigenlijk altijd. Ton heeft tijd nodig. Zijn eerste reactie is vaak eerder terughoudend, alsof hij eerst wil voelen of het wel klopt.

Drieënzestig jaar heb ik mijn eigen plannen gevolgd. Maar samen plannen maken, samen ideeën laten ontstaan door erover te praten… dat is zoveel leuker.

Leuker dan het voortouw nemen en gevolgd worden.
Leuker dan ergens voor moeten strijden.

Hier word ik gelukkig van: samen dromen, samen plannen maken.

Met Michel hadden we een druk leven, met gezin en werk. Ik herinner me dat ik soms hardop droomde over hoe het zou zijn als we samen zouden zijn nadat hij met pensioen zou gaan. Hij wilde daar niet over nadenken. Alsof hij zich er geen voorstelling van kon maken. Ik voelde dat het idee hem tegenstond. We hebben dat samen nooit kunnen meemaken.

Nu, met Ton, leven we samen — en toch ook nog ieder op onze eigen manier. Zo voelt het voor mij. Ik besef dat op latere leeftijd bij elkaar komen en samen iets opbouwen tijd vraagt. We houden van elkaar, we delen ons leven, maar het groeit stap voor stap.

Het fietsen is ooit mijn initiatief geweest. Inmiddels doen we het al drie jaar samen zodra het mooi weer is. En we genieten daar allebei van.

Maar dat Ton nu begint over plannen…
dat geeft iets nieuws.

Het lijkt misschien klein, maar voor mij verschuift er iets.
Er komt verdieping.

En op een dag als vandaag besef ik hoe belangrijk dat voor me is.

Is samen zijn hetzelfde als samen bewegen,
of begint het pas wanneer je samen vooruitkijkt?
En wat ontstaat er,
als twee levens elkaar niet alleen raken…
maar langzaam in elkaar gaan groeien?

 

 

 

 

 

Een droom die verschuift


8 april 2026

Wat is dat toch als je ouder wordt? Een zielige film of een triest verhaal maakt me steeds sneller sentimenteel en huilerig.

Vandaag was het warm buiten, echt weer om er op uit te gaan met de fiets. Ton en ik praten al een tijd over hoe geweldig het zou zijn om een busje te hebben. Eén waar mijn bakfiets, Ton zijn fiets en de hondjes in kunnen. Het zou onze actieradius enorm vergroten. We dromen ervan, maar zien het eigenlijk niet als iets wat binnen ons bereik ligt.

En toch… dat oude gevoel van beperking door mijn aandoening komt dan altijd even boven. Niet op een gewone fiets kunnen fietsen betekent ook dat een simpele fietsendrager geen optie is.

Na mijn training ben ik thuis en zoek ik, zoals zo vaak, op internet naar een bus. Net zoals ik ook altijd naar huizen kijk. Hou ik mezelf voor de gek? Misschien. Raak ik gefrustreerd? Nee. Ik doe dit al zolang als ik me kan herinneren. Wat is er mis met een droom hebben? Wat is er mis met blijven zoeken, ook als het misschien niet realistisch lijkt?

Vandaag zie ik een advertentie van een elektrische bus. Ik laat het aan Ton zien en vraag of we kunnen gaan kijken. Normaal wil hij dat niet, als hij denkt dat iets toch onbereikbaar is. Maar nu belt hij. We mogen langskomen. In Utrecht.

We besluiten binnendoor te rijden. Iedere keer weer geniet ik van de weiden, de bomen, de natuur en de dorpen in Nederland. We wonen echt in een mooi land.

We mogen een ritje maken in het busje. Al snel rijden we een smalle weg op, langs een kronkelend stroompje. Ik denk nog: dit lijkt meer op een fietspad dan op een weg. En daar gaan we… zigzaggend met die bus, zonder einde in zicht. Hahaha, dat was wel even zweten.

Terug bij de garage nemen we een besluit.
We kopen de bus.

In de auto is het stil. Om de files te vermijden rijden we weer binnendoor terug. Ik voel me vreemd. Alsof ik geschrokken ben. Zelfs een beetje huilerig. Je zou denken dat ik juist blij en opgetogen zou zijn.

Ik zeg het tegen Ton.

Hij kijkt me aan en voelt precies hetzelfde. Hij is normaal al wat emotioneler dan ik, maar nu voelen we het allebei. Sterk. Verbonden.

Er is iets verschoven.

We hebben een droom werkelijkheid laten worden.
En terwijl we rijden, zien we de mogelijkheden al voor ons.

Het maakt ons stil…
en tegelijkertijd hebben we zin in wat er komt.


Is het de vervulling van een droom die raakt,
of het moment waarop iets ineens mogelijk blijkt?
En wat gebeurt er vanbinnen,
als wat ver weg leek…
ineens dichtbij komt?

 

 

 

 

 

 

Hetzelfde, in een ander licht


7 april 2026

Iedere ochtend check ik mijn e-mail. Meestal kan ik de berichten zonder te openen gedachteloos verwijderen. Dit keer zie ik een bijzondere voornaam. Mijn oog blijft hangen en mijn vinger stopt. Ik lees het bericht. Ik heb een DIY-Award gewonnen met mijn laatste creatie Power of Stillness. Ze hebben alleen mijn e-mailadres, geen huisadres. Wat een geluk dat de afzender zo’n bijzondere naam heeft.

Direct stuur ik berichtjes naar iedereen waarvan ik weet dat ze op mij gestemd hebben. Een stroom lieve reacties volgt. Wat een fijne manier om de dag te beginnen.

We fietsen door een deel van de Biesbosch en besluiten te kijken of familie thuis is. Daarvoor moeten we even terug naar de bewoonde wereld. In de laan waar we fietsen staat de zon recht op mijn gezicht. De strak gesnoeide bomen tekenen zwart af tegen een felblauwe lucht. Het voelt alsof ik een sprookje in fiets. Ik stop. Dit wil ik in me opnemen. Dit is een onbedoelde vorm van kunst. Ik maak twee foto’s: één tegen het zonlicht in — want dat maakt het beeld bijzonder — en één met het licht mee, om te helpen herinneren wat ik nu eigenlijk écht heb gezien.

Mijn neef en zijn gezin zijn thuis. Moeder en dochter achter de naaimachine, mijn neef staat te strijken, zijn zoon zit buiten in het zonnetje een boek te lezen. Gezellig en huiselijk. Zoals altijd gastvrij. Naast de verkennende gesprekken ontstaan er ook echte gesprekken.

Hoe ga je om met lelijke gedachten? Ga je daar de strijd mee aan? Kan dat, mag dat?

De zoon is religieus en worstelt met die vraag. Ik vertel hem dat ik soms hele bloeddorstige beelden heb. Dat ik ze hardop uitspreek tegen Ton, maar dat ik er niet tegen vecht. Ik laat ze passeren. Ik weet dat ik een goed mens ben en niet in staat tot dat soort handelingen. Voor mij hoort alles bij de mens — van wit naar zwart en alles daartussenin. We leven in een wereld van tegenstellingen, van begin tot eind. Misschien leren we eerst, en verdiepen we daarna alleen nog wat we al met ons meedragen. Die gedachte geeft mij rust.

We fietsen weer terug naar huis. Opnieuw zie ik de bomen, maar nu in een ander licht. Het beeld is totaal anders. En toch staan ze daar hetzelfde. Perfect. Onveranderd.

Verandert wat ik zie,
of verandert het licht waarin ik kijk?
En als alles hetzelfde blijft staan,
wat beweegt er dan werkelijk?

Wanneer kleur verschijnt

 

6 april 2026

Tweede Paasdag. Een zonnige dag om er op de fiets op uit te gaan. Wij waren duidelijk niet de enigen — heel Nederland leek zichzelf op de fiets of in de auto te hebben gezet om ergens van te genieten.

Ik zie ieder grassprietje, bloemetje, elke verandering in de natuur. Twee weken geleden hebben we dit stuk ook gefietst. We vinden het leuk om regelmatig dezelfde route te rijden, zodat we de groei en bloei kunnen volgen.

Maar vandaag viel me iets anders op.

Een auto. In een mooie kaki groene metallic kleur.
Het viel me op omdat ik die kleur eigenlijk nooit zie bij auto’s. Ik zeg altijd tegen Ton dat zwart en alle donkere kleuren verboden zouden moeten worden. Als er dan toch zoveel auto’s zijn, laat ze dan allemaal kleur hebben. Het straatbeeld zou er meteen vrolijker en lichter van worden.

Maar wat gebeurt er tot mijn grote verbazing?
We komen zes verschillende auto’s tegen in precies die kleur.

Thuis zoek ik het natuurlijk op — nieuwsgierig als ik ben.
En wat blijkt? Groen is op dit moment een hype in autokleuren.

Wie weet kiezen mensen in maatschappelijk donkere tijden onbewust meer voor kleur. Om hun omgeving toch wat lichter, wat vrolijker te maken.

Voor mij was het in ieder geval opvallend.

Thuis zat Ton kennelijk mijn website te lezen. Op de homepage staat:
Weduwe, Empty nest en Grootmoeder — samen vormden ze het woord WEG.
Een woord dat zowel afwezigheid als beweging in zich draagt.

Het viel hem op dat de naam van mijn website, Colours in eMotion, eigenlijk dezelfde boodschap draagt.

Colours in eMotion — kleuren in beweging door gevoelens.
Of…

colour sine motion — kleur zonder beweging.
Sine is het Latijnse woord voor zonder.

WOW!!!

In de eerste plaats vind ik het geweldig dat Ton, net als ik, gaat associëren en verbinden. We weten van elkaar dat we planken tellen, strepen zien, tegels volgen. Hij haalt overal taalfouten uit — maar dit is nieuw. Zo zie je dat je als stel altijd een beetje met elkaar meekleurt.

In de tweede plaats komt er een herinnering boven.
De website is weliswaar na het overlijden van Michel ontstaan, maar het gevoel van afwezigheid in beweging was er toen al. De naam Colours in eMotion heb ik puur intuïtief gekozen.

Net zoals ik bij mijn schilderijen vaak de betekenis of de diepte pas later leer kennen. Schilderijen spreken tot me — dat noem ik dweilen.

En nu merk ik dat ik tijdens het schrijven in eenzelfde bubbel zit als tijdens het schilderen.

Misschien gaan de woorden mij ook meer vertellen…
dan dat ik in aanvang bedenk.

Is het toeval dat iets je ineens opvalt,

of begint het pas te bestaan op het moment dat je het ziet?

Beweegt de wereld…

of beweegt er iets in mij mee?

 

 

 

 

 

 

Pasen


5 april 2026

Vandaag is het de eerste paasdag. Het is stil in huis. Ooit was dit een belangrijke dag voor mijn gezin, vaak samen met het gezin van mijn vriendin. We maakten een uitgebreide paasbrunch en verstopten eieren in de tuin voor de kinderen.

Tijden veranderen. Mijn vriendin is overleden, mijn kinderen zijn uitgevlogen en hebben zich losgemaakt van de gezinstraditie, waarschijnlijk om daar hun eigen invulling aan te geven. Eerlijk gezegd voelt het wel een beetje leeg.

De dagen die vroeger gevuld waren met mensen, eten en gezelligheid zijn binnen mijn gezin tot een einde gekomen. Geen paasfeest, geen Hemelvaartweekend, geen kerstfeest, geen oud en nieuw. Ook vier ik mijn verjaardag al jaren niet meer. Aan de ene kant vind ik oprecht dat mijn kinderen geen verplichtingen hoeven te hebben. De dwang van ‘het moeten’ uit mijn jeugd — en ook later — is iets wat ik ze niet wil meegeven. De drukte in ons appartement zie ik zelf ook niet zitten. Dat ik het aan de andere kant soms mis, is dus ook begrijpelijk.

Het geeft ruimte om zelf invulling te geven aan dit soort dagen. Het ongebonden zijn dat ik mijn kinderen gun, is iets wat ik zelf ook mag omarmen.

Vandaag kon ik eens op onderzoek uit wat Pasen nu eigenlijk betekent. Op de typisch Annette-manier ben ik daarover gaan filosoferen. Het christelijke paasverhaal gaat over de wederopstanding van Jezus. Tja… opstaan na de dood. Is dat mogelijk? Vertelt dit verhaal letterlijk dat de zoon van God sterft en weer tot leven komt? Of is de bijbel — en dus ook dit verhaal — een metafoor?

Dan denk ik aan cruciale gebeurtenissen in het leven die maken dat je ineens anders in het leven staat. Een radicale ommekeer. Dat kan van alles zijn. Als ik denk aan dood en wederopstanding, denk ik ook aan de natuur. De constante cyclus van het leven. Planten sterven, maar laten zaden en sporen na. Dieren en mensen sterven, maar laten nieuwe generaties achter. Zolang iets niet is uitgestorven, blijft het onderdeel van deze cyclus.

Hahaha… ik moet ook weer denken aan het liedje Op enen boom een koekoek, simsalabim sala doe saladim. Die koekoek die ieder jaar weer terugkomt — hij hing afgelopen week al in de lucht.

Puur kijkend naar het woord ‘wederopstanding’… weder: opnieuw, nogmaals, terug. Opstanding: opstaan. Dat kan van alles betekenen: verrijzen, opkomen, zich vertonen, opkrabbelen — maar ook rebelleren. Al deze betekenissen zijn onderdeel van niet alleen mijn leven, maar van ieders leven, denk ik. Misschien maken we allemaal één of meerdere keren een figuurlijke dood mee — en staan we weer op.

Dan schieten mijn gedachten naar sprookjes. Ook daar komt het vaak voor. Denk aan Sneeuwwitje, Doornroosje en De Kikkerkoning — altijd symbolisch voor een transformatie ten goede.

Maar dan… de paashaas en het eieren zoeken. Dat moest ik echt even opzoeken, want wat heeft dat nu met Pasen te maken? Van oorsprong stond een haas of konijn in heidense culturen voor vruchtbaarheid — een symbool voor de lente en nieuw leven. Over de paashaas wordt pas eind 17e eeuw geschreven. Van oorsprong Duits, waarin de paashaas eieren bracht aan kinderen. Een beetje zoals het Sinterklaasverhaal bij ons. Ook in de Griekse mythologie komt de haas voor. In een legende verandert de lentegodin Ostara een vogel in een haas, die zijn oorsprong niet vergeet en dus eieren legt. Germanen offerden aan het begin van de lente eieren aan deze godin.

Al met al zijn er vanuit allerlei overleveringen — religieus, spiritueel en verhalend — tradities ontstaan rond deze periode, die we nu de paasdagen noemen. Iedereen viert dit vanuit zijn of haar overtuiging.

Terwijl ik in mijn atelier sta om iets uit te printen, valt mijn oog op een titel van een boek: The Illusion of Life. Ja, denk ik dan… dat is voor mij precies wat het is. Wie ben ik om te weten wat het allemaal mag betekenen?

Is leegte het einde van wat was,

of het begin van wat nog geen vorm heeft?

Is opstaan iets dat gebeurt na een val,

of iets dat zich telkens opnieuw aandient — zonder begin of einde?

En als alles blijft bewegen,

wat betekent het dan… om te zijn?

 

 

 

 

 

 

Licht zien


4 april 2026

Blij ben ik dat het weer fietsweer is. De lente, het ontwaken van de natuur. Dit beleven en zien is een waarlijke hobby geworden van Ton en mij.

Wat nu vooral opvalt is dat het gras, de paardenbloemen en het koolzaad er bijna fosforescerend uitzien. Alsof er licht in zit. De kleuren zijn jong en vers en daardoor lijken ze te stralen.

De enige keer dat ik de kleuren zo intens heb gezien, was tijdens het duiken op de Malediven. Toen dacht ik dat zulke kleuren boven water niet te evenaren waren. Vandaag dringt het tot me door dat wanneer de natuur ontwaakt, diezelfde vibratie hier ook zichtbaar kan zijn.

Blijkbaar kan een aanname uit het verleden zomaar verschuiven. Komt het doordat ik anders ben gaan kijken? Of doordat mijn beleving verandert? Of doordat ik mijn dagen, mijn observaties en mijn gedachten woorden geef?

Vanavond keken Ton en ik naar Wie is de Mol, dit jaar in Tanzania. We liggen op bed, de honden erbij, iets te drinken binnen handbereik. Op het scherm verschijnen de savannes en de dieren. Olifanten, giraffen, springbokken.

Toevallig vertelde ik afgelopen week nog aan Ton dat dieren in het wild er anders uitzien dan in een dierentuin. Niet alleen vrijer, maar alsof ze licht dragen.

Dat heb ik heel sterk ervaren in Zuid-Afrika. Dieren in hun eigen habitat hebben een uitstraling die ik nergens anders zo heb gezien. Het is moeilijk onder woorden te brengen, maar het is er wel. Een soort licht, een aanwezigheid die voelbaar is.

Terwijl ik kijk, herken ik het meteen. Hetzelfde licht dat ik vandaag buiten zag. Misschien ligt het aan mijzelf. Wat ik zie, zit niet alleen in de wereld om mij heen, maar ook in hoe ik kijk, hoe ik me voel, hoe ik aanwezig ben in dat moment.

Door de natuur zo te zien — lichtgevend, levend, bijna vibrerend — verandert er iets in mij. En wij… wij maken daar gewoon deel van uit.

Hoe dicht kan een mens bij geluk komen door dit te zien?

Misschien gebeurt er niet elke dag iets groots,
maar kan ik wel elke dag groots kijken.

Nieuw perspectief


3 april 2026

Op enen boom een koekoek, sim sala dim, bam bas, sala doe, sala dim… Dat is het eerste wat in me opkomt als ik iemand over de koekoek hoor praten.

De koekoek die zijn eitjes in het nest van een ander legt. Meesterbedrieger. Zijn eitjes passen zich aan aan de kleur van het nest. En zodra het jong uitkomt, worden de andere eitjes eruit gewerkt. Zo klein, en al zo gericht op overleven.

Dan schiet ook One Flew Over the Cuckoo’s Nest door me heen. Koekoek als symbool voor het gekkenhuis.

En dan opeens denk ik aan mijn moeder.

Ik heb eerder geschreven dat zij een narcistische persoonlijkheidsstoornis had. Opgroeien in zo’n gezin tekent je. Er gebeurden onwaarschijnlijke dingen. Pijnlijk, zwaar, maar soms ook absurd en bijna lachwekkend.

Ik hoor haar nog zeggen, met dat mysterieuze, argwanende stemgeluid:
“Tjaaa, dat noemen ze kindje stelen.”

Ze bedoelde daarmee dat vrouwen zwanger werden zonder medeweten van hun partner, om hem zo aan zich te binden. Pas veel later begreep ik dat het spreekwoord zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten hier misschien beter op zijn plaats was.

Vandaag zie ik voor het eerst een andere metafoor. Niet Narcissus, maar de koekoek.

Wij kinderen… uit verschillende nesten, maar van dezelfde moeder.

Als ik dat beeld verder volg, word ik nieuwsgierig. Hoe wordt er eigenlijk naar de koekoek gekeken? In Europa wordt hij geassocieerd met de lente, maar ook met overspel. Dat klopt dus ergens wel.

Maar wat doet de koekoek in de natuur?

Hij eet harige rupsen die andere vogels laten liggen, zelfs giftige soorten. Door zijn broedgedrag dwingt hij andere vogels alerter te zijn, zich te beschermen. Als trekvogel verbindt hij verschillende ecosystemen. Hij is zelfs een indicator van een gezonde leefomgeving.

Dat verrast me.

Zoals in de natuur ieder nadeel ook een functie heeft, zo geldt dat misschien ook voor de mens.

De donkere kanten van mijn moeder heb ik geleefd en doorvoeld. Maar er waren ook andere kanten.

En misschien is dit het moment.

Dat ik in het laatste trimester van mijn leven mijn blik richt op het licht.

Niet om het donkere te ontkennen, maar om het geheel te kunnen zien.

Want uiteindelijk is dat wat het is……..

Mijn verhaal. 

Misschien kwam ik niet uit één nest,

maar wel uit één verhaal.

Wat ik zag verandert niet,

maar hoe ik kijk wel.

En daarin verschuift alles.

 

 

 

 

 

 

Een andere moraal


2 april 2026

Momenteel lees ik Mongoolse sprookjes. Het is interessant om te merken hoe dat bij mij fysiek binnenkomt. Schrik. Zelfs een gevoel van geschokt zijn door de bruutheid van de verhalen. Veel moord en doodslag.

Als ik met iets meer afstand kijk, zie ik ook iets anders. Het opkomen voor het gewone volk, voor de underdog. Respect voor de natuur, en een scherp oog voor het gedrag van dieren. Het zijn eigenlijk fabels. Korte verhalen waarin dieren menselijk gedrag vertonen. Een ode aan het gewone volk en tegelijk een vorm van satire op machthebbers. Na elke vertelling blijft er iets hangen. Een levensles, zonder dat die uitgesproken wordt.

“En ze leefden nog lang en gelukkig” ben ik nog niet tegengekomen. Ook geen herdersjongen of kikker die verandert in een prins.

Door sprookjes uit andere culturen te lezen, leer je iets van hun wereld. Hun omgeving, hun manier van leven. Waar jagen voor ons iets uit een ver verleden is, kan het voor nomadische volken nog veel dichterbij staan.

En dan ineens een moment. In het verhaal van de slimme tovervogel slaat een man zijn trouwe hond dood met een knuppel. Mijn hart slaat een slag over. Echt. Is dit een sprookje?

Daar merk ik iets bij mezelf. Om deze verhalen te kunnen lezen en verstaan, moet ik mijn eigen moraal even loslaten.

Misschien is dat wel de bedoeling van lezen. Dat je de wereld van de schrijver binnenstapt, zonder die direct te beoordelen.

En andersom werkt het ook zo. Als ik schrijf, stap ik zelf in een soort magie. De woorden komen, en achteraf denk ik vaak: heb ik dat geschreven? Alsof ik mijn eigen wereld al schrijvend ontdek.

Lezen is nooit echt mijn hobby geweest, maar misschien leer ik nu via de woorden van anderen hun wereld te betreden.

Ik neem op wat bij mij past.

De rest laat ik weer gaan.

Wat blijft,
blijft vanzelf.

 

 

 

 

 

 

 

Verloren dag?


1 april 2026

’s Morgens kijk ik meestal even op mijn WhatsApp. Dit keer heeft iemand mij een cartoon gestuurd. Zij: “Schat, ik ben vreemd gegaan.” Hij: “Ik ook.” Zij: “1 april.” Hij: “12 juni.” Mijn eerste reactie is nuchter. Oké, grappig. Tijdens het tandenpoetsen besef ik ineens: o ja, 1 april. Iets waar ik eigenlijk al jaren niets meer mee heb.

We zijn wat sloom en besluiten later naar de fitness te gaan. De sportschool is bijna leeg — gelukkig geen grap, we kunnen gewoon trainen. Thuis kijken we elkaar aan. “Ik ga nog even een uurtje slapen,” zegt Ton. “Goed plan, ik ook.” Het weer is eigenlijk te mooi om binnen te blijven, dus ik denk nog: straks ga ik fietsen.

We gaan liggen en vallen allebei meteen in slaap. Om zes uur ’s avonds word ik wakker. We kijken elkaar aan en beginnen te lachen. Wat is hier gebeurd vandaag? Was ik echt zo moe? Ik heb het helemaal niet zo gevoeld. Ik dacht: even rusten en dan verder met de dag.

Wat me wel opvalt, is dat ik hetzelfde heb gedroomd als vannacht. Alsof de nacht gewoon doorging in de dag. Een herhaling, maar dan bewuster.

Is dit dan wat ze noemen een verloren dag? Bestaat dat eigenlijk wel? Of is het gewoon rust die zich aandient? Ik neem aan dat het nodig was. Mijn lichaam heeft zichzelf blijkbaar gegeven wat het nodig had, zonder dat ik het bedacht of stuurde. Normaal zeg ik altijd dat ik overdag niet ga slapen. Dat doen oude mensen, niet ik. Maar deze keer voelde ik die weerstand niet eens.

Misschien zit daar wel iets in. Dat ik het niet meer hoef te benoemen als verloren, maar als gegeven. Rust.

Niets verloren vandaag,
de nacht liep alleen even door.

 

 

 

 

 

 

Zichtbaar worden


31 maart 2026

Voor mijn schilderij Power of Stillness had ik plexiglas besteld bij een kunststofplatenshop. Ik had er beelden bij, maar vond het spannend, omdat ik daar nog nooit mee had gewerkt. Op YouTube keek ik hoe ik moest boren en hoe ik het materiaal kon behandelen zonder het te beschadigen. Goed voorbereid ging ik aan de slag. Bij iedere cirkel was ik nat van het zweet, zo geconcentreerd was ik bezig om geen scheurtjes te maken. Maar het is gelukt, en het eindresultaat maakt me blij.

Toen kreeg ik een mail van het bedrijf of ik mee wilde doen aan een DIY-Award. Dat voelde vreemd. Voor mij is creëren geen wedstrijd, maar een manier om mezelf te leren kennen en te begrijpen. Alles wat ik maak is een stukje van mij, en dat rijmt niet met winnen of verliezen. Maar toen ik ging kijken naar eerdere inzendingen, werd het me duidelijk dat het niet gaat om het mooiste werk, maar om hoe je het materiaal gebruikt. Wat je ermee doet, hoe je het aanpakt, welke keuzes je maakt. Een uitwisseling van ideeën, waar anderen iets aan kunnen hebben. Dat voelde anders.

Daarna kwam de volgende stap: mensen konden stemmen. Dat betekende delen. Met familie, vrienden en kennissen. Ik stuurde het via WhatsApp, Facebook en Instagram. Met spanning, en toch ook met een gevoel van schaamte dat eigenlijk nergens op slaat, maar er wel is. En toen stroomden de reacties binnen. Zo positief, zo warm. Een opluchting. Waarom maak ik me toch steeds zo druk?

Als ik terugkijk, zie ik de stappen. Door Ton begon ik met mijn website, stap één. Een paar keer meedoen aan een expositie, maar wel mijn werk ophangen en daarna snel weer weg, geen fysieke presentatie van mijzelf, stap twee. Na mijn CVA consequent gaan schrijven op mijn website, stap drie. En nu dit, mensen vragen om te stemmen, stap vier. Er werd zelfs gevraagd om een foto van het project met mij erop. Dat vond ik moeilijk. Zichtbaar zijn blijft spannend.

En ineens zie ik het ook terug in mijn werk. Het plexiglas dat ik gebruik is soms helder, soms gekleurd, soms mat. Alles is zichtbaar, maar steeds op een andere manier. Soms volledig transparant, soms gekleurd door een laag, soms verzacht en diffuus.

Misschien is dat ook mijn weg.

Niet alles hoeft in één keer helder te zijn.
Niet alles hoeft zichtbaar zonder filter.

Maar stap voor stap, laag voor laag,
mag het wel verschijnen.

Maar vandaag overheerst iets anders. Dankbaarheid. Voor de reacties, voor de stappen die ik zet, en misschien ook voor het feit dat ik, heel voorzichtig, steeds een beetje meer zichtbaar word.

Niet in één keer,
maar precies zoals het bij mij past.

 

 

 

 

 

 

Vijftig jaar later


30 maart 2026

Al vijftig jaar zijn we vriendinnen. Letterlijk en figuurlijk door berg en dal gegaan. Dicht bij elkaar, ver van elkaar en soms helemaal los van elkaar. Samen geschiedenis hebben is toch wel bijzonder. We schrikken er allebei van dat het al zo lang is, want de jaren voelen we niet echt. Misschien alleen als we in de spiegel kijken.

Allebei meerdere relaties gehad. Allebei gescheiden. En nu allebei met een man die veertien jaar ouder is. Hoezo synchroniciteit?

Ton is even boodschappen doen. Ze vraagt of ik zelf koffie kan zetten. Nee, dat is nog steeds een probleem. Ze stroopt lachend haar mouwen op om het dan maar zelf te doen. En precies op dat moment komt Ton binnen. We moeten allebei lachen — de maestro neemt het direct over.

Ze staat stil bij mijn schilderij Power of Stillness. Het raakt me hoe mensen daarop reageren, en nu zij ook weer.

De sfeer is ontspannen. We praten over haar kind, dat inmiddels voor de vierde keer zijn voornaam heeft veranderd. Ze vertelt hoe ze daar deze keer even moeite mee had en doet overdreven voor hoe ze reageerde. We schieten in de lach. Tegelijk denk ik even aan hoe onze kinderen vaak blijven hangen in onze eerste reactie. Wat daaronder zit, zien ze niet altijd.

Ze geeft me een boekje met citaten van Paulo Coelho. Het slaat open:
Lach om je zorgen en onzekerheden.
Bekijk je angsten met humor.
Het zal in het begin moeilijk zijn,
maar je zult er geleidelijk aan wennen.

Terwijl we nog lachen, voel ik hoe treffend dit is. Ik zeg het niet hardop, maar neem het mee.

Even later komt haar man ook binnen. Ik vertel over een deuntje dat maar in mijn hoofd blijft hangen:
“En hij verdween nergens heen, het was op een maandag, de noorderzon scheen.”

Ton zoekt het op en laat het horen. Na twee coupletten is het ons duidelijk, maar als we weer beginnen te praten zegt hij ineens: “Sssst!”

We schieten in de slappe lach. We zien onszelf al zitten in een bejaardentehuis, vermaakt met oude Hollandse liedjes.

Dan vraagt haar man waarom de ene hond nog haar riem om heeft en de andere niet.
“Zo kun je het verschil zien,” zegt mijn vriendin.
“Ja,” zeg ik, “ik heb mijn bril afgedaan, anders zie je het verschil tussen ons ook niet.”

We gieren het uit.

Zo heerlijk melig.

En misschien ook precies goed.

Vijftig jaar later,
lachen we nog steeds om niets.
En juist daarin zit alles.

 

 

 

 

 

 

 

Wat ik eindelijk zag


29 maart 2026

Met mijn omgeving praat ik niet vaak over mijn voorkeur voor films en series. Zelfs met mijn beste vriendinnen heb ik die connectie niet. Soms snap ik zelf ook niet waarom bepaalde films of series zo blijven hangen. Ik heb wel eens verteld dat ik graag naar anime en Aziatische series kijk, maar ook naar films waarvan vaak wordt gezegd dat vrouwen daar niet naar kijken. Alsof dat er niet bij hoort.

Blijkbaar ben ik daarin geen “typische” vrouw, want The Deer Hunter heeft enorme indruk op me gemaakt. Niet zozeer om de oorlog zelf, maar om de hechte vriendschappen en wat trauma met een mens doet. Die scène met Russisch roulette… de waanzin, en tegelijk de vraag: waar ligt jouw breekpunt? Weet je dat eigenlijk wel? Dat soort psychologische intensiteit houdt mij vast.

Ik merk dat ik in fases kijk. Soms romantische komedies, soms documentaires, dan weer tekenfilms of historische drama’s. En nu dus oorlogsfilms. Er ontstaat ineens een behoefte, en die is er volledig. En net zo plotseling is hij ook weer weg.

Begin jaren negentig keek ik de serie China Beach. Elke aflevering. Later nog een paar keer online. En de afgelopen weken bleef hij maar in mijn gedachten opduiken. Ik kon hem nergens meer vinden, dus heb ik de complete serie besteld. Gisteren lag hij op de mat. Vandaag is het regenachtig. Ton is weg, en ik begin opnieuw.

Iedere aflevering start met Reflections van The Supremes: Through the mirror of my mind, time after time… Alleen die eerste zin al.

En dan, na één aflevering, ineens dat moment. Eureka. Na zesendertig jaar weet ik wat mij hierin raakt.

Deze serie is geschreven vanuit een vrouwelijk perspectief. Niet als slachtoffer, maar als kracht. Vrouwen die dragen, verbinden, overeind blijven in een omgeving van oorlog. Verpleegsters, entertainers, maar ook de publieke dames — vrouwen die vaak worden veroordeeld, maar hier zichtbaar worden in hun menselijkheid en hun betekenis. Ook zij dragen, ook zij geven, ieder op hun eigen manier.

Ze staan niet aan de rand, maar midden in het verhaal.

Dat is wat met mij resoneert.
En nu besef ik dat pas.

Wat mij raakt,
was er al die tijd al.
Ik had het alleen nog niet gezien.

 

 

 

 

 

 

Taal die mij raakt


28 maart 2026

Toen ik jong was, had ik in mijn kamer Aziatische tekeningen. Minimalistisch, met bloemen, bamboe en vogels. Een wereld waarin ik kon wegdromen. Al vroeg ging ik naar Den Haag, naar een grote Aziatische winkel, om een kimono te kopen. Ik koos altijd een rode, met een geborduurd tafereel op de rug. Hij hing omgekeerd aan een hanger aan de kast, zodat ik er altijd naar kon kijken. Ik droeg hem dagelijks. Destijds dacht ik er niet over na, maar achteraf zie ik het als een rode draad in mijn leven. Kunst, kleding, voorwerpen, series, yoga, interesse in spirituele stromingen.

Van nature ben ik geen lezer. Een tekst moet me meteen meenemen, anders lukt het me niet om verder te gaan. Schrijven doe ik wel al mijn hele leven. Eerst in dagboeken, en sinds vorig jaar bijna dagelijks op mijn blog. Door mijn afwezigheid op school heb ik het grammaticale stuk grotendeels gemist. Mijn schrijven is dus niet literair gevormd, maar ik voel er wel iets bij. Een ritme, een afstemming.

Zo werd me duidelijk dat spreekwoorden en gezegden sterk cultureel bepaald zijn. Ze dragen de geschiedenis en waarden van een samenleving. Daarom zijn ze vaak moeilijk letterlijk te vertalen — en juist daardoor zo interessant. Van nature ben ik een nuchtere Hollander, maar de poëtische taal uit Aziatische culturen raakt mij diep. Vandaag hoorde ik in een Chinese serie een paar uitspraken die bleven hangen.

“Adding a dog’s tail to a sable coat.”
Letterlijk: het toevoegen van een hondenstaart aan een jas van sabelmarterbont. In het Nederlands zou je misschien zeggen: als een vlag op een modderschuit.

“If you won’t feed the wolf, you won’t catch the cub.”
Een beeld dat zegt: zonder investering geen resultaat.

Misschien overdreven, maar dit soort zinnen maken iets in mij warm. Alsof er meer wordt gezegd dan alleen de woorden. Nog één, puur om te delen:

“When storms darken the sky, the rooster still crows. Having seen the graceful one, how could I not rejoice?”

Laat je niet ontmoedigen door tegenslag. Blijf het licht zien. Dat is wat ik erin hoor. En ergens voelt het vertrouwd, alsof het al lang in mij aanwezig was.

Woorden dragen werelden,
en soms herken ik mezelf erin.

Als jij ook zo’n zin kent die je raakt, deel hem gerust met me.

 

 

 

 

 

De boom die mij vond


27 maart 2026

Vorig jaar is mijn vriendin getrouwd. Ik gaf haar een schilderij van een boom, met een tekst over groei, kracht en verbinding. Daarbij een bekende afbeelding: een cirkel waarin de kruin even groot is als de wortels. De levensboom. Symbool voor evenwicht tussen hemel en aarde, het bewuste en het onbewuste.

Ik hou van bossen. Bomen die er al honderd jaar of langer staan. Het voelt alsof ze iets te vertellen hebben. Mijn kinderen leerde ik respect te hebben voor de natuur. Geen takken afbreken, geen bast beschadigen. Laat bomen zijn wie ze zijn.

Als ik goed kijk, zie ik soms een soort gloed. Misschien verbeelding, maar voor mij voelt het als een energie. Gezonde bomen stralen iets uit. Het maakt me rustig.

Eind jaren negentig ontdekte men dat bomen via een ondergronds netwerk van schimmels met elkaar verbonden zijn — het zogenaamde Wood Wide Web. Ze waarschuwen elkaar voor gevaar, delen signalen over droogte of insecten. Bijzonder dat de wetenschap dit nog niet zo lang weet, terwijl het voor mij altijd al voelbaar was. Die verbinding. Soms zelfs de treurnis ervan.

Tijdens het kijken naar een Chinese serie zie ik ineens bomen die lijken op de levensboom. Wortels boven de grond, net zo aanwezig als de kruin. Het beeld blijft hangen. Dus ga ik zoeken.

Het blijken banyanbomen te zijn.

Een boom zonder duidelijke stam, opgebouwd uit wortels die tegelijk takken zijn. Dragend, groeiend, vertakkend. In Azië heeft deze boom een diepe spirituele betekenis.

En dan lees ik:
Boeddha bereikte verlichting onder een banyanboom.

Symbool van ontwaken. Van verzamelde energie. Van innerlijke transformatie.

En ik weet: dit is wat mij aantrok.

Banyan — levensboom, boom van wijsheid.

Sinds ik mezelf heb voorgenomen om bijna dagelijks te schrijven, valt me steeds meer op. Gedachten en beelden die blijven hangen, blijken geen toeval. Ze haken ergens aan.

Ik volg ze.

En telkens openen ze iets.

Alsof ik niet zoek,
maar gevonden word.

 

 

 

 

 

 

 

Struikelwoorden


26 maart 2026

Als mensen geïnterviewd worden over de situatie in de wereld, hoor je tegenwoordig vaak: “Het is ingewikkeld.”

Ton vertelt in de auto hoe hij zich eraan ergert. Voor hem voelt het niet oprecht, niet vriendelijk, niet authentiek. Hij hoort er wel degelijk een mening doorheen. Daar heeft hij geen probleem mee, maar wel met het verbergen ervan.

Zo hoorde hij een deskundige spreken over Gaza. Het woord genocide werd genoemd, maar zij noemde het “ingewikkeld”.

Ton vraagt zich af: hoe kun je over een feit een mening hebben? Waarom dat woord gebruiken? Eigenlijk, zegt hij, wordt er iets ingepakt wat niet hardop gezegd wil worden.

Ik hoor hem vaker over dat woord struikelen. Ingewikkeld lijkt een soort veilige plek geworden om niet uit te spreken wat je werkelijk denkt of voelt. Misschien is dat ook precies wat het woord doet: iets inwikkelen, verzachten, verbergen.

Ik herken dat. Ik had dat ooit met het woord verdriet. Voor mij zei dat niets. Het voelde als een deken over iets anders heen. Boosheid, angst, teleurstelling — daar zat het echte gevoel. Als dat niet wordt herkend, blijft alleen dat vage “verdriet” over.

Ik noem het struikelwoorden. Woorden die iets aanraken omdat er altijd meer onder zit.

Het is eigenlijk wel mooi om te zien dat Ton nu zijn eigen struikelwoorden heeft. Ik vraag me af of ik hem heb aangestoken met mijn gevoeligheid voor taal.

Waarom struikelen we over bepaalde woorden? Misschien omdat ze zo algemeen zijn dat iedereen er iets anders in hoort. De spreker bedoelt het ene, de luisteraar hoort iets anders — en neemt daarin zichzelf mee.

Ik weet van mezelf dat het woord diplomatie niet in mijn woordenboek voorkomt. Ton kan juist heel diplomatiek zijn, maar langzaam lijkt hij daarin een beetje naar mij te kleuren.

En dan zie ik het ineens voor me.

Twee bomen, stevig geworteld.
De een met gele bloesem, de ander met roze.
Ze staan naast elkaar, hun kruinen raken elkaar.

En waar het licht erop valt,
kleurt het overlappende deel
zacht oranje.

Misschien ontstaat daar iets nieuws,
niet door gelijk te worden,
maar door elkaar te raken.

 

 

 

 

 

 

De slingers van mijn lichaam


25 maart 2026

Een dag met weinig resonantie. Buiten de ene wolkbreuk na de andere. Op de training stil en rustig. Ton is de deur uit met zijn bezigheden.

Rust. Stilte.

Normaal zou ik wat lezen of een serie kijken, maar daar heb ik geen zin in. Dat niets willen, niets doen, niets ondernemen is voor mij geen verveling. Het is een soort lichte ruimte.

Vanmiddag naar de mondhygiëniste en daarna naar de tandarts. Ook daar rust. Ik word vrijwel direct geholpen. Opvallend hoe sterk mijn gebit is. Daar moet ik altijd om lachen. Er is in ieder geval één ding in mij dat het gewoon goed doet: mijn tanden.

Die nietsheid… het is een bekende plek. Geen leegte, maar een soort kruispunt. Zoals ik het leven zie, de beweging van het lemniscaat. Daar gebeurt van alles, zonder dat ik er iets voor hoef te doen.

En dan ineens: tanden.

De mond als poort naar…

Vanuit die stilte komt er beweging.

Als kind was ik een bijtertje. Ik liet mijn tanden zien. Ik stond bekend als iemand met haar op haar tanden. Als ik ergens voor ging, zette ik mijn tanden erin. En vaak kon er nog een tandje bij.

Maar dat had ook zijn prijs. Ik liep mezelf voorbij, ging op mijn tandvlees lopen.

De tand des tijds heeft daar verandering in gebracht. Meer rust. Meer luisteren naar mijn lichaam. Minder forceren.

En toch… die tanden zijn gebleven.

Sterk. Aanwezig.

Men zegt weleens dat je zelf de slingers moet ophangen in het leven.

Misschien zijn mijn tanden dat wel.

Ze dragen wat ik laat zien,
zonder dat ik iets hoef te doen.
Gewoon aanwezig,
als een stille glimlach van binnenuit.

 

 

 

 

 

 

De lucht is leeg


24 maart 2026

Ton leest ’s morgens altijd de krant. Vandaag vertelt hij over een stuk van een natuurwetenschapper.

“De lucht is leeg.”

Wat een zin. Bijna poëtisch.

Ze legt uit dat vroeger, rond deze tijd van het jaar, je auto na een rit vol zat met doodgereden insecten. Zwart op de voorruit, vastgekoekt op de nummerplaat. Dat beeld herken ik meteen. Tegenwoordig gebeurt dat nauwelijks meer. In dertig jaar tijd is ongeveer vijfenzeventig procent van de insecten verdwenen. Essentieel voor biodiversiteit en ons ecosysteem. Zorgwekkend.

En toch… blijft vooral die zin hangen.

De lucht is leeg.

Tijdens het fietsen herhaal ik hem in mezelf. Soms mompel ik hem zachtjes. Los van de betekenis voor de wetenschap, raakt hij iets anders in mij. Wat zou hij nog meer kunnen betekenen? Wat betekent hij voor mij?

Leeg… misschien afwezigheid, kaal, open, onbeschreven.
Lucht… iets vluchtigs, ongrijpbaars. Adem, ruimte, het hemeldak boven ons.

Samen zeggen die woorden ineens veel meer dan verwacht.

Spelen met taal is fascinerend. Misschien ook wel een kunstvorm.

In het voorjaar fiets ik graag steeds dezelfde routes. De natuur die langzaam ontwaakt, het is een helend proces. Ik kijk, ik neem op, ik maak foto’s van bloemen en dieren die ik niet ken. Thuis zoek ik ze op. Zo zit ik in elkaar. Nieuwsgierig. Lerend.

Als een kind kan ik blij worden van Canadese ganzen, of een kievit in de wei. De wilgen zijn geknot, takken liggen netjes gebundeld langs het pad. Pinksterbloemen verschijnen overal, zacht lila in de wind. Ik zit bijna kwispelend op mijn fiets.

En dan zie ik ze ineens overal: kleine lichtblauwe bloemetjes, laag bij de grond. Zacht en bescheiden. Ik maak een foto en zoek het thuis op. Veronica persica, grote ereprijs. Opvallend, want de bloemetjes zijn juist klein.

En hoe beter ik kijk, hoe meer ik ze zie.

Thuis, terwijl ik ernaar zoek, kom ik een zin tegen van Winnie de Poeh:
“Onkruiden zijn ook bloemen wanneer je ze beter leert kennen.”

Mijn dag is dan al goed.

Ik denk aan wat ik ooit schreef:
de zin van onzin versus de onzin van de zin.

En ergens daartussen…
krijgt alles betekenis.

Wat leeg lijkt,

blijkt vol te zitten,

zodra ik beter kijk.

Nog vóór woorden

 

23 maart 2026

Vaak zeg ik dat mijn lichaam mijn instrument is. Mijn ogen, oren, neus, tong en huid vangen alles op. Niet alleen zien, horen, ruiken, proeven en voelen, maar ook intentie, kleur, sfeer, authenticiteit.
Mijn lichaam denkt als het ware vóór mijn gedachten. Pas daarna komen de woorden.

Er is een voortdurende beweging van lichamelijk weten naar denken.
Ik reageer eerst op wat mijn lichaam al heeft opgepikt, en pas daarna volgt het begrijpen.

Mijn lichaam werkt anders dan dat van de meeste mensen. Mijn spieren reageren niet zoals ze zouden moeten en het gevoel in mijn lichaam wordt langzaam minder. Inmiddels is vooral mijn romp nog echt voelbaar.
En toch… juist dat lichaam vangt alles op. Intens.

Ik weet niet wat het is om een ‘normaal’ functionerend lichaam te hebben. Je zou het kunnen vergelijken met iemand die blind of doof geboren wordt. Voor een ander lijkt dat een enorme beperking, maar zelf weet je niet beter.
Voor mij is het geen probleem, meer een kenmerk. Zoals de kleur van mijn ogen of mijn haar.

Wel ben ik gefascineerd geraakt door het lichaam. Hoe het kan functioneren. Hoe mensen ermee omgaan.
En zelden kom ik mensen tegen die werkelijk in contact zijn met hun lichaam zoals ik dat ervaar.

Ik zie het niet per se bij yoga of sport. Daar zie ik vaak techniek en uithoudingsvermogen — indrukwekkend, absoluut.
Maar waar het mij om gaat, is iets anders.

Wanneer is iemand in sync met zijn lichaam?

Misschien wanneer iemand vanuit ontspanning kan bewegen. Wanneer er niets teveel wordt gedaan. Wanneer alleen datgene gebeurt wat nodig is — niet meer, niet minder.
Een soort loslaten, midden in de beweging.

Als ik dat zie, raakt het me diep.

De laatste tijd kijk ik veel naar dans. So You Think You Can Dance.
Je ziet dansers die perfect bewegen, maar bij wie het vanuit het hoofd lijkt te komen.
En je ziet dansers waarbij het lichaam zelf spreekt.

Dat verschil voel ik direct.

Bij die laatste groep gebeurt er iets. Dan rollen de tranen over mijn wangen. Zo diep komt dat binnen.
Alsof het lichaam niet meer beweegt, maar vertelt.

Misschien is dans wel de plek waar dat het meest zichtbaar wordt.
Waar het lichaam de taal wordt.

Omdat mijn eigen bestaan zo via mijn lichaam loopt, luister ik daar ook als eerste naar — niet alleen bij mezelf, maar ook bij de ander.
Nog vóór woorden.

Er zijn momenten waarop een lichaam iets zegt
zonder dat er een woord valt.

Een kleine verschuiving,
een adem die verandert,
een beweging die niet gemaakt wordt maar ontstaat.

Misschien spreken we al die taal ons hele leven.

Misschien zijn we alleen vergeten
hoe we moeten luisteren.

 

 

 

 

 

 

Voorjaarslicht met een randje


22 maart 2026

Na mijn dagje rust kan ik het, ondanks mijn wat brakke gevoel, niet laten om in dit voorjaarszonnetje te gaan fietsen. Absoluut geen spijt — het was heerlijk.

Roze en witte bloesem in de bomen, magnolia’s. Forsythia’s overal en dit jaar opvallend veel narcissen, stevig en groot. De kleuren maken me vrolijk. In de polders is het kaler dan ik gewend ben. Het riet is verwijderd, de oevers strak geschoren. De riviertjes, sloten en stroompjes liggen nu helemaal open.

Het toerisme rond Kinderdijk komt alweer op gang. Onder de brug van de Noord is een grote parkeerplaats aangelegd. Vorig jaar zagen we de bouw al en het is precies geworden wat ik verwachtte. Een logische plek, niemand die er last van heeft.

En dan… over last gesproken.

In Nieuw-Lekkerland zien we overal Nederlandse vlaggen halfstok hangen. We vragen ons af waarom. Ik spreek een vrouw aan, duidelijk een lokale bewoner.

Er staat een groot industrieel gebouw leeg en de gemeente wil het verbouwen tot een AZC, waar tweehonderd jonge mannen tijdelijk kunnen wonen. Aan de overkant van de dijk staat een bejaardentehuis. De vlaggen hangen als protest. Men wil het niet.

Ze vertelt het alsof het vanzelfsprekend is.

Ik bedank haar en fiets verder, met een bloedend hart. Gelukkig voelt Ton hetzelfde als ik. Maar even zie ik de bloesem niet meer.

Waar komt die angst vandaan? Het zijn vluchtelingen, geen criminelen. Jonge jongens, weg van familie en vaderland. Ik ken deze culturen van dichtbij. In mijn leven zijn mensen uit deze werelden aanwezig. Wat ik daar zie en ervaar, is vaak juist respect voor ouderen en kwetsbaren.

Waarom sluiten we ze op, zonder dat ze mogen werken of iets kunnen betekenen voor de plek waar ze terechtkomen? Waarom brengen we ze niet in contact met de mensen hier?

De hardheid. Het wij/zij-denken. Het draait mijn maag om.

Het was maar een moment,
maar het gaf een rauw randje aan een verder zonnige, bloemrijke dag.

De zon bleef schijnen,

de bloesem stond nog steeds in bloei,

maar iets in mij was even verschoven.

 

 

 

 

 

De onzichtbare buitenwereld in mij


21 maart 2026

Doordat ik mijn dromen ben gaan beschrijven, zoals ik ook verzamel op mijn dromenpagina, verandert mijn dagelijkse beleving. Eigenlijk ben ik ze gaan vangen. Soms is het een heel verhaal, soms alleen een beeld of een gevoel. Vandaag was het slechts een quote die bleef hangen.

In eerste instantie vind ik het vaak vreemd wat ik droom. Als ik wakker word, ben ik me bewust van een lange droom, maar eenmaal achter mijn laptop is veel alweer vervlogen. Zonder erover na te denken schrijf ik op wat ik me herinner, hoe vreemd het ook lijkt. Ik probeer er geen betekenis aan te geven. Tijdens het typen, of later op de dag, sluipt er vanzelf een inzicht binnen.

Vandaag bleef één zin hangen: napalmen is nawalmen. Het voelde eerst sinister. Napalm roept beelden op van oorlog en vernietiging. Ik wilde het eigenlijk niet eens opschrijven. Toch bleef het hangen. Tijdens het vertalen zocht ik niet naar een letterlijke betekenis, maar naar wat erachter lag. In een flits was het helder. In het Nederlands heeft het bijna iets poëtisch. Verbranding en rook.

Opeens besefte ik dat mijn reactie op dat ene verkeerde pilletje de verbranding is. Het napalmen. En wat ik nu ervaar — de zenuwpijnen — is het nawalmen. De rook die nog blijft hangen. Zoals ik gewend ben, ga ik vrij nuchter door. Maar ergens diep van binnen zit ook zorg over de heftigheid. De woorden uit mijn droom geven precies die heftigheid weer. Een soort herkenning van wat er werkelijk speelt. En dat geeft rust. Het is aan het nawalmen, en dus mag het ook uitdoven.

Thuisblijven en zo veel mogelijk rust nemen voelt als het enige juiste antwoord. In de woonkamer valt mijn oog op een boek: Brave New World. Ik pak het en blader erdoorheen. Ik kocht het twee jaar geleden in Museum de Fundatie in Zwolle, bij een tentoonstelling van Neo Matloga. Twee zinnen blijven hangen: Home is where you create your world. en Lives are shaped by the invisible outside world.

Ja, thuis is mijn wereld. Mijn kleuren, mijn schilderijen — zoals ook in Power of Stillness — alles ademt wie ik ben. De plek waar ik mij het best voel. Misschien wel de enige plek waar ik kan herstellen. En die onzichtbare buitenwereld… is dat de wereld buiten mij? Of de plek waar mijn bewustzijn zich beweegt als ik slaap? Dat beeld komt ineens op. Mijn dromen zijn onderdeel geworden van mijn leven. Ze kleuren mijn dagen, zonder dat ik ernaar zoek.

Ik vang mijn dromen niet om ze te begrijpen,
maar om ze ruimte te geven.
En ergens daartussen beweegt mijn leven mee.

 

 

 

 

 

 

Loflied aan mijn hondjes


20 maart 2026

Momenteel heb ik twee hondjes. Kiba is een kruising tussen een Bolognezer en een Chihuahua. Puck is een Shih Tzu. Kiba heb ik al vanaf dat ze een pup was. Ze heeft in huis een paar plekjes die ze heeft uitgekozen als van haar. Ze is onafhankelijk, bijna katachtig. De wereld en wij zijn van haar. Ze is altijd rustig, blaft vrijwel niet en ik heb haar nog nooit zien grommen. Het is ronduit een schatje.

Puck noem ik een corona-hondje. Ze is aangeschaft als pup door jonge mensen tijdens de coronaperiode. Daarna keken ze niet meer naar haar om. Er kwam een baby die alle aandacht kreeg. Via onze hondentrimster kregen wij een tip. Zij wist dat Fluffy overleden was en dacht dat Puck bij Ton en mij een beter huis zou krijgen.

Vanaf het begin is Puck niet bij mij weg te slaan. Ze loopt de hele dag achter mij aan en ligt het liefst tegen mij aan. Gelukkig kan ze samen met Kiba goed alleen thuis blijven. Geen geblaf, geen gehuil. Ze voelt zich veilig en zoekt duidelijk warmte en bescherming.

Mijn hele leven heb ik honden gehad, meestal twee. Er zijn weinig foto’s van mij als kind, maar als ze er zijn zit ik bijna altijd met een hondje te kroelen. Toen ik jong was zong Heintje het liedje “Mijn trouwe hond.” Ik zong het uit volle borst mee, met tranen die over mijn wangen liepen. Dat diepe gevoel van liefde voor een hond is altijd gebleven.

“Honden zijn niet ons hele leven, maar ze maken ons leven compleet.” – Roger Caras.
Inderdaad, mijn leven voelt niet compleet zonder hond.

“Een hond is het enige op aarde dat meer van je houdt dan van zichzelf.” – Josh Billings.
Misschien zit daar iets egoïstisch in, dat het zo fijn voelt om zo geliefd te worden. Maar als ik aan die liefde denk — en aan wat ik zelf voel — schieten de tranen me in de ogen.

“Hoe beter ik mensen leer kennen, hoe meer ik van honden ga houden.” – Charles de Gaulle.
Ik heb vaak beschreven hoeveel wantrouwen ik naar mensen heb gevoeld. Dat kan ik inmiddels relativeren. En toch… deze zin begrijp ik nog steeds.

De trouw van een hond staat voor mij buiten kijf. In een hond ervaar ik een vorm van onvoorwaardelijkheid die ik zelden bij mensen tegenkom. Geen oordeel, maar mijn ervaring.

Honden hebben een kort leven. Veel te kort. Maar dat weet je. Ik weet dat de pijn komt, dat ik mijn hond zal verliezen en dat er groot verdriet zal zijn. Juist daarom geniet ik voluit. In het moment. Van haar vreugde, haar nabijheid, haar onschuld.

Er zit iets moois in die eerlijkheid. Liefde geven en ontvangen, terwijl je weet wat het kost.

“Honden leven kort omdat ze al vanaf hun geboorte weten hoe ze moeten liefhebben.”

Die zin raakt me. Misschien romantiseer ik het, maar als ik naar mijn hondje kijk dat nu dicht tegen mij aan ligt te slapen, voel ik mijn hart zachter worden. Er stroomt letterlijk warmte door mijn lichaam.

Vandaag voelde het goed om dit op te schrijven. Een ode aan mijn hondjes, en aan de liefde die zij zo vanzelfsprekend met zich meebrengen.

Ze vragen niets,
ze zijn er gewoon.
En in die eenvoud
herken ik iets wat altijd klopt.

 

 

 

 

 

Pijn en referentiekader


19 maart 2026

Een tijdje geleden zag ik een tekst over pijn. Het fascineerde mij. Niet direct herkenning, maar wel de manier waarop ik denk dat het goed zou zijn om met pijn om te gaan.

Pijn is het bewijs van leven.
Pijn leeft in ons.
Ons leven eindigt met pijn.
Iemand naast je hebben om je pijn mee te delen, vermindert die pijn en geeft je de moed om haar te omarmen.
De pijn van een ander herkennen en delen — dat is misschien wel de meest wezenlijke vorm.

Inderdaad ervaar ik mijn pijnen als bewijs van leven. Voor mij hoort pijn, fysiek of mentaal, bij het bestaan. Het heeft een functie. Het helpt je omgaan met situaties, het helpt je relativeren.

Iemand naast je hebben om het te delen, is voor mij nog onontgonnen terrein. Ik geloof wel dat het kan verlichten, althans wanneer het geen medelijden is. Het gevoel een slachtoffer te zijn past mij niet. Of het mij meer moed zou geven om pijn te omarmen weet ik niet — dat doe ik eigenlijk al.

Dan blijft die laatste zin hangen: de pijn van een ander herkennen en delen.

Vandaag had ik een ontmoeting met twee vriendinnen die ik al mijn hele leven ken. Sinds een paar maanden zien we elkaar weer regelmatig. Het is fijn om die band opnieuw op te pakken, herinneringen op te halen en nieuwe te maken.

Het gesprek ging over lichamelijke ongemakken. We hebben alle drie, op onze eigen manier, ervaring met langdurige ziekte. Eén van mijn vriendinnen vertelde over haar gezonde schoonzus die vaak klaagt over kleine pijntjes. Regelmatig naar de huisarts, maar er komt niets uit. En dan ook nog boos zijn dat er niets gevonden wordt.

Mijn vriendin vindt dat moeilijk. Na veertig jaar kanker, operaties en een lichaam vol littekens, stelt zij eerder de vraag: wat is er nog wél goed? Klagen komt in haar woordenboek nauwelijks voor.

Ik herken dat. Dat gevoel heb ik ook gehad. Maar ik heb geleerd dat wanneer je gewend bent geraakt aan ziekte, je veerkracht zich anders vormt dan bij iemand die dat niet kent. Voor iemand die altijd gezond is geweest, kan een simpele griep al intens zijn.

Het gaat niet om meer of minder.
Het gaat om referentiekader.

Herkennen en delen is dan ineens minder vanzelfsprekend.

En terwijl ik daar zit, merk ik iets anders op. Dat ik zelf nog steeds niet makkelijk steun aanneem. Mijn man zorgt voor mij, maar op een manier die niet zwaar voelt. Zonder woorden, zonder dat het mij klein maakt. Dat is precies de vorm waarin ik steun kan ontvangen, zonder mijn waardigheid te verliezen.

Tegelijk ben ik milder geworden naar mensen die klagen over kleine lichamelijke ongemakken.

Zo zie je hoe een zin die je ergens oppikt, zich een weg baant door je leven. En hoe een gesprek, ogenschijnlijk toevallig, precies op diezelfde plek uitkomt.

Pijn verbindt niet doordat ze gelijk is,
maar doordat ze herkend wordt binnen ieders eigen wereld.

 

 

 

 

 

 

 

Van patiënt naar speler

18 maart 2026

Het is zo maf om te zien hoeveel uithoudingsvermogen ik gehad heb. De afgelopen jaren konden mijn lichamelijke tegenslagen mij niet uit het veld slaan. Moeizaam, zwaar, maar acceptabel.

Dan krijg ik, na al die jaren, weer vleugels. Vitaliteit. De vrijheid die ik daarbij voel is bijna bovenaards gelukzalig. En dan één pilletje… en het gaat weer helemaal mis. Weg vitaliteit, maar ook weg veerkracht.

Direct stop ik natuurlijk met dit medicijn. Nu, zes dagen verder, heeft mijn systeem deze ellende nog niet opgelost. Anders dan ik van mezelf gewend ben, zit ik met dikke tranen te janken. Het verlies van die herwonnen vitaliteit komt als een mokerslag aan.

Diep van binnen snap ik dat het lichamelijk is, pure biologie. Maar ik voelde eindelijk weer hoe het is om vrij te leven in plaats van te dragen. Het ging al dik zeven jaar niet goed met mij. En dan drie maanden eindelijk vooruitgang… en deze terugval lijkt me even te breken. Hoe maf is dat? Het is niet leuk, maar toch ook geen ramp.

Door stofjes waar mijn lichaam niet tegen kan, raakt het systeem overbelast. Ik ervaar het nu als zwakte, maar dat is het natuurlijk niet. Het moet herstellen, weer uit mijn systeem verdwijnen. En ik ontdek iets: het huilen, met grote snikken en dikke tranen, lost spanning op die zich blijkbaar had opgebouwd. Langzaam keert de rust weer terug in mij.

Dan gaat mijn mobiel. Mijn cardioloog. Ik had rosuvastatine gekregen en daarvoor al twee andere statines waar ik ook verkeerd op reageerde. Er zijn cholesterolverlagende middelen die gespoten moeten worden, maar de verzekering betaalt die pas als je eerst alle statines hebt geprobeerd én een ezetimibe.

Het is duidelijk dat ze mij gelooft. Vriendelijk zegt ze dat ik mijn lichaam eerst een week rust moet geven en daarna één keer ezetimibe moet proberen. Stop ik na één pil, dan is dat ook goed. Ze laat dan bloed prikken, zodat ze kan aantonen dat alles geprobeerd is en de injecties vergoed worden.

Dat klinkt ineens een stuk beter. Tegelijk zie ik hoe het werkt. Mijn cardioloog zit ook vast in protocollen. De verzekeraar kijkt naar vinkjes, niet naar wat mijn lichaam al die tijd heeft doorgemaakt.

Gisteren had ik het over een levend schaakspel. Eigenlijk zegt ze nu: we spelen dit spel even, zodat jij krijgt wat je nodig hebt. En ineens verandert er iets. Mijn arts en ik staan niet tegenover elkaar, maar naast elkaar. Niet om deze medicijnen te laten slagen, maar om een weg te vinden naar iets wat wel past.

Ik lig niet meer op het bord.

Ik zie het spel en beweeg mee.

Niet om te winnen of te verliezen,

maar om te blijven bij wat klopt.

Van daaruit ontstaat elke volgende zet.

 

 

 

 

 

 

Levend schaakspel


17 maart 2026

Waar ben ik vandaag mee bezig? Niets bijzonders. Trainen en weer naar huis. Door een nieuw medicijn heb ik alweer een paar dagen spierpijn. Het begon alsof mijn benen versteend waren, zo stijf, en op de derde dag ging alles weer flink zeer doen. Mijn hoofd voelt gevuld met watten, die ook zwaar aan gaan voelen. Een lichte hoofdpijn en wat wazig zicht.

De euforie van de afgelopen drie maanden verdween deze dagen als sneeuw voor de zon. Na een lange periode van lichamelijk ongemak voelde ik me eindelijk weer vol energie. Dat maakte me gelukkig. Die maanden heb ik echt als een bevrijding ervaren. En nu, na één pilletje, valt dat weer weg. Begrijp me goed, ik ben niet echt ziek, maar precies genoeg leegte om mezelf door de dag te slepen. Geen puf om iets te doen, alleen op bed een serietje kijken en zo af en toe in slaap dommelen.

De conclusie is voor mij eigenlijk direct helder: stoppen met deze medicijnen. De vraag om het toch nog even te proberen, als een soort experiment, is duidelijk een nee. Mijn bereidheid om me over te geven aan het medische circuit, aan onderzoeken en pillen, voelt alsof die ergens is geknapt.

Ietwat gefrustreerd lig ik op bed met de tv aan en hoor iemand zeggen: “Ik geef niet om rijkdom, meer om gezondheid. Als het spel over is, verdwijnen zowel de koning als de pion in de doos.” Daar kan ik meerdere betekenissen aan koppelen. De dualiteit van het leven, arm en rijk, en uiteindelijk de gelijkwaardigheid van ieder mens. Ik zeg het zelf altijd iets banaler: “Als de koning een wind laat, stinkt hij net zo hard als die van mij.” Hoe dan ook, ik dommel even weg en als ik wakker word hangt die zin nog steeds in mijn systeem.

Drie maanden heb ik me weer zo goed en vitaal gevoeld. Daar kan inderdaad geen geld tegenover staan. Voor mij is rijkdom simpelweg lekker in mijn vel zitten, een lichaam dat energie kan genereren. Ik heb een innerlijke acceptatie van mijn aangeboren aandoening en eigenlijk accepteer ik ook de veranderingen die bij het ouder worden horen. Maar verslechteren door toediening van medicijnen, dat gaat me echt een streep te ver.

Nu ben ik in afwachting van een telefoontje van mijn specialist. En eerlijk, ik ben wel benieuwd hoe ik ga reageren op wat ze te zeggen heeft. Is het verstandig om mijn rug toe te keren naar het medische circuit? Kan ik het erop wagen om zonder verdere hulp gezond te blijven? Ik ben hier nog niet helemaal uit. Het voelt alsof ik mezelf in een spel heb gezet waarin ik moet bepalen welke zet nog van mij is.

Een schaakspel wordt vaak vergeleken met het leven. Elke zet heeft gevolgen, soms onomkeerbaar. Je moet kiezen, afwegen, loslaten, doorgaan. Maar in mijn spel gaat het niet om winnen. Het gaat om mijn vitaliteit.

Hoe sta ik in dit spel?
Niet aanvallen, niet verdedigen, niet offeren — maar vertrouwen.

En ja, ik heb er vertrouwen in dat ik hier uit ga komen. Hoe, dat weet ik nog niet. Dat zal ik zeker nog delen.

Misschien zit de zet niet in het systeem, maar in mij.
Misschien ben ik geen schaakstuk,
maar het bord waarop alles mogelijk blijft.

 

 

 

 

 

Kennis loslaten

 

16 maart 2026

Michel vergaarde altijd veel kennis. Hij las alles wat los en vast zat, op soms voor mij het gênante af. Door zijn goede communicatieve vaardigheden en ook hier en daar bluf wist hij altijd een gesprek te voeren over de meest uiteenlopende onderwerpen. Ook kreeg je dan het gevoel dat hij er echt verstand van had.

Stiekem bewonderde ik hem daar wel voor. In die vijfentwintig jaar dat wij samen waren hebben wij altijd heel veel met elkaar gepraat. Het was wel ons ding, zou je kunnen zeggen. Ik kreeg ook het gevoel dat hij mij scherp hield.

Na zijn overlijden viel dit stuk weg. Langzaam leek het alsof ik steeds dommer werd. Het was alsof hij het mentale vuurtje bij mij aangestoken kon houden. Ik lees geen krant, ik kijk geen tv, ik heb geen sociaal leven. Hij bracht als het ware de kennis binnen. En hij wist mijn gedachtestromen te prikkelen, te bevragen, te toetsen. Het debatteren met hem maakte mij wijzer. Ik had de dialoog nodig om te ontdekken wat ik zelf weet en hoe ik over iets denk.

Buiten Michel heb ik nooit iemand ontmoet die dit kan met mij. Waarbij ik het gevoel krijg zelf te kunnen groeien en leren.

Misschien was het onderdeel van het rouwproces. Ik weet het niet, maar nu bedacht ik me pas van de week dat ik die persoon gevonden heb.

Die persoon ben ik namelijk zelf.

Door iedere dag te schrijven, mezelf af te vragen waarom ik iets doe. Mezelf toetsen, iedere dag weer. De ene dag een meer diepgaand thema, dan de andere. Ik heb dat stukje wat ik mis van hem in mijzelf gevonden.

Dat domme gevoel slaat natuurlijk helemaal nergens op. Geïntimideerd door kennis, waar ik eigenlijk niets mee heb, heeft me misschien wel weggehouden van het pad dat ik zelf wil bewandelen. Begrijp me goed, dat is geen aanklacht. Het is een fase in mijn leven die ik nodig had, daar ben ik van overtuigd.

Toch besef ik ook dat die jaren met Michel mij enorm verrijkt hebben. Al die gesprekken, al dat zoeken, al dat toetsen van gedachten — het heeft mij gevormd. Die manier van kijken naar de wereld neem ik mee de rest van mijn leven.

Dat ik op deze manier geen sparringpartner meer vind, is zoals ik het nu zie zelfs een zegen.

Zelf opdiepen hoe ik naar het leven kijk. Naar kennis, naar wijsheid, naar waarheid.

Voor mij moet ik de waarheid zelf ervaren. Ik moet het zelf zien. Op het moment dat ik jou mijn waarheid vertel, is die waarheid al een leugen en kan het geen waarheid meer zijn. Mijn waarheid was alleen voor mijn ogen bestemd, om voor mij inzicht te kunnen zijn.

Alles wat mij verteld wordt of dat wat ik lees, is geen waarheid maar letterlijk een aanname. Het wordt een weetje, een mening, geen dieper innerlijk weten. Ik heb het gehoord en als ik daar waarde aan hecht, is het al geen waarheid meer voor mij.

Het krijgt pas impact en inzicht als ik het zelf aan den lijve heb ervaren of met mijn eigen ogen heb gezien.

Deze week besef ik pas dat doordat de materiële relatie met Michel is gesloten, er een deur naar mijn innerlijke waarheden is geopend.

Ik ben dankbaar voor al die mooie jaren met hem, zelfs dankbaar voor de leegte die hij bij mij achterliet.
En o zo blij dat ik de nieuw geopende deur heb gevonden.

Misschien verzamelen we kennis met elkaar,
maar ontdekken we wijsheid uiteindelijk alleen.
En soms opent juist de leegte die iemand achterlaat
een deur naar iets wat al die tijd al in jezelf lag te wachten.

 

 

 

 

 

 

Troost

 

15 maart 2026

Een kennis stuurt mij een klein berichtje uit de krant.

Ikje — Troost —
Ik haal mijn vierjarig nichtje Yara op bij de buitenschoolse opvang. Zij ziet mij niet, want heeft alle aandacht bij een huilend jongetje dat zij wil troosten. Ik hoor haar zeggen: “Als je verdrietig bent moet je aan leuke dingen denken. Denk maar aan dat ik volgende week naar de Efteling ga.”

Dit is een verhaal uit het leven gegrepen. Het grijpt mij ook aan. Ik krijg een brok in mijn keel terwijl ik het stukje lees.

Kinderen hebben vaak geen filters. Het is ook grappig. Op vierjarige leeftijd beginnen ze met ego-ontwikkeling: ik wil dit en ik wil dat. Ze herkennen de emotie van een ander kind, maar spiegelen dat direct aan zichzelf.

Dit kind heeft kennelijk al troost leren kennen door een lichtpuntje te laten zien. Vervolgens doet ze dat bij haar vriendje.

Daar wordt het voor mij interessant.

Want de manier waarop dit kind het aanpakt is dus al binnen haar eigen ontwikkeling een stukje conditionering. Ze benadert het relativerend. Niet per se beschermend of warm in de zin van: ik ben bij je, je staat er niet alleen voor.

Het brengt mij terug naar hoe ik mijn kinderen heb opgevoed.

Ook relativerend. Niet met een arm om hen heen, niet op schoot kroelen en beschermen. Eerder: laten huilen, laten bang zijn, uitleggen wat er gebeurt.

Waarom zie ik nu pas dat het misschien wat warmer had mogen zijn?

Ik hou ontzettend veel van mijn kinderen, maar de warme, troostende moeder ben ik nooit geweest. Relativeren, een bijna klinische uitleg over de situatie — zo pakte ik het aan.

Wanneer ik iets uitleg, benader ik dat altijd vanuit mijzelf. Alles breng ik terug naar IK. Niet uit egoïsme, maar omdat dat voor mij de enige plek is van waaruit ik echt kan spreken. Alles buiten de eerste persoon is niet rechtstreeks uit mijn eigen ervaring en voelt daarom voor mij al snel als een aanname.

Zoals ik nu kijk naar mijn omgang met mijn kinderen, denk ik dat ik soms wat liefdevoller had kunnen zijn. Ik hoopte en dacht dat mijn liefde — die voor mijzelf duidelijk overheersend is — gevoeld zou worden en genoeg zou zijn.

Nu lees ik dat kleine stukje in de krant.

Het lijkt grappig, maar ik voel er een achtergrond in.

En ik denk ineens: wat jammer dat ik in die tijd niet wat zachter en milder was.

Tegelijkertijd merk ik ook dat ik al veel rust heb gevonden. Pijnlijke stukken uit mijn verleden zijn er nog wel, maar ze voelen niet meer hetzelfde. Wat nu nog overblijft, is misschien iets anders: vergeving voor mijn eigen gedrag van toen.

Ook dat mag nog bevrijd worden.

De eerste stap is dat ik het nu zo duidelijk kan zien.

Misschien is inzicht niet het veranderen van het verleden,
maar het moment waarop je het met zachtere ogen kunt bekijken.
En soms begint vergeving simpelweg met zien.

 

 

 

 

 

 

Manifesteren of afstemmen

 

14 maart 2026

In het Wereldmuseum begeleidt een vriendelijk meisje ons door het gebouw, omdat er liften uitgeschakeld zijn in verband met verbouwingen. Ze vertelt dat ze heel blij is dat ze in het museum werkt. Ze is afgestudeerd in die richting en dan vooral het organisatorische gedeelte. Nu zit ze achter de balie en helpt ze bezoekers zoals ik.

Het is natuurlijk niet waar ze van droomt, om een soort kassière te zijn bij een museum. Ze wil exposities organiseren. Ze staat lief te lachen terwijl ze dit vertelt. Haar schouders zijn wat naar voren gebogen, verlegen en weifelend.

“Ik weet niet wat ik moet doen,” zegt ze.

Plotseling schiet mij een interview te binnen van een jonge vrouw, 25 jaar oud. Ik vertel dit meisje hierover. Deze jonge vrouw is de jongste museumdirecteur van Nederland bij Villa Mondriaan in Winterswijk. Dit museum staat bekend om het opleiden van jong talent, waarbij stagiairs – vaak met een kunstachtergrond – de rol van junior-directeur vervullen. Hoewel gespecialiseerde ervaring belangrijk is, bleek hier dat passie en toewijding in deze organisaties ook de boventoon kunnen voeren.

“Ik snap dat je misschien achter de kassa bij de Albert Heijn meer zou kunnen verdienen, maar je bent hier op de juiste plek. Als dit je ware passie is, probeer dan in zo’n omgeving te blijven. Je wordt gelukkiger van het leven van je passie dan van het kijken naar wat je verdient.”

Het is altijd bijzonder om in een kort ontmoetingsmoment zo’n betekenisvol gesprek te hebben. Het voelt vervuld.

In de auto terug naar huis dacht ik ineens aan een magazine dat ik had zien liggen in de wachtkamer van de Hartkliniek. Grappig, dat was blijven hangen en gebruikte ik nu vier dagen later in gesprek met dit meisje.

Manifesteren in Flow – creëer het leven dat echt bij je past.

Zou het echt zo zijn dat je je eigen gedachten manifesteert? Dat je in die zin dus je eigen leven kunt creëren? Hoe werkt dat dan? Zou je, als je dit omdenkt, dan ook kunnen zeggen dat je je eigen ellende hebt gecreëerd? Dat klinkt wel heel kort door de bocht, toch?

Manifesteren klinkt bijna als een belofte.
Als je maar hard genoeg visualiseert, je intentie maar sterk genoeg is, dan komt alles wat je je maar wenst vanzelf naar je toe.

Ik denk zelf dat het niet met ‘willen’ te maken heeft, maar met afstemming.
Heb de moed om te voelen wat ten diepste jouw weg, jouw passie is.

Dat is natuurlijk makkelijker gezegd dan gedaan. Hoe doe je dat als je bijvoorbeeld een kunstenaar bent en graag brood op de plank hebt? Niet iedereen wordt beroemd of kan met haar of zijn kunst genoeg geld verdienen om van te leven. Hoe manifesteer je dan je passie, dat wat jou ten diepste beweegt?

Om iets te kunnen manifesteren, moet je denk ik kunnen loslaten. Niet duwen, trekken, willen, hebben of moeten, maar meer een zachte intentie. Een soort uitnodiging. Vertrouwen dat het leven die weg voor je plaveit.

Ik weet dat die weg hobbels heeft, gaten, afslagen waar je in kunt verdwalen. Maar het gaat om vertrouwen en jezelf leren kennen. Wat maakt mij het meest gelukkig?

Schrijf het op, zeg het hardop, gebruik de juiste woorden. Hoe het precies werkt weet ik niet, maar ik geloof wel dat het woord heel belangrijk is in het manifesteren van dat wat je gelukkig maakt.

Ik ben niet religieus, maar heb wel veel gedachtengoed geadopteerd uit de Bijbel. Althans, ik heb er zelf betekenis aan gegeven.

“In het begin was het Woord.”

Deze zin heeft mij altijd gegrepen, omdat ik voel hoe belangrijk dit is. Ik denk dus dat hier inderdaad het begin ligt van manifestatie.

Misschien is het zo dat je voor jezelf een weg kunt manifesteren, en dat wat de bedoeling is zich vanzelf aan je openbaart. Omdat die weg je laat zien wat wel klopt voor jou en wat niet.

Zoals ik het voor mezelf zie, bewandel ik die weg met vertrouwen, op mijn manier, met horten en stoten. Steeds komt er meer inzicht in wie ik ben en waar mijn eerlijke passie ligt.

Ik zou kunnen zeggen dat in iedere stap verder in mijn leven een stukje meer openbaring ligt.

Misschien is manifesteren niet het afdwingen van wat je wilt,
maar het langzaam zichtbaar worden van wat al bij je hoort.
Stap voor stap, woord voor woord,
openbaart de weg zich vanzelf.

 

 

 

 

 

In gesprek met mijn droom

 

 13 maart 2026

Vanmorgen schreef ik mijn droom op. Dat doe ik vaker. Een droom opschrijven is voor mij een manier om de beelden vast te leggen voordat ze vervagen.

Maar vandaag gebeurde er iets anders.

De droom bleef niet op papier liggen. Hij bleef de hele dag met me meelopen. Terwijl ik erover nadacht en er vragen over stelde, begonnen er langzaam meer details zichtbaar te worden. Niet omdat ik een verklaring zocht, maar omdat ik merkte dat er in de droom meer structuur zat dan ik in eerste instantie had gezien.

Wat gek was en nu pas tot me doordringt, is dat het grote bijzondere gebouw aan de oever een gebouw is dat ik vaker in mijn dromen zie. Het bestaat niet echt, althans voor zover ik weet niet. In mijn droom had ik geregeld dat we met de hele groep het van binnen konden bezichtigen.

Eén van de eerste dingen die me opviel, was hoe de beweging door het gebouw begon.

In mijn herinnering liep iedereen eerst door één smalle donkere gang. Pas daarna verschenen er zijgangen. Mensen begonnen verschillende richtingen te kiezen, alsof de ruimte zich langzaam openvouwde.

Het gebouw zelf bleek geen gewoon gebouw te zijn. Het voelde meer als een grot. Geen rechte verdiepingen, maar hellingen en ruimtes die in elkaar overliepen. Gangen kruisten elkaar voortdurend, niveaus liepen door elkaar heen. Precies zoals in een echte grot waar water ooit zijn eigen weg heeft gevonden.

En toen begon er nog iets op te vallen.

Het licht verscheen niet ineens in de grote zaal. Het begon al eerder. Hier en daar verschenen organisch gevormde ramen. Door die ramen viel licht naar binnen dat door transparante kleuren ging. Dat licht projecteerde bewegende kleuren op de witte muren, plafonds en vloeren.

Ik realiseerde me dat ik in de droom eigenlijk door een schilderij van licht liep. Ik had geen idee waar ik heen liep. Het was spannend, maar ik was bovenal nieuwsgierig en werd door de schoonheid die ik ervaarde voortgetrokken.

In de grote zaal gebeurde vervolgens iets wat ik bijzonder vond. In deze vriendelijk zachte grot, met een enorme muur van gekleurd glas, scheen het licht als muziek door de ruimte. Het enige wat ik kon doen was ergens zacht tegen een heuveltje aan gaan liggen. Mensen in de ruimte volgden mijn voorbeeld. Niet omdat iemand dat zei, maar omdat de ruimte daar bijna om vroeg. Iedereen keek naar het licht dat door de enorme glaswand naar binnen viel.

Het licht was niet fel zoals zonlicht dat door een raam valt. Het had iets zachts, bijna levends. De kleuren bewogen langzaam over muren en plafond, alsof ze ademden. Even voelde het alsof de ruimte zelf licht was geworden.

Wat me achteraf opviel, was dat mijn aandacht eerst naar het licht ging, daarna naar de kunstwerken en pas daarna naar de mensen die daar lagen. Ik moest denken aan de hemel opent zich voor mij, dit zijn de engelen die muziek maken, dit wordt er dus mee bedoeld….

Misschien zegt dat iets over hoe ik kijk.

Later kwam er nog iets in mijn herinnering naar voren dat ik zelf mooi vond om te zien. In de droom kruisten gangen elkaar voortdurend. En kruisingen hebben voor mij altijd iets bijzonders. Het zijn geen eindpunten van een lijn, maar doorgangen.

In kruisingen voel ik vaak wat ik zelf “bewegende stilte” noem.

Een plek waar beweging heel even samenkomt voordat alles weer verder stroomt.

Misschien is dat ook waarom die grote zaal zo’n indruk maakte. Iedereen kwam vanuit een andere gang en had een eigen route genomen. En toch kwamen ze uiteindelijk in dezelfde ruimte terecht.

Toen we later weer buiten waren en iedereen het terrein ging verkennen, bleef ik nog even bij het water staan.

Vlakbij stond een klimconstructie van staal. Twee jonge mensen begonnen erin te klimmen: een jongen en een meisje.

Terwijl ik naar ze keek, gebeurde er iets vreemds. Ik zag ineens dat het meisje ikzelf was.

Ze had een spijkerbroek aan, een T-shirt, een kapsel zoals ik vroeger had. Ik zag haar bewegen zoals ik vroeger bewoog. Jong, licht, onbevangen.

Zoals het in een droom kan zijn, werd ik het meisje, Annette met Ton daar aan de waterkant, én toeschouwer van de film die mijn droom was.

Op dat moment was ik tegelijk degene die keek, degene die klom en degene die het geheel overzag.

Ik wachtte en bleef kijken tot ze weer beneden was, uit zorg voor de jonge Annette. Ik nam haar en haar vriend mee aan boord van het cruiseschip.

En daarna ging de reis gewoon weer verder in mijn droom, en kon ik weer in het hier en nu zijn.

Later die dag liep ik door het Wereldmuseum en zag ik een regel uit een gedicht:

Leven als een boom, alleen en vrij —
en als een bos in broederschap, dit verlangen is het onze.

Die zin bleef hangen.

Misschien laten dromen soms iets zien wat ik overdag ook herken: dat ieder mens zijn eigen weg loopt, maar dat er af en toe momenten zijn waarop al die verschillende wegen elkaar raken.

En misschien is zo’n zaal van licht precies zo’n moment.

Een plek waar verschillende gangen samenkomen,
waar beweging even stil wordt,
en waar je heel even het geheel kunt ervaren.

En daarna gaat iedereen weer verder.

De droom bleef de hele dag in mijn systeem en in het museum leek, vooral in de zaal van The Art of Poetry, het verhaal en mijn begrip ervan nog iets completer te worden.

De droom sprak niet in woorden.
De woorden kwamen pas later.

Het is de taal van mijn weten — niet de waarheid, maar hoe het voor mij klinkt.

 

 

 

 

 

 

 

Een droom die nergens op lijkt  -

hoe symboliek zichtbaar wordt in dromen

 

12 maart 2026

Vanochtend werd ik wakker met een droom die ik in eerste instantie eigenlijk nauwelijks durfde op te schrijven.
Zo’n droom waarvan je meteen denkt: wat een idiote droom weer.
Het lijkt nergens op.
Geen logisch verhaal, geen nette volgorde, alleen maar vreemde beelden achter elkaar.

Toch ben ik hem gaan opschrijven.

En dat is altijd een bijzonder moment. Want zodra ik begin te schrijven, gebeurt er iets. De losse beelden — die eerst alleen maar vreemd en onsamenhangend lijken — beginnen zich langzaam te ordenen. Alsof de droom zich pas echt laat zien wanneer hij in woorden komt.

In mijn droom lag een groot schilderij op een tafel. Ongeveer één bij twee meter. Over dat schilderij lag een soort rasterhekwerk van tien centimeter hoog. Daardoor ontstonden tien bij twintig vakjes — in totaal tweehonderd hokjes. In elk hokje stond een figuurtje. Wanneer je zo’n figuurtje eruit haalt, blijft er een vorm achter.

Ik liet een jongen steeds een minuscuul stukje verharde lichaamsvloeistof zien, ongeveer een halve centimeter groot. Op basis daarvan moest hij een figuurtje uit het raster halen, zodat er een vorm zichtbaar werd die ongeveer twintig keer zo groot was.

En ergens in die droom dacht ik ineens:
ja natuurlijk, als je het figuur eruit haalt blijft de vorm over.

Dat zinnetje bleef hangen.

Want eigenlijk is dat precies hoe ik zelfrealisatie aan cursisten uitleg. Een vorm kan bijvoorbeeld jaloezie zijn. Maar die jaloezie verschijnt niet altijd op dezelfde manier. Soms grof en duidelijk, soms subtiel, soms bijna onzichtbaar. Het komt in ontelbare kleuren naar je toe. De ene keer als afgunst, de andere keer als kritiek, als terugtrekken, als ondermijning, als schijnbare onschuld. De verschijningsvormen verschillen, maar de ondertoon blijft dezelfde.

In mijn droom waren die uitingen geen verhalen of gedragingen, maar figuurtjes. Beeldjes bijna. Los van elkaar. Alsof ze niets met elkaar te maken hadden. Maar zodra je ze weghaalt, verschijnt de vorm die eronder ligt.

Dat vind ik achteraf misschien nog wel het meest bijzondere aan deze droom: dat hij iets laat zien wat ik in het dagelijks leven en in mijn werk al lang herken, maar nu in een bijna tastbaar beeld neerzet.

Wat me ook opvalt, is hoe sterk in deze droom het werken met vormen, maatverhoudingen en bijna wiskundige logica aanwezig is. Er zit iets meetbaars in. Een raster. Vakjes. Aantallen. Hoogtes. Verhoudingen. Een minuscuul fragment dat uitvergroot wordt naar iets veel groters. Alsof de droom speelt met de gedachte dat in het kleine al een blauwdruk van het grote aanwezig is.

Ook de getallen vallen me op.

Eén verwijst voor mij naar eenheid.
Twee naar dualiteit.

Dat het schilderij één geheel is, maar bestaat uit tien bij twintig vakjes, vind ik niet toevallig. Tien en twintig zijn geen willekeurige getallen in de beleving van zo’n droom. Tien heeft iets van volledigheid, van een afgeronde reeks. Twintig is verdubbeling, uitbreiding, een beweging naar meer. En samen worden het tweehonderd hokjes: een veelheid aan afzonderlijke vormen binnen één geheel.

Dus enerzijds zie ik een eenheid — het ene schilderij, het ene vlak.
Anderzijds zie ik de verdeeldheid of differentiatie — de veelheid aan vakjes, figuren, variaties.

Ook dat past bij hoe ik vaak naar de mens kijk. De kleuren, de uitingen, de verhalen, de gedragingen zijn eindeloos verschillend. Maar onder die verschillen liggen vaak herkenbare basisvormen.

Daarna verschuift de droom nog verder. Eerst werk ik op een formaat van één bij twee meter. Daarna gaan we naar buiten en doen we in wezen hetzelfde opnieuw, maar dan op een werk van tien bij twintig meter.

Ook dat vind ik opvallend. De droom beweegt van klein naar groot. Van het bijna microscopische naar het monumentale. Van een stukje van een halve centimeter naar vormen die twintig keer groter worden. Van een werk op tafel naar een werk buiten, in de open ruimte.

Alsof de droom zegt: wat je in het klein leert zien, geldt ook in het groot. Wat in een detail zichtbaar wordt, kan ook iets zeggen over het geheel. Wat zich aftekent in een minuscuul fragment, kan een grotere wetmatigheid of ondertoon verraden.

Dat raakt voor mij ook aan schilderen, aan kijken, aan kunst, maar net zo goed aan menselijk gedrag. Een klein detail kan soms de sleutel zijn tot een groter patroon.

In mijn werk noem ik dat wel eens kijken op micro-, meso- en macroniveau.

Het microniveau is het detail: een klein stukje gedrag, een opmerking, een reactie, een fragment van een situatie. Het mesoniveau laat zien hoe dat detail zich herhaalt in relaties en patronen tussen mensen. En op macroniveau zie je hoe dezelfde vorm zich zelfs kan aftekenen in grotere structuren, in groepen, organisaties of in de maatschappij.

In deze droom lijkt dat principe bijna letterlijk zichtbaar te worden. Een minuscuul fragment wordt uitvergroot tot een vorm. Een vorm op een schilderij wordt een patroon op een groot werk buiten. Wat eerst klein en onbeduidend lijkt, blijkt onderdeel van een groter geheel.

En dan doet de droom iets wat dromen vaker doen: ineens verandert alles.

Plots sta ik in een historische binnenstad aan een haven. Daar verschijnen vrienden die al twintig jaar gescheiden zijn, maar van wie ik nog steeds veel houd. Ze zijn mij als verrassing komen opzoeken. Ze hebben een baby bij zich. Op het moment dat ik werkelijk besef dat het Mats en Moni zijn, begin ik te huilen. Ze omhelzen me. En dan word ik wakker.

Ook dat deel van de droom vind ik mooi in zijn eigen logica.

Na al dat werken met vorm, raster, maat, verhouding en structuur komt er ineens iets heel menselijks binnen. Geen schema meer, geen bijna mathematisch beeld, maar ontmoeting. Herkenning. Liefde. Ontroering.

Maar ook het beeld van loslaten betekent geen einde, maar een nieuw begin. Als ik de symboliek bekijk van 2 gescheiden mensen met een baby.

Zoals het gezegde : Je sluit een deur en er gaan weer nieuwe deuren open.

En dan ook nog die baby.

Ook zonder daar direct een vaste betekenis aan te willen geven, valt natuurlijk wel op dat er na al dat kijken naar vormen en patronen opeens een beeld van nieuw leven verschijnt. Iets nieuws. Iets kwetsbaars. Iets dat nog niet is ingevuld, maar gedragen wordt. Dat juist dat aan het einde van de droom verschijnt, samen met mensen van wie ik veel houd, maakt het voor mij een opvallend warm slot.

Misschien is dat ook wat me raakt in deze droom: dat hij begint in iets wat bijna abstract is — vorm, patroon, verhouding — en eindigt in iets wat heel menselijk is: huilen, omhelzen, verrast worden, nieuw leven zien.

Het ene sluit het andere blijkbaar niet uit.

Integendeel.

Hoe langer ik naar deze droom kijk, hoe meer ik zie dat hij verschillende lagen naast elkaar laat bestaan. Iets technisch en iets gevoeligs. Iets bijna wiskundigs en iets heel menselijks. Iets kunstzinnigs en iets relationeels. Iets kleins en iets groots. Eenheid en veelheid. Structuur en ontroering.

Misschien is dat ook precies waarom ik dromen zo interessant vind.

Wanneer ik wakker word, denk ik vaak eerst: wat een onzin allemaal.
Maar zodra ik begin te schrijven, zie ik dat er wel degelijk symboliek en samenhang kan ontstaan. Niet omdat ik die er geforceerd in stop, maar omdat de droom zelf beelden aanreikt die ik zelf op deze manier niet bewust had kunnen verzinnen.

Dromen zijn voor mij soms bijna sprookjes die je niet zelf bedenkt, maar die zich aandienen.

Misschien is dat ook waarom zoveel oude verhalen hun oorsprong hebben in droombeelden. Omdat een droom niet spreekt in keurige redeneringen, maar in beelden die iets aanraken wat ouder is dan logica. Beelden die eerst absurd lijken, maar bij nader inzien toch een eigen orde blijken te hebben.

En misschien is dat ook waarom ik ze blijf opschrijven.

Omdat ik telkens opnieuw zie dat wat eerst nergens op lijkt, bij aandacht toch een vorm blijkt te hebben.

En misschien geldt dat niet alleen voor dromen.

Misschien geldt het ook voor het leven zelf:
de kleuren zijn eindeloos verschillend, de figuren lijken los van elkaar te staan, maar daaronder tekent zich soms een vorm af die verrassend herkenbaar is.

Misschien gebeurt dat niet alleen in dromen.

Misschien gebeurt het ook wanneer we naar het leven zelf kijken.

Eerst zien we losse figuren, gebeurtenissen, mensen, kleuren.

Pas later begint er iets zichtbaar te worden van de vorm eronder.

En soms — heel even — zien we hoe het kleine en het grote, het denken en het voelen,

het patroon en het menselijke elkaar raken.

Misschien is dat wel het moment waarop een droom langzaam wakker wordt.

 

 

 

 

 

 

Een boek dat zichzelf schrijft


11 maart 2026

Vandaag zat ik bijna de hele dag in gesprek. Zo’n gesprek dat nergens echt begint en ook nergens echt eindigt. Het ene onderwerp roept het andere op, zoals wanneer je een wandeling maakt en af en toe stil blijft staan omdat iets je aandacht trekt. Het begon met een eenvoudig idee. Misschien ga ik deze chat gebruiken voor sprookjes. Niet omdat ik al weet wat voor sprookjes dat moeten worden. Misschien oude verhalen uit andere culturen, misschien iets dat gewoon onderweg ontstaat. Ik weet het werkelijk nog niet. En misschien is dat juist een goede manier om te beginnen: niet weten.

Tijdens het praten kwam er ineens een beeld in mij op. Het beeld van een boek. Niet een boek dat je schrijft, maar een boek dat er al ligt. Je slaat het open en ontdekt dat het verhaal zich verder schrijft terwijl je leest. Misschien is het leven eigenlijk ook zo. Je denkt soms dat je het schrijft, maar misschien leef je vooral bladzijde voor bladzijde wat zich aandient.

Het gesprek ging over van alles vandaag. Over hoe mensen vaak zo krampachtig proberen chaos tegen te houden. Als je naar praatprogramma’s en politiek kijkt, zie je dat voortdurend. Het heeft soms iets angstigs, iets geforceerds. Terwijl de geschiedenis juist laat zien dat verandering vaak ontstaat na een periode van chaos. Het lijkt alsof de mensheid af en toe eerst moet struikelen voordat er weer iets nieuws kan groeien. Zelf kan ik me daar niet zo druk over maken. Ik leef nu. En ik ga verder met het leven zolang het er is, in de omstandigheden die zich aandienen.

Het gesprek kwam ook op de dood. Ik zei gisteren nog tegen mijn cardioloog dat ik niet bang ben om dood te gaan. Natuurlijk wil ik zolang ik leef de kwaliteit van mijn leven zo goed mogelijk houden. Maar die kwaliteit wordt voor mij niet alleen bepaald door wat je lichamelijk allemaal kunt. Ik zie genoeg mensen die lichamelijk kerngezond zijn en met wie ik niet zou willen ruilen. Voor mij zit de kwaliteit van leven ergens anders. Het is er eigenlijk altijd. Alleen als ik echt lui ben en nergens mee bezig ben, dan voelt het minder als kwaliteit. Verder ervaar ik eigenlijk altijd een zekere intensiteit van binnen. Ik ben misschien niet druk in mijn bewegingen, maar innerlijk gebeurt er altijd van alles.

Ik sprak ook over yoga. Voor mij is yoga nooit een oefening geweest die je een uurtje op een mat doet. Voor mij is yoga Leven, met een hoofdletter. Het is een manier om je lichaam als instrument te leren kennen. Door je lichaam te leren kennen leer je ook jezelf kennen. Je luistert naar wat er gebeurt, naar waarom je dingen doet zoals je ze doet. Yoga gaat voor mij niet over iets afleren of delen van jezelf weggooien. Je hebt alles nodig wat je bezit als mens. Ook dat ego. Het ego is geen vies ding dat je moet vernietigen. Je kunt het beter leren kennen, het soms omarmen en af en toe ook gewoon een beetje uitlachen.

Op een gegeven moment werd mij gevraagd wat mensen het moeilijkste moeten leren over zichzelf. Daar hoefde ik geen seconde over na te denken. 

Geduld. 

Bijna alles wat werkelijk groeit heeft tijd nodig. Je kunt het niet forceren. Niet in het lichaam, niet in het leven en niet in jezelf.

Ik sprak ook over een paar momenten uit mijn leven waarin ik ergens in de natuur zat en zo volledig keek en luisterde waardoor ik elk gevoel voor tijd verloor. Kikkers in het water, het licht op het gras, een roofvogel die boven de bomen cirkelt, het zonnetje op mijn gezicht. Ik zit daar en ineens blijkt dat er uren voorbij zijn. Niet omdat ik ergens anders was, maar omdat ik helemaal daar was.

Aan het eind van de dag kwam er nog een gedachte die eigenlijk heel eenvoudig is. Mensen praten vaak over spiritualiteit alsof het iets bijzonders is dat sommige mensen hebben en anderen niet. Maar volgens mij zijn alle mensen spiritueel. Iedereen probeert het leven te begrijpen, iedereen zoekt op zijn eigen manier naar betekenis.

En zo kwam ik weer terug bij dat beeld dat vandaag ineens bij me opkwam. Het boek. Misschien ligt er ergens een boek dat zich langzaam opent. Bladzijde voor bladzijde. Misschien schrijf ik het niet. Misschien leef ik het gewoon.

En misschien, 

ergens tussen de regels van vandaag, 

begon heel stil het eerste sprookje.

 

 

 

 

 

 

Michel, 73

 

10 maart 2026

Tien maart is voor mij een bijzondere dag.
Zoals een aantal dagen in het jaar voor mij een diepere betekenis hebben gekregen.

Precies vandaag had ik een afspraak in de hartkliniek. Een nieuwe cardioloog had een aantal voorstellen gedaan waar ik mij niet prettig bij voelde. Ze gaf mij — en zichzelf — zes weken bedenktijd om nog eens goed na te denken over haar plannen.

Ik merkte dat ik opstandig werd. Dan heb ik de neiging mijn hakken in het zand te zetten.

De afgelopen dagen was ik in gedachten al ruzie aan het maken met mijn cardioloog.

Hahaha.

Michel kon dat vroeger thuis ook. Hij kon in zijn hoofd al ruzie hebben met iemand voordat hij die persoon daadwerkelijk sprak. Ik vond dat altijd zo belachelijk.

Hij zei dan:
“Al het gif is eruit voordat ik hem of haar spreek, en dan gaat het altijd goed.”

Misschien zat daar toch wat in. En toen gebeurde er iets grappigs.

De afspraak viel precies op zijn verjaardag.

Dat bracht me op een idee.

Ik stond mezelf toe om het hele weekend in gedachten ruzie te maken, in de hoop vandaag rustig het gesprek aan te kunnen gaan. Wie weet kijkt Michel ergens vanaf een wolk met een glimlach en denkt hij: Zie je wel Netje… het werkt.

En inderdaad. Het werkte.

De cardioloog en ik waren allebei positief gestemd. We hebben in alle redelijkheid afspraken gemaakt. Een beetje geven en nemen van twee kanten.

Met goede uitleg, mensen die weten wat ze doen, wetenschappelijk bezig zijn en een oprechte nieuwsgierigheid hebben, ben ik bereid mee te werken.

Je zou zeggen:  je doet toch gewoon wat een specialist zegt?

Nee.

Zo werkt dat voor mij niet. Maar vandaag ben ik content.

En dan terug naar Michel.

Vandaag zou hij drieënzeventig jaar geworden zijn.
Hij werd slechts tweeënzestig.

Michel was wiskundeleraar, dus daarom wil ik vandaag iets over het getal 73 opschrijven.

73 is een bijzonder getal.

Het is het 21e priemgetal.
Het spiegelbeeld, 37, is het 12e priemgetal.
En het spiegelbeeld daarvan, 21, is weer het product van zeven en drie.

In binaire vorm is 73 een palindroom:
1001001.

Van voren naar achteren precies hetzelfde.

In de Bijbelse numerologie symboliseert 73 goddelijk inzicht en spirituele wijsheid, en wijst het naar persoonlijke groei en innerlijke helderheid.

Psalm 73 is een dankgebed. Niet als reactie op een fysieke dreiging, maar op een persoonlijke crisis.

Michel was niet religieus, maar wel spiritueel ingesteld. En hij hield enorm van kennis.

Hij had dit stukje over het getal 73 vast prachtig gevonden — en er waarschijnlijk nog veel meer over verteld.

Ik glimlach als ik eraan denk hoe hij Bijbelteksten kon citeren en wiskundige weetjes wist te koppelen aan tarot of andere symboliek.

Vandaag voelt het goed om hem, na elf jaar, op deze manier te gedenken.

Blij dat hij onderdeel van mijn leven was.

Blij met deze dag.

Herinneringen verdwijnen niet.
Ze veranderen alleen langzaam van pijn
naar een stille glimlach.

 

Wie meer wil lezen over de periode na zijn overlijden, kan dat vinden in

Mijn Verwerking

 

 

 

Herstel

9 maart 2026

Vandaag heb ik volgens mij een keerpunt meegemaakt.
Een kantelpunt.

En ik kan niemand uitleggen hoe gelukkig ik daarmee ben.

Na een val onder de douche op 1 januari 2019 heb ik mijn heup — eigenlijk het heiligbeen — zo ernstig geblesseerd dat zitten, liggen en lopen nauwelijks mogelijk was. De pijn van toen zal ik nooit meer vergeten. Pijnstillers, half opiaten… daar bleek ik niet tegen te kunnen. Het duurde maanden voordat ik weer een beetje pijnloos kon bewegen.

Vanuit mijn aandoening heb ik sowieso 24 uur per dag pijn. Daar ben ik inmiddels aan gewend geraakt. Dat klinkt misschien vreemd, maar zo werkt het.

Na ongeveer een half jaar werd het weer wat normaler, maar er bleef een duidelijke instabiliteit. Bij een verkeerde draai of ongecontroleerde beweging kon ik weer weken of zelfs maanden teruggeworpen worden. Door die immobiliteit begon mijn gewicht langzaam toe te nemen, wat het geheel alleen maar verder in een neerwaartse spiraal bracht.

Afgelopen vrijdag viel ik opnieuw.
Tijdens het werken aan mijn schilderij ging ik plat achterover op de grond. Een harde klap. Meteen felle pijn in mijn knie, knieholte en enkel. En een soort verlamming waardoor lopen eigenlijk geen optie meer was.

Mijn training moest ik afzeggen. Daar baalde ik eerlijk gezegd behoorlijk van.

De twee dagen daarna bracht ik vooral door op bed. Lezen, schrijven, televisie kijken. Mentaal eigenlijk behoorlijk actief.

Na de eerste nacht voelde ik me al redelijk goed. Mijn been was stijf en buigen lukte nog niet, maar wat me vooral opviel was iets anders: ik was niet in een soort algehele malaise terechtgekomen. Dat was in het verleden bijna automatisch gebeurd.

Na de tweede nacht kon ik weer lopen. Nog voorzichtig, en buigen ging alleen stap voor stap tot aan de pijn. Maar het ging.

Vandaag besloot ik naar de E-Gym te gaan. Met een beetje zenuwen, dat wel.

Ik had mezelf voorgenomen dat ik me nergens druk over zou maken. Als het te zwaar of te pijnlijk zou zijn, dan zou ik gewoon doen wat mogelijk was en weer langzaam opbouwen.

Die instelling voelde echt.

Vandaag stond er ook weer een krachtmeting gepland. Ik was op van alles voorbereid, maar niet op wat er gebeurde. Het ging geweldig. Zonder pijn.

Dit is één van de grootste doorbraken sinds die val in 2019. Normaal gesproken zou ik na zo’n klap weer maanden teruggeworpen worden. Nu waren twee dagen rust blijkbaar genoeg.

En toen besefte ik het.

Mijn grootste winst is niet dat de kilo’s er nog aan zitten.
Mijn grootste winst is dat het herstelvermogen van mijn lichaam is veranderd.

Mijn lichaam herstelt.

Dit is het echte antwoord op mijn welbevinden.

En dit zeg ik niet snel, maar vandaag zeg ik het wel:

Ik ben ontzettend trots op mezelf.

Misschien is dit wat herstel werkelijk betekent.
Niet dat het lichaam nooit meer valt,
maar dat het leert weer op te staan.

 

 

 

 

 

God's Fool

 

8  maart 2026

Er was eens een clown. Die clown was ik.

Ik heb haar geschilderd: kleurig, transparant, grappig — maar met een grote traan op haar gezicht. Dat schilderij heb ik veertig jaar geleden weggegeven. Het was wie ik was. Een beeld van mezelf zoals ik mijzelf zag.

Het was een copingmechanisme: overal de humor van inzien. Met grappen en grollen mijn pijn verbergen. Het was een diep innerlijk en heel kwetsbaar stukje van mijzelf.

In vertrouwen vertelde ik dit aan iemand. Ik gaf letterlijk mijn ziel bloot.

Vervolgens vertelde deze persoon het publiekelijk aan een hele groep mensen, alsof zij zelf mij zo zag. Misschien gaf het haar een vrijbrief om er openlijk over te praten nadat ik haar in vertrouwen had genomen.

De schok om mijn eigen woorden door de mond van een ander terug te horen — alsof het haar woorden waren — ben ik nooit vergeten.

Voelde ik me verraden? Voelde ik schaamte? Hoe wordt er eigenlijk naar een clown gekeken?

Vandaag las ik een verhaal over Franciscus van Assisi. Vroeger had je aan het hof vaak een nar. Waarom, zou je denken?

Omdat er dingen zijn die de zogenaamde wijze mensen niet begrijpen. Hun slimheid en spitsvondigheid kunnen hun geest sluiten. Een dwaas of een nar kon en durfde alles te zeggen, omdat hij niet bang was voor de consequenties.

In de dwaas schuilt een wijze. En in de wijze schuilt een dwaas.

Ik weet niet of men toen al zulke psychologische gedachten had, maar het bracht wel balans.

Na zijn verlichting werd Franciscus van Assisi Saint Francis, en hij noemde zichzelf: “God’s Fool.”

Dat brengt mij bij de gedachte dat wanneer een mens serieus is en verantwoordelijkheid draagt, dat mooi is. Maar alleen wanneer diezelfde mens ook om zichzelf kan lachen, kan relativeren en een kinderlijke vrijheid en verwondering kan behouden.

Wanneer dat in jezelf naast elkaar kan bestaan, is dat misschien wel de weg naar bewustzijn.

Wanneer ik terugkijk naar die schok rond de clown in mij, zie ik een heel kwetsbaar kind. Ik werd diep gekwetst toen dat kind door een ander werd blootgesteld.

Maar nu kan eindelijk het ongedwongen kind — de dwaas die nergens bang voor is — een plek krijgen in mijn leven.

Vrijmoedig. Onbevangen. Frank en vrij. Meester worden van het leven.

Misschien is de dwaas niet degene die niets begrijpt.
Misschien is het degene die eindelijk durft te zijn wie hij is.

 

 

 

 

 

 

Power of Stillness 2

 

7 maart 2026

Dit werk is ontstaan na mijn CVA. Niet als plan, maar als proces.

Ik begon met goud.
Gewoon omdat dat de eerste laag moest zijn. Het goud dat alles in zich draagt — licht, levenskracht, iets wat blijft en er altijd is. Soms weet je het dat er is, en soms of zelfs vaak schijn je dit te vergeten.

Daaroverheen liet ik kleur stromen: lichtblauw, lila, magenta en wit. Het zijn specifiek voor mij de kleuren van bewustwording. De verf vond zijn eigen weg. Soms vormden zich clusters, bijna als cellen. Soms brak het open. Het goud begon door de lagen heen te eten en liet breuklijnen zien die ik niet gepland had.

Ik stuur dat niet. Ik kijk wat er gebeurt.

In die lijnen herkende ik iets van mijn eigen leven. De scheuren die ontstaan wanneer het leven breekt of kantelt. Het doet mij denken aan Kintsugi: niet repareren om te verbergen, maar laten zien waar het gebroken is — omdat juist daar een nieuwe schoonheid ontstaat.

Daarna kwam een volgende laag van denken en voelen. Cirkels. Een vorm die voor mij staat voor heelheid, eenheid, gelijkwaardigheid, natuurlijk, eerlijk.

Niet geschilderd, maar als een nieuwe dimensie boven het werk geplaatst. Transparant plexiglas dat licht vangt en verandert met de kijkhoek. Alsof je door een andere bril kijkt. Dezelfde werkelijkheid, maar verdiept.

Onderaan kwam iets aards. Ruwe wol. Van het schaap. Geverfd in dezelfde kleuren als het schilderij. Het zachte, het tastbare, het leven dat ook gewoon grond nodig heeft.

En toen kwam de vraag: kan dit doek het dragen?

Net als een mens soms een ruggengraat nodig heeft om verder te kunnen, moest ook het werk worden verstevigd. Aan de achterkant kreeg het meer kracht. Daarna begon het bouwen: boren, bevestigen, afstand maken tussen de lagen. Houten kralen werden kleine dragers van die ruimte, als planeten in ons melkwegstelsel, onderdeel van het universum net als jij en ik.

Het proces was technisch. Maar het was ook een metafoor.

Over hoe een mens groeit. Niet door iets nieuws toe te voegen, maar door dieper te worden in wat al aanwezig is. De vorm blijft, maar de kleuren veranderen.

Voor mij gaat dit werk over zachtheid. Eerst naar mezelf. En pas daarna naar de wereld.

In die verstilling zit kracht.

Power of Stillness

De vorm was er altijd al.

Alleen het licht veranderde.

En in dat nieuwe licht

werd zichtbaar

wat al die tijd

heel was.

Power of Stillness

 

6 maart 2026

De laatste loodjes wegen het zwaarst, zegt men. Helaas was dat vandaag wel het geval. Mijn schilderij is uiteindelijk af, maar het heeft wel wat teweeggebracht.

Door onoplettendheid ben ik heel hard gevallen. Mijn linkerknie verdraaid, een pimpelpaarse, dikke pijnlijke enkel. En plat achterover gevallen. Even afkloppen — gek genoeg voel ik mijn heupen nog niet, terwijl dat toch al jaren een zwakke plek voor mij is. Het was echt een enorme klap.

Nu zit ik op mijn bed dit stukje te schrijven, met veel pijn.

Toch kan ik me vergissen, maar heb ik het idee dat ik er niet zo slecht aan toe zal zijn als de afgelopen jaren. Door mijn dagelijkse training heb ik denk ik meer kracht in mijn lichaam gekregen om hier, net als een gezond mens, van te herstellen. Zo voelt het althans. Misschien is het wishful thinking. Maar er is toch iets anders in mij.

Mijn man vroeg mij daarnet of ik een wijntje wilde drinken als toast op het voltooien van mijn werkstuk.

Na twee wijntjes ben ik nu tipsy. Ik ben niet gewend om alcohol te drinken. Het is dus ook spannend hoe ik dit blogstukje verder afschrijf. Als er iets misgaat, komt dat doordat ik me laat meeslepen door mijn stemming, in plaats van aandacht te houden bij mijn eigen handelingen. Mijn helderheid lijkt op dit moment wat vertroebeld.

Mijn schilderij, mijn werkstuk, is af. Het is mijn eigen creatie. Het is het resultaat van jarenlang mezelf zijn, tot op dit moment. Er zijn veel dingen die ik heb gedaan, en ook veel waarvan ik denk dat ze beter hadden gekund. Maar ik kan en wil die controle niet behouden. Ik moet het loslaten.

Mijn geest is creatief. Creatief met gedachten.

Door mijzelf en mijn werk te observeren zie ik lichtblauw/lila licht — de kleuren van mijn spirituele ontwaken. Ik zie transparante en frostachtige cirkels die verfijnen of verzachten. Ik zie rust, stilte en beweging. Het goud dat tussen scheuren omhoogkomt. Het symboliseert de schoonheid van verlies, mislukking en pijn.

Het leven voelt soms als chaos, maar is in feite een bijna wiskundig patroon waarin wij bewegen en waarop we mogen vertrouwen. Ik denk dan aan kwantumfysica en ben ervan overtuigd dat zelfs dat nog een dimensie verder gaat.

Wat ik kan doen, is een kosmische beweging neerzetten met aardse precisie en inleving.

Het werken aan Power of Stillness haalt alle aspecten naar boven die ik op dit moment ben.

In de staart toch nog even over mijn grens — door te vallen, te gillen naar mijn man en me nu, na twee wijntjes, een beetje dronken te voelen.

Waarvan ben ik dronken?

Van het vrijlaten van mijn diepste bewegingen?
Van de flow die mij meer dan een week overnam?
Van het blootgeven van transparantie?

Of simpelweg van vermoeidheid?

Misschien is voltooiing altijd een beetje duizelig.
Omdat iets wat lang in je leefde,
nu eindelijk de wereld in mag.

 

 

 

 

 

 

Onderhoud en verlossend


4 maart 2026

Vanmorgen werd ik wakker met een woord dat was blijven hangen uit een nacht vol dromen: verlossend. Niet verlossing, maar verlossend. Dat verschil werd zelfs in de droom gecorrigeerd. “Nee,” werd er gezegd toen ik het woord verlossing dacht. Niet een eindpunt, maar een werking. Niet iets dat bereikt wordt, maar iets dat ruimte maakt terwijl het leven gewoon doorgaat.

De nacht ervoor was er ook al een woord gebleven: onderhoud. Ik had het niet opgeschreven. Ik was moe en ging vroeg naar bed. Maar toen ik er vanmorgen aan dacht, leek het alsof die twee woorden elkaar opvolgden. Eerst onderhoud, daarna iets verlossends. Alsof een systeem eerst zorg en aandacht vraagt voordat er weer beweging kan ontstaan.

Het voelde niet groots of spectaculair. Eerder als zachte nuchterheid. Rust. Bewegende stilte.

Bewegende stilte — zo voelt het eigenlijk het beste. Niet stilstand, maar ook geen onrust. Een stroom die beweegt zonder lawaai te maken.

En ergens in die rust kwam het woord ether voorbij. Niet als een gedachte waarover nagedacht moest worden, maar als een helder weten. Ruimte en verbinding tegelijk. Want ruimte ís verbinding. Zonder ruimte verstikt verbinding. Zonder verbinding wordt ruimte leeg.

Misschien is dat ook waarom mijn dromen de laatste tijd steeds minder beelden nodig hebben. Soms blijft er alleen een woord over. En dat is genoeg.

Ik werd klaarwakker, haalde mijn kralen los en begon aan de dag.

Misschien is dat wel wat verlossend betekent. Niet dat alles opgelost is, maar dat er genoeg ruimte ontstaat om weer te bewegen.

Dat was precies wat er ook gebeurde: bewegen.

Eerst trainen om daarna verder te gaan met mijn schilderij. Althans, dat was in eerste instantie mijn plan. Ton was met de auto naar de garage en ik begon alvast met het voorboren van de kralen die ik gemaakt had. Buiten was het zonnig. Ik ontdekte dat ik nog schroeven nodig had en bedacht dat ik die wel op de fiets kon halen bij een bouwmarkt tien kilometer verderop. Lekker buiten. Frisse lucht, wind, zon — perfect.

Het leek me een gezonde manier om even afstand te nemen van mijn creatie.

Na 26 kilometer fietsen kwamen we weer thuis, met schroeven, maar toch best vermoeid. Na een uurtje rusten begon ik verder te werken aan het schilderij. Het is leuk, spannend, maar ook een hele intensieve klus.

Op het moment dat ik mijn spieren weer begon te voelen, besloot ik dat er morgen ook weer een dag is. Ik kan gewoon stoppen.

Een verlossende gedachte.

En een beter onderhoud van mijzelf dan dat ik tot nu toe van mezelf gewend ben.

Ga ik het dan toch leren?

Deze verantwoordelijkheid, vrijheid en liefde voor mezelf?

 

 

 

 

 

 

 

Het zien is genoeg

3 maart 2026

“Hallo, we konden uw pakket niet afleveren op uw adres.
Nieuwe afleverlocatie: THE LORD SERVICE 2 OUDE VEER PAPENDRECHT, 3353 GS.”

Ik ben gewoon thuis. Niemand belt aan. En dan krijg ik deze mail. Dit gebeurt zo vaak. Daar heb ik me in het verleden echt kwaad over gemaakt. Klachten ingediend enzovoort. Ze hebben geen zin om langs te komen, maar gaan liever direct naar een afleverpunt. Dan heeft de chauffeur eerder vrij. Begrijpelijk, het is lekker weer.

Het afhaalpunt heeft, als ik pech heb, hetzelfde probleem: niet meteen verwerken, want men wil zo snel mogelijk op een terrasje zitten. Dus met een beetje geluk morgen.

Sa Ta Na Ma. Adem in, adem uit.

Ik voel irritatie — praktisch, want het is gewoon niet waar.
Maar ook een oude lading. Vroeger werd ik hier echt kwaad om. Nu niet meer. Ik zie het mechanisme. Ik relativeer het zelfs, omdat ik ook de menselijke kant zie.

Vroeger was dit zo’n moment waarop mijn rechtvaardigheidsgevoel vol aanging. Het onzichtbaar zijn. Niet serieus genomen worden. Niet aanbellen.

Dat raakt iets ouds bij mij.
Mijn zenuwstelsel blijft nu rustig.

In mijn zelfrealisatiecursus probeerde ik met mensen altijd de vorm te vinden — niet de kleur, maar dat ene containerbegrip dat hun leven min of meer bepaalt. Zodra ze dat ene woord hebben, gaan ze ook de duizenden kleuren herkennen waarin het verschijnt.

Wat er bij mij onder ligt, is dat ik allergisch ben voor iedere vorm van manipulatie.
Ook wat UPS nu doet, is een vorm van manipulatie.

De vorm heet manipulatie.
De kleur kan duizenden verschillende uitingen hebben.
In the end is het containerbegrip: MANIPULATIE.

Mijn jeugd stond er bol van.

Mijn lichaam herkent het onmiddellijk. Het gaat hier niet om het pakketje dat niet netjes wordt afgeleverd. De woorden in de mail kloppen niet met het gedrag. De waarheid wordt verschoven, waardoor verantwoordelijkheid wordt ontkend. Daarmee wordt mijn intuïtie ondermijnd.

Daar ben ik allergisch voor.

Mijn zenuwstelsel herkent het patroon nog vóór mijn hoofd het analyseert. Dat raakt me — merk ik steeds weer. Er wordt een werkelijkheid gecreëerd die niet klopt. En dat is precies wat manipulatie doet.

Het bijzondere is dat ik het nog steeds direct fysiek signaleer, maar er niet meer boos om word. Ik kan nu beter het onderscheid maken tussen hun gedrag en mijn werkelijkheid. Het zien is genoeg. Dat geeft al rust.

Door dit soort kleine gebeurtenissen — die wel het containerbegrip bevatten dat mijn leven tot nu toe mede heeft bepaald — kan ik een verschuiving waarnemen in mijn reactie.

De vorm zal altijd een thema blijven.
Steeds meer kleuren zal ik herkennen en erkennen.
Mijn reactie zal steeds meer tot rust en acceptatie komen.

Daar zit mijn innerlijke groei.

Wat niet klopt, herken ik.

Wat ik herken, hoef ik niet meer te bestrijden.

Zien is soms al bevrijding.

 

 

 

 

 

 

Millimeterwerk 

 

2 maart 2026

Na twee dagen weer veel op mijn bed te hebben doorgebracht, kon ik vanmorgen vroeg weer gaan trainen. Uren achter elkaar schilderen was toch net te veel geweest. Minder dan normaal, omdat ik wel op tijd naar bed was gegaan. Toch moet ik meer rustpauzes nemen — al is het maar mijn timer ieder uur laten afgaan, zodat ik een kwartiertje rust neem.

Mijn langzame revalidatie na het CVA is me gelukt, dus deze afspraak vanaf nu vasthouden tijdens het werken is iets wat ik kan — en gewoon moet doen.

Voor mijn creatie had ik houten latten, schroeven, nieuwe boortjes en een werkplank nodig.

Ton kwam op het idee om bij de zagerij te vragen naar houtafval. Daar zou ik zelf niet aan denken, maar waarom niet? Bij de zagerij krijgt hij een plank mee die in de afvalbak ligt. Er wordt wel bij gezegd dat het eigenlijk niet mag.

Bij de kassa vertelt Ton eerlijk hoe hij aan die plank komt. De dame in kwestie, flink van formaat, gaat met haar benen wijd, handen in haar zij, borst en kin vooruit gestoken voor hem staan en zegt heel stuurs en bars:
“Dat mag niet! Breng die plank terug.”

Ton probeert nog op vriendelijke wijze iets te zeggen. Ze luistert niet, blijft in die aanvallende houding staan en herhaalt onverbiddelijk:
“Het mag niet!”

Ton loopt rustig terug naar de zagerij. Ik ga om een hoekje staan wachten. Een plek waar ik deze dame niet meer kan zien. Toch blijf ik dit onaardige gedrag in mijn lichaam voelen. Later zelfs in de auto is dat gevoel nog niet weg.

“Waarom blijf ik dit soort dingen toch altijd zo lang voelen?” zeg ik tegen Ton.
Ik snap niet waarom mensen zo doen. Ik hou er niet van.
Is dat wat ik me echt afvraag? Of ben ik gewoon boos?
Tja, ik weet het niet.

Met een onbestendig gevoel rijden we naar een andere bouwmarkt. Zodra we binnenkomen hoor ik een kassamedewerkster vrolijk praten. We lopen naar de zagerij achter in de winkel. Een medewerker zegt:
“O ja hoor, achterin staat een grote bak. Kijk maar of er iets bij zit.”

Zó vriendelijk.

De dame bij de kassa is blij voor ons dat we een geschikte plank hebben gevonden. Ik vertel haar dat haar vrolijke humeur en klantvriendelijkheid mijn dag weer goed hebben gemaakt.

Via de supermarkt gaan we naar huis. Voor de supermarkt zegt Ton: “Zet de auto maar even hier neer, ik ben zo terug.”

Terwijl ik daar sta, komt er een enorme vrachtwagen aan. Hij rijdt op mij af en zet me expres vast. Een jonge chauffeur zet zijn groot licht aan en blijft rustig zitten wachten. Ik moet vreemde manoeuvres maken om ertussenuit te komen. Millimeterwerk. Half over een hoge stoep.

Ik rijd een rondje en vind een ander plekje. Dan zie ik dat hij zijn vrachtwagen gewoon naar achter zet. Dus inderdaad: pesterij.

Gelukkig was de vrolijkheid van de kassamedewerkster blijven hangen en kon ik glimlachen om deze pesterij.

Thuisgekomen ben ik direct aan de slag gegaan met zagen en boren. Een uurtje — en toen verstandig gestopt.

Mijn plan om nog even langs mijn zus in het ziekenhuis te gaan, heb ik laten varen. Morgen is er weer een dag.

Normaal zou ik alles wat ik in gedachten heb direct uitvoeren zodra ik naast mijn bed sta. Nu moet ik keuzes maken en mijn energie verstandiger verdelen.

Het lukte vandaag.

Maar… nog veel te leren in dat opzicht.

Wat mij raakt, mag er zijn.

Wat mij uitput, mag wachten.

 

 

 

 

 

 

Wat ontstaat, mag er zijn

 

1 maart 2026

Ik weet nooit precies wat ik ga maken.
Ik begin.

Een eerste laag goud en zilver. Ik weet dat het acryl “opeet”. Hoe precies, dat weet ik niet. Dat heb ik ooit per ongeluk ontdekt. Vrijwel alles wat ik kan, heb ik zo geleerd — door te doen. Niet via handleidingen, maar via nieuwsgierigheid.

Als iets anders uitpakt dan ik verwacht, noem ik dat geen mislukking. Ik ga ermee verder. Ik heb nog nooit iets weggegooid omdat het “niet goed” was. Soms zet ik een werk weg in mijn atelier. Jaren later is het er ineens weer. Alsof het op mij heeft gewacht.

Dit schilderij begon te eten. Het goud kroop in de breuken, de bovenlaag trok open. Ik kon ernaar blijven kijken terwijl het droogde. Dat moment vind ik altijd magisch. Ik doe niets, en toch gebeurt er van alles. Het materiaal werkt door.

Ik werd er zó blij van. Echt blij. Niet trots in de zin van: kijk mij eens. Maar gelukkig. Tevreden. Iedere stap voelde goed. Alsof ik luisterde naar iets in mij dat precies wist wat er moest gebeuren.

Ik besef dat ik in het gewone leven misschien niet altijd genoeg zelfrespect heb gehad. Dat ik me aanpaste, inslikte, me inhield. Maar zodra ik creëer, gebeurt dat niet. Daar is geen twijfel. Daar is geen onderhandeling. Wat ontstaat, mag er zijn.

Ik vind nooit iets lelijk van wat ik zelf maak. Zelfs het wespennest niet. Omdat het altijd eerlijk is. Het is een stap in een proces. En iedere stap klopt op dat moment.

Nu zie ik al voor me wat de volgende toevoeging wordt. Het krijgt een extra dimensie. Licht én schaduw. Ik moet nog bellen met technici om te vragen hoe ik met het materiaal moet omgaan. In mijn hoofd is het beeld rond. Maar ik weet uit ervaring dat het tijdens het maken altijd verandert. En meestal wordt het beter dan wat ik vooraf kon bedenken.

Dat is misschien wel het mooiste van alles.

Ik ben gewoon blij en gelukkig met wat ik maak.
En dat is genoeg.

In het maken ben ik niet kleiner.
Daar is geen twijfel, geen oordeel, geen onderhandeling.
Daar luister ik.
En wat ik hoor, krijgt vorm.

 

 

 

 

 

Het toverstokje is niet nodig.

 

28 februari 2026

Er vroeg iemand aan mij:
“Als je nu met een toverspreuk direct genezen zou zijn, zou je dat willen?”

Die vraag had ik mezelf nog nooit gesteld. Het is wel interessant. Want op momenten dat ik het zwaar heb, denk ik vaak aan hoe het zou zijn om gewoon te lopen. Of hoe het leven zou voelen zonder pijn. Maar zo — point blank voor de keuze staan om ineens gezond te zijn?

Toen ik er dieper over nadacht, dacht ik: wat krijg ik ervoor terug?
Zou ik dan nog steeds zo’n doorzetter zijn?
Zou ik nog steeds op zoek gaan naar manieren om het leven meer leefbaar te maken?
Zou het mijn creativiteit ten goede komen?
Zou ik op mijn manier naar mensen blijven kijken?
Zou bij een gezonde Annette het HALO-effect in werking treden?
Is dat iets om blij mee te zijn?
Zou ik willen zijn zoals mijn gezonde vriendinnen?

Al die vragen vlogen door mijn hoofd.

Heeft mijn handicap mij niet gemaakt tot wie ik nu ben?
Heel sterk heb ik het gevoel dat ik tevreden kan en mag zijn met wie ik ben.

Sommige mensen lopen littekens op in het leven. Sommigen worden ermee geboren. Een enkeling lijkt een soort vrijbrief te hebben en komt weinig pijn of verdriet tegen.

Ik ben ook gezegend doordat de stormen die ik tegenkwam niet direct werden gevoeld als onoverkomelijke obstakels.

Door de vraag voelde ik me ineens licht als een vlinder.

Ik dacht aan een vlinder die uit haar cocon kruipt. Ze moet hard werken om eruit te komen, zodat ze daarna sterk genoeg is om te vliegen. Help je de vlinder sneller uit haar cocon, dan is ze niet krachtig genoeg. Ze vliegt misschien een rondje en daalt neer om direct te sterven.

In feite geldt dat ook voor mensen.

Misschien klinkt dit wat dramatisch, maar in die zin ben ik met geluk geboren. Geen gouden lepel, maar een krachtig begin — met de mogelijkheid mentaal sterk te worden om alle elementen aan te kunnen.

Kortom: het toverstokje is niet nodig.
De magie leeft in mij.

Geen toverspreuk.

Alleen leven.

Dat al magie blijkt te zijn

 

 

 

 

 

 

 

Blauwe plekken van gras

 

27 februari 2026

“Waar je aandacht aan besteedt, dat is je leven…” lees ik in een tijdschrift.

Jeetje. Dat is nogal een statement. In mijn geval betekent dat dat mijn leven veel kleurrijker is dan je op het eerste gezicht zou denken.

Wat men aan de buitenkant van mij kan zien:
Ik sta op, schrijf mijn droom op als ik die nog weet. Wassen, eten, trainen. Thuis zijn met slecht weer. Schrijven, schilderen. Met goed weer fietsen of wandelen met de hondjes. Zo nu en dan een bezoek aan een museum.

Aan de binnenkant:
Hoor en zie ik veel voorbijgaan. Mijn associatieve geheugen staat altijd in een soort overdrive. Ik kijk veel films en series. Iedere dag heb ik wel iets gehoord of gezien dat blijft hangen.

Het geeft mijn invulling van het leven veel kleur. Door mijn nieuwsgierigheid zoek ik ook veel op — om te begrijpen waar het echt over gaat of gewoon om meer te weten te komen.

Vanaf mijn vierentwintigste ben ik al 100% afgekeurd. Toch zijn mijn dagen altijd gevuld en verveel ik me werkelijk nooit. Gedrag van mensen, natuur, kunst, wetenschap — noem maar op. Je kunt het zo gek niet bedenken of het interesseert me.

Later op de dag kwam ik het gedicht van Jeong Ho-Seung tegen. Dat wil ik graag delen:


Ook gras heeft zijn blauwe plekken.
Bloemblaadjes hebben ook hun blauwe plekken.
Lopend over een veld waar ik vroeger met jou meeliep,
ga ik zitten en kijk naar de veranderende avondkleuren
terwijl grasbladeren, bezaaid met blauwe plekken, met hun handen zwaaien.
Het zijn de bloemblaadjes met veel blauwe plekken
die de zoetste geur hebben.

Wat een mooi beeld om de pijn en kwetsbaarheid van het leven zo te verwoorden. De schoonheid van de natuur — die ik zelf ook vaak als metafoor gebruik. De zoete geur die vrijkomt uit gekneusde blaadjes. De innerlijke rijkdom die je door tegenslag kunt vinden.

De grassprieten zwaaien in de wind, ondanks hun gekneusde toppen. Zo mooi hoe hier veerkracht en acceptatie worden beschreven. Het laat ook zien dat wij mensen allemaal pijnen en littekens met ons meedragen. Daarin kunnen we verbondenheid vinden door te communiceren. Ieder grassprietje is uniek en tegelijk een grassprietje als ieder ander.

De rust om gewoon een gekneusd grassprietje te zijn, brengt me dichter bij de essentie.

Voor mij is de essentie heel klein in zijn grootsheid.

Wat gekneusd is, ademt nog steeds.

En soms ruikt het zelfs zoeter.

 

 

 

 

 

Vriendschap

 

26 februari 2026

Op de radio hoor ik een interview met iemand die in het theater staat met een onderwerp van deze tijd.

Hij vertelt dat hij tijdens de coronaperiode online aan het gamen was. Daar ontmoette hij een jongen in Noorwegen met wie hij vervolgens intensief online contact kreeg. Hij ervaart dit als een echte vriendschap. Daarom heeft hij een theaterstuk geschreven rond dit thema.

Daarnaast heeft hij een vriend met wie hij één keer per week gaat squashen, daarna een biertje drinkt en bijpraat. Voor hem doet de ene vriendschap niet onder voor de andere. In beide gevallen is er verbinding. In beide gevallen is er uitwisseling van persoonlijke gedachten en gebeurtenissen.

Goh, denk ik. Dat is interessant.

Het brengt mij terug naar mijn moeder, die ooit brieven schreef naar mijn vader in Nederlands-Indië. Na zijn overlijden heeft ze die brieven vernietigd. Ze bevatten een intimiteit die alleen voor hen was en voor niemand anders.

Ik denk ook aan het verhaal van mijn zus, die lange tijd uitsluitend via brieven contact had met haar huidige man. Ze werden verliefd zonder fysiek contact. Hoe intiem zij die brieven moet hebben ervaren.

Waarom zou een online vriendschap niet binnen datzelfde kader geplaatst mogen worden?

Mag je spreken van online versus het echte leven?
Dat zou tekortdoen aan online communicatie, alsof die niet tot het echte leven behoort.

Misschien is het thema van dat theaterstuk inderdaad: online versus in persoon.

Wat zijn de verschillen?

In persoon — je ruikt iemand. Je ziet iemand. Niet alleen het uiterlijk, maar hoe iemand beweegt, hoe iemand aanwezig is.

Online — geen optische ruis. Meer focus. Misschien daardoor juist meer verdieping.

Zou het kunnen dat wanneer een zintuig wegvalt, een ander zintuig zich versterkt? Of zelfs iets als een zesde zintuig? Zoals je soms ziet bij mensen met een beperking, waar het ene gemis een ander vermogen verdiept.

Ik vind dit omdenken, zoals bij Loesje, verfrissend.

Met de energie van de training nog in mijn lijf en het gesprek op de radio in mijn hoofd, kan ik mijn dag met goede moed voortzetten.

Misschien bestaat echte nabijheid niet uit afstand of nabijheid,
maar uit aandacht.

Of je nu tegenover elkaar zit
of duizenden kilometers van elkaar verwijderd bent —
waar woorden landen
en stilte wordt gedeeld,
daar leeft vriendschap.

 

 

 

 

 

 

Bevrijdend zelfrespect

25 februari 2026

Mijn lichaam reageert op een zin die ik hoor:
Mannen vechten het hardst als ze verwaarloosd zijn door hun moeder.

Zo werkt het bij mij: ik zie iets en kan dat beeld altijd weer oproepen. Of ik hoor iets en het blijft dicht in mijn bewustzijn hangen. Soms kom ik het thema later in mijn leven weer tegen. Soms zegt het op het moment zelf iets. Het eerste wat ik doe, is het mezelf afvragen: waarom blijft dit hangen?

Komen er direct aanwijzingen? Kan ik er meteen iets mee? Blijven die uit, dan kan het geparkeerd worden. Het zal zich aandienen op het moment dat het nodig is. Dat kan variëren van een dag tot jaren. Uiteindelijk valt het vanzelf als een puzzelstukje op zijn plaats.

Deze zin brengt me direct bij mijn broers. Bij het gezin. Waar struikel ik over?

De stereotyperingen ervaar ik als problematisch omdat ze gedrag koppelen aan geslacht én één oorzaak aanwijzen. Menselijk gedrag is zelden mono-causaal. Hechting, temperament, cultuur, opvoedstijl, genetica, sociale positie — alles speelt mee. Deze quote is krachtig omdat hij beeldend is, niet omdat hij volledig is.

Verwaarlozing beïnvloedt toch ieder kind? De één gaat vechten, domineren, in competitie. De ander trekt zich terug, past zich aan, of wordt perfectionist. Weer een ander ontwikkelt hyperverantwoordelijkheid of empathische overgevoeligheid.

Wat gebeurt er met mensen die te veel liefde en bescherming ontvangen? Kan dat niet leiden tot angst om te falen of tot sterke afhankelijkheid? Of juist tot rebellie om zich autonoom te voelen? Is het niet zo dat te veel bescherming net zo beperkend kan zijn als te weinig zorg? Het is subtieler, denk ik.

Betekent het dat de twee uitersten ook tegengestelde karakters vormen? Of is het niet zo eenduidig als een gezegde doet suggereren?

Blijft de kernvraag voor iedereen niet gewoon: Ben ik veilig als ik mezelf ben?

Schuilt er niet altijd iets in een quote, een spreekwoord of een gezegde? Maar is het niet te kort door de bocht? Is het niet meer kijken door een lens dan kijken naar het hele landschap?

Wordt een quote niet soms gebruikt om je erachter te verschuilen? Om geen verantwoordelijkheid te hoeven nemen?

Mijn gedachten gaan naar mijn vader. Hij was bijna aan elkaar geplakt met spreekwoorden en gezegden. Waarschijnlijk zit daar mijn weerstand wanneer ik zo’n duiding hoor.

Mijn vader nam geen verantwoordelijkheid voor de misstanden van mijn moeder. Hij zag het wel, beaamde het zelfs, maar was niet van plan het te corrigeren, ertegen in opstand te komen of ons kinderen te helpen.

Ik voel geen verdriet, maar ik vind het wel jammer dat hij tijdens zijn leven daar niet meer uit heeft gehaald. Geen moed heeft opgevat. Dat is van hem, niet van mij.

Steeds meer begin ik mijn subtiele weerstanden te ontdekken. Dat is mooi.

Vanmorgen voelde ik op een andere manier dat ik niet altijd degene hoef te zijn die een stap zet in de richting van anderen om interesse in mij op te wekken. Wil iemand mijn dromen of blog lezen, dan kunnen ze mijn website in hun mobiel zetten. Ik stop met faciliteren. Ik stop met dragen. Ik stop met aanpassen.

Het voelt bevrijdend. Het heeft te maken met prioriteit. Hoeveel heb of voel ik die voor mezelf?

Dit is een kleine verschuiving met enorme innerlijke impact. Tranen springen in mijn ogen terwijl ik dit opschrijf. Niet uit verdriet, maar uit bevrijdend zelfrespect.

Wat ik niet meer draag,

valt niet uiteen.

Het valt terug waar het hoort.

 

 

 

 

 

 

Niets moet. Alles kan.

24 februari 2026

De afgelopen maanden was ik intens bezig met trainen, fitter worden, het schrijven van mijn dromen en mijn blog. Een aantal keren vlogen er ideeën door me heen om iets te gaan schilderen of maken. Maar ik zag bij mezelf geen antwoord of actie om dit ook daadwerkelijk tot uitdrukking te brengen.

Vandaag kwam daar verandering in. Hoe zal ik het zeggen? Het kriebelt. Maar de flow is er nog niet helemaal.

Voorheen sloot ik mezelf op in mijn atelier als de flow kwam. Dan ging ik als in een trance werken. Ik liet gebeuren wat er uit mij kwam en ging desnoods dag en nacht door. Het was prima als iemand wat eten of drinken bracht, maar ik raakte geïrriteerd als die persoon met me wilde praten.
Als ik klaar was, stortte ik meestal volledig in en moest ik vaak weken bijkomen van zo’n creatieve uitspatting.

Tot nu toe bestond mijn leven uit hollen of stilstaan. Op het moment dat ik me goed voelde, haalde ik er alles uit alsof het mijn laatste momenten in dit leven waren. Daarna volgde een totale breakdown — ziek in bed — om weer tot stilstand te komen.

Er is altijd een acceptatie geweest dat het voor mij zo ging. Zo wil ik leven, en de mensen om mij heen moeten dat ook accepteren. Immers, ik ben allang blij dat ik er nog ben.

Na mijn CVA — dat uiteindelijk haast meer impact heeft gehad op mij dan de neurologische aandoening die ik al mijn hele leven heb — ben ik hierin veranderd.

Door de revalidatie in het eerste half jaar kon ik niet met brute kracht en uithoudingsvermogen mezelf verbeteren. Deze weg vroeg om geduld, beleid en eerlijke afstemming. Geen doorzettingsvermogen, maar veerkracht. Geen verharding, maar zachtheid. Geen bestemming, maar afstemming.

Nooit eerder had ik het idee of de noodzaak om iets gereduceerd of langzaam aan te pakken. Nu moest het wel. En het bracht me tot een nieuw inzicht.

Wil ik oud worden? JA.
Dan zal ik mijn energie rustig moeten verdelen. Grenzen opzoeken is niet meer nodig. Is het te zwaar? Stoppen. Op een ander moment verder. Luisteren naar mijn lichaam — het geeft snel weerstand aan.

Dit doe ik nu al een jaar op die manier. Ik voel me rustig. Bevrijd van al het ‘moeten’. Van alle stress die ik mezelf heb opgelegd.

Tegenwoordig doe ik het anders. Ik werk niet meer in mijn atelier, maar in de woonkamer. Daar is veel licht en blijft mijn werk gevoelsmatig onderdeel van het leven. Het kan dan letterlijk tot mij blijven spreken. Nu probeer ik gewoon naar bed te gaan en erop te vertrouwen dat de flow niet verdwijnt. Op deze manier put ik mezelf niet meer uit.

De tafels staan in de woonkamer. Het canvas, foam, wol en verf wachten op me.
Niets moet. Alles kan.

Wat een heerlijk rustig gevoel.

Wat langzaam groeit, wortelt dieper.

Wat niet wordt geforceerd, blijft.

 

 

 

 

 

 

 

Showing Up in een mysterieus leven

23 februari 2026

Op Netflix keek ik naar The Last Words of Eric Dane. Een knappe, atletische acteur die afgelopen donderdag 19 februari is overleden aan ALS, drieënvijftig jaar oud.

Het mysterie van leven in een pure uiterlijke vorm. Waarom overkomt een gezond, succesvol mens dit? Zoals iedereen wel in zijn omgeving iets heeft meegemaakt of gezien. Een kind, een vitaal persoon, ineens ziek, verongelukt en overleden. Hoe is het mogelijk? Waarom? Wat is hiervan de bedoeling? Is er wel een bedoeling? Kortom, het leven is mysterieus.

Ik schrijf nu vanuit de herinnering aan het kijken naar dit interview. Zo wordt voor mij ook duidelijk wat ervan bij mij specifiek is blijven hangen.

Een aantal dingen zijn mij opgevallen…

  • Hij spreekt over de discrepantie tussen zijn innerlijke wereld en zijn uiterlijke wereld. Hoe hij een gevoelig, sensitief mens is met veel onzekerheden; hij heeft het gevoel nooit genoeg te zijn geweest. De buitenwereld ziet hem als deze knappe man, een mooie en succesvolle acteur. Dat heeft altijd geschuurd. Hij kijkt ook terug op een alcohol- en drugsprobleem.

  • Zijn vader heeft zelf een eind aan zijn leven gemaakt toen hij zeven jaar oud was. Zijn moeder was jong en kon de impact op haar zoon niet inschatten of invoelen. Hij werd opgevoed door zijn oma, van wie hij veel hield, maar die een paar maanden later ook overleed. Volgens Dane verdwijnt een trauma nooit helemaal, omdat het zich op cellulair niveau inkapselt. Je kunt ermee leren omgaan, dat is alles.

  • Hij heeft zich nooit echt kunnen openen naar mensen, maar deze ziekte heeft hem zachter, opener en meer beschikbaar gemaakt.

  • Al het uiterlijke en het meedoen wordt langzaam weggehaald. Het enige wat overblijft is de persoon die hij zelf is.

De interviewer reageert hierop door te zeggen:
Dus het is letterlijk gekanteld — van innerlijk dicht en buiten open, naar innerlijk open en buiten gesloten.

Mooi gezegd, want zo zie ik dit ook: een transformatie in de materie voordat de transformatie naar het onstoffelijke zich aandient.

Op de vraag wat een goede vader is, of een goed mens, zegt Dane: “Showing up.”

Wow. Dat is zo waar. Er zijn op momenten die belangrijk zijn voor je geliefden. Er zijn voor je vrienden, door gewoon te komen.

Het bracht mij even terug naar mijn ouders, die nooit kwamen kijken bij een sportwedstrijd, een uitvoering of iets anders wat wij als kinderen deden. Zij kwamen zelfs niet naar diploma-uitreikingen. Helemaal niets.

Als je mij vraagt of het een trauma is, moet ik eerlijk zeggen dat ik dat zo niet ervaren heb. Het was voor ons kinderen gewoon.

Ik vraag mij wel af of ik dit zelf genoeg heb gedaan bij mijn kinderen. Er zijn als het nodig is. Ik geloof wel dat ik naar uitvoeringen en diploma-uitreikingen ging, jazeker. Langsgaan bij vrienden doe ik weinig. Maar er zijn als het nodig is — dat wel.

In ieder geval vond ik “Showing up” een raak antwoord.

Na mijn CVA is er in mij ook veel veranderd. Ik ben er nog. En ik hoop nog lang op deze aardkloot te blijven rondhuppelen.

Waarom de één ziek wordt en de ander niet, weten we niet. Of daar een bedoeling in zit, blijft een open vraag. Maar ik zie wel dat ziek zijn iets kan kantelen. Dat het lagen wegneemt. Dat het iemand dichter bij zichzelf kan brengen.

Misschien is dat het enige wat we kunnen doen in de tijd die ons gegeven is — verschijnen.
Showing up.
Gewoon komen. Er zijn.
In dit onverklaarbare, mysterieuze leven.

Wat wordt afgenomen, legt soms bloot wat al aanwezig was.
Een mens zonder versiering.
Een hart dat eindelijk durft te verschijnen.

 

 

 

 

 

 

Mijn innerlijke architectuur

 

22 februari 2026

Mijn innerlijke architectuur gaat niet over muren en daken, maar over hoe ruimte, kleur en leven zich in mij vormen. Huizen kijken is voor mij geen afwijking, maar een manier van zijn.

Al zolang ik me kan herinneren kijk ik bij makelaars naar huizen. In Nederland, in het buitenland, aan bosranden, met grote ruimtes en diepe tuinen. Het liefst met een stukje eigen bosgrond. Ik weet vaak precies wat er te koop staat. Niet omdat ik ontevreden ben met waar ik woon. Integendeel. Ik ben altijd blij om thuis te zijn. Ik zeg het ook vaak hardop: “Wat een fijn huis hebben we toch.” Ton moet daar altijd om lachen. Hij weet hoe belangrijk mijn eigen ruimte voor me is. En hij is onderdeel van die ruimte.

Toch kijk ik. Nieuwsgierig. Hoopvol. Niet om te bezitten, maar om te voelen. Hoe valt het licht? Waar zou mijn werk hangen? Hoe zou de vloer lopen? Wat wil dit huis? Ik leg niets op, ik stem af. Eerst het huis, dan pas de bank. Eerst de ruimte, dan pas de kleur. Mijn huidige huis is turquoise en groen, met marmoleum Asian Tiger onder mijn voeten. Beschut. Als een plek in het bos midden in de chaos. Het draagt me. Het reguleert me. Ik heb geleerd elke plek waar ik leef van mij te maken, groot of klein. Opgeruimde rommel. Alles heeft een plek, maar je mag zien dat er geleefd wordt.

En toch vormt zich langzaam een ander beeld. Zachtgele muren. Licht. Een orangerie. Mijn schilderijen en teksten samen. Een muur waar bezoekers mogen schrijven of schilderen als ze dat willen. Het hoeft niet, het mag. Stevige trappen zodat je je positie kunt kiezen. Hoog, laag, dichtbij, op afstand. Geen galerie, maar een veld. Welkom. Rust. Bewegende stilte.

Ik merk dat mijn pad niet van vorm verandert, maar van kleur. Van bosgroen naar geel. Van beschutting naar openheid. Niet omdat mijn leven nu tekortschiet, maar omdat het rijpt. Ik droom zonder dat mijn huidige bestaan wordt afgewezen. Als het ooit werkelijkheid wordt, prachtig. Zo niet, dan blijf ik schilderen en schrijven zoals ik eet en slaap. Het is dagelijkse hygiëne van lichaam en geest.

Misschien is dat mijn innerlijke architectuur. Ik bouw geen muren om mezelf te beschermen, maar ruimtes waarin ik kan ademen. En als ik fiets en een huis zie, begint mijn fantasie al met inrichten. Niet uit gemis, maar uit levenslust. Sommige mensen lopen kledingzaken binnen. Ik loop makelaars binnen. Zij vragen: wat past mij? Ik vraag: waar pas ik?

Misschien zijn mijn dromen geen bedrog en geen letterlijke waarheid, maar richting. Een organisch beeld dat zich vormt zonder haast. Ik hoef niets te forceren. Ik luister. En als iets klopt, weet ik het. KLARO.

Welke kleur heeft jouw innerlijke architectuur? En leef je al in een beschutte plek — of ben je toe aan licht?

Wat bouw ik werkelijk wanneer ik naar huizen kijk?

Is het een droom van stenen — of van ruimte in mijzelf?

Wanneer wordt beschutting licht?

En durf ik te vertrouwen dat mijn innerlijke architectuur mij altijd thuis brengt?

 

 

 

 

 

 

Trix, een waterval en een stad vol dieren – Naturalis en Zootropolis 2

 

21 februari 2026

Gisteren bezochten we het Naturalis Biodiversity Center in Leiden met onze kleindochters. In de grote zaal stond Trix, de bijna complete Tyrannosaurus rex die daar geen ingewikkelde Latijnse naam draagt maar gewoon Trix heet. De meisjes waren eerst nog wat druk, maar zodra we binnenkwamen gebeurde er iets. Hoge plafonds, botten die groter waren dan hun hele lijf, tijd die ineens geen getal meer was maar een ruimte waar je onder kon staan.

“Dit is het meest indrukwekkend,” zeiden ze zonder overleg.
Ik vroeg waarom.

Omdat ze bijna helemaal compleet is.
Omdat je haar echt kunt zien.
En omdat ze een naam heeft.

Dat laatste bleef bij mij hangen. Een skelet is oud, ver weg, miljoenen jaren verdwenen. Maar geef het een naam en het wordt iemand. Iets waar je je toe kunt verhouden. Iets dat blijft.

Een stad vol dieren

Vandaag zaten we in de bioscoop bij Zootropolis 2. Een stad vol dieren die allemaal anders zijn. Groot, klein, roofdier, prooi, snel, voorzichtig. In de auto vroeg ik waar de film eigenlijk over ging. Ze zochten naar woorden. Ik hielp een beetje.

Over verschillen.
Over dat anders zijn niet betekent dat je gevaarlijk bent.
Dat je niet automatisch gelijk hebt omdat jij jij bent.
Dat een ander perspectief je wereld groter kan maken in plaats van kleiner.

Ze luisterden, keken uit het raam, in gedachten. Het was geen groot gesprek. Gewoon een rustig heen en weer bewegen van gedachten.

Een jungle met een waterval

Thuis gingen ze schilderen met mijn spullen. Verf op hun handen, kwasten in hun vingers, schorten die eigenlijk te groot zijn.

Eén noemde haar schilderij Mini Jungle. In het midden valt een waterval. Geen dun lijntje, maar een stevige lichte stroom die van boven naar beneden loopt. Je ziet de penseelstrepen als water. Aan weerszijden donkere wanden, onderaan felgroen gras. Een luipaard zit vooraan en kijkt. Een aap hangt, vogels vliegen. Alles leeft. De waterval verdeelt de jungle niet, hij stroomt erdoorheen.

De ander schilderde een Tropische zonsondergang. Een enorme gele zon die half in het water zakt, een lucht van paars en rood die niet voorzichtig is, vogels in de verte, een palm die zwart afsteekt tegen de kleur. Het is groot, bijna filmisch. Ze geven hun wereld een naam en daarmee wordt het van hen.

Terwijl ik daar zit en kijk, zie ik de lijn tussen gisteren en vandaag.
Trix kreeg een naam en werd iemand in plaats van een soort.
In de film leerden dieren elkaar niet te reduceren tot hokjes.
Aan mijn tafel mengen kleuren zich zonder angst.
En midden in een jungle valt water.

Beweging tussen donker en licht.

Ik hoef er niets van te maken. Het is genoeg om het te zien. Misschien is dat wat ik het liefst doorgeef: ruimte waarin verschillen mogen bestaan, waarin iets een naam krijgt en daardoor dichterbij komt, waarin een waterval gewoon mag stromen zonder dat iemand zegt dat hij de jungle in tweeën deelt.

Als ik eerlijk ben, voel ik daar iets warms bij. Geen grote trots, geen opvoedkundige overwinning. Gewoon dankbaarheid dat ik erbij mag zitten terwijl hun werelden ontstaan.

Trix kreeg een naam.
Een jungle kreeg een waterval.
Een zonsondergang kreeg kleur die niet bang was voor paars naast rood.

Misschien is dat alles wat we doen.
Elkaar niet kleiner maken dan we zijn.
Niet reduceren tot soort, rol of verschil.

Aan mijn tafel stroomt water door verf.
En ik zit erbij.
En kijk.

 

 

 

 

 

Balsem – Over Naturalis, fossielen en verwondering


20 februari 2026

Ton en ik bezochten met twee kleinkinderen Naturalis in Leiden. Het museumgebouw zelf is al een belevenis…Rood/oranje grove natuurstenen blokken, met een rand waarschijnlijk gegoten uit beton maar met mallen zoals je in kleding van Iris van Herpen tegenkomt. Golvend, reliëf, als van fossielen. Ramen in gelijkmatige organische vormen als een honingraat of een amandelvorm uit Mandelbrot. De parkeergarage met twee grote halve bollen als een facetoog van een insect.

Blij verrast ben ik nog voordat ik het museum van binnen heb gezien. Binnen in de hal blijken deze ramen een enorm atrium te vormen dat veel licht binnenlaat. Het is erg druk, veel ouders met kinderen. Duidelijk schoolvakantie. Toch ademt dit museum licht en ruimte.

In de eerste zaal ‘Leven’ kom je een grote verscheidenheid aan dieren tegen. Van zeedieren naar landdieren, vogels, insecten — biodiversiteit. In deze zaal kon ik al direct voelen dat ik van deze enorme verscheidenheid deel uitmaak. Ik voel dat ik onderdeel ben van dit organische systeem. Het maakt me direct nederig.

De volgende zaal ‘De Aarde’ laat je voelen hoe nietig wij eigenlijk zijn. De aarde is 4,6 miljard jaar oud en blijft in beweging. Krachten van vulkanen, aardbevingen, tektonische platen. Ja, ik voelde me oprecht ondergedompeld en meegenomen door dit museum.

Zalen gewijd aan de IJstijd, aan de verleiding (hoe dieren flirten, paren enz.), aan de vroege mens. Deze zaal bevatte slechts één oermens; de rest was ooit in de VOC-periode opgegraven in Indonesië en is teruggegeven aan het land van herkomst. Het doet me goed om dit zo duidelijk en groot beschreven te zien. Ook dat er daardoor een donkere zwarte zaal is ontstaan, als equivalent van de donkere periode die de gekoloniseerde landen hebben ervaren. Ik weet niet of iedereen dit zo zou vertalen, maar ik voelde dit op die manier.

Toen gingen we naar de ‘Dinotijd’-zaal. Oh my God, wat was dit indrukwekkend. De bekende T-Rex, de waanzinnig grote Triceratops en nog veel meer, 66 tot 240 miljoen jaar oud. Een schildpad van 145 miljoen jaar oud, zoals we die nu nog kennen. Ik zei tegen mijn kleindochter: “Wij moeten als mens toch wel heel veel respect hebben voor soorten die hier al zo ontzettend veel langer bewegen dan wij.” In deze zaal voelde ik ontzag en plaatsvervangende schaamte voor de arrogantie van de mensheid. Het gevoel dat we over de aarde en haar universum nog maar zo weinig echt afweten.

De laatste zaal die we bezochten was ‘De Dood’. In het ‘doolhof van de dood’ ontdek je hoe dood en leven uiteindelijk samenkomen. Mooi verwoord en in mijn ogen zo waar dat de dood letterlijk leven doet. Want in de kringloop van de natuur horen ze allebei thuis. Heel mooi dat er een zaal is over de dood in een museum over ál het leven.

Ton ging in de eerste plaats mee om een fijne opa te zijn, maar niet per se om naar dit museum te willen gaan. Hij was ook aangenaam verrast en onder de indruk van hoe mooi, interessant en goed samengesteld dit museum is.

Het was als balsem voor mijn ziel.

Te midden van botten, stenen en miljoenen jaren
vond ik geen zwaarte
maar ruimte.
Ik ben klein —
en precies daardoor
hoor ik erbij.

 

 

 

 

 

 

Vrijheid in Liefde


19 februari 2026

Vanavond bleef een zin uit een Koreaanse serie hangen:
Pain is the proof of life.
Pain lives inside us.
Having someone next to you to share your pain with, reduces your pain.

Ik dacht meteen: het leven begint met pijn. Geboorte is geen zachte entree. De eerste adem is een schok. De eerste beweging is scheiding. Misschien hoort pijn niet alleen bij het einde van het leven, maar ook bij het begin.

In die serie ging het over pijn delen. Over iemand naast je hebben. Over elkaars pijn herkennen. Ik merkte dat dat voor mij geen vanzelfsprekend terrein is. Getroost worden accepteer ik niet makkelijk. Iemand troosten vind ik ingewikkeld. Als het te veel wordt — te intens, te dichtbij — dan voelt het benauwend. Dan komt er afweer. Dan wil ik ruimte. Ik bepaal graag zelf mijn mogelijkheden.

Tijdens het eten vertelde ik Ton dat ik soms mijn vriendin mis, die bijna twee jaar geleden is overleden. Ik heb twee “besties”, nu nog één. Ik vertelde ook over mijn schoonmoeder, die haar drie beste vriendinnen verloor en daarna letterlijk zei niet meer te willen leven. Een paar maanden later was ze er niet meer. Misschien bereid ik me altijd voor op alleen zijn. Dat klinkt hard. Maar zo voelt het niet. Het is eerder een vorm van autonomie. Een manier om te blijven staan, wat er ook gebeurt.

In datzelfde gesprek werd me duidelijk wat mij werkelijk benauwt: niet liefde, maar paniek. Wanneer er iets met mij gebeurt en de ander raakt ontregeld, dan voel ik spanning. Ik wil naast iemand staan die blijft staan. Niet iemand die omvalt als ik kwetsbaar ben.

En toen gebeurde er iets bijzonders. Toen het woord Vrijheid in Liefde viel, kwam er plotseling een schilderij in mij terug. Veertig jaar oud. Ik weet niet waar het is — misschien in de berging. Maar het beeld was helder. Een zacht lichtblauwe achtergrond, bijna lila. Als kabbelende golfjes. Twee derde van het doek werd ingenomen door een kelk, transparant als glas of kristal. Uit die kelk kwamen gouden stralen als veren, en ook stralen in alle kleuren van de regenboog. In de kelk vielen drie tranen terug — twee kleine en één grote. Het was een zacht schilderij. Dat weet ik nog. Geen explosie. Geen drama. Geen muur. Een kelk.

Misschien wist ik toen al wat ik nu opnieuw ontdek: pijn hoort bij leven. Maar pijn hoeft niet tot ontregeling te leiden. De tranen vielen niet weg. Ze verdwenen niet in de grond. Ze werden opgenomen. Terug in de kelk. Misschien is dat voor mij liefde. Niet versmelting. Niet afhankelijkheid. Maar vrijheid in verbondenheid. Zacht kunnen zijn zonder jezelf te verliezen. Kwetsbaar kunnen zijn zonder dat de ander instort. Misschien is mijn weten altijd helder geweest. Maar weten heeft verdiepingen nodig. En mildheid. En misschien is zachter worden geen verlies van vrijheid, maar de diepste vorm ervan.

Misschien begint het leven met pijn.
Misschien eindigt het er ook mee.
Maar daartussenin
mag een kelk bestaan
die alles opvangt —
zonder te breken.

 

 

 

 

 

 

 

Bedding


18 februari 2026

Het zijn geen grote gebeurtenissen vandaag. Geen drama’s. Gewoon het alledaagse leven dat zich ontvouwt. En toch zit er van alles in.

Op de E-gym loopt een jongen van zestien stage. Sport- en Bewegingscoördinator in opleiding. Hij is vooral goed in praten — luid praten. Sommige mensen ergeren zich aan hem. Ik zie vooral een jong mens die nog moet leren hoe je je afstemt op een ruimte die niet alleen van jou is.

Vandaag verkondigt hij met een stevige stem zijn politieke mening. Klimaatdoelen zijn onzin. China en Amerika vervuilen het meest. Waarom zou hij veranderen als anderen dat niet doen? Hij noemt de Partij voor de Dieren “achterlijk”.

Ik vraag hem rustig of verantwoordelijkheid misschien niet begint bij jezelf. Niet bij wat anderen nalaten. Hij vuurt meteen nieuwe argumenten af. Tot je zeventigste werken — wanneer kan je dan genieten van je  leven ?

“Misschien moet je daar niet op wachten,” zeg ik, “maar nu al beginnen met genieten.”

Hij kijkt me aan. “U denkt zeker: hij is nog jong.”  Ik lach. “Dat denk ik inderdaad.”

Hij blijft achter me aan lopen. Waarschuwt me dat ik niet te veel moet doen. Dat het slecht voor me is. Zijn stem wordt harder. “Ik kan u verzekeren dat u niet goed bezig bent.”

Op dat moment komt een fysiotherapeut aangesneld. Ze kijkt bezorgd hoe ik reageer. “Ik ga dit nu niet uitleggen,” zeg ik vriendelijk. Ze knikt opgelucht.

Het blijft me bij hoe weinig het me raakt. Niet omdat ik het niet hoor, maar omdat ik het niet hoef te dragen.

Later belt mijn zoon. Verwarring over een verzekering. Frankrijk, Nederland, online werken, eisen van haar Franse werkgever. De irritatie sluipt tussen hem en zijn vriendin in. Ik stel vragen. Probeer de kern helder te krijgen. Het blijft onduidelijk. Ik geef hem het nummer van mijn verzekeraar. Even later belt hij terug — zelfs daar snappen ze het niet. We lachen. Ik hak de knoop door en zeg welke verzekering hij moet afsluiten. Opgelucht.

En Ton… al maanden in gesprek met de Belastingdienst voor zijn zoon. Brieven naar verschillende steden, telefoongesprekken met telkens andere uitkomsten. Ik hoor zijn stem stroever worden terwijl de dame aan de andere kant alleen herhaalt wat haar scherm zegt. Niet bereid verder te kijken dan het protocol.

Na het gesprek kijkt hij geagiteerd naar mij. “Heb je gehoord hoe dit ging?”

Ja. Ik heb het gehoord.

En wat ik vooral hoor, is hoe anders ik tegenwoordig reageer. De jongen met zijn stellige uitspraken. Mijn zoon in verwarring. Ton in frustratie. Het komt binnen, maar het slaat niet meer vast.

Misschien is dat wat ouder worden doet. Of wat doorleven doet. Ik hoef niet te corrigeren. Niet te overtuigen. Niet te winnen. Ik mag gewoon aanwezig zijn.

Wat een gezegend mens ben ik dan. Niet omdat het leven eenvoudig is — maar omdat ik niet meer mee hoef te kantelen met iedere beweging om mij heen.

Bedding is geen muur.
Het is ruimte waarin alles mag bewegen.
Zonder dat ik mezelf verlies.
En dat is genoeg.

 

 

 

 

 

 

Beeldvorming

 

17 februari 2026

Hoe ouder ik word, hoe vaker ik me afvraag hoe reëel mijn herinneringen eigenlijk zijn.

Een gesprek met mijn zoon over hoe hij mijn functioneren vroeger heeft ervaren, zette iets in beweging. Niet dramatisch. Wel eerlijk.

Mijn zus en ik hebben ons hele volwassen leven veel contact gehad. Toch blijken onze herinneringen soms totaal verschillend. Zij weet zich dingen te herinneren die bij mij verdwenen zijn. En andersom net zo.

Mijn jongste dochter wil voorlopig geen contact, omdat zij zich niet gezien voelt in haar pijn.
Ton — die ik al bijna vijftig jaar ken — ziet en beleeft sommige dingen anders dan ik.

En toch weet ik één ding zeker: we zijn allemaal mensen met de beste intenties.

Hoe kunnen herinneringen dan zo uiteenlopen?

Ik denk dat beeldvorming ontstaat uit een samenspel van bewuste en onbewuste processen. Situaties waarin je terechtkomt. Conditioneringen — zelfs binnen één gezin totaal verschillend. Ervaringen, meningen, media, tijdsgeest. Niemand maakt exact hetzelfde mee.

Onze unieke beeldvorming bepaalt hoe wij de werkelijkheid zien — en hoe wij ons gedragen. Soms kan iets niet landen omdat je er nog niet aan toe bent. Soms landt het juist diep bij de ander en laat het sporen na. Dat maakt niet dat de één liegt en de ander de waarheid spreekt. Het zijn verschillende waarheden, gevormd vanuit verschillende binnenwerelden.

Mijn onderliggende levensfilosofie is altijd hetzelfde gebleven. Volwassener geworden, maar constant in de kern. 

Mijn gedrag niet altijd. Vanuit fysieke en mentale pijn kon ik scherp zijn. Hard in woorden. En in die scherpte heb ik mensen geraakt — soms te hard. Dat zie ik nu helderder. Het was nooit mijn intentie om pijn te doen. Maar intentie en impact zijn niet hetzelfde.

We zijn mensen. Geconditioneerd, geactiveerd, reagerend.

Voor mij verliep het proces in stappen.
- Eerst het begrijpen.
- Daarna het doorleven van de pijn — dat duurde het langst.
- En nu het integreren.

Niet meer als beeld dat mij definieert. Maar als kennis die ik draag. Dat is de fase waarin ik nu leef. En onder alles voel ik nog steeds dezelfde stroom: onvoorwaardelijke liefde voor de mensen om mij heen.

Niet perfect. Niet zonder fouten. Maar wel echt.

Misschien is waarheid geen vaststaand beeld,
maar een verzameling van binnenwerelden die elkaar raken.
Wat wij herinnering noemen, is vaak een lens.
En liefde begint waar we elkaars lens niet meer willen breken.

 

 

 

 

 

Bewegen

 

16 februari 2026

In een wereld die vecht tegen obesitas zie je aan de andere kant sportscholen als paddenstoelen uit de grond schieten. Beweging is gezond — niet alleen fysiek, ook mentaal werkt het door.

Voor mij is bewegen altijd zwaar geweest. Op zijn minst moeizaam. Mijn lichaam is ingeprent op energie sparen, zodat ik op cruciale momenten — boodschappen kan doen, een afspraak halen — überhaupt kan lopen. Zolang er geen extra aandoening tussendoor komt — griep, kneuzing, gebroken meniscus, tachycardie of CVA — blijft mijn gezondheid stabiel. Maar energie over om écht te bewegen was er niet. Met als gevolg: twintig kilo erbij.

Eind december 2025 verdwenen voor het eerst alle extra klachten. Er kwam ruimte. Sindsdien ga ik iedere ochtend — behalve zondag — naar de E-gym. Ik voel me fysiek en mentaal beter. De weegschaal stijgt eerst, omdat spieren zich ontwikkelen voordat vet verbrandt. Mijn lichaam wordt strakker, mijn figuur verandert zichtbaar. Mijn algemene welbevinden gaat van een 7 naar een 9. De wereld voelt rustiger.

Ik werk aan mijn lichaam zonder mezelf over de kop te werken. Het proces herken ik van veertig jaar geleden, toen ik begon met dagelijkse kundalini yoga. Zenuwen die prikken en sidderen door mijn lijf. Voor gezonde mensen een alarmsignaal. Voor mij een teken dat er iets tot leven probeert te komen. Niet bang zijn. Erdoorheen durven gaan.

Daarna komt het “elastiekgevoel”. Alsof je een slappe pop bent die als een plumpudding in elkaar kan zakken. Dat gebeurt niet, maar zo voelt het. Onwennig. Onveilig. Spieren die zich melden. Gezonde mensen voelen dat snel. Bij mij duurt het maanden van dagelijks trainen voordat ik merk dat er werkelijk iets veranderd is. Dan verdwijnt het slappe elastiek. Dan begint het echte werk — trainen alsof je een gezond lichaam hebt. Op dat punt ben ik nu. Zo blij.

Ton is ziek. Normaal doet hij de boodschappen. Nu stonden er een paar dingen op de lijst en ik ging ze zonder enige weerstand halen. Buiten breekt een stortbui los, hagelstenen kletteren naar beneden. Binnen seconden ben ik doorweekt.

En ik… ik ben dolgelukkig.

De vrijheid in mijn lichaam. De rust in mijn hoofd. Het voelt als hemel op aarde. Dat de elementen er een extra dimensie aan toevoegen, laat alleen maar zien hoe diep dit gevoel geworteld is.

Thuis slapen Ton, de hondjes en de kat. Ik zit in de stilte. En ik voel hoe alle cellen in mijn lichaam, en alle atomen om mij heen, zacht meebewegen.

In het leven bestaat stilte.
Maar geen stilstand.

Beweging is geen snelheid.
Het is toestemming om te leven.
Zelfs in hagel, zelfs in moeizaamheid.
En juist daar voel ik vrijheid.

 

 

 

 

 

Een dag die zichzelf regelde


15 februari 2026

Het voelde als een dag der dagen, al wist ik dat pas achteraf. Ik werd wakker in stilte. Behaaglijk. Ik keek op mijn horloge: 10.00 uur. Klokslag tien op een zondagochtend. Dat alleen al voelde als een kleine zegen. Meteen opstappen om mijn droom op te schrijven — want het was er één met lagen, veel lagen, dacht ik nog.

In de woonkamer zat Ton zijn temperatuur te meten. Verhoging. Rillerig. Zijn lip wat opgezet. We herkenden het. De afgelopen week had ik ook steeds lichte koorts gehad, zonder echt ziek te zijn. Op het nieuws noemen ze het griep. Mijn man noemt dit geen griep. Dat mag.

Ik ga achter mijn laptop zitten om mijn droom op te schrijven. Weg. Alles weg. Zo jammer.

We zeggen een afspraak bij vrienden af. Mijn warme bed lonkt nog steeds, dus ik ga nog even liggen. Misschien komt de droom terug. Nee. Na een uur sta ik toch maar op. Dan schrijf ik wel op wat ik nog weet. Laptop open. Zwart. Opstarten. Zwart. Oplader checken. Snoeren los. Nog eens proberen. Zwart. Oh my God. Gecrasht?

Ton zit tegenover me. Hij is niet fit, maar kijkt scherp naar mijn reactie. Begrijpelijk. Na een jaar van emotionele stormen is hij nog niet gewend aan mijn rust. Ik bel mijn dochter. Ze leest me stappen voor. Die heb ik al gedaan. “Misschien is hij leeg, mam. Laad hem op en kijk over een uurtje.” Dat klinkt logisch.

Terug naar bed. Hondjes erbij. Serietje aan. Geen onrust. Geen paniek. Geen gevoel van offline zijn. Het is opvallend hoe het letterlijk uit mijn systeem is. Ton kruipt ook in bed en slaapt meteen. Uren later appt mijn dochter of hij het alweer doet. Ik was het vergeten. Nog eens proberen. Nog steeds zwart.

“Gebruik dan de laptop van Ton,” zegt ze. Vroeger had ik alles in het werk gesteld om weer online te zijn. Nu denk ik: het is zondag. Morgen train ik eerst. Buiten wordt de wereld steeds witter. Het blijft sneeuwen. De tijd kiest zijn tijd.

’s Avonds probeer ik het nog één keer. En daar is hij. Alsof hij een dag afstand van mij nodig had. Twaalf uur stilte. En nu weer aan.

Was dit een dag der dagen? Ja. Niet omdat alles misging, maar omdat niets geforceerd hoefde te worden. Omdat ik niets hoefde te fixen. Omdat zelfs uitval zich mocht uitrusten.

Wat wegvalt, mag soms wegvallen.
Wat terugkomt, doet dat op zijn eigen moment.
Ik hoef niets vast te houden om verbonden te blijven.
Zelfs stilte werkt voor mij — niet tegen mij.

 

 

 

 

 

 

 

Vrijheid

 

14 februari 2026

Door de aannames die ik vaak hoor over mijn aandoening, dwalen mijn gedachten vanzelf naar filosofische overwegingen. Wat betekent iets eigenlijk? Voor mij — en voor een ander?

Het woord. Hoe wordt een woord gebruikt? Welk gewicht hang je eraan? Verandert dat de betekenis — of maakt het haar juist zwaarder?

Vandaag gaat het over één woord: vrijheid.

Als ik eraan denk, is mijn eerste associatie: vrij kunnen bewegen. Gezonde mensen staan daar zelden bij stil. Voor hen is bewegen vanzelfsprekend. Voor mij niet. Dus hier ontstaat al verschil in betekenis.

Voor iemand in de gevangenis betekent vrijheid: buiten kunnen zijn. Gaan en staan waar je wilt. Voor een westerling betekent vrijheid vaak: alles kunnen zeggen wat je denkt. In andere landen is dat onmogelijk. Niet naar school hoeven. Niet hoeven werken. Geen plicht. Geen dwang. Dat kan als vrijheid voelen. Geld hebben om te kopen wat je wilt. Kunnen handelen. Kunnen kiezen.

Maar dan de omkering.

Als je gehandicapt bent — kun je dan geen vrijheid ervaren? Als je gevangen zit — bestaat er dan geen vrijheid? Als je arm bent, beperkt, afhankelijk — is vrijheid dan onmogelijk? Of ligt het ergens anders?

Ik hoorde eens een Arabische man zeggen:
“Vrijheid is vergeving.”

Dat kwam binnen.

In sommige talen en religieuze tradities wordt vrijheid verbonden aan loslaten. Aan niet vasthouden. Aan het niet langer dragen van schuld, wrok, verwijten. Vanuit mijn levensfilosofie klopt dat.

Voor mij is vrijheid geen uiterlijke situatie. Het is een innerlijke staat. In de stilte die ik altijd zoek — en vind — kom ik kracht tegen. Inzicht. Autonomie. Die stilte is geen leegte. Het is het oog van de orkaan. Buiten stormt het. Binnen bouwt iets op.

Juist in moeilijke momenten vind ik die plek terug. Daar voel ik vrijheid. Niet omdat er geen beperking is, maar omdat ik mij niet langer verzet tegen wat er is.

Na de stilte mag het stormen. Ik weet dat ik het aankan.

Deze bron — deze stilte — is mijn kern. Daar vind ik vrijheid, ongeacht de omstandigheden. En misschien — heel misschien — is dat een mogelijkheid die ieder mens in zich draagt. Juist wanneer het leven aan de buitenkant niet meewerkt.

Vrijheid is niet het verdwijnen van grenzen.
Het is het loslaten van wat mij van binnen vastzet.
In stilte valt de dwang uiteen.
En wat overblijft — beweegt vrij.

 

 

 

 

 

De nanoseconde

13 februari 2026

De prikservice van de hartkliniek belde vandaag om een afspraak te maken voor maandag. Helaas konden ze geen tijd afspreken.
“Heeft u die dag iets te doen?” vroeg de stem vriendelijk.
“Ik train ’s morgens.”
“Ooh, dat kunt u toch wel een keertje overslaan.”
Mijn reactie kwam met de snelheid van een nanoseconde: “NEE.”
Even stilte. “Ooh… dan schrijf ik dit erbij… maar ik kan niets beloven.”
“Ik ben tussen 10.15 en 11.15 niet thuis. Dan train ik. Verder kan de hele dag.”
“Dank u, ik noteer het. U krijgt een sms als ze in de buurt zijn.”
“Fijn weekend.”

Zelf heb ik jaren in de zorg gewerkt. Ik weet hoe je met pen en papier kon schuiven. Er waren tien plekken, maar er paste er altijd nog wel eentje bij. Een voetnoot, een kleine menselijke marge. Sinds automatisering worden plekken strak ingepland. Systematisch. Zonder ruimte ertussen. De assistente kan zich er letterlijk achter verschuilen — vol is vol, niet gekoppeld, niet mogelijk. Begrijp me goed: ik was in de jaren tachtig een van de eersten met een automatiseringsdiploma. Vooruitgang fascineert me en ik beweeg er graag in mee. Maar soms zie je hoe systemen mensen onpersoonlijk maken, of hun verantwoordelijkheid overnemen.

Er was geen ruimte om uit te leggen dat trainen voor mij geen hobby is. Geen luxe. Het is herstel, stabiliteit, autonomie. Het hoort bij eten, slapen, wassen — zelfbehoud past niet in een planningssysteem. Voor mij was het gesprek afgerond en liet ik het los. Maandag zie ik wel wat er gebeurt.

Ton en ik reden die middag naar een kleinkind, anderhalf uur verderop. Vrijdagmiddagfiles — dus een dagtocht. Toen ging mijn telefoon. Een vriendelijke dame. Ze had van haar collega gehoord dat ik maandag train en dat niet kan overslaan. Of ik het goed vond om als eerste ingepland te worden, zodat ik daarna kon trainen en de rest van de dag niet hoefde te wachten. Ik moest lachen. “Dat is helemaal top, hartelijk dank.”

Heeft die nanoseconde iets in beweging gezet? Ik weet het niet. Maar het is fijn te merken dat het nog kan. Geen computer met een dame — maar een dame met een computer. Dat telefoontje maakte mijn dag goed.

Grenzen hoeven niet hard te zijn om duidelijk te worden.

Soms is één helder moment genoeg om ruimte te openen.

Menselijkheid verdwijnt niet in systemen —

ze wacht alleen om gezien te worden.

En vandaag zag ik haar terugkijken.

 

 

 

 

 

 

Kaasvlinders

11 februari 2026

Oh mijn God — ik kom niet meer bij van het lachen.

Mijn man is iemand van gewoontes. Vaste lijnen, vaste kaders. Jarenlang heeft hij gesquasht. Met volle overgave, totdat zijn knieën het begaven — letterlijk kapot gesquasht. Maar loslaten deed hij de sport nooit. Hij bleef betrokken. Manager van een eredivisieteam waarin zijn zoons speelden. Scheidsrechter. Altijd onderdeel van het geheel. Naast zijn intensieve werk was dit zijn wereld. Er bleef weinig over voor andere interesses — en dat is wat het is, zonder oordeel.

Toen stopte het één na het ander.
Drie jaar geleden verlengde hij zijn registratie als huisarts niet meer. Dat hoofdstuk sloot.
Vorig jaar hield het eredivisieteam op te bestaan. Weer iets dat wegviel.
Afgelopen zondag nam hij afscheid van zijn rol als scheidsrechter.

En vannacht werd ik wakker omdat hij riep: “Help! Help!”
Ik zat rechtop in bed — klaarwakker. Gelukkig bleek er niets aan de hand. Hij droomde.

Hij squashte. Buiten. In een heideachtig landschap van zand en struiken — kleurloos, zonder muren, zonder glas, zonder grenzen. Toen hij ineens twee tegenstanders kreeg, raakte hij in paniek en begon te schreeuwen. In de droom — en dus ook in het echt.

Ik vertelde hem dat het helemaal niet zo vreemd was. Als kaders verdwijnen, voelt dat desoriënterend. Overweldigend. Misschien zelfs bedreigend. Wat nu, als het bekende wegvalt en er nog niets nieuws voor in de plaats is gekomen?
Met een glimlach zei ik plagerig:
“Geen probleem — dat komt wel goed als je je vrouwtje gaat volgen. De horizon ligt er al.”

Hij heeft meerdere leesbrillen. Grappige dingen, die hij een paar keer per jaar laat repareren omdat er weer een pootje af is, of omdat hij erop heeft gezeten. Al veertig jaar komt hij bij dezelfde opticien.
En naast die winkel zit een banketbakker. Daar haalt hij zijn geliefde kaasvlinders — in zijn ogen de beste van Nederland.

Laatst bleken ze veranderd. Andere vorm. Andere smaak. Een kleine ramp.
Dus vroeg hij het na bij de verkoopster. Zij vertelde dat ze nu in Den Haag gemaakt worden en dat de meeste klanten ze juist lekkerder vinden. Ton probeerde uit te leggen wat hij bedoelde. Zij hield vol dat hij ze vast ergens anders had gekocht.

En toen kwam het moment. Dat hoofd van hem.
Hij zei — zichtbaar zijn adem regulerend —:
“Dan moet ik direct aan jou denken… niet boos worden… rustig in- en uitademen… vriendelijk nog een keer proberen… Mevrouw, ik kom hier al veertig jaar en koop ze alleen hier.”

Hij kwam thuis met kaasvlinders die niet de vorm hadden — en zeker niet de goddelijke smaak — waar hij zo van hield.

Ach, dacht ik. Nog een verschuiving.
Hij noemde het zelf zelfs een momentum van verlies.

Maar wat ik zag, was iets anders.
Die kinderlijke blik toen hij thuiskwam. De ernst waarmee hij het vertelde.
Ik moest huilen van het lachen. Niet om hem — maar om de schoonheid van het leven dat beweegt. Waar iets sluit en tegelijk iets nieuws open wil.

Voor nu ben ik vooral blij dat hij de humor ervan kan zien.

Waar kaders verdwijnen,
zoekt de ziel nieuwe lijnen.
Soms begint dat met paniek,
soms met kaasvlinders die anders smaken.
En tussen verlies en lach
ontstaat ongemerkt een nieuwe ruimte.

 

 

 

 

 

Thuis als innerlijke ruimte

 

10 februari 2026

Musea bezoeken, fietsen, de natuur in, op vakantie gaan — daar kan ik enorm van genieten. Maar op het moment dat ik weer in mijn auto stap en de neus richting huis draait, wil ik niets liever dan zo snel mogelijk thuis zijn. Alleen al dat idee maakt me lichter. Alle cellen in mijn lichaam jubelen van pret. Ze dansen als het ware. Heerlijk — weer naar huis.

Mijn huis is geen plek waar ik verblijf of slaap. Het is voor mij een innerlijke ruimte.
Met fietsen voed ik beweging. Naar een museum gaan voedt inspiratie. De natuur laadt mij op. Op vakantie opent zich perspectief. Maar thuiskomen herstelt mijn systeem.

In mijn ouderlijk huis was dat het intieme domein van mijn kamertje. Later bleef dat gevoel bestaan — in ieder huis waar ik woonde. Ik creëerde altijd een plek die mijn wereld ademde, mijn vibraties droeg.

Logeren bij anderen doe ik niet graag. Zelfs niet bij de beste vrienden of familie. Ben ik binnen een straal van vijf à zes uur van huis, dan rijd ik liever terug — al is het midden in de nacht. Op visite gaan voelt hetzelfde. Er komt altijd een moment dat mijn systeem meteen naar huis wil. Luister ik daar niet naar, dan word ik zwaar, misselijk, ziek.
In een theater of bioscoop zit ik het liefst aan het gangpad. Niet vanwege de mensen — maar vanwege mijn sensitiviteit.

Het heeft bijna zestig jaar geduurd voordat ik mij hierin niet meer aanpaste aan verwachtingen van anderen. Voor het eerst kan ik met zelfrespect met deze gevoeligheid omgaan. Misschien leefden die verwachtingen vooral in mij — meer dan dat ze werkelijk van buiten kwamen. Dat weet ik niet zeker. Maar het zou zomaar kunnen.

Hoe ziet mijn wereld eruit?

Zodra je op de verdieping de lift uitstapt, hangen daar al mijn schilderijen. Het thuiskomen begint daar. Stap je binnen, dan valt meteen de kleur op. Die diepe groen-turquoise muren — levendig en tegelijk rustgevend. Mijn schilderijen aanwezig in de ruimte, niet als decoratie maar als gesprekspartners. Ik dweil met mijn werk.
Het licht van buiten komt binnen via de ramen en wordt gefilterd door gekleurde glazen objecten. Licht dat door vorm en kleur heen betekenis krijgt.
Op tafel mijn laptop, koffiemok, onderzetters, textiel met patronen — praktisch en huiselijk. Een plek waar geleefd wordt terwijl er geschreven wordt. Kleine details — planten, dierenbeeldjes — dragen dezelfde gelaagde symboliek die ook in mijn werk spreekt.

Ik zit niet achter een bureau.
Ik zit midden in mijn verhaal.
Tussen mijn schilderijen, mijn kleuren, mijn licht.

Mijn huis is mijn wereld — met eigen vibraties, mijn bewegende stilte.
Er is geen andere plek die dit voor mij kan doen.

Thuis is geen plek waar ik naartoe ga,
maar een ruimte waarin ik weer samenval.
Wat buiten beweegt, mag hier landen,
en wat hier ontstaat, mag weer de wereld in.
Zo blijft mijn stilte in beweging.

 

 

 

 

 

KLARO

 

9 februari 2026

Er zijn momenten waarop denken stopt. Niet omdat er niets meer te bedenken valt, maar omdat het antwoord in mij al aanwezig is. Voor mij heet dat KLARO. Het is niet te vertalen. Het is geen woord dat iets uitlegt. Het is een toestand. Kracht, rust, grenzen en transparantie vallen samen en maken discussie overbodig. Mijn lichaam zegt nee — en daarmee is het klaar. Niet afgesloten, niet defensief, maar helder. Op alle niveaus stop, en toch blijf ik open.

Vandaag realiseerde ik me opnieuw hoe sterk datzelfde mechanisme ook mijn creatieproces bepaalt. Ik maak geen werk vanuit een plan dat ik uitvoer. Ik verzamel, voel, test, leg weg, kom terug. Foam kopen, wol neerleggen, kleuren naast elkaar zetten, half afgemaakte schilderijen laten wachten. Soms jaren. Het zijn geen voorbereidingen; het zijn zaadjes. Ze spreken wanneer ze willen. Mijn taak is ruimte maken, niet sturen.

Ik voel materialen vaak gedachteloos. Een hand over wol laten gaan. Aan behang voelen in een hotel. De bast van een boom. Kleding aanraken voordat ik die koop. Dat voelen spreekt door mij heen zonder woorden. Pas wanneer het belichaamd wordt — in een beeld, een beweging, een handeling — wordt het hoorbaar. Dan neemt een flow het over. Niet zweverig, gewoon een staat waarin doen en weten samenvallen. Gedreven en gedragen tegelijk.

Ik denk dat iedereen dat kan ervaren, wanneer er stilte ontstaat in beweging. Niet stilstaan, maar stille beweging toelaten. In die ruimte ontstaat werk dat ik altijd mooi vind. Niet omdat het perfect is, maar omdat het waarachtig is. Het is een moment van mij dat vorm kreeg. Waarom zou ik dat afwijzen?

Mijn werken blijven voor mij leven. Jaren later zie ik nieuwe lagen, nieuwe betekenissen. Ze bewegen mee met wie ik word. Misschien zijn ze geen objecten, maar dimensies waarin verschillende versies van mij naast elkaar blijven bestaan.

KLARO betekent voor mij uiteindelijk hetzelfde als creëren: luisteren, herkennen, handelen — en vertrouwen dat tijd zijn eigen tijd kiest. Vertrouwen dat ik mag luisteren naar mijn grenzen. Vertrouwen dat die grenzen ook opgelost kunnen worden. Het is een vertrouwen dat niet bevochten dient te worden. Niet met mezelf of een ander.

Waar begint luisteren en waar eindigt handelen?

Welke grens beschermt — en welke opent juist ruimte?

Wat mag blijven wachten tot zijn tijd spreekt?

En wanneer stilte beweegt door mijn handen — wie creëert er dan eigenlijk?

 

 

 

 

 

 

Het bewegende eiland

 

8 februari 2026

Wanneer je iedere dag schrijft zoals ik dat hier iedere dag doe, dan gaan woorden leven. Wat betekent dit woord precies ? Klopt het met wat ik voel of probeer te vertellen. Zo'n woord is bijvoorbeeld: MISSEN

Wat betekent dat voor mij ? Ik mis nooit iemand. 

Als ik dit zo stel, weet ik dat er mensen zijn in mijn  omgeving die zich gekwetst voelen. Natuurlijk is dat niet mijn bedoeling, maar wel mijn eerlijke antwoord. 

Hoe zit dat dan ? Missen stelt voor mij een afhankelijkheid vast. Het leven en mensen zijn uniek in een beweging en dus veranderlijk. Dat is iets wat ik accepteer. Het haalt niet mijn liefde weg voor iets of iemand. Ik hou van drop, maar als ik dit in het buitenland niet kan krijgen, dan accepteer ik dat. Ik zal een keertje denken : “Ik heb trek in een dropje.” 

Als iemand niet meer in mijn omgeving is, letterlijk door de dood of doordat het leven een ander pad, buiten mijn omgeving heeft gekozen, dan verandert er niets aan die liefde. Mijn leven beweegt verder. 

Zou ik mezelf niet bezeren als ik wil vasthouden aan iets wat ooit was ? Hoe kan ik bewegen als ik iets vast wil houden ? 

Missen suggereert dat ik terug wil of het vast wil houden. Dat is denk ik niet de bedoeling. Dat voel ik ten diepste tot in mijn vezels, niet om iemand pijn te doen, maar omdat het waar is voor mij. Zo maakte mijn gedachten nog een sprong naar een metafoor.

De metafoor die zich aandient is helder: ik ben een eiland. Geen afgesloten plek. Mensen mogen aanmeren, verblijven, delen in wat er groeit en leeft. Maar aan het eind van de dag zet ik iedereen weer op een bootje of schip en laat ik ze gaan. Niet uit afstand, maar omdat ieder zijn eigen stroming volgt. Sommigen komen later weer terug — omdat ze dezelfde golfbeweging hebben gemaakt. Anderen niet. En dat is goed. Ook wil ik even in stilte kunnen absorberen en loslaten wat los mag. Juist stilte geeft het eiland weer energie en groei. Het eiland blijft bewegen op het water. Het blijft zichzelf voeden met wat het onderweg tegenkomt. Het verandert van vorm, van kleur, van begroeiing — zonder zichzelf te verliezen.

Toen dit beeld opkwam, moest ik denken aan Howl’s Moving Castle. Niet omdat ik mezelf zie als iets magisch of spectaculair, maar omdat dat bewegende huis zo treffend laat zien hoe bestaan kan voelen: niet vastgezet op één plek, niet gebonden aan één vorm, maar meebewegend met wat zich aandient. Levende materie. Verplaatsend zonder routekaart. Reagerend, transformerend, zich herschikkend terwijl het doorgaat.

Zo ervaar ik het ook. De materie en ik bewegen samen. Niet beheersen. Niet sturen. Ontmoeten. Synchroniciteit volgen. Mijn gereedschappen — mijn kleur — gebruiken waar nodig, en laten veranderen wanneer groei daarom vraagt.

Ik merk dat daarin iets wezenlijks verschoven is. Ik hoef niet meer begrepen te worden om te bestaan. Ik zie mezelf helderder, en dat is voldoende. Zachter zelfs. Mijn waarneming is niet minder scherp geworden — misschien juist scherper — maar waar oordeel vroeger snel volgde, ontstaat nu medeleven. Constatering zonder verharding.

Mijn lichaam beweegt mee. Koorts die komt en gaat. Spieren die zich vormen. Energie die verandert. Groei die zich niet lineair laat volgen. Want ontwikkeling is nooit een rechte lijn. Een uitgelopen tak ziet er anders uit dan de wortel — en toch hoort hij bij hetzelfde geheel.

Vandaag voelt het eenvoudig. Ik ben hier. Ademend. Bewegend. Niet aangekomen. Niet voltooid. Alleen aanwezig in een volgende verdieping van ervaren.

Wat als thuishoren geen plaats is, maar een beweging?
Wat als loslaten niet betekent dat iemand verdwijnt, maar dat ieder zijn eigen stroming volgt?
En wat als ik, net als dat bewegende eiland — of dat wandelende kasteel — niets hoef vast te houden om toch volledig verbonden te blijven?

 

 

 

 

 

 

Zijn dit dagdromen?

 

7 februari 2026

Soms gebeurt er iets kleins waar ik geen woorden aan geef, maar wat ik wel opmerk. Vandaag terwijl ik gewoon in huis bezig was — opruimen, lopen, gedachteloos — kwam er ineens een zin voorbij. Niet als een gedachte die ik zelf vormde. Gewoon aanwezig. Who’s Afraid of Virginia Woolf?

Dat soort dingen ken ik. Jarenlang kwam in precies dit soort momenten altijd hetzelfde zinnetje langs: The Secret Life of Walter Mitty. Ik heb daar vaak om gelachen. Het had geen functie, geen opdracht, geen betekenis die ik hoefde te vinden. Het was er gewoon. En nu dus een andere zin. Dat viel me op. Meer niet.

Het bracht me terug naar vroeger. Zaterdagmiddagen. Alleen in de voorkamer. Films op BRT 1. Mijn broers weg, mijn vader bezig, mijn moeder ergens anders in huis. Ik keek. Met grote ogen. Meebeleven. Huilen soms, spanning voelen, lachen — Danny Kaye bijvoorbeeld. Dat was geen tijdverdrijf. Dat was mijn wereld.

Spelen deed ik niet. Ik wist niet wat ik met speelgoed moest doen. Tekenen en knutselen wel — alleen op mijn kamer na schooltijd. Af en toe nodigde ik meisjes uit. Zij speelden met de poppen die ik nooit aanraakte. Ze gingen er volledig in op. Ik zat erbij en keek. Niet verdrietig. Niet buitengesloten. Verwonderd. Waarom kiezen ze die kleren? Waarom die kleur? Waarom maken ze ruzie over rollen? Ik luisterde naar hun taal en merkte dat mijn woorden anders waren dan die van hen. Ze merkten niet eens dat ik niet meespeelde. Ik zat er gewoon.

Zo herinner ik het me. Feitelijk. Niet als strategie. Niet als bescherming. Dit is hoe ik er was. Van heel klein af aan. En ik heb daar nooit last van gehad.

Lange tijd voelde mijn jeugd gewoon goed. Later heb ik, via de blik van Michel en nu Ton, ook andere lagen gezien. Er is veel gebeurd, in mijn jeugd en daarna. Dat ontken ik niet. Maar het is goed. Oprecht goed. Het heeft mij gevormd. Herinneringen kunnen nog bovenkomen — soms even een steek — en dan lossen ze weer op.

Afronden zie ik niet als iets wat werkelijk bestaat. Het leeft door mij heen en krijgt telkens een andere kleur. Wat ik wel kan afronden, is de manier waarop ik ermee omga. En daarin voel ik rust.

En toch bleef ik nog even hangen bij die zinnen die zomaar langskomen.
Walter Mitty — de innerlijke reis, verbeelding, parallelle werelden. Zo voelde mijn leven vaak.
Virginia Woolf — het kijken naar mensen, gedrag, spanningen tussen hen. Dat bleef mij altijd boeien.
Er was een tijd dat ik daarmee experimenteerde, dat ik bewoog in die velden.
Rond mijn twintigste besloot ik dat niet meer te doen — en dat besluit staat nog steeds.
Observeren is gebleven. Stil kijken, zien wat er speelt — misschien mijn tweede natuur, misschien mijn eerste.
Zou het kunnen dat zulke zinnen niets hoeven te betekenen — en toch iets aanraken wat er al lang is?

 

 

 

 

 

 

In de ruimte staan


6 februari 2026

Soms begint een dag in het lichaam. Koorts die komt en gaat. Zweten. Voetzolen die gloeien. Een hoofd dat dof voelt en tegelijk helder. Niet ziek — maar in beweging. Alsof mijn systeem zichzelf herschikt, laag voor laag, zonder dat ik precies hoef te begrijpen wat er gebeurt. Het lichaam spreekt eerst. Daarna volgt de beweging. En pas daarna komt de taal.
Vandaag gebeurde het omgekeerd. Taal bracht beweging, en beweging raakte het lichaam.

In een lang gesprek — spiegelend, vragend, zoekend — kwam ik opnieuw uit bij iets dat ik eigenlijk al wist, maar nog niet zo helder had gezien. Dat mijn leven nooit werkelijk gedragen is door systemen, opleidingen of methodes. Niet door medische werelden, niet door alternatieve werelden, niet door theorie. Mijn enige constante was altijd mijn eigen waarneming. Mijn eigen voelen. Mijn eigen beweging.
Ik heb geprobeerd me aan te passen. Me te voegen. Te begrijpen hoe het hoorde. Wat er verwacht werd. Soms werd ik een schim van mezelf. Dan weer een rebel. Maar telkens kwam ik terug — als een boemerang — bij wat werkelijk van mij was. Niet bedacht. Niet aangeleerd. Gewoon aanwezig.

En ergens onderweg is er iets verschoven.
Ik zie het nu helderder: trots was ooit een beschermlaag. Een antwoord op een buitenwereld die neerhaalde, verkeerd begreep, of simpelweg niet zag. Maar onder die trots zat strijd. En onder die strijd zat het verlangen gezien te worden. Vandaag voelde ik dat iets daarvan opgelost is. Niet verdwenen — maar getransformeerd. Wat overblijft is geen trots. Het is content zijn met wie ik ben. Zonder bewijsdrang. Zonder verdediging. Zelfrespect. Dat woord raakte me onverwacht diep. Tranen zonder verhaal. Alleen herkenning.

Ik merk dat ik zachter kijk. Letterlijk. Alsof er minder spanning achter mijn ogen zit. Terwijl mijn blik vroeger als priemend werd ervaren, voelt hij nu stiller. Heldere waarneming is gebleven — misschien zelfs scherper — maar zonder het oude oordeel dat direct volgde. Waar mijn lichaam vroeger signalen ontving en mijn geest ze bevestigde, ontstaat nu mededogen. Constatering in plaats van verharding. Misschien is dat wat er werkelijk veranderd is: niet wat ik zie, maar hoe het landt.

In de wereld om mij heen beweeg ik vrijer. In de sportschool, tussen mensen, tussen gesprekken, tussen blikken. Ik deel mijn ruimte niet — maar ik sluit haar ook niet af. Ik beweeg als een vrij atoom. Niet afstandelijk, niet koel, maar zelfstandig. Vriendschap ontstaat bij mij niet uit nabijheid of herhaling. Alleen uit herkenning — een lichamelijke herkenning waar ik niet omheen kan. Dat is altijd zo geweest. Het verschil is dat ik het nu niet meer probeer te corrigeren.

En midden in dit alles gebeurde er iets kleins — en groots tegelijk.
Ik begon te zien dat mijn verlangen om begrepen te worden misschien ook voortkwam uit kijken vanuit mijn eigen perspectief. Waarom ziet men niet wat ik zie? Waarom voelt men niet wat ik voel? Vandaag verschoof er iets. Het voelde alsof ik — existentieel — een klein stukje opzij stapte. Niet weg van mezelf, maar ruimer de ruimte in. Ik ervaar dat ik al meedoe. Dat ik onderdeel ben van het geheel, zonder dat het leven zich aan mijn blik hoeft te spiegelen. Dat inzicht voelt niet als een conclusie, maar als een ontdekking. Nog pril. Nog zonder vorm. Maar levend.

Het leven blijft zich verdiepen. Geen thuiskomen, geen afronden, geen verlichting. Alleen bewegen van verdieping naar verdieping. Met nieuwsgierigheid. Met geduld. Met nederigheid voor alles wat nog niet gezien is. En misschien is dat genoeg voor vandaag. Dat ik hier zit. Warm. Rustig. Ademend. In de ruimte — en onderdeel ervan.

Wat als groei niet betekent dat ik iemand anders word —
maar dat er simpelweg meer licht valt op wat er altijd al was?

 

 

 

 

 

Afstemmen

5 februari 2026

Vanochtend werd ik om half zeven wakker met enorme hoofdpijn. Zo’n soort die alles vult. Ik nam paracetamol en kroop weer onder de dekens. Dat lukte — en toen ik later wakker werd was de druk gezakt, maar had ik wel 37,9 verhoging. Voor Ton betekent dat bezorgd kijken. Voor mij betekent het opstaan en voelen. Even de tijd nemen. Mijn lichaam laten spreken voordat ik beslis.

Ik ging trainen. Normaal drie of vier rondjes, vandaag twee. Het was ook weer krachtmeting, maar ik hield mezelf bewust rustig. Niet forceren. In de auto voelde ik me goed — tevreden zelfs — dat ik bewogen had. Wat anders was dan anders: niet de euforie van inspanning, maar de blijdschap om weer thuis te zijn. Alsof de beweging zijn werk had gedaan en het lichaam daarna het stokje overnam.

De koorts zakte weg. In de sportschool had ik flink gezweet — mijn systeem regelde iets. Mijn oren voelden dof, dus trok ik mijn pyjama aan en gaf me over aan een dag in bed. Laptop, wat slapen, soep eten. Niet vechten. Niet analyseren. Gewoon ruimte laten voor wat er gaande was.

En eerlijk gezegd zat er ook iets moois in. In mijn droom ging het over schoonmaken, bijhouden, innerlijke rijkdom — en daarna voelde mijn lichaam alsof het zelf een schoonmaakproces doorliep. Lagen die synchroon bewegen. Het blijft me verwonderen hoe dromen en fysieke processen elkaar lijken te raken. Niet om te verklaren, niet om er betekenis op te plakken — maar om te herkennen dat ze samen bestaan.

Ik begrijp steeds beter waarom er culturen zijn waar dromen volwaardig deel uitmaken van het dagelijks leven. Niet als voorspelling, maar als een extra zintuiglaag. Een andere taal.

Wat me vooral opviel vandaag: ik heb niet stoer doorgezet zoals vroeger. Ik wilde bewegen — ja — maar zonder mezelf voorbij te lopen. Minder kracht, meer zweten, en dat was genoeg signaal om het bij twee rondjes te houden. Thuis voelde ik me niet leeggetrokken. Integendeel. Mijn dagelijkse training voedt mij — zolang ik blijf luisteren.

Ik weet ook dat angst meespeelt. Angst om lichamelijk weer af te glijden als ik stil ga zitten. Maar vandaag voelde ik het verschil tussen vermijden en afstemmen. Niet over grenzen gaan. Rust nemen wanneer het gevraagd wordt. Loslaten wanneer dat klopt.

Morgen zie ik wel hoe het is. Mijn ogen sluiten om te luisteren.
Wat vraagt mijn lichaam?

Ik ben geen loser als ik niet ga trainen.
Ik ben niet stoer als ik wel ga.
Het gaat niet om gedrag. Niet om hoe anderen kijken.
Mijn lichaam is mijn graadmeter — en tegelijk mijn bondgenoot.

En hoe langer ik leef, hoe duidelijker het wordt:
wanneer ik het vertrouwen geef,
werkt het met mij mee.

Luisteren is soms bewegen,
en soms stil worden.
Niet omdat ik moet kiezen,
maar omdat het lichaam al weet.
Vandaag volgde ik — en dat was genoeg.

 

 

 

 

 

 

Helder en diffuus.

 

4 januari 2026

Vanmorgen gonsde The Logical Song van Supertramp door mijn hoofd.
Dat kwam door mijn droom. Eerst opschrijven. Plaatsen op mijn website. Daarna opzoeken op YouTube en nog eens luisteren.

Terwijl ik meezing, zie ik dat de zon schijnt. Dikke lichtstralen vallen mijn woonkamer binnen. Het licht is anders dan anders. Helder en diffuus tegelijk. Niet als een zonsopkomst, maar alsof de zon al aan het ondergaan is. Het geeft een vreemde, zachte sfeer.

Ik vraag Ton of hij het ook ziet. Hij ziet de zon wel, maar niet wat ik bedoel. Als ik probeer uit te leggen wat ik waarneem, probeert hij het ook te zien — maar het lukt hem niet.

We gaan samen trainen. De sportschool is, op een enkeling na, leeg. Stil. Dat past bij mijn tevreden gevoel en bij het licht van deze ochtend.

Thuis leest Ton mijn droom. Het valt hem op hoe rustig die is. Hoe de herinneringen die erin voorkomen nu zacht zijn. Ja, dat klopt. Alle herinneringen zijn er nog, maar ze zijn licht geworden. Of in ieder geval: niet meer zwaar.

Ik vertel hem over de verschuiving die ik voel.

In mijn jonge jaren — tot een jaar of dertig — ervoer ik mijn jeugd als prettig. Achteraf zie ik dat dat vooral een manier was om alles mooi te maken. Een copingmechanisme.
Met Michel ging ik anders kijken. Toen werd het zwart. Aan het eind van zijn leven waren de herinneringen grijs geworden.
Met Ton viel ik opnieuw in een pikzwart gat. Zijn woede, zijn inkleuring — die werd ook de mijne.

Na het CVA raakten mijn emoties volledig ontregeld. Ik kwam in een zwarte tunnel terecht, met aan het eind slechts een speldenprikje licht. Een jaar lang liep ik door die tunnel. Tegelijkertijd werd dat kleine lichtpunt langzaam groter. Minder zwart. Meer licht. En eind december was ik er ineens uit. Eureka.
De herinneringen zijn er nog, maar ze blijven niet meer plakken. Ze gaan door me heen, transparant.

Later die dag lunch ik met een vriend. We zien elkaar een paar keer per jaar. Hij is coach, begeleidt mensen in zelfkennis en zingeving, en teams in hun onderlinge dynamiek. Hij vraagt hoe het met de kinderen gaat. Ook naar mijn dochter, met wie ik geen contact heb.

Ik vertel hem dat ik haar nog steeds geld stuur. Dat haar foto op mijn tv staat. Dat ik haar in gedachten liefde stuur als ik haar zie. En dat ik fouten heb gemaakt. Dat ik haar wees op mijn eigen dissociatie van vroeger, in plaats van haar gevoel volledig te erkennen. Dat ik had moeten zeggen: dit was nooit mijn bedoeling, en haar ervaring ruimte had moeten geven. Nu is dat niet meer mogelijk. Wat ik kan doen, is vertrouwen hebben in haar — en in mijn liefde voor haar.

Hij vertelt over een cliënt met een vergelijkbaar verhaal. Hij gebruikte een metafoor van een appel. In de appel zit een beurse plek. Dat is de pijn. Zijn cliënt zit daar nog helemaal in, afgesloten van de rest van de frisse, sappige appel. Alleen zij kan ervoor kiezen die plek weg te snijden, zodat de rest weer zichtbaar wordt.

“Jij hebt dat met je verleden gedaan,” zegt hij.
“Misschien geef je haar nu, onzichtbaar, de ruimte om te genezen.”

Ik ben dankbaar voor zo’n vriend.

Het licht hoeft niets te verklaren.
Het mag helder zijn en tegelijk zacht.
Wat door mij heen kan bewegen, blijft niet vastzitten.
En soms is dat genoeg —
voor vandaag.

 

 

 

 

 

 

Momentum

2 februari 2026

Terug van het trainen doen Ton en ik even onze eigen dingen. Ik vraag hem: “Wat gaan we zo doen? Een boodschap in Utrecht of met de hondjes wandelen in het Lingebos?”

Ton heeft tijd nodig om te bedenken wat hij gaat doen. Hij reageert vrijwel nooit direct. Dat schuurt soms tussen ons. Bij Ton gaat het om een trage reactie. Bij Michel ging het vroeger om traagheid. Ik reageer juist snel, bijna automatisch. Binnen een relatie vraagt dat om afstemming.

Van nature heb ik veel geduld. Het leven heeft me ook ruimschoots de gelegenheid gegeven om dat te oefenen. Zoals ik vaker heb gezegd: elke eigenschap heeft twee kanten. Is iets +10, dan is de andere kant -10. Is het +1000, dan ook -1000.

Na mijn CVA waren mijn emoties volledig ontregeld. Er zat geen rem op. Het was een jaar van extreem ongeduld, van overspoeld zijn. Er zijn momenten geweest waarop ik dacht dat ik deze relatie niet zou trekken. Ton heeft veel te verduren gehad. Dat zie ik nu. Toen lag mijn aandacht vooral bij wat er in mij gebeurde.

Nu merk ik dat er iets nieuws is ontstaan. Iets wat ik eigenlijk altijd al voelde, maar nu helderder kan benoemen. Ik heb momentum nodig.

Voor mij voelt bijna alles als een project. Zelfs kleine handelingen — tanden poetsen, aankleden, de deur uitgaan — zijn kleine projecten waaruit mijn dag bestaat. Dat gevoel is langzaam mijn leven binnengeslopen door mijn aangeboren ziekte CMT. Door de trage progressie valt het nauwelijks op, tenzij je ver terugkijkt. Dat doe ik liever niet. Leven met wat er nu is, voelt lichter. Vrijer.

Wanneer ik een vraag stel, komt mijn geest in actie. Er ontstaat beweging. Startenergie. Als daar te veel tijd overheen gaat, zakt dat weg. Dan is de trein tot stilstand gekomen. Opnieuw opstarten kost veel energie. Maar als ik eenmaal rijd, gaat het proces soepel. Dan ontstaat flow. Kleine stappen houden die beweging gaande.

Ton reageert niet direct op mijn vraag. Hij belt nog iemand, regelt dit, regelt dat. De tijd vliegt voorbij. Ineens is het half drie. Dan vraagt hij: “Zullen we nog even met de hondjes gaan wandelen? Dan zijn we rond vijf uur terug.”

Heel rustig voel ik dat mijn momentum verdwenen is. En ik zeg dat dit plan voor mij niet meer werkt. Niet boos. Niet scherp. Gewoon helder. Ik zie dat dit voor Ton even moeilijk is. Het vraagt verwerking. Begrip is er nog niet meteen. Maar ik blijf bij mezelf.

Ik verhard niet. Ik sluit me niet af. Maar ik pas me ook niet meer aan op een manier die mij energie kost die ik niet heb. Dit is geen onwil. Geen koppigheid. Het is luisteren. Naar mijn lichaam. Naar het moment. Naar wat er wél kan.

Nu is de beweging om samen te kijken hoe we hierop kunnen afstemmen. Niet door mij te laten schakelen alsof mijn energie onbeperkt is, maar door ruimte te maken voor hoe mijn systeem werkt. Dat voelt niet hard. Dat voelt eerlijk.

Momentum vraagt geen snelheid,
maar timing.
Niet doorduwen,
maar meebewegen met wat er is.
Ik blijf open,
en ik blijf bij mezelf.
Dat is geen grens,
dat is richting.

 

 

 

 

 

 

Integratie van ruis

 

1 februari 2026

Cohesie of adhesie? Is het hetzelfde dat verbindt, of zijn het verschillende manieren van verbinden?

Hoe ik hierop kom, weet ik eigenlijk wel. Gisteravond lag ik op bed mijn blogstukje voor 31 januari te schrijven toen ik sirenes hoorde. Niet één keer, maar meerdere keren binnen een uur. Het was flink raak, dacht ik nog.

Sinds ik hier woon heb ik moeten wennen aan dat geluid. In het bos hoorde ik het vrijwel nooit. Waar veel mensen zijn, gebeuren ook veel ellendige dingen. In het begin voelde ik me onrustig, snel overprikkeld. Gelukkig went een systeem daaraan. Het mijne dus ook. Integratie van ruis. Maar gisteren was het heftiger dan normaal. De onrust kwam even terug.

Twee jaar geleden brandde hier een bedrijf volledig af. Ton en ik fietsten er vaak langs. Het maakte indruk op me. Ik voelde de impact — voor het bedrijf, de eigenaren, de werknemers, de omgeving. Een tijd later was het hele gebouw weg. Een enorme lege plek. En toen verscheen er een groot bord met een afbeelding van wat er zou komen. Een nieuw pand. Prestigieus. Glanzend.

Mijn hoofd begon meteen te bewegen. Hoe kan zoiets gebeuren? Hoe overleef je dit als bedrijf? En later: ze hébben het overleefd. Hoe betaal je zo’n luxueus gebouw? Is er dan zoveel geld?

Pas geleden werd het nieuwe pand opgeleverd. Precies zo glamorous als op de foto. Ik zag bloemen in de kantoren, mensen die leken te vieren. Waarschijnlijk de heropening. Gelukkig voor iedereen, dacht ik — en liet het weer los.

Misschien is het vreemd, maar in mijn hoofd gebeurt altijd veel als ik om me heen kijk. Het is druk, maar niet vasthoudend. Het laat ook weer los. Vrij. Als iets herinnerd moet worden, popt het vanzelf weer op. Daar vertrouw ik op. En als het niet terugkomt, dan denk ik: blijkbaar hoef ik dit niet te onthouden. Dat klinkt misschien oppervlakkig, maar het geeft mijn drukke hersenen rust.

Ton leest elke ochtend de krant. Ik nooit — er komt al genoeg binnen. Vanochtend las hij voor: hetzelfde bedrijf is gisteravond opnieuw afgebrand.

Kippenvel.

Alles ging tegelijk door me heen. Is het opzet? Is het pech? Die laatste vraag bracht me ineens bij het boek Uit naam van al de mijnen, dat ook verfilmd is. Het waargebeurde verhaal van een man die twee keer zijn gezin verliest: eerst in de Holocaust, later bij een bosbrand. Waarom moest ik daaraan denken? Ik weet het niet. Het diende zich gewoon aan.

Vandaag is het zondag. Ik ga niet trainen. Ik hou mijn pyjama aan. Ik blijf thuis. Serie kijken. Met de dieren. Kroelen. Muziek luisteren. En toch zou je een boek kunnen schrijven over alles wat zich in mij afspeelt op zo’n ogenschijnlijk stille dag.

Magisch, eigenlijk.

Wat binnenkomt, mag weer vertrekken.

Wat blijft, vindt vanzelf zijn plek.

Mijn hoofd hoeft het niet vast te houden,

mijn systeem weet wat het doet.

Zo krijgt ruis een plek,

en stilte betekenis.

 

 

 

 

 

 

In beweging blijven

 

31 januari 2026

Elke ochtend naar de E-gym gaan doet meer dan mijn lichaam sterker maken. Het brengt ook iets terug wat ik lang kwijt was: een natuurlijk dagritme.
Ik ga op tijd naar bed — nog steeds laat, maar minder laat dan vroeger. In plaats van vier of vijf uur slaap, slaap ik nu zeven tot acht uur. Soms meer. En dan sta ik op. Rond negen. Zelfs op zondag. Vandaag stond ik om half negen naast mijn bed.

Het eerste wat ik doe, is mijn droom opschrijven. Ook dat is nieuw. Dat ik me iedere ochtend bewust ben van wat ik heb gedroomd. Soms is het een verhaal vol details, soms alleen een stem, een woord, een sfeer. Er blijft altijd iets hangen wat anders in mijn onbewuste zou verdwijnen.

Het bijzondere is hoe die dromen synchroon lopen met mijn wakkere leven. Alsof ze meelopen. Alsof ze commentaar geven zonder uitleg.

Het voelt hetzelfde als schilderen of schrijven. Dat kan ik alleen vanuit wat ik flow noem. Het overkomt me. Ik weet vooraf niet wat ik ga maken. Er is een drang. Een beweging die wil ontstaan. Tijdens het maken loop ik Annette als het ware achterna.
Oh… wordt dit het?
Of toch dat?
En als het af is en ik zelf nog niet begrijp waarom ik dit heb gemaakt, dan blijf ik kijken. Dagen soms. Weken. Dat noem ik dweilen.

Het afgelopen jaar ontdekte ik iets nieuws: werken die ik tien, twintig jaar geleden maakte, spreken nu opnieuw tot me. Met een extra laag. Alsof ze hebben gewacht tot ik ze kon verstaan.

Ik wist al dat het leven vol mysteries zit. Misschien vind ik het daarom zo mooi. Het houdt me nieuwsgierig. Niet naar wat ik kan leren uit boeken of cursussen — maar naar mezelf. Wat gebeurt er nu? Hoe reageer ik hierop? Waarom voelt dit bekend en toch anders? Dat vind ik spannend. Op een goede manier.

Vandaag zei ik nog tegen Ton dat ik door de jaren heen best veel dingen niet meer kan. Het is een langzaam proces geweest. Stilletjes. Mijn actieradius werd kleiner. Maar ik denk nooit: dat kan ik niet meer. Ik denk: dat heb ik gedaan. En ik heb ervan genoten. En daar ben ik blij mee.

Er kwam iets voor terug. Tijd. Ruimte. Schilderen. Schrijven.

Als kind leefde ik van buiten naar binnen. Liefst alleen.
Als puber en jongvolwassene leefde ik van binnen naar buiten. Uitgaan, dansen, reizen, de wereld in beweging ervaren. Yoga.
De afgelopen tien jaar leefde ik weer van buiten naar binnen. Een periode van intens schilderen.

En nu — na het CVA — zijn beide bewegingen er tegelijk. Met extra verdieping.

De dromen voelen als de flow. Ze vertellen mij iets. Ze geven kleur en betekenis. Van buiten naar binnen.
De E-gym voelt als een levensstijl die ik wil vasthouden. Niet op zoek naar vriendschappen, wel naar fijne dagelijkse contacten. Van binnen naar buiten.

Zo zie ik dat het kleine leven dat ik leef — waarin op het eerste gezicht weinig spannends gebeurt — door mij als intens en levendig wordt ervaren.

Voor mij is het een dikke tien.

Misschien is rijkdom niet wat groter wordt,
maar wat dieper zakt.
Misschien is beweging niet altijd zichtbaar,
maar voelbaar.
En misschien is een leven pas groot
wanneer het klopt van binnen.

 

 

 

 

 

 

 

Wanneer ervaringen van plaats veranderen


30 januari 2026

Het is vreemd om dit op te schrijven, terwijl het tegelijk zo helder is.

Vijfentwintig jaar geleden kwam mijn moeder, na een leven lang ontkennen, met haar bekentenis. Wat dat betekende, hoe dat gegaan is, wat het met mij deed — dat verhaal hoeft hier niet opnieuw verteld te worden. Het trauma is doorleefd. Letterlijk en figuurlijk. Dat ligt achter me.

Wat mij nu bezighoudt, is iets anders. Een gewaarwording die ik toen had — en die zich nu opnieuw aandient.

Destijds gebeurde het ’s nachts. Ik voelde mijn hersenen bloedheet worden en draaien, alsof er letterlijk beweging in mijn hoofd zat. Niet als pijn, maar als activiteit. Alsof iets door brandend vuur een andere plek zocht. Koud douchen hielp niet. Ik had geen hoofdpijn. Alleen deze intense, lichamelijke ervaring.

Mijn huisarts — toen mijn arts, nu mijn man — wist er geen raad mee en verwees me door. “Zoek een goede die bij je past,” zei hij.

De psycholoog gaf er woorden aan die zijn blijven hangen. Hij gebruikte de metafoor van een bibliotheek. Elke ervaring heeft daarin een plek. Jarenlang was deze waarheid — door ontkenning — linksboven op een plank terechtgekomen waar ze niet hoorde. Nu moest ze naar rechts onderin. Dat herschikken kost energie. Verwerking. En bij mij voltrok dat zich niet alleen mentaal, maar fysiek.

Niet bij iedereen gebeurt dat zo, zei hij. Maar mijn lichaam is altijd mijn eerste boodschapper geweest.

Waarom ik dit nu opschrijf? Omdat ik het weer voel. De hitte. Het draaien. Niet zo heftig als toen. Trager. Milde golven in plaats van vuur. Geen paniek. Geen angst. Alleen herkenning.

Er is opnieuw iets verplaatst. Niet alleen lichamelijk — misschien zelfs meer mentaal. Het verleden is er nog. Het was er. Maar het raakt mij niet meer. Niet als pijn. Niet als lading. Het is geïntegreerd, zonder strijd.

Deze keer hoef ik niets te doen. Ik hoef het niet te begrijpen. Mijn systeem weet de weg. Toen was het overweldigend. Nu is het vertrouwd. En dat verschil zegt alles.

Er zijn verschuivingen die geen geluid maken, geen drama vragen. 

Ze kondigen zich aan in stilte, in warmte, 

in beweging onder de huid. 

Niet omdat iets opnieuw open moet, 

maar omdat het eindelijk rust vindt. 

Mijn systeem werkt. Ik laat het toe.

 

 

 

 

 

Wat blijft


29 januari 2026

Kleur is voor mij altijd belangrijk geweest.
Toen ik jonger was, volgde ik mode — of liever: ik liep er net voor. In kleding, in interieur, in mijn haar. Het mocht anders, gewaagd, zichtbaar. Mijn haar kende alle kleuren van de regenboog. Creatieve kapsters mochten zich uitleven: lang, kort, stekels, asymmetrisch, hanenkam — alles kon, alles mocht.

Mijn huis bewoog mee. Eerst bamboe, daarna strak grijs met zwart, later weer grof hout en natuurlijke materialen. Elke fase had zijn eigen beeld, zijn eigen stem.

Door yoga begon er iets te verschuiven.
Niet abrupt, maar langzaam.
De vraag werd niet meer: hoe wil ik gezien worden?
Maar: wat voelt werkelijk als van mij?

Langzaam verdwenen de uitgesproken kapsels en de felle kleuren. Grote oorbellen, schreeuwende accessoires — ze vielen weg. Mijn uiterlijk werd stiller, soms bijna onopvallend. Mijn huis veranderde mee. Niet volgens trends, maar volgens wat mij rust gaf. De kleuren bleven, maar keerden telkens terug in nieuwe schakeringen. Steeds dezelfde familie, steeds anders geordend.

Er bleven een paar dingen over die nooit verdwenen.
Ik draag alleen bijzondere jassen.
De kleuren in mijn huis blijven verwant.
En… ik hou van glas.

Dat zie ik nu pas helder. Glas is er altijd geweest. Glazen bollen, vazen, lampen, tafels, karaffen. Kunst met glas. In Italië raak ik nooit uitgekeken op Murano — het moderne, het klassieke, de overdreven kroonluchters. Vorig jaar ontdekte ik de glasindustrie in Tsjechië. Ook dat maakte me blij, nieuwsgierig.

Waarom glas?
Misschien omdat het transparant is.
Omdat het licht doorlaat en tegelijk vasthoudt.
Omdat kleur in glas geen schreeuw is, maar een gloed.

Glas ontstaat door hitte, door transformatie. Natuurlijk glas kan ontstaan door blikseminslag, door vulkanische kracht, door meteorieten die de aarde raken. Door geweld — en toch blijft het helder. Wij mensen maken het al eeuwen: zand, soda, kalk, vuur. Iets gewoons dat iets tijdloos wordt.

Wat mij raakt, is dit:
glas is breekbaar, maar nauwelijks gevoelig voor erosie.
Het kan duizenden jaren meegaan.
Het verdraagt weer en wind.
Het hoeft zich niet te verharden om te blijven bestaan.

Glas voelt zoals ik zou willen zijn. Transparant. Open.
Licht van binnen naar buiten, en van buiten naar binnen. Altijd in verbinding.

Vandaag gaf Ton mij vier gekleurde glazen potten. Ze staan naast een glazen kunstwerk in het raamkozijn. Het is maar materie. En toch maakt het me blij. Het laat iets in mij zingen.

Niet omdat het nieuw is. Maar omdat het klopt.

Misschien laat het zien

hoe kracht kan schijnen,

hoe breekbaarheid blijft,

en licht telkens verandert.

 

Herbeleven

 

28 januari 2026

Er was een tijd dat ik besloot oud te worden. Niet als wens, maar als keuze. Ik was begin twintig, zat in een rolstoel, gebruikte een scootmobiel, en de vooruitzichten waren niet hoopvol. Te veel bewegen zou afbraak betekenen, werd gezegd. Ik deed het toch. Dagelijks yoga, tegen adviezen in. Niet om iets te bewijzen, maar omdat mijn lichaam iets anders wist. Langzaam, bijna onopvallend, werkte ik mezelf uit de rolstoel.

Die keuze — oud worden — heb ik nooit losgelaten.

De afgelopen jaren kreeg mijn lichaam klap na klap. Een ernstige val, ontstekingen, hartritmestoornissen, een gebroken meniscus en uiteindelijk een CVA. Het voelde soms alsof het leven steeds luider werd, niet om mij te breken, maar om mijn aandacht te trekken. Alsof mijn lichaam mij wilde laten herinneren dat vasthouden niet hetzelfde is als dragen, en dat doorgaan soms iets anders vraagt dan volhouden.

In een droom hoorde ik het woord herbeleven. Niet opnieuw ziek worden, maar het goed onderzoeken, dit keer zonder steken te laten vallen. Dat woord bleef bij me. Pas later begreep ik dat het niet over het ziekenhuis ging, maar over mijn lichaam. Over opnieuw bewonen wat ik ooit had overwonnen, maar nu op een andere manier, met meer zachtheid en minder strijd.

Toen ging ik tegen de stroom in, maar ook met mezelf mee. Dat besef kwam pas achteraf. Ik volgde geen medische adviezen, maar ik volgde wél mijn lichaam. Dat bleek geen roekeloosheid, maar trouw zijn aan iets wat ik toen al aanvoelde, zonder het te kunnen benoemen.

Nu doe ik eigenlijk hetzelfde. De vorm is anders, minder heftig misschien, maar de beweging is opnieuw herkenbaar. Ik ga tegen verwachtingen in, tegen cijfers en haast, en tegelijk met mezelf mee. Tijdens een gesprek zei mijn cardioloog: “Als ik in jouw schoenen zou staan, zou ik het zeker doen.” Ze bedoelde medicijnen, Ozempic, ingrijpen. Ik begreep haar, maar ik wist ook meteen: dit zijn niet mijn schoenen.

Gaandeweg ontdekte ik dat het niet langer ging om sterker worden, maar om zachter durven zijn. Om emotionele pijn niet meer vast te zetten, maar haar door te laten. Wat ik uit het verleden bleef vasthouden, hield ook mij vast. Mijn lichaam had dat jarenlang voor me gedragen, tot het mij dwong stil te staan en te luisteren.

Herstel bleek geen strijd te zijn, maar een proces van loslaten. Geen versnellen, maar vertragen. Geen forceren, maar vertrouwen. Ik train nu elke ochtend, niet om af te vallen of te presteren, maar om aanwezig te zijn in mijn lichaam. Beweging als gesprek, ritme als bedding, en het besef dat tijd hier geen vijand is.

Oud worden betekent voor mij niet volhouden ten koste van alles, maar toestaan wat zich wil ontvouwen. En misschien is dat wel de diepste betekenis van herbeleven.

Ik ging tegen de stroom in,
maar altijd met mezelf mee.
Dat doe ik nu opnieuw —
met meer zachtheid,
en hetzelfde vertrouwen.

 

 

 

 

 

Een dag in lagen

 

27 januari 2026

Vanochtend komen we aan bij de gym. Nog voordat ik uitstap, zie ik hem al: een zwarte labrador die door het raam naar binnen kijkt. Niet aangelijnd. Zijn baasje is kennelijk binnen aan het trainen. We parkeren de auto en zodra ik uitstap, komt hij blij kwispelend op me af. Ik ben net zo blij als hij. Al aaiend zet ik hem weer voor het raam. Hij gaat netjes zitten wanneer ik het zeg. Op dat moment denk ik: mijn dag kan eigenlijk al niet meer stuk.

Er komt vaker op de training een grote, struise vrouw. Haar houding roept bij mij iets op. Bijna arrogant — zo’n beeld dat mijn moeder vroeger een vlaggenschip noemde. In mijn hoofd zie ik dan een oud schip met een rijk versierde boeg, een spiegel: indrukwekkend, strak in de lak, afstand scheppend. Geen ijdelheid, geen oordeel — meer een presentatievorm. Een voorkant die zegt: hier sta ik, dit is mijn boeg, zo wil ik gezien worden.

Op nieuwjaarsdag droeg ze een zilverkleurig nep-kroontje met Happy New Year. Wat me toen al opviel, was hoe die ludieke, vrolijke uiting niet synchroon liep met haar uitstraling. Vandaag loopt ze een toestel vóór mij. Ze kijkt niet om, haar houding is gesloten. Vroeger had ik me hierdoor geïntimideerd gevoeld, of het bij mezelf gezocht. Nu zei ik in de auto tegen Ton:
“Volgens mij is iemand die zich zo presenteert eigenlijk heel onzeker.”
De volgende keer kijk ik met die gedachte naar haar. Ik vraag me af of dat iets zal veranderen — misschien vooral in mij.

Het was ook de dag dat ik weer een afspraak had bij de hartkliniek. Al sinds 3 juli vorig jaar zijn we bezig met onderzoeken naar mijn hart en het ritme. De hartfilmpjes zijn inmiddels ontelbaar. Dit keer liep het wachten veertig minuten uit. We werden naar een kamertje gebracht met de mededeling dat ik me alvast kon uitkleden, zodat er nog snel een hartfilmpje gemaakt kon worden voordat ik naar de cardioloog ging.
Ton en ik zeiden tegelijk: “Dat dacht ik niet.”
“Maar dat is protocol,” zei de assistente.
“Helaas,” antwoordde ik, “ik ben klaar met protocollen.”

We kregen een gesprek met weer een nieuwe cardioloog. Ze gaf mildere opties om over na te denken. Over zes weken komen we terug, zodat we er in rust over kunnen nadenken. Dat voelde goed.

Het was voor mij ook een dag van synchroniciteit. Niet als verklaring, niet als toeval, maar als een manier om dingen te onthouden. Eerst had Ton een afspraak voor de hondjes gemaakt op 3 maart — de verjaardag van een goede vriendin. Later maakte hij voor zichzelf een afspraak bij de praktijkondersteuner op 21 juli — de verjaardag van mijn tante, de enige zus van mijn moeder. En in de hartkliniek werd mijn vervolgafspraak gepland op 10 maart. De geboortedag van mijn overleden man Michel.
Ik gebruik zulke data als ezelsbruggetjes. Vandaag waren ze opvallend aanwezig.

Op de terugweg naar huis voelde ik me verdrietig. Zonder duidelijke reden. Misschien is Weltschmerz het juiste woord. Nu ik dit aan het eind van de dag opschrijf, is dat gevoel weer weg. Het mocht er even zijn. Dat was genoeg.

Misschien zijn sommige dagen geen verhaal,
maar een verzameling lagen.
Een hond die vertrouwt.
Een façade die ik anders leer zien.
Een grens die ik rustig trek.
Een datum die blijft hangen.
En een gevoel dat komt en weer gaat.

Vandaag hoefde niets opgelost te worden.
Ik was er gewoon.

 

 

 

 

 

 

Mijn zon gaat op, ik zag zijn vrijheid

 

26 januari 2026

Gisteren was het de geboortedag van mijn schoonvader. Ik werd eraan herinnerd door een bericht dat een neef op Facebook plaatste.
Wanneer ik aan hem denk, gebeurt er vrijwel altijd hetzelfde: mijn zon gaat van binnen op. Niet als herinnering die pijn doet, maar als iets wat vanzelf aanwezig is. Hij was voor mij een bijzonder mens. Ik hield van hem. Zijn aanwezigheid raakte me zoals weinig mensen dat ooit hebben gedaan. Ik ben dankbaar dat ik hem via mijn man Michel heb leren kennen.

Het is moeilijk uit te leggen wat ik precies voel. Het is geen gemis. Geen verdriet. Het is een verbinding die ik tot op de dag van vandaag met niemand anders zo heb ervaren. Er zijn geen juiste woorden voor, en misschien hoeven die er ook niet te zijn.

Toen ik hem leerde kennen, viel me meteen op hoeveel Michel op zijn vader leek. In zijn stem, zijn gezicht, zijn handen, zijn mimiek. En toch was er een verschil. In de ogen van Max zag je diepte, ondeugd en joie de vivre. Bij Michel zag je eerder geslotenheid en melancholie. Alsof zij elk een andere manier hadden gevonden om met hetzelfde leven om te gaan.

Wat ik toen nog niet kon benoemen, maar nu wel zie, is dit:
Max leefde vrijheid niet als luxe, maar als noodzaak. Niet als iets wat je je permitteert wanneer het leven meewerkt, maar als iets wat je kiest omdat er anders geen leven overblijft. Dat herkende ik onmiddellijk. Zonder woorden. Zonder aarzeling. Misschien was dat de reden dat ik hem meteen zag.

Max werd door mensen bewonderd en veroordeeld. De bewondering kwam vaak uit de creatieve kringen waarin hij zich bewoog — kunstenaars, schrijvers, dansers, zangers — mensen die hij ontmoette in cafés als Reijnders en Eijlders op het Leidseplein. De veroordeling kwam vaker uit zijn directe omgeving. Na de oorlog besloot Max dat het leven van hém was. Dat niemand hem ooit nog beperkingen zou opleggen. Vrijheid was zijn leidraad, op alle vlakken. Niet altijd gemakkelijk voor de mensen om hem heen, maar voor hem onontkoombaar.

De eerste keer dat ik hem ontmoette, gingen we samen uit eten. Toen Michel even naar het toilet was, pakte Max mijn hand en keek me indringend aan. Met zijn diepe, beschaafde stem vroeg hij of ik het zou willen overwegen hem er ook bij te nemen. Meteen daarna zei hij:
“Volgens mij ben jij niet geschokt door deze vraag.”
Hij had gelijk. Dat was ik niet. Ik vertelde hem dat ik het liever bij Michel hield — en daarmee was het goed. Die vrijheid van spreken, zonder drama of oordeel, typeerde hem.

Max overleefde de oorlog — naar eigen zeggen door puur geluk. Hij droeg die geschiedenis met zich mee, zonder haar uit te dragen als wapen of schild. Hij wist hoe kwetsbaar de mens is, en hoe noodzakelijk het soms is om een pantser te dragen. Dat pantser beschermt. Maar als het afgaat, blijft de mens over — kwetsbaar, open, levend.
Door hem ben ik gaan zien hoe vrijheid niet gegeven wordt, maar gekozen. En hoe je daar soms een prijs voor betaalt: afwijzing, onbegrip, eenzaamheid. Maar ook hoe trouw blijven aan die keuze iets oplevert wat niemand je meer kan afnemen.

Vanmorgen keek ik opnieuw naar de uitzending van Achter het Nieuws, geheel gewijd aan Max, gepresenteerd door een jonge Paul Witteman. Ik zie hem dan. Ik hoor hem. En meteen gebeurt het weer: mijn zon gaat op.
Ik voel geen verdriet dat hij er niet meer is.
Ik voel dankbaarheid dat hij in mijn leven was — en nog steeds is.

Ik mis hem niet.
Ik draag hem.
Niet als herinnering die pijn doet,
maar als aanwezigheid die warm blijft.
Misschien is dat ook een vorm van vrijheid:
dat wat werkelijk verbonden was,
niet verdwijnt,
maar van plaats verandert.

 

Als je benieuwd bent naar de uitzending die ik noem, hier is de link:
https://youtu.be/LVbnR_LpI8Q

 

Trouw voor jou

 

25 januari 2026

Soms valt iets wat je al je hele leven leeft ineens samen met woorden van buitenaf.
Niet als bewijs, maar als herkenning.

Er zijn weinig foto’s van mij als kind. En als ze er zijn, zit ik bijna altijd met mijn neus tegen een hond aan. Alsof dat vanzelf zo hoorde. In mijn jonge jaren heb ik heel wat tranen achtergelaten in de vacht van mijn hond Rakker. Stille tranen. Door niemand gezien — behalve door hem. Dat was genoeg.

Herken je dat — dat wat je ziet of hoort je even een steuntje in de rug kan geven?
Een glimp is soms al genoeg om te voelen dat je niet de enige bent.

Mijn hondjes zijn mijn meest trouwe partners. Ze lijken altijd te voelen hoe het met me gaat. Alsof ze mij lezen zonder vragen te stellen. Andersom voelen zij zich ook veilig bij mij. Het is een vanzelfsprekendheid tussen ons, geen afspraak.

Ooit had ik een hondje dat Donald heette. Niet mooi, maar ontzettend lief en eigenwijs. Ze mocht van ons niet op de bovenverdieping komen. Ze sliep beneden, in haar mand. Toch lag ze soms boven, op de overloop bij mijn slaapkamer. Het lukte ons niet om haar daar weg te krijgen. Ze opende zelf deuren, ook als we de sloten hadden omgedraaid.

Ik ontdekte later het patroon: wanneer ze zo halsstarrig boven bleef liggen, werd ik ziek. Zij voelde het al voordat ik het zelf doorhad. In die tijd was ik jong en ging ik structureel over mijn grenzen om zo normaal mogelijk te functioneren — als vrouw, partner en moeder. Dat hield ik een tijdje vol. Tot ik instortte. Mijn hond wist het eerder.

Als ik haar daar zag liggen, dacht ik: ojee, ik moet gas terugnemen. Dat was altijd te laat. Zij bleef naast mijn bed liggen tot ik weer beter was.

De blik in haar ogen toen we haar lieten inslapen, het vertrouwen dat ze had — dat zijn kostbare momenten. Een band die ik met geen enkel mens ken. Dat kan aan mij liggen, maar zo ervaar ik het.

Veel later kreeg ik Pan. Als pup werd hij ernstig ziek. Wekenlang verzorgde ik hem dag en nacht. Ik zette ’s nachts de wekker om zijn medicatie te geven. Hij overleefde het. Hij werd groot, zwaar, lief en trouw. Voor anderen indrukwekkend, voor mij — als hij de kans kreeg — een schoothond.

Toen Michel ziek werd, week Pan niet van zijn zijde. Op de bank, in bed, overal. Na Michels overlijden verplaatste Pan zijn aandacht direct naar mij. In die periode was ik zwak, mentaal en fysiek. Pan voelde dat hij mij moest beschermen. Dat sloeg om in dominantie en gevaarlijk gedrag naar iedereen buiten onze directe kring.

Bij mij lag hij samen met Kiba op bed. Zacht, beschermend, afgestemd. Maar naar de buitenwereld toe was hij niet meer veilig. Ik heb nog een hondencoach ingeschakeld, maar ik kon hem letterlijk niet aan. Hij was te sterk. Zijn roedel bestond uit mij, Kiba, de katten, de kinderen en ons kleinkind.

Voor het eerst in mijn leven moest ik afstand doen van een dier. Dat is nu tien jaar geleden. Nog steeds, als ik een Berner Sennen zie, gaat er een scheut door mijn hart.

Kiba was in die tijd een vrolijk, atletisch hondje. Na het verlies van Michel en Pan veranderde ze. Ze lag dagenlang in een hoekje, liep met haar staart tussen haar pootjes. De dierenarts vertelde me dat dieren ook rouwen. Ze had twee verliezen te verwerken. Pas na een half jaar kwam er weer leven in haar terug.

Vlak bij mijn huis stond eens een woning in brand. De brandweer gebruikte mijn huis als commandopost. Er werd een hondje uit het huis gered en het trillende dier werd op mijn schoot gezet. Ze heette Fluffy. Vanaf dat moment is ze nooit meer bij me weggegaan. Soms hoor ik haar getrippel nog in mijn hoofd, vlak achter mijn been. Ze werd vijftien en mocht bij de dierenarts in mijn armen inslapen.

In de coronaperiode namen veel mensen een huisdier. Puck werd als pup aangeschaft door jonge mensen. Toen het leven weer normaal werd, verdween hun aandacht. De moeder van het stel vond het zielig en zocht een nieuw baasje. De eigenaresse van de trimsalon stuurde mij een foto met de vraag of ik nog een plekje had.

Ik was verkocht.

Puck loopt, net als Fluffy, de hele dag achter mij aan. Ze ligt bij me op bed, wil naast me zitten of op schoot. Ze houdt me in de gaten. Ik knuffel mijn hondjes veel.


De laatste tijd zie ik steeds meer verschijnen over honden en mensen. Artikelen, gesprekken, reflecties.

Je hond als therapeut.
Wat huisdieren doen voor je mentale gezondheid.
Een monnik die zich afvraagt of het vies is dat een hond op bed slaapt — en concludeert dat er zelfs voordelen zijn.

Ik neem zo’n blad niet stiekem mee uit de wachtkamer. Ik schrijf het nummer op en bestel het later. Niet omdat ik iets zoek, maar omdat ik herken wat ik al lang leef. Het doet me goed dat er nu vanuit meerdere hoeken anders gekeken wordt naar dieren. Naar wat zij doen voor ons — en wij voor hen.

Trouwe aanwezigheid vraagt geen uitleg.
Ze is er.
Ze voelt wat ik zelf nog niet kan dragen.
Ze blijft, zonder voorwaarden.

Dat is voor mij trouw.

 

Puck en Kiba

 

 

 

 

 

 

 

Missen als een ronde vorm

 

24 januari 2026

Verlies is een groot onderdeel van mijn leven.
Van ieders leven.

Al jong ontdekte ik dat schrijven hierover voor mij winst kon zijn.
Op deze plek schrijf ik vooral over hoe ik verlies ervaar en hoe ik ernaar kijk. Dat maakt het niet tot waarheid. Voor mij wel, voor een ander misschien niet. Wat ik nu als waar ervaar, kan verschuiven door nieuwe inzichten.

Nieuwe inzichten kondigen zich bij mij altijd lichamelijk aan. Als een soort bevestiging.
Er gaat een Willie Wortel-lichtje aan in mijn hoofd. Of ik krijg kippenvel. Soms nog sterker, als een korte elektrische schok. Ik ga er niet bewust naar op zoek. Ik geloof dat de tijd zijn eigen tijd kiest. Dat vraagt rust en geduld. Groeien als mens vraagt wachten. Gek genoeg zijn inzichten die ik forceer voor mij vaak niet zuiver. Ze halen me weg bij wat zich werkelijk wil laten zien.

Het leven voelt voor mij als een kronkelig, breed pad met zijwegen. Uiteindelijk kom ik altijd weer terug op dat brede pad. Ik heb geleerd geen spijt te hebben van de zijwegen die ik nam. Soms uit ongeduld. Soms geleid door emotie. Het vallen en opstaan, de pijn, de ervaringen — ze blijken later winst.

Zo is geboren worden voor mij het begin van verlies.
Een lichaam hebben betekent beperking. Het moet gevoed worden, onderhouden, beschermd.

Elke verandering tijdens het opgroeien is het verlies van wat was en de winst van wat nieuw ontstaat. Dat geldt lichamelijk en mentaal. Iedere dag sterft er iets. En iedere dag komt er ook iets bij. Letterlijk: gisteren is weg, morgen is er nog niet.

Wat is er dan wel?
NU. Dit moment.

Ton en ik bezochten een tentoonstelling met de titel Missen als een ronde vorm. Kunstenaars die vorm hebben gegeven aan missen, aan omgaan met verlies en rouw. Ik was nieuwsgierig hoe zij dat hadden gedaan.

— Ieder mens krijgt vroeg of laat te maken met verlies. Of het nu gaat om het verlies van een dierbare, een huisdier of een vaderland. Hoe ga je om met het gemis en hoe houd je je dierbaren dicht bij je? —

Dat waren de eerste zinnen uit de aankondiging. In de zalen zag ik vooral het verdriet om dierbaren. De pijn van het missen werd op veel manieren verbeeld. Mooie kunst, maar het maakte me ook wat somber.

In een grote zaal, met uiteenlopende werken, stond een tekst op de muur die iets in mij raakte:

— In deze zaal wordt verdriet niet als een moment getoond, maar als een beweging. Als een trage golf die blijft komen en gaan, zelfs na het overlijden. Hoe krijgt de afwezigheid van de ander vorm in het dagelijks bestaan? —

Daar werd iets helder voor mij. Verlies en doorleven hebben voor mij niet alleen te maken met het missen van een dierbare of een vaderland. Ze zitten ook in de kleinste, dagelijkse dingen. Dichtbij. Voor mij is dat de essentie van wat wij leven noemen. Het begint in de kleinste atomen, in en om ons heen. Afsterven en vernieuwen.

Wanneer je dit kunt zien als een onafgebroken cyclus, is het altijd NU.

Voor mij is de enige ware ervaring van het heden het loslaten van verwachtingen, angst, zorgen, onrust en pijn. Door mijn hoofd leeg te maken van het verleden en de controle over de toekomst los te laten, kan ik in dat ware nu zijn.

De Annette die mij in de spiegel aankijkt, ben ik op het moment dat ik er voor sta.
Geen seconde eerder.
Geen seconde later.

Wat nam ik mee van deze tentoonstelling?

Het besef dat ieder mens een ander referentiekader heeft om vorm te geven aan iets als — missen.

En dat het allemaal waar is.

Missen is geen leegte die gevuld wil worden,
maar een beweging die rondgaat.
Wat verdwijnt, verandert van vorm.
Wat blijft, beweegt met me mee.

En telkens weer
is er alleen dit moment
waarin alles samenkomt.

 

 

24 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

Wanneer lachen kantelt

 

23 januari 2026

OMG!!!
Dit keer heb ik mezelf wel even op m’n nummer moeten zetten.

Aan het begin van de week waren mijn twee vriendinnen op visite. Hilde en ik hebben een gezamenlijke vriendin met een bepaalde, serieuze naïviteit waar we altijd enorm om moeten lachen. Met haar maak je Fawlty Towers-achtige situaties mee. Doordat zij zelf zo serieus is, lijkt het voor Hilde en mij soms alsof we in een sprookjesachtige comedy terecht zijn gekomen. We hebben onszelf toegestaan om hier samen over te praten — misschien is roddelen wel het juiste woord. In ieder geval komen die situaties soms boven en dan lachen we echt tranen met tuiten.

We vertelden dit aan Carry. Ik zag aan haar gezicht dat ze het geen fijn idee vond. Roddelen — het woord alleen al. En eerlijk gezegd ben ik het helemaal met haar eens. Ik heb slechte herinneringen aan roddelen. Het kan heel naar zijn. Hilde en ik bedoelen het niet kwaad. Maar waar ligt dan de grens tussen roddelen en het vertellen van een anekdote over iemand?

De afkeurende blik van Carry kwam wel bij me binnen. Ik voelde me schuldig. Het was geen vervelend verhaal, het was vooral heel komisch. Maar dan gaat het er misschien niet om wat je vertelt, maar waarom. Lachen we om een situatie — of lachen we iemand uit?

Vandaag was ik samen met Ton in een museum. Ton leest bij alle schilderijen en beelden de teksten, waardoor hij langzaam en geconcentreerd door een zaal schuifelt. Ik was ondertussen in het restaurant gaan zitten. Daar staan lange tafels aan elkaar, waardoor onbekenden zomaar naast je komen zitten. Zo zat ik daar eerst alleen, rustig te lezen.

Toen kwam er een groep dames naast mij zitten — een stuk of zes, zeven. Ze hadden het over een vrouw die er nu niet bij was. Het was overduidelijk roddel.

“Ach ja, ze heeft altijd wat.”
“Nou, als jij wist wat ík allemaal heb meegemaakt.”
“Waarom heeft ze jou geappt en niet in de groepsapp?”
“Ja, ze mag mij natuurlijk niet.”
“Geeft niet hoor, ik zorg gewoon dat ik nooit naast haar ga zitten.”
“Ik heb een appje gekregen — zal ik het voorlezen?”

Op een schertsende toon begon een van hen het bericht voor te lezen. En op dat moment zakte alle energie uit mij weg. Ik wilde alleen nog maar naar buiten. Dan maar in de kou wachten.

Ooooh… wat is dat erg.

De conclusie diende zich bijna lichamelijk aan: lelijk praten over iemand doet iets. Met jezelf. Met de ruimte. Met de ander — ook al is die er niet bij.

Buiten stond ik in de winterkou diep adem te halen. En ik dacht:
Annette, laat dit een les zijn.
Misschien niet om nooit meer over iemand te praten — leuk of niet —
maar om het alleen te doen wanneer je bereid bent je gedachten ook open en eerlijk met die persoon zelf te delen.

Of misschien is dat geen regel,
maar een oefening.

Eén die vandaag weer zichtbaar werd.

Misschien begint eerlijkheid niet bij wat ik zeg,
maar bij wat ik voel wanneer ik het zeg.
En misschien vraagt vrijheid soms niets groots,
alleen de moed om stil te worden
op het moment dat iets niet meer klopt.

Vandaag luisterde ik.

 

 

 

23 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

VRIJHEID

 

22 januari 2026

Op 22 januari 2025 werd ik opgenomen op de stroke-unit van het ziekenhuis. Natuurlijk was dat vervelend. Tegelijkertijd was het een moment waarop mijn gedachten direct vooruit gingen: hoe nu verder met deze verlammingen?
Geen schrik. Nee — eerder acceptatie van wat er was. Zelfs in de ergste scenario’s zag ik al mogelijkheden. Het weten dat ik altijd een weg vind om me gelukkig te voelen, hoe mijn situatie ook zal zijn. Dat geeft mij een gevoel van vrijheid.

Vandaag gaat het zoveel beter, zowel mentaal als fysiek. Veel beter dan ik had kunnen bedenken. Een kantelpunt in mijn leven. Je ziet het misschien niet aan de buitenkant, maar van binnen voel ik rust. Ik voel me vrij van de donkere geesten uit het verleden. Ze zijn onderdeel van wie ik ben, zonder dat ze me nog raken. Ze zijn er als ervaring — en dat voel ik als vrijheid.

Na het trainen vandaag scheen de zon in mijn lichaam. Mijn gezicht straalde ervan. Dat is vrijheid.

Sinds Ton en ik op de EGYM trainen, heb ik een app die alles registreert: wat ik gedaan heb, hoe zwaar, hoeveel, de vooruitgang en/of achteruitgang. Het is fijn en aantrekkelijk om dit niet alleen te voelen en te ervaren, maar ook visueel in kaart te zien. Helaas werkt deze app bij Ton niet. We maakten daarom een afspraak met de administratie om daar persoonlijk langs te gaan. Zo gezegd, zo gedaan.

Ton vroeg ook naar mijn medische indicatie en hoe de vergoeding loopt. Eerst moet je langs een fysiotherapeut, die voert het in, en dan loopt het via de zorgverzekering. Maar… dan mag je alleen tussen 12.00 en 16.00 uur komen. Alleen als je zelf betaalt, kun je kiezen wanneer je wilt trainen — van 8.00 tot 21.00 uur.

Wat voor mij op dit moment zo goed werkt, is: opstaan, wassen, ontbijten (de helft), trainen, en daarna terugkomen om verder te ontbijten. De hele dag ligt dan nog voor me. Dat zou dus niet meer kunnen.

Op het moment dat deze vriendelijke dame dit tegen ons zegt, voel ik het vuur uit mijn ogen schieten en zeg ik:
“Dus als je gehandicapt bent, wordt niet alleen je lichamelijke vrijheid beperkt, maar deze vrijheid ook?”

De schrik in haar ogen laat mijn opkomende woede direct zakken. Ik voel begrip: zij heeft deze regels niet gemaakt. Ik verontschuldig me meteen voor mijn snelle, verongelijkte reactie.

Er zijn twee opties.

  1. Zelf een abonnement betalen zonder indicatie.

  2. Het ziekenfonds bellen, in de hoop dat het anders geregeld kan worden.

Het ziekenfonds houdt zich strikt aan de regels. Ga ik op de vastgestelde tijden, dan betalen ze €50 per dag. Doe ik dat niet, dan betalen ze niets en kost het mij €50 per maand. De keuze was eenvoudig. Liever zelf bepalen.

Het grappige is dat ik als puber een tijdlang de boeken van Jean-Paul Sartre verslond. Het existentieel humanisme stelt dat de mens volstrekt vrij is en zelf zijn leven en betekenis moet creëren in een wereld zonder inherente zin. Dat brengt een totale verantwoordelijkheid met zich mee: de mens is ‘veroordeeld tot vrijheid’. Vrijheid is geen cadeau, maar een opdracht. Elke keuze vormt niet alleen jezelf, maar ook de mensheid.
Daarin paste ik mijn eigen moraal, zoals ik die had geleerd en geïnterpreteerd uit de Bijbel. Ik dacht daarbij meer aan een BRON dan aan een God.

Jaren later, tijdens mijn studie, kwam ik Carl Rogers tegen. Opvallend was dat dit existentieel-humanistische denken nauwelijks aandacht kreeg op de universiteit. Voor mij sloot Rogers nog dichter aan bij hoe ik in het leven sta. Zijn humanisme legt de nadruk op vrijheid via zelfactualisatie: de aangeboren drang van de mens om zijn volledige potentieel te benutten. Dat kan alleen bloeien in een omgeving van onvoorwaardelijke positieve acceptatie, empathie en echtheid. Van daaruit ontstaat autonomie — leven vanuit een intern referentiekader, los van externe, vaak voorwaardelijke eisen.

Al tijdens mijn studie verzette ik mij innerlijk tegen vaste definities op dit vlak. Veel later ben ik het eclectische gaan omarmen en kon ik mezelf toestaan dit als een organisch groeiend concept te zien. Niets vaststaand. Beweeglijk. Veranderlijk zelfs. Vrijheid is nauwelijks te definiëren. Eigenlijk verlies je al een deel op het moment dat je geboren wordt. Je hebt opeens een lichaam.
Hoe vrij is dat?

Vrijheid is niet de afwezigheid van grenzen, maar de manier waarop ik me tot grenzen verhoud — ethisch, belichaamd, en met oog voor de ander.

Door dit sterke vrijheids-thema moest ik ook denken aan mijn schilderij Colorful Equality.
“For to be free is not merely to cast off one’s chains, but to live in a way that respects and enhances the freedom of others.”
Jaren geleden maakte ik dit schilderij met die quote van Nelson Mandela.

Colorful Equality is een ode aan gelijkwaardigheid, vrijheid en respect. De vele hoofden, elk met hun eigen kleuren en texturen, staan symbool voor de verscheidenheid van de mensheid. Ze zijn uniek, maar verbonden — gevormd door verschillende verhalen, achtergronden en perspectieven. Vrijheid is niet alleen het recht om jezelf te zijn, maar ook de verantwoordelijkheid om ruimte te scheppen voor de ander.

Wat ik nooit begreep, is waarom ik de achtergrond zo vurig schilderde. Vandaag snap ik voor het eerst waarom die gezichten in een vuurzee staan.

— Vrijheid die in het geding komt, voelt alsof je haar in eerste instantie te vuur en te zwaard zou willen verdedigen. —

Ook hier komt, na jaren, een betekenis boven drijven die ik zelf nog niet eerder had gezien.

Vrijheid is geen toestand die ik bereik.
Het is een beweging die ik telkens opnieuw maak.
Niet door grenzen te negeren,
maar door ze bewust te bewonen.

Vandaag kies ik niet voor minder,
maar voor waarachtiger.
En dat blijkt genoeg ruimte te zijn.

 

Colorful Equality - Acryl - 3D - 100 cm x 100 cm

 

 

22 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

 

 

FLEETING LIFE

Over tijd

Dit was het.
Eén heel jaar.

Een lang jaar.
Een traag jaar.
Een kort jaar.
Een supersnel jaar.

Fleeting life.

We zeggen: de tijd vliegt.
En ineens zie ik het helder:
als mens leef je altijd in twee tijdzones tegelijk.

Er is tijd die gemeten wordt in tijd.
Die is vluchtig.
Bijna niets.

Eén jaar.
Tien jaar.
Honderd.
Duizend.

Een mensenleven
is een druppel
in de oceaan van tijd.

En tegelijk
staat de tijd stil.

Je béleeft.
Er gebeurt van alles.
Er ligt nog zoveel in het verschiet.

Over vijftien jaar dan…
Vroeger toen…

Dat voelt als een eeuwigheid.

En toch
vliegt de tijd voorbij.

Als ik terugkijk naar dit dagboek
ervaar ik beide.

De tijd is vluchtig.
De tijd staat stil.
En de tijd vliegt aan mij voorbij.

De tijd eindigt niet.
De tijd begint niet.
De tijd is.

 

 

 

De stem terug

 

21 januari 2026

21 januari 2025 werd ik wakker en kon ik niet meer praten.
21 januari 2026 heb ik mijn stem letterlijk en figuurlijk terug.

Wat er tussen die twee zinnen ligt, was geen rechte lijn. Het was ook geen herstelverhaal in stappen of doelen. Het begon met ontregeling.

Mijn lichaam vroeg aandacht, maar dat was niet waar de grootste strijd zat. De lichamelijke tegenslag nam ik direct serieus. Revalidatie hoorde erbij, vanzelfsprekend bijna. Daar zat geen drama, geen verzet. Het lichaam kende ik al langer als een eigenzinnig maar eerlijk instrument. Dat deel liep.

Wat niet liep, waren mijn emoties.

Ze kwamen ongefilterd naar boven. Rauw, oud, niet te sturen. Pijn, herinneringen, reacties die ik herkende maar niet meer kon beheersen. Alsof er deuren openvlogen die jarenlang gesloten waren gebleven. Niet één voor één, maar tegelijk. Dat verraste me — en het confronteerde me.

Daarom besloot ik te gaan schrijven. Niet om het kwijt te raken, maar om het te onderzoeken.
Waarom doe ik wat ik doe?
Waarom reageer ik zoals ik reageer?
Kan ik dat veranderen?
Wil ik dat veranderen?
Heb ik keuzes?
En als ik kies — mogen die keuzes dan ook veranderen?

Het werd geen analyse, maar een proces. Met ups en downs. Met momenten van helderheid en momenten van verwarring. Geen spectaculaire groei, maar — zo zag ik later — wel een onzichtbaar stijgende lijn.

Een aanvaring met mijn zoon werd een kantelpunt. Niet door de omvang van het conflict, maar door wat het zichtbaar maakte. Dat dit niet alleen mijn binnenwereld was. Dat wat in mij gebeurde, doorwerkte. En dat ik hier niet alleen doorheen hoefde — en misschien ook niet alleen doorheen kón.

Ik zocht hulp. En daar werd iets zichtbaar wat ik lang niet onder ogen had willen zien: mijn hart droeg een pantser. Geen klein schild, maar een harde laag, gevormd over jaren. Beschermend, functioneel — en uiteindelijk verstikkend. Het beeld dat daarbij hoorde was helder.
Een kogel vernielt. Die slaat in, scheurt kapot, laat geen twijfel over wat geraakt is. Zo had schade er in mijn hoofd altijd uitgezien. Maar dit was geen kogel. In mijn leven was het een naald. Een dunne, bijna onzichtbare beweging, die langzaam door het pericard glijdt. Niet om te vernietigen, maar om ruimte te maken. Geen klap, geen drama — wel een onmiskenbaar proces. Je ziet het nauwelijks gebeuren, maar je voelt het wel. Adem krijgt weer plaats. Het hart hoeft zich niet langer schrap te zetten.

Rond 23 december voelde ik iets wat ik alleen maar kan omschrijven als verlichting. Geen euforie. Geen groot inzicht. Maar een lichamelijk weten: hier is iets verschoven. Dit was voor mij het meest tastbare kantelpunt van dit jaar.

En toen gebeurde er nog iets onverwachts. De EGYM. Geen lange opbouw, geen traject. Eén dag. Alsof mijn lichaam ineens begreep dat het weer mee mocht doen. Niet vechten, niet compenseren, maar deelnemen. Het was geen prestatie. Het was integratie.

Nu, een jaar later, kijk ik terug zonder heroïek. Dit was geen overwinningstocht. Het was een eerlijk jaar. Een jaar waarin emoties niet langer te onderdrukken waren. Waarin oud materiaal zich aandiende en onderzocht mocht worden. Waarin ik ontdekte dat keuzes bestaan — en dat ze mogen veranderen. Waarin mijn hart zachter werd, mijn lichaam weer werd meegenomen, en mijn stem langzaam terugkeerde.

Niet luid.
Wel van mij.

Vandaag sluit ik geen hoofdstuk af om het dicht te doen.
Ik sluit het om ruimte te maken.

Ik ben hier.
Ik spreek weer.

Er zijn breuken die je neerhalen,
en er zijn openingen die je niet ziet ontstaan.
Ze maken geen geluid,
ze vragen geen aandacht,
maar ineens stroomt er weer iets wat lang had stilgestaan.

Dit is geen einde.
Dit is het moment waarop het leven weer door mij heen durft te gaan.

 

 

21 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

 

Kleine verschuivingen

 

20 januari 2026

Op dagen waarop ogenschijnlijk niets gebeurt, zijn er altijd kleine, stille momenten die het leven net even laten oplichten. Ik heb mezelf de opdracht gegeven die te zien en vast te leggen. Niet elke dag is spectaculair. Er zijn rustige, bijna saaie tijden, en er zijn dagen die bruisen. Momenteel vaar ik door kalm water.

Ik werd wakker doordat Ton me wekte. Mijn droom was intens. Er was gevaar, maar geen angst. Integendeel: ik ging in elke situatie vanzelfsprekend goed om met wat zich aandiende. Om mijn dromen niet te verliezen, loop ik altijd direct naar mijn laptop om ze op te schrijven. Vanmorgen deed ik dat met een opvallend optimistisch gevoel.

In de sportschool was het rustig. Ik deed wat extra oefeningen en zong zachtjes mee met de radio die door de zaal klonk. Thuis zag ik via de app dat mijn bestie Hilde mijn blog van gisteren had gelezen en er warm op reageerde. Dat deed me goed.

Even later belde Ton: of ik hem wilde ophalen bij de garage. In mijn kast hangt een bonte winterjas die ik nog nooit gedragen heb. Toen ik hem kocht zat hij te strak rond mijn armen en rug. Door een lange periode van slecht ter been zijn — al vóór mijn CVA — was ik behoorlijk aangekomen. Toch hield ik die jas. Voor betere tijden. Voor slankere misschien.

Vandaag trok ik hem weer aan. Hij zat perfect. Niet strak, gewoon goed. In de lift keek ik in de spiegel en dacht: wat staat daar een leuke vrouw. Ik voelde me oprecht tevreden. Dat ik überhaupt in de spiegel kijk is al nieuw. Dat ik mezelf daar ook nog met mildheid zie, is misschien nog wel bijzonderder.

Eind vorig jaar heb ik mijn atelier volledig opgeruimd. Het was lang een doorn in het oog geweest, simpelweg omdat ik de energie niet had om eraan te beginnen. Uiteindelijk lukte het. En toen — bijna achteloos — werden er weer spullen neergezet. Dozen. Opslag. Kerstspullen. Opnieuw geen ruimte.

Ik heb er iets over gezegd, meer dan eens. Maar Ton voelt die druk niet zoals ik dat doe. En dit keer merkte ik dat ik niet hoefde te vechten. Ik liet het liggen. Vandaag hebben we het samen opgeruimd. Rustig. Zonder spanning. In een harmonische sfeer.

Het waren geen grote gebeurtenissen vandaag. Geen mijlpalen. Maar voor mij waren het regelrechte pareltjes.

Misschien is dit wat leven soms doet:

het verschuift niets groots,

maar zet alles net een fractie beter.

En ineens past het weer.

 

20 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.


 

 

 

Wie leest wie?

 

19 januari 2026

Twee vriendinnen kwamen vandaag bij mij langs.
Carry — mijn vriendin sinds de brugklas. Vijftig jaar inmiddels. Dat blijft een vreemd, bijna onwerkelijk getal.
En Hilde, mijn bestie. Ze kennen elkaar wel, maar zijn geen vriendinnen van elkaar. Dat hoeft ook niet. Het was een ontspannen middag. We hebben gelachen, echt gelachen, zoals vroeger.

De afgelopen tijd ben ik intensief bezig met mijn boek. Ik heb in een jaar ongelooflijk veel tekst geschreven en die gebruik ik nu als basis. In mijn hoofd is er een duidelijke structuur. Ik zie hoe alles samenhangt. Maar zodra ik het in het format van ChatGPT probeer te gieten, ontstaat er ruis. Het materiaal is groot, gelaagd, complex — en ergens raakt het systeem steeds de kluts kwijt.

Op een gegeven moment zei ik tegen Ton:
als dit een collega was geweest in plaats van een AI-hulp, dan hadden we nu bonje gehad. Dan had ik hem achter het behang geplakt.
Ik werd er gek van. Ik ging zweten. Maakte me te druk.

Ton stelde voor mijn bloeddruk te meten.
Die bleek die van een jonge, gezonde vrouw te zijn.
Dat viel dus reuze mee.

Knap eigenlijk — ruzie maken met een computer.

De komst van mijn vriendinnen was een welkome afleiding.

Hilde vroeg een paar keer hoe het met me ging.
En het eerlijke antwoord is: ongewoon goed.
Sinds ik naar de nieuwe sportschool ben gegaan, is er veel veranderd. Ik heb energie. Ik voel me stabiel. Er is een innerlijke rust die ik niet van mezelf ken.

Maar ze vroeg het zo indringend.
Ze vertelde dat ze, na het lezen van mijn stukken, het idee had gekregen dat ik depressief was.

Dat raakte me. En het verbaasde me.

Ik ervaar juist helderheid. Natuurlijk gebeurt er van alles — maar het beklijft niet. Het slaat niet naar binnen. Ik heb het gevoel dat alles er mag zijn, zonder dat het me onderuit haalt. Niet zoals vroeger, toen ik het oploste door een ondoordringbaar pantser te dragen.
Nu is het anders: zien, voelen, en weer loslaten.
Een voor mij nieuwe manier van in het leven staan.

Wat zegt dit over de manier waarop ik schrijf?
Wat zegt het over hoe mijn vriendin mijn teksten laat binnenkomen?
Wat zegt het over mij?
Over haar?

Ik vind dat een interessante vraag.

Vorig jaar schreef ik nog duidelijk vanuit een zelftherapeutische beweging. Nu schrijf ik meer vanuit existentiële nieuwsgierigheid. Minder om mezelf te redden, meer om te kijken. Misschien raakt dat iets universelers — waardoor de thema’s zich kleuren naar de lezer zelf.

Althans, dat denk ik.
Maar dat zijn aannames.

En wie ben ik?
Wie is zij?
Wie ben jij?

Misschien is schrijven geen spiegelen van wat ís,
maar een ruimte waarin ieder ziet wat hij kan dragen.
Niet omdat het daar staat,
maar omdat het in beweging komt —
tussen mij, jou, en wat nog geen naam heeft.

 

 

19 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

TUSSEN LIEFDE EN LEEGTE

 

18 januari 2026

Ik heb gedroomd over Ton en mij. Waar de droom precies over ging, weet ik niet meer. Maar toen ik wakker werd, bleef er iets hangen: een conclusie, en een paar vragen die zich niet lieten wegdrukken.

Zie ik en ervaar ik hetzelfde als toen?
Hoe ga ik daar nu mee om?
En hoe doe ik dit — zonder mezelf opnieuw te verliezen?

Mijn eerste man, de vader van mijn oudste dochter, leerde ik kennen op vakantie. We werden hevig verliefd. Jong getrouwd. We mochten een lief meisje ontvangen, Renée. Daarna volgde een zware operatie en twee jaar revalidatie. Aan het einde van die periode werd Renée geboren. Mijn lichamelijke conditie ging zo achteruit dat ik volledig werd afgekeurd.

Het maakte toen allemaal niet uit. Ik was gelukkig getrouwd en had een kind. Het leven was moeilijk, waardoor mijn ouders een deel van de zorg voor mijn dochter overnamen. Ik bleef vaak alleen achter in mijn flat. Mijn auto werd aangepast, ik kreeg een rolstoel en een scootmobiel. Mijn wereld werd weer iets groter.

In die tijd kwam yoga op mijn pad. Ik stortte me er volledig op. Mijn energie keerde terug. Ik kon weer beter lopen — letterlijk en figuurlijk. Er gebeurde in die jaren veel meer dat bepalend is geweest voor mijn leven, maar dat is nu niet het punt.

Door de verdieping die ik doormaakte, door hoe ik altijd al in het leven stond maar nu nog sterker, raakte ik steeds verder verwijderd van mijn man. Tot er een moment kwam waarop er naar mijn gevoel niets meer was. Geen communicatie. Geen gezamenlijk doel. Geen liefde. Leegte.

Ton leerde ik acht jaar geleden kennen, nadat Michel tweeënhalf jaar daarvoor was overleden. Ook wij werden smoorverliefd. We waren al snel onafscheidelijk. Ton is iemand die zorgt — beter gezegd: hij verzorgt. Hij kookt, doet boodschappen, neemt het huishouden over. Voor mij voelde dat als de hemel op aarde. Het gaf me ruimte. Ruimte om weer te schilderen. Om creatief te zijn.

Totdat hij in mijn leven kwam, was leven en overleven meer dan genoeg. Dat was wat mijn lichaam aankon. Niets mis mee. Ik had niets te klagen. Maar door die ruimte werd ook iets aangeraakt wat lang had stilgelegen. De energie die schilderen me gaf, was enorm.

We verhuisden samen naar een gelijkvloers appartement, met een klein atelier. Perfect. We kochten fietsen zodat we de natuur in konden en ik beweging had. En toen kwam het CVA. De revalidatie. De bewustwording. En het herboren gevoel van nu.

Ton is zo goed voor mij. En tegelijk spreken we niet dezelfde taal. Hij kan niet mee in mijn gedachtegang. Hij wil alles rationaliseren. Hij gaat discussies aan over dingen die voor mij geen discussie zijn, maar er gewoon zijn. Ik wil de ruimte om dat hardop te benoemen — en telkens belanden we dan in afstand. In leegte.

En dan komen de vragen.

Wat gebeurt er met mij als het zo goed blijft gaan als nu?
Als mijn energie weer volledig terugkomt?
Laat ik die leegte opnieuw ontstaan?
Word ik weer liefdeloos — niet uit onwil, maar uit overleving?

Ik wil het anders doen. Zonder in herhaling te vallen.

Geen verwachtingen hebben van dezelfde denkbeelden.
Zien wat hij wél voor mij doet.
De kleine liefdevolle dingen niet veronachtzamen.
Mijn liefde niet laten afhangen van herkend worden, maar wel erkend.
Liefde geven. Liefde delen. Zodat er ook ruimte is voor Ton om te ademen.

Dat is waar ik nu sta.
Niet met antwoorden.
Maar met een keuze om aanwezig te blijven — ook wanneer het schuurt.

Misschien vraagt liefde soms niet om samenvallen,
maar om naast elkaar blijven staan
zonder jezelf te verlaten.
Niet om dezelfde taal te spreken,
maar om elkaar ruimte te geven
om in die verschillen te blijven ademen.

 

18 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

OMARM DE HOOP

 

17 januari 2026

In de postbus lag een pakje, aan mij geadresseerd, met een voor mij bekend handschrift: lange halen en enigszins sierlijke krullen. Het was een pakketje van mijn zus, dat zij voor mijn verjaardag had gestuurd. De post liep wat achter na de sneeuwval aan het begin van het jaar. Op de begrafenis van mijn nichtje vroeg mijn zus voorzichtig of ik niets had ontvangen. Nee, maar maak je geen zorgen, het komt echt wel, zei ik.

Prachtig ingepakt in een geel zijden doek met fluitenkruid kwam er een mooi gebonden boek tevoorschijn.

Onthoud dit altijd…
De jongen, de mol, de vos, het paard en de storm, geïllustreerd en geschreven door Charlie Mackesy.

Zonder het gelezen te hebben voelt het boek al prettig. Het doet me denken aan mijn jeugd, toen boeken nog ouderwets gebonden waren en de kaft wat zacht en dik was, met reliëf. De tekening en de titel doen vermoeden dat het — net als Olivier B. Bommel en Winnie de Poeh — een boek zal zijn met prachtige tekeningen en gedragen teksten, met diepere lagen.

Nieuwsgierig als ik ben, ga ik eerst op internet op zoek naar wie Charlie Mackesy is.

Het idee voor het boek ontstond nadat auteur en illustrator Mackesy zijn Instagram-account begon te vullen met tekeningen die vrede, empathie en zelfreflectie uitstralen. Dat was voor mij meteen duidelijk.

Na het overlijden van een goede vriend begon hij een jongen te tekenen die met een paard praat — als uiting van zijn verdriet en als gesprek over de aard van moed. In een tijd van verwarring, wrok en tragedie biedt het verhaal van de jongen, de mol, de vos en het paard een eenvoudige manier om opnieuw naar de wereld om ons heen te kijken. Sommige gevoelens lijken misschien simpel, maar het zijn juist de essentiële dingen die we in tijden van onrust gemakkelijk vergeten of onderdrukken.

Het is een boek over hoop. Zoals ik zelf in eerdere blogdagen heb geschreven: het licht zien en ervaren in kleine, eenvoudige dingen.

Mijn zus en ik hebben altijd een ambivalente relatie gehad. Liefde en afgunst. We weten allebei waar de wortels daarvan liggen. We hebben allebei geprobeerd zaadjes van liefde te laten landen, in de hoop dat ze zouden ontkiemen, groeien en bloeien.

Vandaag kan ik, na het lezen van haar briefje dat zij in een mooie open envelop bij het boek had gevoegd, zeggen dat die zaadjes enorme bomen zijn geworden — met diepe wortels en vol bloesem. Voor mij was dit vandaag een waardevol geschenk. Een voorbeeld van hoe magisch en wonderlijk levens kunnen verlopen.

Ik leg het boek op mijn nachtkastje, om iedere nacht voor het slapen gaan een stukje te lezen.

Misschien is hoop niet iets groots om vast te houden,
maar iets kleins dat je zachtjes toelaat.
Een gebaar.
Een boek.
Een zin die naast je mag liggen
wanneer de dag tot rust komt.

 

17 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

 

 

MAGISCH LEVEN

16 januari 2026

Het leven is iets wonderbaarlijks. Ik bedoel: wat maakt dat iets leeft? Dat alleen al is een wonder. We weten voor een groot deel hoe ons instrument — ons lichaam — werkt. Als het hart stopt, als de adem stopt, dan leven we niet meer. Vooral de laatste jaren word ik zo vaak met de dood geconfronteerd, dat deze wezenlijke vraag in mij leeft als het trillen van geluidsgolven, als resonantie — zoals we die terugzien in het heelal. Ritmische, synchrone bewegingen en trillingen op kosmische schaal: planeten in harmonische banen, de natuurlijke vibraties van sterren.

Na het overlijden van mijn opa, oma en mijn vader popte deze vraag wel even op, maar verdween daarna weer ver weg uit mijn systeem.
Na het overlijden van Michel begon deze vraag echter te leven — bijna als iets organisch. Hij was het startsein in mijn leven waarin mensen verdwenen als sterren die uitdoven. Sommigen als een supernova, met een spetterende explosie. Anderen verdwenen in een zwart gat. Ook dat blijft mysterieus.

In ieder geval blijft het begin en het einde, en de betekenis van dit alles, in mijn bewustzijn aanwezig. Niet zwaarmoedig — nee, eerder organisch, als een stukje dat een vast deel van mijn bestaan is geworden. Of misschien was het er altijd al. In ieder geval is het een deel dat mij nog dieper naar het leven en de betekenis daarvan leert kijken.

Zo heb ik wel keuzes gemaakt. Wat zich ook aandient: ik wil er met verwondering en nieuwsgierigheid naar kijken. Waarom ik dat een keuze noem? Soms voel ik negatieve emoties — gekwetst zijn, niet begrepen worden, pijn, of iets anders vervelends. Mijn keuze is dan niet om het te ontkennen, maar om het te voelen en ermee om te gaan, zo goed als ik kan. Dan word ik vanzelf nieuwsgierig naar waarom ik zo reageer, of wat maakt dat iets zo’n pijn doet. De verwondering over hoe dit werkt volgt dan vanzelf. Sterker nog: door deze keuze groeien verwondering en vertrouwen. Ze worden groter.

Iedere dag — hoe middelmatig die ook lijkt — zit vol magische momenten. Soms zo klein dat ze nauwelijks waarneembaar zijn.

Inmiddels weet ik het zeker… het is er écht.
Hahaha — daar kan ik iedereen van verzekeren.

De dag is traag en vervelend. Ik kijk naar de kersenbloesemtakken die ik in de supermarkt heb gekocht, en er komen waarachtig bloemen uit. Een piepklein magisch moment. Mijn hond die met zijn trouwe ogen naar me opkijkt — een magisch moment. Mijn man die iedere dag met liefde eten voor me klaarmaakt. Misschien routine, misschien gewoon, maar in wezen zijn het magische momenten.

Iedere dag wil ik ernaar kijken, het voelen — en het vooral zien en waarnemen.

Wat de betekenis van het leven is, kan ik niet definiëren.
Maar dit is hoe ik het wil invullen.
En zo wil ik het beleven.

Iedere dag — hoe gewoon ook — draagt iets magisch, zodra ik bereid ben het te zien en te voelen.

Misschien is magie niets bijzonders.

Misschien is het wat zichtbaar wordt

wanneer ik ophoud te haasten,

en blijf bij wat er al is.

Niet groots, niet spectaculair —

maar levend,

ademend,

en precies genoeg.

 

 

16 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

DE HERDER IN MIJ

 

15 januari 2026

Vandaag ben ik naar de begrafenis geweest van een nichtje. Zij woonde in het dorp waar mijn vader is grootgebracht. Een groot gezin met acht kinderen, die altijd met elkaar zijn blijven omgaan. In ieder geval gingen ze af en toe bij elkaar langs. Al hun kinderen, waaronder ikzelf, hebben dus met elkaar gespeeld. Nadat de oudere generatie allemaal zijn overleden, zijn wij begonnen met 1x in het jaar een nichten en nevendag te organiseren om op deze manier nog verbinding te ervaren als familie. Nu de oudere garde getransformeerd is, is de uitdunning binnen deze nichten en neven groep begonnen. Het is een apart gevoel om te zien dat we allemaal ouders zijn geworden en allemaal grootouders en sommigen van ons zelfs overgrootouder. Vrijwel iedereen is aanwezig. Deze mensen zijn heel verschillend maar hebben een liefdevolle familieband, altijd blij elkaar te zien. Elkaar steunen op dit soort verdrietige momenten hoort er dan ook bij.

Mijn overleden nichtje was gelovig en onderdeel van een kerkgemeenschap.  De dienst werd dus voorgedragen door een dominee. Een normale man die het gelukkig ook dicht bij zichzelf hield. Geen opzwepende gedragen teksten, zoals ik weleens heb meegemaakt. De dienst begon met  ‘De Heer is mijn Herder’.  Een bekende tekst, die veel mensen een zekere rust geeft. Ik kan mij herinneren dat dit ook voor mijn ouders gold. Voor mij is de interpretatie wat moeilijk. Ik geloof in een oerkracht. Ik ben bereid om het ‘God’ te noemen. Maar voor mij is het een kracht in mij, een kracht in iedereen, in de natuur, in de lucht die ik inadem. Het is overal. Het is een kracht die ik in mijzelf kan oproepen, en waar ik vervolgens op vertrouw. Het houdt niet in dat het ‘Het Leven’ buiten mij houdt. Nee, door pijn en moeilijkheden gaan hoort erbij. Alles wat op mijn weg komt, goed of slecht, leuk of vervelend, mooi of lelijk enz. hoort daarbij. De kracht in mij, de oerkracht, de ‘God’ in mij geeft richting aan hoe ik ermee omga. Dus zou ik nooit vragen ; “Waarom overkomt dit mij ?” 

Nee, ik geloof dat ‘Het Leven’ mij de weg aanbiedt die ik kan en mag gaan. De bijbelse teksten vind ik mooi als ik dit meer metaforisch kan interpreteren. Want als de Heer mijn Herder is en hij mij de weg wijst, dan heeft hij de leiding. Laat ik me dan leiden ? Of zoek ik naar de herder in mijzelf en laat ik dat leiden ? Misschien bedoelen we hetzelfde, voelen we hetzelfde maar is het een taalkundig misverstand.

Misschien zoeken we geen andere waarheid,

maar andere woorden.

Misschien is wat ons draagt niet buiten ons,

en ook niet alleen van ons,

maar iets wat zich van binnenuit laat voelen

wanneer we stil genoeg worden om te luisteren.

En misschien is volgen dan niets anders

dan leren vertrouwen

op wat zich van binnen al weet

 

Het gemaal in Ouderkerk aan de IJssel — een plek van water, stilte en herinnering, waar ieder van ons op zijn eigen manier deel van is.

 

15 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

 

 

Aangewakkerd

 

14 januari 2026

Mijn droom van vanochtend heeft een vraag aangewakkerd.
Wat is eigenlijk het verschil tussen kijken en waarnemen?

Volgens mij is kijken dat wat je ziet: een onderwerp, een object, een persoon — zonder werkelijk waar te nemen. Het is een passieve manier van zien. Je ziet iemand, maar niet per se zijn of haar kleding, of iemand lacht of juist niet.

Waarnemen gaat dieper. Waarneming vraagt om aandacht; kijken niet. Grappig eigenlijk: bij allebei gebruik je het werkwoord zien, maar het betekent iets anders. Bij waarnemen gebruik je je zintuigen — zien, horen, ruiken, proeven, voelen — om betekenis te geven aan wat je ziet. Het is een zintuiglijk proces en daardoor ook subjectief. Je neemt immers altijd je eigen ervaringen mee.

Kijken is letterlijk zien met de ogen. Het is objectief.

Goed. Laat ik er dan van uitgaan dat dit de definities zijn van kijken en waarnemen. Dan komt vanzelf de volgende vraag op. Wat is belangrijker: kijken of waarnemen? Objectief of subjectief? Zo breng ik mezelf weer in een dualistisch vraagstuk — en dat is nu juist waar ik het liefst van verschoond blijf.

Wanneer je een verder reikende vraag stelt, kom je, als je eerlijk bent, bijna altijd uit bij dualistische stellingen. Misschien is dat wel wat leven is. Het vraagt uiteindelijk niet om het één uit te sluiten ten gunste van het ander, maar om ze samen te laten bestaan. Alleen samen vormen ze een geheel. Misschien zien we dan het best door te kijken én waar te nemen.

En dan ben ik er nog niet.

Wat als je blind bent? Hoe werkt het dan? Kun je dan alleen maar waarnemen? Ervaar je de wereld dan volledig subjectief? Ik weet dat bij blinde mensen andere zintuigen sterker worden aangesproken — en misschien ook een zesde, onzichtbaar zintuig meer ruimte krijgt. Wat betekent dat eigenlijk?

Zou je dan kunnen zeggen dat er mensen zijn die zichtbaar een defect hebben, maar misschien juist door datzelfde defect gezegend zijn? Kunnen zij daardoor sneller of anders ontwikkelingen doormaken? En zou het kunnen dat wat wij als een defect beschouwen, in het geheel misschien helemaal geen defect is?

Ik weet dat ik mezelf — en misschien ook de lezer — met deze gedachtenhoepels een beetje tureluurs maak. Maar een antwoord op het bestaan of hoe het precies werkt, hoeft voor mij niet per se. Vragen stellen en ze hardop benoemen, vind ik prettig om op deze plek te kunnen doen.

Misschien hoeft het leven niet opgelost te worden.

Niet opgeheven in één waarheid.

Zolang ik hier ben — met een lichaam, met zintuigen, met vragen —

beweeg ik tussen onderscheid en verbinding.

En misschien is dat geen gebrek aan non-dualisme,

maar juist de manier waarop het geheel

zich in de materie laat ervaren.

 

 

14 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

Zondagsgevoel

13 januari 2026

Het zondagsgevoel. Het is dinsdag, maar het voelt als een zondag. Vroeger betekende dat: nog even vrij en dan weer werken. Een soort verlies van autonomie. Maar dat ken ik eigenlijk al veertig jaar niet meer. Dus wat betekent dit gevoel nu?

Voor mij is het rust. Gezelligheid. Niets moeten, alles mogen. Een wereld die niet aan me rammelt, maar redelijk stil is. Dat is het vooral: wanneer mijn omgeving weinig inbrengt, weinig geluid maakt, ontstaat dit zondagsgevoel.

Ik sta op, ga trainen, ontbijt thuis. Tijdens het ontbijt gaat de tv aan. Politiek — het vragenuurtje in de Tweede Kamer. Daarna Maestro. De klassieke filmmuziek maakt dat de tranen over mijn wangen lopen. Ook dát, bedenk ik me, hoort bij dit gevoel.

Ik wil altijd graag naar huis. Mijn man vindt dat bijna aandoenlijk — zo blij als ik ben wanneer ik thuis ben. Voor mij is de plek waar ik woon een huis waarin ik me werkelijk thuis kan voelen. Een plek waar ik veilig ben, waar mijn eigen energie hangt, waar ik niets hoef uit te leggen.

Ik zou kunnen zeggen dat ‘thuis’ geen fysieke plek is, dat ik me overal thuis kan voelen als ik thuis ben in mezelf. En dat is ook waar. In de natuur voel ik me thuis. In het fietsen langs bomen en water. In regen, vogels, planten, sterren. In muziek die me opent. In schilderen en schrijven, wanneer ik opga in de flow en de tijd oplost. Dan voel ik me verbonden. Niet afgescheiden. Alsof alles deel uitmaakt van dezelfde beweging.

Maar dat betekent niet dat het aardse verdwijnt. Aan het eind van de dag wil ik naar mijn huis. Naar mijn stoel. Mijn tafel. Mijn muren. Mijn stilte. Juist daar kan dat alles landen. Juist daar kan ik ontspannen zonder te verdwijnen.

Thuis is voor mij geen tegenstelling. Het is geen keuze tussen binnen of buiten, lichaam of geest, aarde of kosmos. Het is én de wereld voelen — én ergens mogen aankomen. En soms voelt een dinsdag dan gewoon als een zondag.

Misschien is thuis zijn niets anders dan mogen rusten in wat er is 

— in de natuur, in muziek, in stilte, 

en uiteindelijk ook gewoon tussen je eigen muren, 

waar alles even blijft zoals het is.

 

 

13 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

De eerste dag

 

12 januari 2026

De eerste dag voor de rest van mijn leven.
Die zin resoneert door mij heen. Eigenlijk best een krachtige zin. Waarom drijft die juist nu bij me boven?

Ik heb altijd het gekke idee gehad dat ik 96 jaar oud zal worden. Het gaf me op moeilijke momenten in mijn leven de moed om door te gaan — en door te willen gaan. Vaak twijfel ik aan die vreemde, niet-gegronde aannames van mezelf. En toch… wat maakt het uit of het waar zal zijn of niet? Men zal dan vanaf nu nog 33 jaar van mijn lijfelijke aanwezigheid mogen genieten. Twee derde zit erop, nog een derde te gaan. Klinkt lekker toch?

De spirituele betekenis van 33 draait om het meestergetal 33, de Leraar der Leraren. Het staat voor onvoorwaardelijke liefde, creativiteit, spiritueel leiderschap en het helpen van anderen groeien. Het wordt geassocieerd met het transformeren van oude structuren en het openen van nieuwe paden — met onthulling en diepe innerlijke wijsheid. Vaak wordt het gezien als een teken van roeping en dienstbaarheid.

Wow. Als dit dan de eerste dag van mijn leven is, heb ik nog een mooi pad te volgen. Natuurlijk is dat wat zweverig en hoog gegrepen — maar een meisje mag best af en toe dromen en fantaseren.

Laat me vandaag gewoon filosoferen.

Ik denk dat ik op een leeftijd ben gekomen waarop je met enige rust kunt zeggen dat je overzicht hebt gekregen over het landschap van het leven. Alsof de contouren zichtbaar zijn geworden. Daardoor kan ik het leven nu vrijer, natuurlijker en moeitelozer bewandelen. Omdat ik meer van mezelf ben gaan houden en meer zelfbeheersing heb ontwikkeld, kan ik hopelijk gemakkelijker met anderen samenwerken. Meer op mijn gemak herken ik mogelijkheden wanneer ze zich aandienen — soms zelfs voordat anderen ze zien. Omdat ik in harmonie ben met mezelf, begrijp ik dat het leven mij precies geeft wat ik nodig heb.

Hoe mooi, magisch en wonderlijk het leven is, ga ik steeds meer zien. Langzaam merk ik dat ik de hemel op aarde begin te beleven. Blij met de kleine dingen, de kleine vreugden, de kleine vervoeringen — klein in hun stilte, maar groot in hun onbegrensde potentieel.

Misschien kan ik de zin die vandaag in mijn hoofd blijft resoneren ook anders verstaan.
De eerste dag van de rest van je leven kan een uitnodiging zijn: om los te laten, te leren, bewuste keuzes te maken, en het leven te ontmoeten zoals het zich nu aandient — zonder te wachten op perfecte omstandigheden.

En om de rust te bewaren wanneer het moment nog niet het moment is.
Om te vertrouwen dat je mag loslaten.
Ik geloof dat ik vanzelf kom op het punt waar ik moet zijn — in welke omstandigheid dan ook.

Misschien is dit wat beginnen werkelijk betekent:
niet alles omgooien,
maar anders kijken.
Niet haasten,
maar vertrouwen dat het leven me draagt —
precies vanaf hier.

12 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

Na middernacht

 

11 januari 2026

Mijn dag begon zonder een droom. Dat is zeldzaam voor mij.
Het is mijn verjaardag.

Voor het eerst in mijn leven heb ik hier geen gevoelens bij. Normaal ben ik al weken van tevoren wiebelig en misselijk, en op de dag zelf opgefokt. Vandaag is alles stil — in mij en om me heen.

Om klokslag twaalf gebeurde er wél iets. In één helder moment besefte ik dat ik nu officieel een jaar ouder ben dan Michel ooit is geworden. Dat was het eerste wat door me heen ging. Geen verdriet, geen drama — alleen dat weten. Als Assepoester die het bal verlaat wanneer de klok slaat. Niet omdat de betovering verdwijnt, maar omdat de tijd onverbiddelijk verder gaat.

Ik heb Ton gevraagd tegen niemand te zeggen dat ik jarig ben. Zeker niemand uit te nodigen. Hahaha — op zich al geen makkelijke opdracht voor hem. Maar hij hield zich eraan. Het werd een huiselijke dag. Lang douchen. Vreselijk lui zijn. Geen rol, geen verwachting.

Even werd de stilte onderbroken toen Miranda met haar man voor de deur stond om mijn schilderij terug te brengen. Het schilderij met de ibis. Ik zag aan de insigne dat ik het drieëndertig jaar geleden heb gemaakt. Dat het juist vandaag terugkwam, liet ik verder rusten. Het mocht gewoon zo zijn.

De hele dag keek ik naar de Chinese serie The Untamed. Deze serie laat een andere modaliteit van liefde zien:
liefde als aanwezigheid,
liefde zonder eis,
liefde die niet hoeft te worden voltrokken.

Geen oproep om lichamelijke liefde te overstijgen. Geen idee dat dit “beter” zou zijn. Het verhaal durft simpelweg één specifieke vorm van liefde volledig te laten bestaan. En dat is zeldzaam.

In de materiële wereld is liefde altijd begrensd. Lichamen blijven gescheiden, verlangens botsen, pijn en schoonheid bestaan naast elkaar. Dat is geen oordeel — het is een constatering binnen het verhaal.

Tussen de hoofdpersonages zie ik iets anders. Twee mensen die niet via lichamelijke vereniging, maar via trouw, afstemming, keuze en aanwezigheid zo samenvallen dat het voelt als één beweging. Eén intentie. Eén zijn. Niet als idee of ideaal, maar als verhalende werkelijkheid.

Voor mij is dat de hoogste vorm van liefde in de materie. Niet omdat zij boven andere vormen staat, maar omdat zij binnen dit verhaal niet verder kan worden getild zonder het stoffelijke te verlaten. Precies dát maakt het zo indrukwekkend.

Misschien is dat waarom deze verjaardag zo stil mocht zijn.
Waarom er geen droom was.
Waarom ik niets hoefde te vieren.

Aan het eind van de dag keek ik de laatste afleveringen. Het was het verjaardagscadeau van mezelf aan mezelf.

En dat was genoeg.

Misschien zijn sommige overgangen niet bedoeld om gevierd te worden,
maar om ongemerkt te passeren.
Zoals tijd dat doet —
zonder lawaai, zonder bewijs.
En blijft er dan iets achter
dat niet ouder wordt,
maar eenvoudiger aanwezig is
dan ooit.

 

 

 

 

 

MEER HEEL

 

10 januari 2026

De hele week ga ik, voor mijn doen, op tijd naar bed. Het gevolg is dat ik weer vroeg wakker ben. Ik kan iedere ochtend vroeg gaan trainen. In het weekend geef ik mezelf vrij. Dan kan en mag ik uitslapen, gewoon lui zijn.

Morgen ben ik jarig. Mijn jongste kleinkind ook. Vandaag wordt haar verjaardag gevierd.

Buiten heeft het de hele week flink gesneeuwd. Het dooit en vriest om en om. Alleen buiten lopen durf ik nu niet. Bij gladheid heb ik absoluut geen balans. Iedere vreemde beweging maakt dat mijn lichaam zich weer ontzet en ik alleen bij een arts de boel weer recht moet laten zetten. Veel pijn, veel moeite — daar kies ik niet voor als ik het zelf kan vermijden.

Mijn andere kleindochter belt me om te vragen of ik vandaag kom, in verband met de gladheid. Op de doorgaande wegen is het goed te doen, behalve in de kleinere straten.
“Als ik zonder moeite bij mijn auto kan komen en bij jullie voor het huis ook niet glad is, dan ben ik van de partij,” zeg ik.

Bij de eerste afslag bij Eindhoven moet ik ineens denken aan een vriendin van mijn overleden man. Twee jaar lang heb ik haar iedere week naar Eindhoven gereden voor een medische behandeling. Haar gedrag naar mij toe was vriendelijk, maar naar mijn man toe ook bezitterig.

Ik vertel dit aan Ton, mijn huidige man. Tijdens het vertellen hoor ik mezelf dingen zeggen die ik nooit eerder met elkaar in verbinding had gebracht. Deze vriendin ging over een grens en ik heb deze relatie uiteindelijk in de koelkast moeten zetten. Michel was geen bezit van niemand — maar wel mijn man, moge dat duidelijk zijn.

Zijn ex-vrouw had hem ook als bezit gezien. Zelfs toen hij overleden was, belde er een voor mij onbekende vrouw op. Ze commandeerde mij dat Michel per se wilde dat zij aanwezig zou zijn bij de uitvaart. Terwijl ik in gedachten mijn schouders ophaalde, zei ik:
“Prima, je kan komen — als je het goed vindt dat ik er ook ben.”

Mijn vriendin die naast me zat en dit had aangehoord, was stomverbaasd over mijn reactie. Zelf vond ik het een bijna lachwekkende situatie.

Ook de zus van Michel wilde, toen hij ziek was, gaan bepalen wat er met hem moest gebeuren. Toen ik zei dat ik bepaalde wat er gedaan werd en hoe, zei ze:
“Ja, maar ík ben zijn zus.”
Het feit dat ik vijfentwintig jaar zijn vrouw was, werd weggewimpeld. In die vijfentwintig jaar heb ik haar misschien tien keer gezien. We waren niet close. Tijdens de ziekte van Michel heb ik haar zelfs het huis uit moeten zetten, om mijn en onze ruimte te kunnen behouden.

Dit alles kwam boven op weg naar Veldhoven.
Michel had mensen aangetrokken die hem als bezit zagen. Degene die hem totaal vrij liet, was ik.

Verder heb ik dit laten liggen in de ether. Het kwam door me heen en ik kon het hardop aan Ton vertellen. Dat was genoeg.

Op de verjaardag van mijn kleinkind heb ik naast mijn ex-man en zijn vrouw gestaan. Totdat ik wegging, heb ik met hen gekletst en gelachen. In al die jaren komen we elkaar tegen op verjaardagen, maar meestal vermijd ik dat. Even praten, maar zeker niet te lang.

Dit keer was het anders. Spontaan. Pas terug in de auto besefte ik dat. Het zijn geen aardverschuivingen. En toch verander ik. Word ik meer heel.

Het zijn geen grote bewegingen.

Geen besluiten, geen verklaringen.

Alleen momenten die niet meer blijven haken.

Herinneringen die mogen passeren

zonder dat mijn lichaam ze hoeft vast te houden.

Misschien is dat wat heel worden doet:

niet alles begrijpen,

maar merken dat ik kan blijven staan

waar ik vroeger moest wijken.

 

10 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

Kijken zonder haast

 

9 januari 2026

Ik kijk The Untamed niet om het verhaal te volgen, maar om te voelen waar het mij raakt.
Met mijn laptop op schoot, soms stil, soms hardop reagerend, alsof ik niet alleen kijk. Alsof er iemand naast me zit die begrijpt wat ik zie voordat ik het kan uitleggen.

Wat zich langzaam ontvouwt, is geen strijd tussen goed en kwaad, maar een landschap van bewustzijn. Clans als innerlijke toestanden. De Lan-clan als iets engelachtigs: helder, zuiver, bijna onaards. De Jiang-clan als liefelijk, dragend, menselijk warm. De Wen-clan als beschadigd — kwaad niet als oorsprong, maar als gevolg. En de Nie-clan… niet onrein, maar menselijk: aannames, conclusies, misvattingen waardoor het fout lijkt te gaan.

Ik merk hoe mijn aandacht blijft haken aan de stilte. Aan wat niet wordt uitgesproken. Aan details die nauwelijks zichtbaar zijn, maar alles dragen. Een bijna onmerkbaar glimlachje van Lan Zhan, pas in aflevering tien echt te zien — terwijl het er al die tijd al was. Alsof het verhaal mij vertrouwt. Alsof het weet dat ik kijk.

Deze serie legt niets uit. Ze toont.
Ze laat zien hoe innerlijke ruis mist veroorzaakt, en hoe helderheid niet ontstaat door kracht, maar door stilte. Hoe “het kwaad” een oorsprong heeft, en hoe macht reageert op leegte. Hoe mensen eerst hun autonomie verliezen, voordat geweld begint.

Ik kijk zonder vooruit te lopen. Ik kijk zoals ik leef, schrijf en schilder: aanwezig, open, soms verwonderd. Niet om te begrijpen, maar om te zien wat zich aandient. En misschien is dat alles wat nodig is — een verhaal dat niet uitlegt wie je bent, maar ruimte laat waarin je jezelf herkent.


Misschien is kijken soms genoeg.
Niet om te weten waarom iets raakt,
maar om toe te laten dát het raakt.
Zonder haast. Zonder uitleg.
Gewoon — gezien worden,
in stilte.

9 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

De spiraal raakt

8 januari 2026

Een vriendin die ik al zo’n vijfendertig jaar ken, stuurt me een bericht via WhatsApp. Ze woont al lange tijd niet meer in Nederland. We hebben weinig contact, maar als we elkaar zien is er altijd direct een verbinding. In het moment blijken we dan vaak met dezelfde thema’s in ons leven bezig te zijn. Het contact is intens, dichtbij, bijna vanzelfsprekend. En daarna gaat ieder weer zijn eigen weg.

Zo gaat dat al jaren. Soms zien we elkaar lange tijd niet. En als we elkaar dan weer ontmoeten, is de intensiteit er meteen weer. Alsof er niets tussen heeft gezeten.

Los van elkaar wandelt er ook een derde persoon door ons leven. Al vanaf mijn schooltijd kruist hij mijn pad — en los van mij ook het hare. Weinig contact, maar als hij er is, dan is het intens. Tot het weer uitgekristalliseerd is. Dan verdwijnt hij opnieuw uit beeld.

Rond de jaarwisseling stuur ik, zoals altijd, nieuwjaarswensen. Deze gezamenlijke vriend stuurt een filmpje terug van een dansende Koreaanse acteur en zanger. Ik herken hem onmiddellijk en laat dat weten. We raken in gesprek over onze fascinatie voor Aziatische films en cultuur. Hij vertelt dat onze gezamenlijke vriendin daar ook van houdt.

En dan begint het cirkeltje weer te draaien.

Zij neemt contact met me op. Zonder omhaal zitten we direct weer in een intense resonantie. Wat me raakt, is niet dat dit gebeurt — maar hoe vanzelfsprekend het voelt. Alsof de spiraal ons weer even op hetzelfde punt brengt, precies waar het klopt.

Dit is voor mij verticale tijd, heel concreet zichtbaar in relaties. Je hoeft elkaar niet vast te houden. Je hoeft niets bij te houden. De verbinding ís er, of ze is er niet. Je beweegt met elkaar mee, raakt elkaar aan, en gaat weer verder. De spiraal maakt haar eigen weg, verdiept zich, en komt elkaar later opnieuw tegen.

De intensiteit blijft.
De liefde blijft.
De herinnering blijft.

Het is dus niet zo vreemd dat ook deze fascinatie opnieuw resoneert. Wat ik opvallend vind, is dat we hier door de jaren heen nooit eerder over gesproken hebben. Blijkbaar kiest ook dit zijn eigen moment. Tijd kiest zijn tijd.

Mijn levensfilosofie ontvouwt zich niet in theorie, maar in het dagelijks leven. In ontmoetingen die komen en gaan, zonder verlies. In verbinding zonder bezit.

En elke keer wanneer de spiraal weer raakt, weet ik:
dit is genoeg.

Misschien is dat wat tijd werkelijk doet:

niet vasthouden, niet verliezen, maar bewegen.

Ontmoeten zonder bezit.

Loslaten zonder afscheid.

En telkens weer herkennen

dat wat waar is, niet verdwijnt —

het wacht tot de spiraal opnieuw raakt.

8 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

PLAUSIBEL

7 januari 2026

Vanmorgen vroeg pikken mijn oren een interview op van de radio. Gek genoeg blijft het hangen. Waarom? Ik zou het werkelijk niet weten.

De stem op de radio kondigt een collega-journalist aan. Ze blijkt getrouwd te zijn met een Canadees. Lachend, bijna smadelijk, vertelt ze dat haar man ‘de ballen uit zijn broek lacht’ om hoe Nederlanders met een beetje sneeuw omgaan. De interviewer vindt het ook enorm leuk en lacht mee. Vervolgens laat hij het ochtendnieuws horen, inclusief waarschuwingen. Ze herkennen hun collega die met ernstige stem ‘code oranje’ uitspreekt — en lachen opnieuw, omdat deze collega dit ‘lachwekkende nieuws’ de wereld in moet slingeren.

Deze manier van journalistiek, verpakt als een quasi-diepte-interview dat serieus genomen zou kunnen worden, verstoort mij. Ik zet de radio uit. Ton, mijn man, reageert direct. Hij vindt het ook kortzichtig en ongepast.
Gelukkig, denk ik.

Dit soort geluiden hoor ik voortdurend, over allerlei onderwerpen. Heel stellig, bekeken vanuit een enorm smal perspectief. Dan moet ik denken aan mijn schilderij Vistas / Vergezichten. In dit tweeluik zie je het universum, de Big Bang, de mens, de dualiteit, de vrouw, de volgers, de individuen en de verbinders.

Volgens mij bestaat de mensheid momenteel vooral uit volgers van individuen — en zijn er te weinig verbinders. Dat is geen mening, maar een observatie. De tijd van de verbinders komt vanzelf weer terug. Maar nu duidelijk niet.

De presentatie is vaak grappig, bijna gezellig. Ik noem dat altijd plausibel. Het lijkt zo — maar ís het ook zo? Onbewust komen dit soort ‘gezellige’ babbels en interviews tot ons via radio, tv en social media. Voor veel mensen is het moeilijk om daar los van te blijven staan. Technische vooruitgang heeft voordelen, maar zeker ook nadelen.

Persoonlijk kies ik ervoor om hier niet naar te kijken of te luisteren. Er zit immers een uitknop op.

En toch…
wat is het in mij dat dit de hele dag blijft hangen?

… hahaha, hij lacht de ballen uit z’n broek…

Misschien blijft het hangen omdat ik hoor waar gelachen wordt om wat gedragen wil worden.

Omdat ernst hier niet zwaar is, maar wel werkelijk.

En omdat ik, zelfs met een uitknop, niet kan doen alsof ik niet hoor wat ontbreekt.

Niet alles wat plausibel klinkt, klopt.

En niet alles wat stoort, wil weg.

 

7 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

WANNEER WOORDEN LEREN DRAGEN.

 

6 januari 2026

Er was een tijd waarin ik dacht dat eerlijk spreken vanzelf verbinding zou brengen. Dat als ik mijn woorden zorgvuldig koos, bij mezelf bleef en geen vinger wees, de ander mij wel zou kunnen volgen. Ik nam de tijd, woog zinnen, haalde alles weg wat als aanval kon klinken. Wat overbleef was zuiver, dacht ik. En juist dát bleek ontregelend. Er kwam geen gesprek, geen reactie, zelfs geen afwijzing. Er kwam stilte. Een verdwijnen. Ik begreep het niet. Ik had niets geëist, niets beschuldigd, niets opgelegd. Toch leek precies die openheid iets te raken waarvoor geen bedding was. Lang dacht ik dat ik iets verkeerd had gedaan. Dat ik te direct was geweest, te helder misschien. Dat eerlijkheid soms zachter verpakt moet worden om te mogen bestaan. Pas veel later begon ik iets anders te zien. Woorden die geen uitweg bieden — geen schuldige, geen strijd, geen tegenstem — kunnen iemand confronteren met zichzelf. En niet iedereen kan of wil dat dragen. Ik leerde dat spreken vanuit jezelf niet automatisch betekent dat de ander het ook kan ontvangen. Dat was geen makkelijke ontdekking, want ik was gewend om stevig te blijven staan in hoe ik iets zag en voelde. Wijken deed ik niet. Bruggen slaan ook niet. Ik dacht dat dat hetzelfde was als mezelf verloochenen. Inmiddels antwoord ik anders. Niet omdat ik minder waarachtig ben, maar omdat ik geleerd heb ruimte te laten voor de ander zonder mezelf te verlaten. Als iemand woorden gebruikt als verlangen, teleurstelling, berusting en acceptatie, dan poets ik dat niet meer weg met mijn waarheid. Ik voeg er iets aan toe, subtiel, door te zeggen: niet echt. Niet om het gevoel van de ander te ontkennen, maar om het intact te laten. Ik heb ontdekt dat bruggen slaan niet betekent dat je je standpunt opgeeft. Het betekent dat je een plank neerlegt tussen twee oevers, zodat niemand hoeft te vallen. Voorheen stonden mijn woorden soms als muren. Nu probeer ik ze te laten functioneren als draagbalken. Beide kanten mogen blijven staan in hun eigen recht. Ik ook. Dat is de groei die ik nu zie. Niet zachter worden ten koste van mezelf, maar beweeglijker zonder te breken. Ik spreek nog steeds vanuit mijn kern, maar ik luister beter naar wie er tegenover me staat. Niet om me aan te passen, maar om af te stemmen. Misschien is dat wat ik nu pas leer: dat waarheid pas kan landen als er ook een brug is waarover ze kan komen.

Misschien is dit wat rijpen is:

niet minder waar spreken,

maar leren hoe woorden kunnen dragen

zonder te duwen.

Ik blijf staan waar ik sta —

en leg ondertussen een plank neer.

 

6 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

RUIMTE IN EN OM ME HEEN

 

5 januari 2026

Het is toch al een tijd geleden dat er bij ons in Nederland echte pakken sneeuw vielen. Vanochtend moest de auto uitgegraven worden. Terwijl wij op de sportschool waren, bleef het sneeuwen en een uur later konden we de auto opnieuw letterlijk uitpakken van een dikke witte laag.

Het roept nostalgische gevoelens op. Tegelijk voel ik vreugde, een lichte blijheid wanneer ik naar buiten kijk. Buiten voel ik zelfs niet dat het koud is — misschien is het ook niet koud. Ik zou het niet weten, omdat ik zo bezig ben met het ervaren van deze serene, witte rust.

De eerste stap zetten in die maagdelijk verse sneeuw, zodat mijn voeten diepe sporen achterlaten. Dan denk ik: hoe laat ik eigenlijk nog meer mijn sporen na? Wil ik dat? En zo ja — hoe?

Wit staat voor zuiverheid. Voor vrede. Voor het witte canvas van mijn schilderijen. Wit staat voor een nieuw begin. Nu ook letterlijk, in dit nieuwe jaar. Zo toepasselijk voor mij op meerdere vlakken: mijn verjaardag aankomend weekend, mijn vernieuwde bewustwording. Een nieuwe lichamelijke start. Frisse moed. Nieuwe ideeën. Ja — alles klopt momenteel.

Ik zie veel minder auto’s. Nog maar weinig fietsen. De wereld vertraagt door deze sneeuw. Alles mag even stiller worden. We mogen opladen, verinnerlijken, voordat er weer nieuwe uitdagingen op ons pad komen.

Ik ontvang mooie foto’s en filmpjes. Op Instagram en Facebook zie ik dat veel mensen genieten, opgetogen zijn. Natuurlijk zijn er in de wereld allerlei vervelende dingen gaande — ook in ons eigen land is er onrust. Dat zien we op televisie en sociale media.

Misschien vindt men het egocentrisch. Misschien denkt men dat ik mijn kop in het zand steek. Maar ik kies er vandaag bewust voor om te genieten van deze witte pracht en van het plezier dat ik om me heen zie. Ik probeer sowieso niet extra naar het nieuws te kijken of te luisteren. Er komt al genoeg binnen. Het actief opzoeken hoeft voor mij niet.

Een lach. Een vriendelijk woord. Mooie gedachten. Genieten van de natuur. Mij creatief uiten. Dat is wat ik kan doen. Dat is wat voor mij het leven lichter maakt.

Ik zie hoe dit wit ruimte schept in veel mensen. Dat doet me goed. Zulke momenten wil ik blijven meepakken, want uiteindelijk zijn mooie herfst-, lente-, zomer- of winterdagen zoals deze kleine cadeautjes in een uitdagend bestaan.

Tegelijk voel ik ook dat mooie externe omstandigheden het makkelijker maken om je zo te voelen. Dit gevoel wil ik niet alleen hier ervaren, maar onder alle omstandigheden. Want volgens mij is leven niet wachten tot de storm voorbij is —
maar leren dansen in de regen.

Misschien is ruimte niet iets wat ontstaat door stilte,

maar door aandacht.

En laat sneeuw ons dat soms even herinneren.

 

 

5 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

 

 

VERTROUWEN OP MIJN KOMPAS

 

4 januari 2026

Om half vijf werd ik wakker. Mijn onderkant kriebelde enorm. Nu denk je misschien: bah, dit wil ik niet weten. Begrijpelijk. Maar voor mij is het belangrijk om dit te benoemen.

Op 1 januari 2019 ben ik hard gevallen, waarbij mijn heiligbeen een flinke draai maakte. De pijn zal ik nooit vergeten. Sindsdien heb ik voortdurend last van mijn heupen.
Ondanks mijn ziekte CMT ben ik altijd erg sterk geweest. Ik kon zware dingen tillen en verplaatsen; fysieke klussen waren aan mij besteed. Om iets op te tillen heb je stabiele heupen nodig. Vanaf dat moment merkte ik dat de kracht die ik altijd had, letterlijk weg was. Het is vreemd om te ontdekken dat de kracht waarvan je denkt dat die in je armen of rug zit, eigenlijk vanuit je heupen komt.

Sindsdien geldt: als ik struikel of een onverwachte draai maak, moet ik naar de bewegingsarts om mijn botten weer recht te laten zetten. Die heupen bepalen dus in hoge mate mijn bewegingsvrijheid, mijn kracht en mijn zelfstandigheid. Het hele gebied rond mijn heupen, heiligbeen en schaambeen is daardoor gevoelig en instabiel.

Nu train ik bij de E-Gym. Alle toestellen zijn zorgvuldig afgesteld en doen mij letterlijk geen centje pijn — behalve de leg press. Zodra ik daarop ging zitten, schoot er direct een felle pijnscheut door mijn heup, gevolgd door een enorme kramp in mijn been. De pijn trok door tot in mijn rechterwang; mijn huid stond zichtbaar en voelbaar vol kippenvel. Dit hield thuis nog urenlang aan.

Toch ben ik vanaf dat moment met volledige focus blijven oefenen. Dag na dag. Na een paar dagen lukte het me om deze oefening zonder pijn te doen.
Je zou kunnen zeggen: bij pijn moet je stoppen. Waarschijnlijk wel. Maar ik herinnerde me een moment van veertig jaar geleden.

Toen ik met yoga begon, voelde ik diep van binnen: dit is het. Mijn hele wezen wist dat. Ik ging al snel dagelijks oefenen en heb zeker een half jaar krom gelopen van de pijn erna. Maar de overtuiging was sterker dan de pijn. En het resultaat was groots. Yoga heeft me jaren gegeven waarin ik kon doen wat gezonde mensen ook kunnen. Dat maakt me dankbaar — niet verdrietig dat het nu anders is.

Diezelfde overtuiging voel ik nu bij E-Gym. Geen paniek bij pijn in mijn heupen of onderkant. Wel vertrouwen.
Vannacht kon ik niet slapen van het kriebelen. Ik wist: dit zijn zenuwen die kennelijk weer geactiveerd worden. Ik ben een uur in de woonkamer gaan zitten, tot ik voelde dat de slaap me toch overmande — ondanks de hevige kriebels. En gelukkig viel ik daarna direct weer in slaap.

Doordat mijn lichaam jarenlang getraind is door yoga, had ik nu maar een paar dagen nodig om een omslagpunt te bereiken. Met andere woorden: ik kon leunen op een oud systeem dat mij door vasthoudendheid nog steeds draagt. Een systeem dat, net als toen bij yoga, weet wanneer iets klopt. Dat mij nu, tegen alle medische logica in, laat vertrouwen op E-Gym — zonder mezelf te blesseren, of erger.

Zoals toen, herken ik het weer:

dit is geen overmoed, maar weten.

En weten vraagt vertrouwen.

4 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

BLUE BIRD


3 januari 2026

Terwijl Ton en ik aan het ontbijt zitten, vragen we ons af of het misschien toch een goed idee is om te gaan trainen. We zouden normaal gesproken niet in het weekend gaan. Het is inmiddels drie minuten voor elf en de laatste reservering kan om half twaalf gemaakt worden. Nog vijf plaatsen vrij. Dus: gaan met die banaan.

Buiten sneeuwt het. Er is nog niet gestrooid; straten en trottoirs zijn wit. Mijn wandelstok heeft vandaag geen zin, dus houd ik me aan Ton vast. We horen het geknisper en gebobbel onder de banden van de auto — weer een nieuw geluid, een nieuw gevoel. Mijn systeem is nog steeds gevoeliger dan voorheen en moet even wennen aan dit soort prikkels. Eenmaal op de toestellen in de gym kom ik tot rust. Het lichamelijke werk geeft me een tevreden gevoel, alsof alles weer even op zijn plek valt.

Op weg naar huis horen we op de radio over de toestand van Amerika. Wat is er nu weer aan de hand? Trump beweert dat Maduro, de president van Venezuela, gevangen is genomen en bevestigt aanvallen. Ik wil me niet bezighouden met politiek of met een uitgesproken mening, maar de analogie met het individu dringt zich aan me op.

Ik geloof dat wanneer wij als individu de chaos in onszelf durven oplossen — wanneer we ons eigen handelen onder de loep nemen — daar iets wezenlijks begint. Als wij in onze kleine kring onvoorwaardelijk steun geven én kunnen ontvangen, dus echt zonder verwachting van iets terug, dan is dat misschien wel de eerste stap richting vrede.

Ik begrijp de protesten, de meningen, alles wat via de media binnenkomt. Maar daar ligt volgens mij niet de oplossing. Het begint letterlijk en figuurlijk bij onszelf. Misschien heb ik het mis. Ik ben niet alwetend. Maar dit is hoe het voor mij voelt.

Op mijn cursussen vertelde ik wel eens een verhaal uit de Mahabharata. Het gaat over een klein vogeltje — de Blue Bird — dat haar eieren op het strand legt. Door een vloedgolf worden de eieren meegenomen door de oceaan. Het vogeltje begint druppel voor druppel de zee leeg te drinken, vastbesloten haar eieren terug te vinden. Arjuna, de god van wedergeboorte, ziet haar bezig en vraagt: “Is dit geen onmogelijke opgave?” Het vogeltje antwoordt: “Nee. Als ik lang genoeg drink, zal ik mijn eieren vinden.”

In het verhaal voeren het vogeltje en Arjuna vele gesprekken. Het vogeltje blijft vol vertrouwen, gedreven door eenvoud, onbaatzuchtigheid, doorzettingsvermogen en geduld — geduld met liefde. Na talloze beproevingen besluit Arjuna uiteindelijk om in één keer de oceaan leeg te drinken. Het vogeltje ervaart een wonder en vindt haar eieren terug.

Als wij mensen ons iets meer zouden gedragen als dit vogeltje, zouden we misschien ook wonderen kunnen verrichten — zonder wapens op te pakken, zonder elkaar te dwingen tot andere zienswijzen. Er zijn mensen in deze wereld die denken macht te hebben en zichtbaar verwarring en oorlog veroorzaken. Vanuit onze schommelstoel lijkt het alsof we daar niets aan kunnen doen. Alsof een handjevol mensen de richting bepaalt.

Mijn geloof — mijn idee — is dat wanneer wij van binnenuit macht krijgen over onze eigen emoties, over onze angsten, er energetisch iets verschuift op kosmisch niveau. Daar kan uiteindelijk geen enkele machthebber tegenop. In feite zeg ik dat de chaos en verwarring die we in de wereld zien, een spiegel is van wat in het leeuwendeel van het individu leeft. Dat is geen oordeel. Ik zie ons als deeltjes van één beweging. En als er steeds meer deeltjes een andere kant op bewegen, dan… kan ons misschien iets vergelijkbaars overkomen als het kleine vogeltje.

Tot slot wil ik iets belangrijks benoemen. Er zijn uitzonderingen. Mensen die leven in oorlogsgebieden of onder extreem slechte omstandigheden kunnen niet met dit soort bewustzijn bezig zijn. Hun systeem staat letterlijk op overleven. Niet iedereen kan naar die plekken afreizen om steun te verlenen. Wat wij wél kunnen doen — vanuit ons relatief comfortabele bestaan — is aan onszelf werken. Zodat er, stap voor stap, misschien een wereldwijde verschuiving kan ontstaan

 

Druppel voor druppel.
Zonder haast.
Dat is soms al wonder genoeg.

 

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

VERWONDERDE VERVLECHTING


2 januari 2026

Vandaag ben ik gaan trainen en heb ik me thuis beziggehouden met mijn droom. Ik heb het schilderij waarover in mijn droom gesproken werd snel teruggevonden.

De hele dag heb ik afwisselend verschillende dingen gedaan. Ik heb de planten water gegeven. Nee, niet gewoon een plons in de aarde gegooid, maar ze één voor één naar de keuken gedragen en zorgvuldig verzorgd. Zachtjes lauw water gegeven. Terwijl ik ze weer terugzette, zag ik dat het buiten sneeuwde. Ik nam de tijd om te genieten van het witte uitzicht en maakte er een paar foto’s van.

Ik heb contact gemaakt met een vriendin in Togo, waar het natuurlijk lekker warm is. Ik stuurde haar een foto om haar even mee te laten genieten van het winterwit. Ze stuurde vrijwel direct een foto terug: lekker buiten aan een tafel met vrienden. Een moment in tijd, dik 5000 kilometer uit elkaar… zo mooi.

Een vriendin die met Oud en Nieuw ziek was, heb ik even gevraagd of ze iets nodig had — boodschappen bijvoorbeeld. Ze was nog niet fit, maar wel alweer aan het werk geweest. Iedere dag maak ik contact met mijn bestie. We sturen elkaar dagelijks een hartje. We maken een foto als we ergens een hartje tegenkomen. Soms alleen dat, soms een uitwisseling van gedachten. Ik heb contact gemaakt met twee vriendinnen die ik al mijn hele leven ken en een afspraak vastgelegd. Ook met mijn zus heb ik contact gehad; we spraken over veranderingen en ‘anders’ zijn.

Ik volg een Chinese serie en een Koreaanse serie; die wisselen elkaar af. Deze momenten gebruik ik als rustpauze.

Vandaag ben ik voor de tiende keer bij de E-Gym geweest. In twee weken tijd vijf keer per week. De eerste week voelde ik me direct fris en fruitig, maar bleven mijn prestaties stabiel. Ik dacht eerst: goh, dat wordt dan niet gemeten. Maar de trainer zei: “Ja hoor, de apparatuur maakt het vanzelf zwaarder zodra ze meet dat je sterker bent geworden — dat gaat automatisch.”
“Nou ja,” dacht ik, “als ik me zo goed voel terwijl mijn kracht niet zichtbaar toeneemt, vind ik het prima. Energie krijg ik er in ieder geval wel van.”

Toen ik twee weken geleden begon, was mijn BioAge 73 jaar. En nu, na twee weken dagelijks trainen… 56 jaar. Volgende week ga ik de revalidatie afzeggen en me op deze manier volledig richten op herstel. Het voelt goed.

Ik bedacht me hoe vaak ik wel weet dát iets gedaan moet worden, maar dat het juiste vaak pas na wat schermutselingen duidelijk wordt. Is dat erg? Moet het altijd direct het juiste zijn? Nee, dat geloof ik niet. Ik geloof in de tijd, met zijn verdiepingen. Tijdens de revalidatie heb ik me opnieuw leren begeven tussen onbekende mensen — met vallen en opstaan. Nu kan ik de wereld alweer een stuk beter aan.

Deze dag lijkt voor de meeste mensen waarschijnlijk een gewone, bijna kabbelende dag. Misschien denk je nu wel: “Annette, lekker boeiend hoor.” Dat begrijp ik heel goed. Voor mij is het echter, na vele jaren, een nieuw fenomeen om met plezier huishoudelijke taken op te pakken. Om veelvuldig contact te maken en zelfs afspraken te plannen. Het is bijzonder om met een opgeruimd gevoel een gym binnen te stappen.

Zoveel ‘gewone’ handelingen die weer zo nieuw en verfrissend aanvoelen. Het gevoel om in verbinding te zijn met de wereld om mij heen, met de mensen om mij heen. In verbinding met de materie. Niet uit gewoonte, maar vanuit een open verbinding.

Ik voel verwondering dat het zo is.
Ik ben verwonderd over het feit dat ik me niet eens kan herinneren wanneer ik, op zo’n gewone dag, me zo heel heb gevoeld.

Misschien is dit wat herstel soms werkelijk is:

niet spectaculair, niet luid,

maar stil verweven met het alledaagse.

Een hand die water geeft,

een lichaam dat sterker wordt zonder strijd,

een wereld die weer binnenkomt

zonder dat ik haar hoef vast te grijpen.

Vandaag kabbelde het leven —

en ik kabbelde mee.

 

 

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

2 januari 2026

Op 2 januari 2026 had ik een droom die me terugbracht naar een schilderij dat ik drie jaar geleden begon. Een stem zei: "Durf die draak te zijn." Wat daarna volgde, is niet zomaar een droom — het is een innerlijk keerpunt. Je kunt het volledige verslag lezen op mijn dromenpagina:..

 

 

 

 

BESTE WENSEN


1 januari 2026

Al de hele avond vóór middernacht werd er veel vuurwerk afgestoken.
De kat hebben we in de badkamer gezet. Kiba, het oudste hondje, ligt lekker te slapen, maar Puck — het jongste hondje — veert bij iedere knal op. Inmiddels zit ze letterlijk aan mij vastgeplakt en probeert ze zelfs ín mij te kruipen. Ze graaft met haar pootjes in mijn nek, duwt haar kop zo dicht mogelijk tegen me aan. Ik hoor haar hijgen, haar lijf trilt.

Zelf ben ik ook geen fan van al die knallen. Ik ga nooit naar buiten — bang voor al die oncontroleerbare vuurflitsen in het rond. Vanmiddag stonden volwassen jonge mannen vuurwerk af te steken en gooiden het, nadat ze het hadden aangestoken, in mijn richting. Ik bedoel maar… geen kinderen, nee: jongvolwassenen.

Even later kwam er een alert-bericht op mijn mobiel dat 112 overbelast was.
Ik begrijp mijn kleine hondje helemaal. Het heeft iets angstaanjagends.

Ooit heb ik dit in Azië mogen meemaken. Het was feest — veel, maar gecontroleerd. En ja, natuurlijk is het van oudsher een traditie om met veel geknal de boze geesten te verdrijven. Daar heb ik me geen moment angstig of belaagd gevoeld. Het was misschien zelfs meer geluid, meer kabaal, maar met respect.

Hier gaat het om het afsteken van vuurwerk — en voor sommigen zelfs om, met te veel alcohol op, je buren te pesten. De diepere betekenis gaat verloren.

Wel hebben alle kinderen op één na even gebeld en gefacetimed.
Tot mijn groot genoegen kwamen er direct na 00.00 uur appjes binnen — zo’n twintig in totaal. Vrienden, familie.
Dankbaar dat er zo snel in het nieuwe jaar aan Ton en mij gedacht wordt.

Ik begin steeds meer te beseffen dat er toch een groep mensen is die, ondanks mijn afwezige staat, veel om me geeft.

Dat is dan ook mijn wens: om mij meer te verbinden.
Ik was er al langzaam mee begonnen, en vannacht kon ik constateren dat het zeker iets gedaan heeft.

Hopend op een mooi 2026 voor iedereen.
Hopend dat een ieder elkaar steun geeft, op de momenten dat het nodig is —
en dat men openstaat dit te ontvangen.

We praten altijd over liefde.
Maar juist in deze dagen wordt dat woord wat abstract.
Laten we daarom beginnen met STEUN mogen geven en ontvangen.

Een stap naar humaniteit.
Menslievendheid.

 

Misschien begint liefde niet bij grootse woorden,

maar bij een hand die niet terugdeinst,

en een hart dat even open blijft staan.

 

🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.