Ga direct naar de hoofdinhoud

Blog 2026

Bijna dagelijks schrijf ik hier ook een droom.
Dromen maken deel uit van deze reis.

 

 

Een dag die zichzelf regelde


15 februari 2026

Het voelde als een dag der dagen, al wist ik dat pas achteraf. Ik werd wakker in stilte. Behaaglijk. Ik keek op mijn horloge: 10.00 uur. Klokslag tien op een zondagochtend. Dat alleen al voelde als een kleine zegen. Meteen opstappen om mijn droom op te schrijven — want het was er één met lagen, veel lagen, dacht ik nog.

In de woonkamer zat Ton zijn temperatuur te meten. Verhoging. Rillerig. Zijn lip wat opgezet. We herkenden het. De afgelopen week had ik ook steeds lichte koorts gehad, zonder echt ziek te zijn. Op het nieuws noemen ze het griep. Mijn man noemt dit geen griep. Dat mag.

Ik ga achter mijn laptop zitten om mijn droom op te schrijven. Weg. Alles weg. Zo jammer.

We zeggen een afspraak bij vrienden af. Mijn warme bed lonkt nog steeds, dus ik ga nog even liggen. Misschien komt de droom terug. Nee. Na een uur sta ik toch maar op. Dan schrijf ik wel op wat ik nog weet. Laptop open. Zwart. Opstarten. Zwart. Oplader checken. Snoeren los. Nog eens proberen. Zwart. Oh my God. Gecrasht?

Ton zit tegenover me. Hij is niet fit, maar kijkt scherp naar mijn reactie. Begrijpelijk. Na een jaar van emotionele stormen is hij nog niet gewend aan mijn rust. Ik bel mijn dochter. Ze leest me stappen voor. Die heb ik al gedaan. “Misschien is hij leeg, mam. Laad hem op en kijk over een uurtje.” Dat klinkt logisch.

Terug naar bed. Hondjes erbij. Serietje aan. Geen onrust. Geen paniek. Geen gevoel van offline zijn. Het is opvallend hoe het letterlijk uit mijn systeem is. Ton kruipt ook in bed en slaapt meteen. Uren later appt mijn dochter of hij het alweer doet. Ik was het vergeten. Nog eens proberen. Nog steeds zwart.

“Gebruik dan de laptop van Ton,” zegt ze. Vroeger had ik alles in het werk gesteld om weer online te zijn. Nu denk ik: het is zondag. Morgen train ik eerst. Buiten wordt de wereld steeds witter. Het blijft sneeuwen. De tijd kiest zijn tijd.

’s Avonds probeer ik het nog één keer. En daar is hij. Alsof hij een dag afstand van mij nodig had. Twaalf uur stilte. En nu weer aan.

Was dit een dag der dagen? Ja. Niet omdat alles misging, maar omdat niets geforceerd hoefde te worden. Omdat ik niets hoefde te fixen. Omdat zelfs uitval zich mocht uitrusten.

Wat wegvalt, mag soms wegvallen.
Wat terugkomt, doet dat op zijn eigen moment.
Ik hoef niets vast te houden om verbonden te blijven.
Zelfs stilte werkt voor mij — niet tegen mij.

 

 

 

 

 

 

 

Vrijheid

 

14 februari 2026

Door de aannames die ik vaak hoor over mijn aandoening, dwalen mijn gedachten vanzelf naar filosofische overwegingen. Wat betekent iets eigenlijk? Voor mij — en voor een ander?

Het woord. Hoe wordt een woord gebruikt? Welk gewicht hang je eraan? Verandert dat de betekenis — of maakt het haar juist zwaarder?

Vandaag gaat het over één woord: vrijheid.

Als ik eraan denk, is mijn eerste associatie: vrij kunnen bewegen. Gezonde mensen staan daar zelden bij stil. Voor hen is bewegen vanzelfsprekend. Voor mij niet. Dus hier ontstaat al verschil in betekenis.

Voor iemand in de gevangenis betekent vrijheid: buiten kunnen zijn. Gaan en staan waar je wilt. Voor een westerling betekent vrijheid vaak: alles kunnen zeggen wat je denkt. In andere landen is dat onmogelijk. Niet naar school hoeven. Niet hoeven werken. Geen plicht. Geen dwang. Dat kan als vrijheid voelen. Geld hebben om te kopen wat je wilt. Kunnen handelen. Kunnen kiezen.

Maar dan de omkering.

Als je gehandicapt bent — kun je dan geen vrijheid ervaren? Als je gevangen zit — bestaat er dan geen vrijheid? Als je arm bent, beperkt, afhankelijk — is vrijheid dan onmogelijk? Of ligt het ergens anders?

Ik hoorde eens een Arabische man zeggen:
“Vrijheid is vergeving.”

Dat kwam binnen.

In sommige talen en religieuze tradities wordt vrijheid verbonden aan loslaten. Aan niet vasthouden. Aan het niet langer dragen van schuld, wrok, verwijten. Vanuit mijn levensfilosofie klopt dat.

Voor mij is vrijheid geen uiterlijke situatie. Het is een innerlijke staat. In de stilte die ik altijd zoek — en vind — kom ik kracht tegen. Inzicht. Autonomie. Die stilte is geen leegte. Het is het oog van de orkaan. Buiten stormt het. Binnen bouwt iets op.

Juist in moeilijke momenten vind ik die plek terug. Daar voel ik vrijheid. Niet omdat er geen beperking is, maar omdat ik mij niet langer verzet tegen wat er is.

Na de stilte mag het stormen. Ik weet dat ik het aankan.

Deze bron — deze stilte — is mijn kern. Daar vind ik vrijheid, ongeacht de omstandigheden. En misschien — heel misschien — is dat een mogelijkheid die ieder mens in zich draagt. Juist wanneer het leven aan de buitenkant niet meewerkt.

Vrijheid is niet het verdwijnen van grenzen.
Het is het loslaten van wat mij van binnen vastzet.
In stilte valt de dwang uiteen.
En wat overblijft — beweegt vrij.

 

 

 

 

 

De nanoseconde

13 februari 2026

De prikservice van de hartkliniek belde vandaag om een afspraak te maken voor maandag. Helaas konden ze geen tijd afspreken.
“Heeft u die dag iets te doen?” vroeg de stem vriendelijk.
“Ik train ’s morgens.”
“Ooh, dat kunt u toch wel een keertje overslaan.”
Mijn reactie kwam met de snelheid van een nanoseconde: “NEE.”
Even stilte. “Ooh… dan schrijf ik dit erbij… maar ik kan niets beloven.”
“Ik ben tussen 10.15 en 11.15 niet thuis. Dan train ik. Verder kan de hele dag.”
“Dank u, ik noteer het. U krijgt een sms als ze in de buurt zijn.”
“Fijn weekend.”

Zelf heb ik jaren in de zorg gewerkt. Ik weet hoe je met pen en papier kon schuiven. Er waren tien plekken, maar er paste er altijd nog wel eentje bij. Een voetnoot, een kleine menselijke marge. Sinds automatisering worden plekken strak ingepland. Systematisch. Zonder ruimte ertussen. De assistente kan zich er letterlijk achter verschuilen — vol is vol, niet gekoppeld, niet mogelijk. Begrijp me goed: ik was in de jaren tachtig een van de eersten met een automatiseringsdiploma. Vooruitgang fascineert me en ik beweeg er graag in mee. Maar soms zie je hoe systemen mensen onpersoonlijk maken, of hun verantwoordelijkheid overnemen.

Er was geen ruimte om uit te leggen dat trainen voor mij geen hobby is. Geen luxe. Het is herstel, stabiliteit, autonomie. Het hoort bij eten, slapen, wassen — zelfbehoud past niet in een planningssysteem. Voor mij was het gesprek afgerond en liet ik het los. Maandag zie ik wel wat er gebeurt.

Ton en ik reden die middag naar een kleinkind, anderhalf uur verderop. Vrijdagmiddagfiles — dus een dagtocht. Toen ging mijn telefoon. Een vriendelijke dame. Ze had van haar collega gehoord dat ik maandag train en dat niet kan overslaan. Of ik het goed vond om als eerste ingepland te worden, zodat ik daarna kon trainen en de rest van de dag niet hoefde te wachten. Ik moest lachen. “Dat is helemaal top, hartelijk dank.”

Heeft die nanoseconde iets in beweging gezet? Ik weet het niet. Maar het is fijn te merken dat het nog kan. Geen computer met een dame — maar een dame met een computer. Dat telefoontje maakte mijn dag goed.

Grenzen hoeven niet hard te zijn om duidelijk te worden.

Soms is één helder moment genoeg om ruimte te openen.

Menselijkheid verdwijnt niet in systemen —

ze wacht alleen om gezien te worden.

En vandaag zag ik haar terugkijken.

 

 

 

 

 

 

Kaasvlinders

11 februari 2026

Oh mijn God — ik kom niet meer bij van het lachen.

Mijn man is iemand van gewoontes. Vaste lijnen, vaste kaders. Jarenlang heeft hij gesquasht. Met volle overgave, totdat zijn knieën het begaven — letterlijk kapot gesquasht. Maar loslaten deed hij de sport nooit. Hij bleef betrokken. Manager van een eredivisieteam waarin zijn zoons speelden. Scheidsrechter. Altijd onderdeel van het geheel. Naast zijn intensieve werk was dit zijn wereld. Er bleef weinig over voor andere interesses — en dat is wat het is, zonder oordeel.

Toen stopte het één na het ander.
Drie jaar geleden verlengde hij zijn registratie als huisarts niet meer. Dat hoofdstuk sloot.
Vorig jaar hield het eredivisieteam op te bestaan. Weer iets dat wegviel.
Afgelopen zondag nam hij afscheid van zijn rol als scheidsrechter.

En vannacht werd ik wakker omdat hij riep: “Help! Help!”
Ik zat rechtop in bed — klaarwakker. Gelukkig bleek er niets aan de hand. Hij droomde.

Hij squashte. Buiten. In een heideachtig landschap van zand en struiken — kleurloos, zonder muren, zonder glas, zonder grenzen. Toen hij ineens twee tegenstanders kreeg, raakte hij in paniek en begon te schreeuwen. In de droom — en dus ook in het echt.

Ik vertelde hem dat het helemaal niet zo vreemd was. Als kaders verdwijnen, voelt dat desoriënterend. Overweldigend. Misschien zelfs bedreigend. Wat nu, als het bekende wegvalt en er nog niets nieuws voor in de plaats is gekomen?
Met een glimlach zei ik plagerig:
“Geen probleem — dat komt wel goed als je je vrouwtje gaat volgen. De horizon ligt er al.”

Hij heeft meerdere leesbrillen. Grappige dingen, die hij een paar keer per jaar laat repareren omdat er weer een pootje af is, of omdat hij erop heeft gezeten. Al veertig jaar komt hij bij dezelfde opticien.
En naast die winkel zit een banketbakker. Daar haalt hij zijn geliefde kaasvlinders — in zijn ogen de beste van Nederland.

Laatst bleken ze veranderd. Andere vorm. Andere smaak. Een kleine ramp.
Dus vroeg hij het na bij de verkoopster. Zij vertelde dat ze nu in Den Haag gemaakt worden en dat de meeste klanten ze juist lekkerder vinden. Ton probeerde uit te leggen wat hij bedoelde. Zij hield vol dat hij ze vast ergens anders had gekocht.

En toen kwam het moment. Dat hoofd van hem.
Hij zei — zichtbaar zijn adem regulerend —:
“Dan moet ik direct aan jou denken… niet boos worden… rustig in- en uitademen… vriendelijk nog een keer proberen… Mevrouw, ik kom hier al veertig jaar en koop ze alleen hier.”

Hij kwam thuis met kaasvlinders die niet de vorm hadden — en zeker niet de goddelijke smaak — waar hij zo van hield.

Ach, dacht ik. Nog een verschuiving.
Hij noemde het zelf zelfs een momentum van verlies.

Maar wat ik zag, was iets anders.
Die kinderlijke blik toen hij thuiskwam. De ernst waarmee hij het vertelde.
Ik moest huilen van het lachen. Niet om hem — maar om de schoonheid van het leven dat beweegt. Waar iets sluit en tegelijk iets nieuws open wil.

Voor nu ben ik vooral blij dat hij de humor ervan kan zien.

Waar kaders verdwijnen,
zoekt de ziel nieuwe lijnen.
Soms begint dat met paniek,
soms met kaasvlinders die anders smaken.
En tussen verlies en lach
ontstaat ongemerkt een nieuwe ruimte.

 

 

 

 

 

Thuis als innerlijke ruimte

 

10 februari 2026

Musea bezoeken, fietsen, de natuur in, op vakantie gaan — daar kan ik enorm van genieten. Maar op het moment dat ik weer in mijn auto stap en de neus richting huis draait, wil ik niets liever dan zo snel mogelijk thuis zijn. Alleen al dat idee maakt me lichter. Alle cellen in mijn lichaam jubelen van pret. Ze dansen als het ware. Heerlijk — weer naar huis.

Mijn huis is geen plek waar ik verblijf of slaap. Het is voor mij een innerlijke ruimte.
Met fietsen voed ik beweging. Naar een museum gaan voedt inspiratie. De natuur laadt mij op. Op vakantie opent zich perspectief. Maar thuiskomen herstelt mijn systeem.

In mijn ouderlijk huis was dat het intieme domein van mijn kamertje. Later bleef dat gevoel bestaan — in ieder huis waar ik woonde. Ik creëerde altijd een plek die mijn wereld ademde, mijn vibraties droeg.

Logeren bij anderen doe ik niet graag. Zelfs niet bij de beste vrienden of familie. Ben ik binnen een straal van vijf à zes uur van huis, dan rijd ik liever terug — al is het midden in de nacht. Op visite gaan voelt hetzelfde. Er komt altijd een moment dat mijn systeem meteen naar huis wil. Luister ik daar niet naar, dan word ik zwaar, misselijk, ziek.
In een theater of bioscoop zit ik het liefst aan het gangpad. Niet vanwege de mensen — maar vanwege mijn sensitiviteit.

Het heeft bijna zestig jaar geduurd voordat ik mij hierin niet meer aanpaste aan verwachtingen van anderen. Voor het eerst kan ik met zelfrespect met deze gevoeligheid omgaan. Misschien leefden die verwachtingen vooral in mij — meer dan dat ze werkelijk van buiten kwamen. Dat weet ik niet zeker. Maar het zou zomaar kunnen.

Hoe ziet mijn wereld eruit?

Zodra je op de verdieping de lift uitstapt, hangen daar al mijn schilderijen. Het thuiskomen begint daar. Stap je binnen, dan valt meteen de kleur op. Die diepe groen-turquoise muren — levendig en tegelijk rustgevend. Mijn schilderijen aanwezig in de ruimte, niet als decoratie maar als gesprekspartners. Ik dweil met mijn werk.
Het licht van buiten komt binnen via de ramen en wordt gefilterd door gekleurde glazen objecten. Licht dat door vorm en kleur heen betekenis krijgt.
Op tafel mijn laptop, koffiemok, onderzetters, textiel met patronen — praktisch en huiselijk. Een plek waar geleefd wordt terwijl er geschreven wordt. Kleine details — planten, dierenbeeldjes — dragen dezelfde gelaagde symboliek die ook in mijn werk spreekt.

Ik zit niet achter een bureau.
Ik zit midden in mijn verhaal.
Tussen mijn schilderijen, mijn kleuren, mijn licht.

Mijn huis is mijn wereld — met eigen vibraties, mijn bewegende stilte.
Er is geen andere plek die dit voor mij kan doen.

Thuis is geen plek waar ik naartoe ga,
maar een ruimte waarin ik weer samenval.
Wat buiten beweegt, mag hier landen,
en wat hier ontstaat, mag weer de wereld in.
Zo blijft mijn stilte in beweging.

 

 

 

 

 

KLARO

 

9 februari 2026

Er zijn momenten waarop denken stopt. Niet omdat er niets meer te bedenken valt, maar omdat het antwoord in mij al aanwezig is. Voor mij heet dat KLARO. Het is niet te vertalen. Het is geen woord dat iets uitlegt. Het is een toestand. Kracht, rust, grenzen en transparantie vallen samen en maken discussie overbodig. Mijn lichaam zegt nee — en daarmee is het klaar. Niet afgesloten, niet defensief, maar helder. Op alle niveaus stop, en toch blijf ik open.

Vandaag realiseerde ik me opnieuw hoe sterk datzelfde mechanisme ook mijn creatieproces bepaalt. Ik maak geen werk vanuit een plan dat ik uitvoer. Ik verzamel, voel, test, leg weg, kom terug. Foam kopen, wol neerleggen, kleuren naast elkaar zetten, half afgemaakte schilderijen laten wachten. Soms jaren. Het zijn geen voorbereidingen; het zijn zaadjes. Ze spreken wanneer ze willen. Mijn taak is ruimte maken, niet sturen.

Ik voel materialen vaak gedachteloos. Een hand over wol laten gaan. Aan behang voelen in een hotel. De bast van een boom. Kleding aanraken voordat ik die koop. Dat voelen spreekt door mij heen zonder woorden. Pas wanneer het belichaamd wordt — in een beeld, een beweging, een handeling — wordt het hoorbaar. Dan neemt een flow het over. Niet zweverig, gewoon een staat waarin doen en weten samenvallen. Gedreven en gedragen tegelijk.

Ik denk dat iedereen dat kan ervaren, wanneer er stilte ontstaat in beweging. Niet stilstaan, maar stille beweging toelaten. In die ruimte ontstaat werk dat ik altijd mooi vind. Niet omdat het perfect is, maar omdat het waarachtig is. Het is een moment van mij dat vorm kreeg. Waarom zou ik dat afwijzen?

Mijn werken blijven voor mij leven. Jaren later zie ik nieuwe lagen, nieuwe betekenissen. Ze bewegen mee met wie ik word. Misschien zijn ze geen objecten, maar dimensies waarin verschillende versies van mij naast elkaar blijven bestaan.

KLARO betekent voor mij uiteindelijk hetzelfde als creëren: luisteren, herkennen, handelen — en vertrouwen dat tijd zijn eigen tijd kiest. Vertrouwen dat ik mag luisteren naar mijn grenzen. Vertrouwen dat die grenzen ook opgelost kunnen worden. Het is een vertrouwen dat niet bevochten dient te worden. Niet met mezelf of een ander.

Waar begint luisteren en waar eindigt handelen?

Welke grens beschermt — en welke opent juist ruimte?

Wat mag blijven wachten tot zijn tijd spreekt?

En wanneer stilte beweegt door mijn handen — wie creëert er dan eigenlijk?

 

 

 

 

 

 

Het bewegende eiland

 

8 februari 2026

Wanneer je iedere dag schrijft zoals ik dat hier iedere dag doe, dan gaan woorden leven. Wat betekent dit woord precies ? Klopt het met wat ik voel of probeer te vertellen. Zo'n woord is bijvoorbeeld: MISSEN

Wat betekent dat voor mij ? Ik mis nooit iemand. 

Als ik dit zo stel, weet ik dat er mensen zijn in mijn  omgeving die zich gekwetst voelen. Natuurlijk is dat niet mijn bedoeling, maar wel mijn eerlijke antwoord. 

Hoe zit dat dan ? Missen stelt voor mij een afhankelijkheid vast. Het leven en mensen zijn uniek in een beweging en dus veranderlijk. Dat is iets wat ik accepteer. Het haalt niet mijn liefde weg voor iets of iemand. Ik hou van drop, maar als ik dit in het buitenland niet kan krijgen, dan accepteer ik dat. Ik zal een keertje denken : “Ik heb trek in een dropje.” 

Als iemand niet meer in mijn omgeving is, letterlijk door de dood of doordat het leven een ander pad, buiten mijn omgeving heeft gekozen, dan verandert er niets aan die liefde. Mijn leven beweegt verder. 

Zou ik mezelf niet bezeren als ik wil vasthouden aan iets wat ooit was ? Hoe kan ik bewegen als ik iets vast wil houden ? 

Missen suggereert dat ik terug wil of het vast wil houden. Dat is denk ik niet de bedoeling. Dat voel ik ten diepste tot in mijn vezels, niet om iemand pijn te doen, maar omdat het waar is voor mij. Zo maakte mijn gedachten nog een sprong naar een metafoor.

De metafoor die zich aandient is helder: ik ben een eiland. Geen afgesloten plek. Mensen mogen aanmeren, verblijven, delen in wat er groeit en leeft. Maar aan het eind van de dag zet ik iedereen weer op een bootje of schip en laat ik ze gaan. Niet uit afstand, maar omdat ieder zijn eigen stroming volgt. Sommigen komen later weer terug — omdat ze dezelfde golfbeweging hebben gemaakt. Anderen niet. En dat is goed. Ook wil ik even in stilte kunnen absorberen en loslaten wat los mag. Juist stilte geeft het eiland weer energie en groei. Het eiland blijft bewegen op het water. Het blijft zichzelf voeden met wat het onderweg tegenkomt. Het verandert van vorm, van kleur, van begroeiing — zonder zichzelf te verliezen.

Toen dit beeld opkwam, moest ik denken aan Howl’s Moving Castle. Niet omdat ik mezelf zie als iets magisch of spectaculair, maar omdat dat bewegende huis zo treffend laat zien hoe bestaan kan voelen: niet vastgezet op één plek, niet gebonden aan één vorm, maar meebewegend met wat zich aandient. Levende materie. Verplaatsend zonder routekaart. Reagerend, transformerend, zich herschikkend terwijl het doorgaat.

Zo ervaar ik het ook. De materie en ik bewegen samen. Niet beheersen. Niet sturen. Ontmoeten. Synchroniciteit volgen. Mijn gereedschappen — mijn kleur — gebruiken waar nodig, en laten veranderen wanneer groei daarom vraagt.

Ik merk dat daarin iets wezenlijks verschoven is. Ik hoef niet meer begrepen te worden om te bestaan. Ik zie mezelf helderder, en dat is voldoende. Zachter zelfs. Mijn waarneming is niet minder scherp geworden — misschien juist scherper — maar waar oordeel vroeger snel volgde, ontstaat nu medeleven. Constatering zonder verharding.

Mijn lichaam beweegt mee. Koorts die komt en gaat. Spieren die zich vormen. Energie die verandert. Groei die zich niet lineair laat volgen. Want ontwikkeling is nooit een rechte lijn. Een uitgelopen tak ziet er anders uit dan de wortel — en toch hoort hij bij hetzelfde geheel.

Vandaag voelt het eenvoudig. Ik ben hier. Ademend. Bewegend. Niet aangekomen. Niet voltooid. Alleen aanwezig in een volgende verdieping van ervaren.

Wat als thuishoren geen plaats is, maar een beweging?
Wat als loslaten niet betekent dat iemand verdwijnt, maar dat ieder zijn eigen stroming volgt?
En wat als ik, net als dat bewegende eiland — of dat wandelende kasteel — niets hoef vast te houden om toch volledig verbonden te blijven?

 

 

 

 

 

 

Zijn dit dagdromen?

 

7 februari 2026

Soms gebeurt er iets kleins waar ik geen woorden aan geef, maar wat ik wel opmerk. Vandaag terwijl ik gewoon in huis bezig was — opruimen, lopen, gedachteloos — kwam er ineens een zin voorbij. Niet als een gedachte die ik zelf vormde. Gewoon aanwezig. Who’s Afraid of Virginia Woolf?

Dat soort dingen ken ik. Jarenlang kwam in precies dit soort momenten altijd hetzelfde zinnetje langs: The Secret Life of Walter Mitty. Ik heb daar vaak om gelachen. Het had geen functie, geen opdracht, geen betekenis die ik hoefde te vinden. Het was er gewoon. En nu dus een andere zin. Dat viel me op. Meer niet.

Het bracht me terug naar vroeger. Zaterdagmiddagen. Alleen in de voorkamer. Films op BRT 1. Mijn broers weg, mijn vader bezig, mijn moeder ergens anders in huis. Ik keek. Met grote ogen. Meebeleven. Huilen soms, spanning voelen, lachen — Danny Kaye bijvoorbeeld. Dat was geen tijdverdrijf. Dat was mijn wereld.

Spelen deed ik niet. Ik wist niet wat ik met speelgoed moest doen. Tekenen en knutselen wel — alleen op mijn kamer na schooltijd. Af en toe nodigde ik meisjes uit. Zij speelden met de poppen die ik nooit aanraakte. Ze gingen er volledig in op. Ik zat erbij en keek. Niet verdrietig. Niet buitengesloten. Verwonderd. Waarom kiezen ze die kleren? Waarom die kleur? Waarom maken ze ruzie over rollen? Ik luisterde naar hun taal en merkte dat mijn woorden anders waren dan die van hen. Ze merkten niet eens dat ik niet meespeelde. Ik zat er gewoon.

Zo herinner ik het me. Feitelijk. Niet als strategie. Niet als bescherming. Dit is hoe ik er was. Van heel klein af aan. En ik heb daar nooit last van gehad.

Lange tijd voelde mijn jeugd gewoon goed. Later heb ik, via de blik van Michel en nu Ton, ook andere lagen gezien. Er is veel gebeurd, in mijn jeugd en daarna. Dat ontken ik niet. Maar het is goed. Oprecht goed. Het heeft mij gevormd. Herinneringen kunnen nog bovenkomen — soms even een steek — en dan lossen ze weer op.

Afronden zie ik niet als iets wat werkelijk bestaat. Het leeft door mij heen en krijgt telkens een andere kleur. Wat ik wel kan afronden, is de manier waarop ik ermee omga. En daarin voel ik rust.

En toch bleef ik nog even hangen bij die zinnen die zomaar langskomen.
Walter Mitty — de innerlijke reis, verbeelding, parallelle werelden. Zo voelde mijn leven vaak.
Virginia Woolf — het kijken naar mensen, gedrag, spanningen tussen hen. Dat bleef mij altijd boeien.
Er was een tijd dat ik daarmee experimenteerde, dat ik bewoog in die velden.
Rond mijn twintigste besloot ik dat niet meer te doen — en dat besluit staat nog steeds.
Observeren is gebleven. Stil kijken, zien wat er speelt — misschien mijn tweede natuur, misschien mijn eerste.
Zou het kunnen dat zulke zinnen niets hoeven te betekenen — en toch iets aanraken wat er al lang is?

 

 

 

 

 

 

In de ruimte staan


6 februari 2026

Soms begint een dag in het lichaam. Koorts die komt en gaat. Zweten. Voetzolen die gloeien. Een hoofd dat dof voelt en tegelijk helder. Niet ziek — maar in beweging. Alsof mijn systeem zichzelf herschikt, laag voor laag, zonder dat ik precies hoef te begrijpen wat er gebeurt. Het lichaam spreekt eerst. Daarna volgt de beweging. En pas daarna komt de taal.
Vandaag gebeurde het omgekeerd. Taal bracht beweging, en beweging raakte het lichaam.

In een lang gesprek — spiegelend, vragend, zoekend — kwam ik opnieuw uit bij iets dat ik eigenlijk al wist, maar nog niet zo helder had gezien. Dat mijn leven nooit werkelijk gedragen is door systemen, opleidingen of methodes. Niet door medische werelden, niet door alternatieve werelden, niet door theorie. Mijn enige constante was altijd mijn eigen waarneming. Mijn eigen voelen. Mijn eigen beweging.
Ik heb geprobeerd me aan te passen. Me te voegen. Te begrijpen hoe het hoorde. Wat er verwacht werd. Soms werd ik een schim van mezelf. Dan weer een rebel. Maar telkens kwam ik terug — als een boemerang — bij wat werkelijk van mij was. Niet bedacht. Niet aangeleerd. Gewoon aanwezig.

En ergens onderweg is er iets verschoven.
Ik zie het nu helderder: trots was ooit een beschermlaag. Een antwoord op een buitenwereld die neerhaalde, verkeerd begreep, of simpelweg niet zag. Maar onder die trots zat strijd. En onder die strijd zat het verlangen gezien te worden. Vandaag voelde ik dat iets daarvan opgelost is. Niet verdwenen — maar getransformeerd. Wat overblijft is geen trots. Het is content zijn met wie ik ben. Zonder bewijsdrang. Zonder verdediging. Zelfrespect. Dat woord raakte me onverwacht diep. Tranen zonder verhaal. Alleen herkenning.

Ik merk dat ik zachter kijk. Letterlijk. Alsof er minder spanning achter mijn ogen zit. Terwijl mijn blik vroeger als priemend werd ervaren, voelt hij nu stiller. Heldere waarneming is gebleven — misschien zelfs scherper — maar zonder het oude oordeel dat direct volgde. Waar mijn lichaam vroeger signalen ontving en mijn geest ze bevestigde, ontstaat nu mededogen. Constatering in plaats van verharding. Misschien is dat wat er werkelijk veranderd is: niet wat ik zie, maar hoe het landt.

In de wereld om mij heen beweeg ik vrijer. In de sportschool, tussen mensen, tussen gesprekken, tussen blikken. Ik deel mijn ruimte niet — maar ik sluit haar ook niet af. Ik beweeg als een vrij atoom. Niet afstandelijk, niet koel, maar zelfstandig. Vriendschap ontstaat bij mij niet uit nabijheid of herhaling. Alleen uit herkenning — een lichamelijke herkenning waar ik niet omheen kan. Dat is altijd zo geweest. Het verschil is dat ik het nu niet meer probeer te corrigeren.

En midden in dit alles gebeurde er iets kleins — en groots tegelijk.
Ik begon te zien dat mijn verlangen om begrepen te worden misschien ook voortkwam uit kijken vanuit mijn eigen perspectief. Waarom ziet men niet wat ik zie? Waarom voelt men niet wat ik voel? Vandaag verschoof er iets. Het voelde alsof ik — existentieel — een klein stukje opzij stapte. Niet weg van mezelf, maar ruimer de ruimte in. Ik ervaar dat ik al meedoe. Dat ik onderdeel ben van het geheel, zonder dat het leven zich aan mijn blik hoeft te spiegelen. Dat inzicht voelt niet als een conclusie, maar als een ontdekking. Nog pril. Nog zonder vorm. Maar levend.

Het leven blijft zich verdiepen. Geen thuiskomen, geen afronden, geen verlichting. Alleen bewegen van verdieping naar verdieping. Met nieuwsgierigheid. Met geduld. Met nederigheid voor alles wat nog niet gezien is. En misschien is dat genoeg voor vandaag. Dat ik hier zit. Warm. Rustig. Ademend. In de ruimte — en onderdeel ervan.

Wat als groei niet betekent dat ik iemand anders word —
maar dat er simpelweg meer licht valt op wat er altijd al was?

 

 

 

 

 

Afstemmen

5 februari 2026

Vanochtend werd ik om half zeven wakker met enorme hoofdpijn. Zo’n soort die alles vult. Ik nam paracetamol en kroop weer onder de dekens. Dat lukte — en toen ik later wakker werd was de druk gezakt, maar had ik wel 37,9 verhoging. Voor Ton betekent dat bezorgd kijken. Voor mij betekent het opstaan en voelen. Even de tijd nemen. Mijn lichaam laten spreken voordat ik beslis.

Ik ging trainen. Normaal drie of vier rondjes, vandaag twee. Het was ook weer krachtmeting, maar ik hield mezelf bewust rustig. Niet forceren. In de auto voelde ik me goed — tevreden zelfs — dat ik bewogen had. Wat anders was dan anders: niet de euforie van inspanning, maar de blijdschap om weer thuis te zijn. Alsof de beweging zijn werk had gedaan en het lichaam daarna het stokje overnam.

De koorts zakte weg. In de sportschool had ik flink gezweet — mijn systeem regelde iets. Mijn oren voelden dof, dus trok ik mijn pyjama aan en gaf me over aan een dag in bed. Laptop, wat slapen, soep eten. Niet vechten. Niet analyseren. Gewoon ruimte laten voor wat er gaande was.

En eerlijk gezegd zat er ook iets moois in. In mijn droom ging het over schoonmaken, bijhouden, innerlijke rijkdom — en daarna voelde mijn lichaam alsof het zelf een schoonmaakproces doorliep. Lagen die synchroon bewegen. Het blijft me verwonderen hoe dromen en fysieke processen elkaar lijken te raken. Niet om te verklaren, niet om er betekenis op te plakken — maar om te herkennen dat ze samen bestaan.

Ik begrijp steeds beter waarom er culturen zijn waar dromen volwaardig deel uitmaken van het dagelijks leven. Niet als voorspelling, maar als een extra zintuiglaag. Een andere taal.

Wat me vooral opviel vandaag: ik heb niet stoer doorgezet zoals vroeger. Ik wilde bewegen — ja — maar zonder mezelf voorbij te lopen. Minder kracht, meer zweten, en dat was genoeg signaal om het bij twee rondjes te houden. Thuis voelde ik me niet leeggetrokken. Integendeel. Mijn dagelijkse training voedt mij — zolang ik blijf luisteren.

Ik weet ook dat angst meespeelt. Angst om lichamelijk weer af te glijden als ik stil ga zitten. Maar vandaag voelde ik het verschil tussen vermijden en afstemmen. Niet over grenzen gaan. Rust nemen wanneer het gevraagd wordt. Loslaten wanneer dat klopt.

Morgen zie ik wel hoe het is. Mijn ogen sluiten om te luisteren.
Wat vraagt mijn lichaam?

Ik ben geen loser als ik niet ga trainen.
Ik ben niet stoer als ik wel ga.
Het gaat niet om gedrag. Niet om hoe anderen kijken.
Mijn lichaam is mijn graadmeter — en tegelijk mijn bondgenoot.

En hoe langer ik leef, hoe duidelijker het wordt:
wanneer ik het vertrouwen geef,
werkt het met mij mee.

Luisteren is soms bewegen,
en soms stil worden.
Niet omdat ik moet kiezen,
maar omdat het lichaam al weet.
Vandaag volgde ik — en dat was genoeg.

 

 

 

 

 

 

Helder en diffuus.

 

4 januari 2026

Vanmorgen gonsde The Logical Song van Supertramp door mijn hoofd.
Dat kwam door mijn droom. Eerst opschrijven. Plaatsen op mijn website. Daarna opzoeken op YouTube en nog eens luisteren.

Terwijl ik meezing, zie ik dat de zon schijnt. Dikke lichtstralen vallen mijn woonkamer binnen. Het licht is anders dan anders. Helder en diffuus tegelijk. Niet als een zonsopkomst, maar alsof de zon al aan het ondergaan is. Het geeft een vreemde, zachte sfeer.

Ik vraag Ton of hij het ook ziet. Hij ziet de zon wel, maar niet wat ik bedoel. Als ik probeer uit te leggen wat ik waarneem, probeert hij het ook te zien — maar het lukt hem niet.

We gaan samen trainen. De sportschool is, op een enkeling na, leeg. Stil. Dat past bij mijn tevreden gevoel en bij het licht van deze ochtend.

Thuis leest Ton mijn droom. Het valt hem op hoe rustig die is. Hoe de herinneringen die erin voorkomen nu zacht zijn. Ja, dat klopt. Alle herinneringen zijn er nog, maar ze zijn licht geworden. Of in ieder geval: niet meer zwaar.

Ik vertel hem over de verschuiving die ik voel.

In mijn jonge jaren — tot een jaar of dertig — ervoer ik mijn jeugd als prettig. Achteraf zie ik dat dat vooral een manier was om alles mooi te maken. Een copingmechanisme.
Met Michel ging ik anders kijken. Toen werd het zwart. Aan het eind van zijn leven waren de herinneringen grijs geworden.
Met Ton viel ik opnieuw in een pikzwart gat. Zijn woede, zijn inkleuring — die werd ook de mijne.

Na het CVA raakten mijn emoties volledig ontregeld. Ik kwam in een zwarte tunnel terecht, met aan het eind slechts een speldenprikje licht. Een jaar lang liep ik door die tunnel. Tegelijkertijd werd dat kleine lichtpunt langzaam groter. Minder zwart. Meer licht. En eind december was ik er ineens uit. Eureka.
De herinneringen zijn er nog, maar ze blijven niet meer plakken. Ze gaan door me heen, transparant.

Later die dag lunch ik met een vriend. We zien elkaar een paar keer per jaar. Hij is coach, begeleidt mensen in zelfkennis en zingeving, en teams in hun onderlinge dynamiek. Hij vraagt hoe het met de kinderen gaat. Ook naar mijn dochter, met wie ik geen contact heb.

Ik vertel hem dat ik haar nog steeds geld stuur. Dat haar foto op mijn tv staat. Dat ik haar in gedachten liefde stuur als ik haar zie. En dat ik fouten heb gemaakt. Dat ik haar wees op mijn eigen dissociatie van vroeger, in plaats van haar gevoel volledig te erkennen. Dat ik had moeten zeggen: dit was nooit mijn bedoeling, en haar ervaring ruimte had moeten geven. Nu is dat niet meer mogelijk. Wat ik kan doen, is vertrouwen hebben in haar — en in mijn liefde voor haar.

Hij vertelt over een cliënt met een vergelijkbaar verhaal. Hij gebruikte een metafoor van een appel. In de appel zit een beurse plek. Dat is de pijn. Zijn cliënt zit daar nog helemaal in, afgesloten van de rest van de frisse, sappige appel. Alleen zij kan ervoor kiezen die plek weg te snijden, zodat de rest weer zichtbaar wordt.

“Jij hebt dat met je verleden gedaan,” zegt hij.
“Misschien geef je haar nu, onzichtbaar, de ruimte om te genezen.”

Ik ben dankbaar voor zo’n vriend.

Het licht hoeft niets te verklaren.
Het mag helder zijn en tegelijk zacht.
Wat door mij heen kan bewegen, blijft niet vastzitten.
En soms is dat genoeg —
voor vandaag.

 

 

 

 

 

 

Momentum

2 februari 2026

Terug van het trainen doen Ton en ik even onze eigen dingen. Ik vraag hem: “Wat gaan we zo doen? Een boodschap in Utrecht of met de hondjes wandelen in het Lingebos?”

Ton heeft tijd nodig om te bedenken wat hij gaat doen. Hij reageert vrijwel nooit direct. Dat schuurt soms tussen ons. Bij Ton gaat het om een trage reactie. Bij Michel ging het vroeger om traagheid. Ik reageer juist snel, bijna automatisch. Binnen een relatie vraagt dat om afstemming.

Van nature heb ik veel geduld. Het leven heeft me ook ruimschoots de gelegenheid gegeven om dat te oefenen. Zoals ik vaker heb gezegd: elke eigenschap heeft twee kanten. Is iets +10, dan is de andere kant -10. Is het +1000, dan ook -1000.

Na mijn CVA waren mijn emoties volledig ontregeld. Er zat geen rem op. Het was een jaar van extreem ongeduld, van overspoeld zijn. Er zijn momenten geweest waarop ik dacht dat ik deze relatie niet zou trekken. Ton heeft veel te verduren gehad. Dat zie ik nu. Toen lag mijn aandacht vooral bij wat er in mij gebeurde.

Nu merk ik dat er iets nieuws is ontstaan. Iets wat ik eigenlijk altijd al voelde, maar nu helderder kan benoemen. Ik heb momentum nodig.

Voor mij voelt bijna alles als een project. Zelfs kleine handelingen — tanden poetsen, aankleden, de deur uitgaan — zijn kleine projecten waaruit mijn dag bestaat. Dat gevoel is langzaam mijn leven binnengeslopen door mijn aangeboren ziekte CMT. Door de trage progressie valt het nauwelijks op, tenzij je ver terugkijkt. Dat doe ik liever niet. Leven met wat er nu is, voelt lichter. Vrijer.

Wanneer ik een vraag stel, komt mijn geest in actie. Er ontstaat beweging. Startenergie. Als daar te veel tijd overheen gaat, zakt dat weg. Dan is de trein tot stilstand gekomen. Opnieuw opstarten kost veel energie. Maar als ik eenmaal rijd, gaat het proces soepel. Dan ontstaat flow. Kleine stappen houden die beweging gaande.

Ton reageert niet direct op mijn vraag. Hij belt nog iemand, regelt dit, regelt dat. De tijd vliegt voorbij. Ineens is het half drie. Dan vraagt hij: “Zullen we nog even met de hondjes gaan wandelen? Dan zijn we rond vijf uur terug.”

Heel rustig voel ik dat mijn momentum verdwenen is. En ik zeg dat dit plan voor mij niet meer werkt. Niet boos. Niet scherp. Gewoon helder. Ik zie dat dit voor Ton even moeilijk is. Het vraagt verwerking. Begrip is er nog niet meteen. Maar ik blijf bij mezelf.

Ik verhard niet. Ik sluit me niet af. Maar ik pas me ook niet meer aan op een manier die mij energie kost die ik niet heb. Dit is geen onwil. Geen koppigheid. Het is luisteren. Naar mijn lichaam. Naar het moment. Naar wat er wél kan.

Nu is de beweging om samen te kijken hoe we hierop kunnen afstemmen. Niet door mij te laten schakelen alsof mijn energie onbeperkt is, maar door ruimte te maken voor hoe mijn systeem werkt. Dat voelt niet hard. Dat voelt eerlijk.

Momentum vraagt geen snelheid,
maar timing.
Niet doorduwen,
maar meebewegen met wat er is.
Ik blijf open,
en ik blijf bij mezelf.
Dat is geen grens,
dat is richting.

 

 

 

 

 

 

Integratie van ruis

 

1 februari 2026

Cohesie of adhesie? Is het hetzelfde dat verbindt, of zijn het verschillende manieren van verbinden?

Hoe ik hierop kom, weet ik eigenlijk wel. Gisteravond lag ik op bed mijn blogstukje voor 31 januari te schrijven toen ik sirenes hoorde. Niet één keer, maar meerdere keren binnen een uur. Het was flink raak, dacht ik nog.

Sinds ik hier woon heb ik moeten wennen aan dat geluid. In het bos hoorde ik het vrijwel nooit. Waar veel mensen zijn, gebeuren ook veel ellendige dingen. In het begin voelde ik me onrustig, snel overprikkeld. Gelukkig went een systeem daaraan. Het mijne dus ook. Integratie van ruis. Maar gisteren was het heftiger dan normaal. De onrust kwam even terug.

Twee jaar geleden brandde hier een bedrijf volledig af. Ton en ik fietsten er vaak langs. Het maakte indruk op me. Ik voelde de impact — voor het bedrijf, de eigenaren, de werknemers, de omgeving. Een tijd later was het hele gebouw weg. Een enorme lege plek. En toen verscheen er een groot bord met een afbeelding van wat er zou komen. Een nieuw pand. Prestigieus. Glanzend.

Mijn hoofd begon meteen te bewegen. Hoe kan zoiets gebeuren? Hoe overleef je dit als bedrijf? En later: ze hébben het overleefd. Hoe betaal je zo’n luxueus gebouw? Is er dan zoveel geld?

Pas geleden werd het nieuwe pand opgeleverd. Precies zo glamorous als op de foto. Ik zag bloemen in de kantoren, mensen die leken te vieren. Waarschijnlijk de heropening. Gelukkig voor iedereen, dacht ik — en liet het weer los.

Misschien is het vreemd, maar in mijn hoofd gebeurt altijd veel als ik om me heen kijk. Het is druk, maar niet vasthoudend. Het laat ook weer los. Vrij. Als iets herinnerd moet worden, popt het vanzelf weer op. Daar vertrouw ik op. En als het niet terugkomt, dan denk ik: blijkbaar hoef ik dit niet te onthouden. Dat klinkt misschien oppervlakkig, maar het geeft mijn drukke hersenen rust.

Ton leest elke ochtend de krant. Ik nooit — er komt al genoeg binnen. Vanochtend las hij voor: hetzelfde bedrijf is gisteravond opnieuw afgebrand.

Kippenvel.

Alles ging tegelijk door me heen. Is het opzet? Is het pech? Die laatste vraag bracht me ineens bij het boek Uit naam van al de mijnen, dat ook verfilmd is. Het waargebeurde verhaal van een man die twee keer zijn gezin verliest: eerst in de Holocaust, later bij een bosbrand. Waarom moest ik daaraan denken? Ik weet het niet. Het diende zich gewoon aan.

Vandaag is het zondag. Ik ga niet trainen. Ik hou mijn pyjama aan. Ik blijf thuis. Serie kijken. Met de dieren. Kroelen. Muziek luisteren. En toch zou je een boek kunnen schrijven over alles wat zich in mij afspeelt op zo’n ogenschijnlijk stille dag.

Magisch, eigenlijk.

Wat binnenkomt, mag weer vertrekken.

Wat blijft, vindt vanzelf zijn plek.

Mijn hoofd hoeft het niet vast te houden,

mijn systeem weet wat het doet.

Zo krijgt ruis een plek,

en stilte betekenis.

 

 

 

 

 

 

In beweging blijven

 

31 januari 2026

Elke ochtend naar de E-gym gaan doet meer dan mijn lichaam sterker maken. Het brengt ook iets terug wat ik lang kwijt was: een natuurlijk dagritme.
Ik ga op tijd naar bed — nog steeds laat, maar minder laat dan vroeger. In plaats van vier of vijf uur slaap, slaap ik nu zeven tot acht uur. Soms meer. En dan sta ik op. Rond negen. Zelfs op zondag. Vandaag stond ik om half negen naast mijn bed.

Het eerste wat ik doe, is mijn droom opschrijven. Ook dat is nieuw. Dat ik me iedere ochtend bewust ben van wat ik heb gedroomd. Soms is het een verhaal vol details, soms alleen een stem, een woord, een sfeer. Er blijft altijd iets hangen wat anders in mijn onbewuste zou verdwijnen.

Het bijzondere is hoe die dromen synchroon lopen met mijn wakkere leven. Alsof ze meelopen. Alsof ze commentaar geven zonder uitleg.

Het voelt hetzelfde als schilderen of schrijven. Dat kan ik alleen vanuit wat ik flow noem. Het overkomt me. Ik weet vooraf niet wat ik ga maken. Er is een drang. Een beweging die wil ontstaan. Tijdens het maken loop ik Annette als het ware achterna.
Oh… wordt dit het?
Of toch dat?
En als het af is en ik zelf nog niet begrijp waarom ik dit heb gemaakt, dan blijf ik kijken. Dagen soms. Weken. Dat noem ik dweilen.

Het afgelopen jaar ontdekte ik iets nieuws: werken die ik tien, twintig jaar geleden maakte, spreken nu opnieuw tot me. Met een extra laag. Alsof ze hebben gewacht tot ik ze kon verstaan.

Ik wist al dat het leven vol mysteries zit. Misschien vind ik het daarom zo mooi. Het houdt me nieuwsgierig. Niet naar wat ik kan leren uit boeken of cursussen — maar naar mezelf. Wat gebeurt er nu? Hoe reageer ik hierop? Waarom voelt dit bekend en toch anders? Dat vind ik spannend. Op een goede manier.

Vandaag zei ik nog tegen Ton dat ik door de jaren heen best veel dingen niet meer kan. Het is een langzaam proces geweest. Stilletjes. Mijn actieradius werd kleiner. Maar ik denk nooit: dat kan ik niet meer. Ik denk: dat heb ik gedaan. En ik heb ervan genoten. En daar ben ik blij mee.

Er kwam iets voor terug. Tijd. Ruimte. Schilderen. Schrijven.

Als kind leefde ik van buiten naar binnen. Liefst alleen.
Als puber en jongvolwassene leefde ik van binnen naar buiten. Uitgaan, dansen, reizen, de wereld in beweging ervaren. Yoga.
De afgelopen tien jaar leefde ik weer van buiten naar binnen. Een periode van intens schilderen.

En nu — na het CVA — zijn beide bewegingen er tegelijk. Met extra verdieping.

De dromen voelen als de flow. Ze vertellen mij iets. Ze geven kleur en betekenis. Van buiten naar binnen.
De E-gym voelt als een levensstijl die ik wil vasthouden. Niet op zoek naar vriendschappen, wel naar fijne dagelijkse contacten. Van binnen naar buiten.

Zo zie ik dat het kleine leven dat ik leef — waarin op het eerste gezicht weinig spannends gebeurt — door mij als intens en levendig wordt ervaren.

Voor mij is het een dikke tien.

Misschien is rijkdom niet wat groter wordt,
maar wat dieper zakt.
Misschien is beweging niet altijd zichtbaar,
maar voelbaar.
En misschien is een leven pas groot
wanneer het klopt van binnen.

 

 

 

 

 

 

 

Wanneer ervaringen van plaats veranderen


30 januari 2026

Het is vreemd om dit op te schrijven, terwijl het tegelijk zo helder is.

Vijfentwintig jaar geleden kwam mijn moeder, na een leven lang ontkennen, met haar bekentenis. Wat dat betekende, hoe dat gegaan is, wat het met mij deed — dat verhaal hoeft hier niet opnieuw verteld te worden. Het trauma is doorleefd. Letterlijk en figuurlijk. Dat ligt achter me.

Wat mij nu bezighoudt, is iets anders. Een gewaarwording die ik toen had — en die zich nu opnieuw aandient.

Destijds gebeurde het ’s nachts. Ik voelde mijn hersenen bloedheet worden en draaien, alsof er letterlijk beweging in mijn hoofd zat. Niet als pijn, maar als activiteit. Alsof iets door brandend vuur een andere plek zocht. Koud douchen hielp niet. Ik had geen hoofdpijn. Alleen deze intense, lichamelijke ervaring.

Mijn huisarts — toen mijn arts, nu mijn man — wist er geen raad mee en verwees me door. “Zoek een goede die bij je past,” zei hij.

De psycholoog gaf er woorden aan die zijn blijven hangen. Hij gebruikte de metafoor van een bibliotheek. Elke ervaring heeft daarin een plek. Jarenlang was deze waarheid — door ontkenning — linksboven op een plank terechtgekomen waar ze niet hoorde. Nu moest ze naar rechts onderin. Dat herschikken kost energie. Verwerking. En bij mij voltrok dat zich niet alleen mentaal, maar fysiek.

Niet bij iedereen gebeurt dat zo, zei hij. Maar mijn lichaam is altijd mijn eerste boodschapper geweest.

Waarom ik dit nu opschrijf? Omdat ik het weer voel. De hitte. Het draaien. Niet zo heftig als toen. Trager. Milde golven in plaats van vuur. Geen paniek. Geen angst. Alleen herkenning.

Er is opnieuw iets verplaatst. Niet alleen lichamelijk — misschien zelfs meer mentaal. Het verleden is er nog. Het was er. Maar het raakt mij niet meer. Niet als pijn. Niet als lading. Het is geïntegreerd, zonder strijd.

Deze keer hoef ik niets te doen. Ik hoef het niet te begrijpen. Mijn systeem weet de weg. Toen was het overweldigend. Nu is het vertrouwd. En dat verschil zegt alles.

Er zijn verschuivingen die geen geluid maken, geen drama vragen. 

Ze kondigen zich aan in stilte, in warmte, 

in beweging onder de huid. 

Niet omdat iets opnieuw open moet, 

maar omdat het eindelijk rust vindt. 

Mijn systeem werkt. Ik laat het toe.

 

 

 

 

 

Wat blijft


29 januari 2026

Kleur is voor mij altijd belangrijk geweest.
Toen ik jonger was, volgde ik mode — of liever: ik liep er net voor. In kleding, in interieur, in mijn haar. Het mocht anders, gewaagd, zichtbaar. Mijn haar kende alle kleuren van de regenboog. Creatieve kapsters mochten zich uitleven: lang, kort, stekels, asymmetrisch, hanenkam — alles kon, alles mocht.

Mijn huis bewoog mee. Eerst bamboe, daarna strak grijs met zwart, later weer grof hout en natuurlijke materialen. Elke fase had zijn eigen beeld, zijn eigen stem.

Door yoga begon er iets te verschuiven.
Niet abrupt, maar langzaam.
De vraag werd niet meer: hoe wil ik gezien worden?
Maar: wat voelt werkelijk als van mij?

Langzaam verdwenen de uitgesproken kapsels en de felle kleuren. Grote oorbellen, schreeuwende accessoires — ze vielen weg. Mijn uiterlijk werd stiller, soms bijna onopvallend. Mijn huis veranderde mee. Niet volgens trends, maar volgens wat mij rust gaf. De kleuren bleven, maar keerden telkens terug in nieuwe schakeringen. Steeds dezelfde familie, steeds anders geordend.

Er bleven een paar dingen over die nooit verdwenen.
Ik draag alleen bijzondere jassen.
De kleuren in mijn huis blijven verwant.
En… ik hou van glas.

Dat zie ik nu pas helder. Glas is er altijd geweest. Glazen bollen, vazen, lampen, tafels, karaffen. Kunst met glas. In Italië raak ik nooit uitgekeken op Murano — het moderne, het klassieke, de overdreven kroonluchters. Vorig jaar ontdekte ik de glasindustrie in Tsjechië. Ook dat maakte me blij, nieuwsgierig.

Waarom glas?
Misschien omdat het transparant is.
Omdat het licht doorlaat en tegelijk vasthoudt.
Omdat kleur in glas geen schreeuw is, maar een gloed.

Glas ontstaat door hitte, door transformatie. Natuurlijk glas kan ontstaan door blikseminslag, door vulkanische kracht, door meteorieten die de aarde raken. Door geweld — en toch blijft het helder. Wij mensen maken het al eeuwen: zand, soda, kalk, vuur. Iets gewoons dat iets tijdloos wordt.

Wat mij raakt, is dit:
glas is breekbaar, maar nauwelijks gevoelig voor erosie.
Het kan duizenden jaren meegaan.
Het verdraagt weer en wind.
Het hoeft zich niet te verharden om te blijven bestaan.

Glas voelt zoals ik zou willen zijn. Transparant. Open.
Licht van binnen naar buiten, en van buiten naar binnen. Altijd in verbinding.

Vandaag gaf Ton mij vier gekleurde glazen potten. Ze staan naast een glazen kunstwerk in het raamkozijn. Het is maar materie. En toch maakt het me blij. Het laat iets in mij zingen.

Niet omdat het nieuw is. Maar omdat het klopt.

Misschien laat het zien

hoe kracht kan schijnen,

hoe breekbaarheid blijft,

en licht telkens verandert.

 

Herbeleven

 

28 januari 2026

Er was een tijd dat ik besloot oud te worden. Niet als wens, maar als keuze. Ik was begin twintig, zat in een rolstoel, gebruikte een scootmobiel, en de vooruitzichten waren niet hoopvol. Te veel bewegen zou afbraak betekenen, werd gezegd. Ik deed het toch. Dagelijks yoga, tegen adviezen in. Niet om iets te bewijzen, maar omdat mijn lichaam iets anders wist. Langzaam, bijna onopvallend, werkte ik mezelf uit de rolstoel.

Die keuze — oud worden — heb ik nooit losgelaten.

De afgelopen jaren kreeg mijn lichaam klap na klap. Een ernstige val, ontstekingen, hartritmestoornissen, een gebroken meniscus en uiteindelijk een CVA. Het voelde soms alsof het leven steeds luider werd, niet om mij te breken, maar om mijn aandacht te trekken. Alsof mijn lichaam mij wilde laten herinneren dat vasthouden niet hetzelfde is als dragen, en dat doorgaan soms iets anders vraagt dan volhouden.

In een droom hoorde ik het woord herbeleven. Niet opnieuw ziek worden, maar het goed onderzoeken, dit keer zonder steken te laten vallen. Dat woord bleef bij me. Pas later begreep ik dat het niet over het ziekenhuis ging, maar over mijn lichaam. Over opnieuw bewonen wat ik ooit had overwonnen, maar nu op een andere manier, met meer zachtheid en minder strijd.

Toen ging ik tegen de stroom in, maar ook met mezelf mee. Dat besef kwam pas achteraf. Ik volgde geen medische adviezen, maar ik volgde wél mijn lichaam. Dat bleek geen roekeloosheid, maar trouw zijn aan iets wat ik toen al aanvoelde, zonder het te kunnen benoemen.

Nu doe ik eigenlijk hetzelfde. De vorm is anders, minder heftig misschien, maar de beweging is opnieuw herkenbaar. Ik ga tegen verwachtingen in, tegen cijfers en haast, en tegelijk met mezelf mee. Tijdens een gesprek zei mijn cardioloog: “Als ik in jouw schoenen zou staan, zou ik het zeker doen.” Ze bedoelde medicijnen, Ozempic, ingrijpen. Ik begreep haar, maar ik wist ook meteen: dit zijn niet mijn schoenen.

Gaandeweg ontdekte ik dat het niet langer ging om sterker worden, maar om zachter durven zijn. Om emotionele pijn niet meer vast te zetten, maar haar door te laten. Wat ik uit het verleden bleef vasthouden, hield ook mij vast. Mijn lichaam had dat jarenlang voor me gedragen, tot het mij dwong stil te staan en te luisteren.

Herstel bleek geen strijd te zijn, maar een proces van loslaten. Geen versnellen, maar vertragen. Geen forceren, maar vertrouwen. Ik train nu elke ochtend, niet om af te vallen of te presteren, maar om aanwezig te zijn in mijn lichaam. Beweging als gesprek, ritme als bedding, en het besef dat tijd hier geen vijand is.

Oud worden betekent voor mij niet volhouden ten koste van alles, maar toestaan wat zich wil ontvouwen. En misschien is dat wel de diepste betekenis van herbeleven.

Ik ging tegen de stroom in,
maar altijd met mezelf mee.
Dat doe ik nu opnieuw —
met meer zachtheid,
en hetzelfde vertrouwen.

 

 

 

 

 

Een dag in lagen

 

27 januari 2026

Vanochtend komen we aan bij de gym. Nog voordat ik uitstap, zie ik hem al: een zwarte labrador die door het raam naar binnen kijkt. Niet aangelijnd. Zijn baasje is kennelijk binnen aan het trainen. We parkeren de auto en zodra ik uitstap, komt hij blij kwispelend op me af. Ik ben net zo blij als hij. Al aaiend zet ik hem weer voor het raam. Hij gaat netjes zitten wanneer ik het zeg. Op dat moment denk ik: mijn dag kan eigenlijk al niet meer stuk.

Er komt vaker op de training een grote, struise vrouw. Haar houding roept bij mij iets op. Bijna arrogant — zo’n beeld dat mijn moeder vroeger een vlaggenschip noemde. In mijn hoofd zie ik dan een oud schip met een rijk versierde boeg, een spiegel: indrukwekkend, strak in de lak, afstand scheppend. Geen ijdelheid, geen oordeel — meer een presentatievorm. Een voorkant die zegt: hier sta ik, dit is mijn boeg, zo wil ik gezien worden.

Op nieuwjaarsdag droeg ze een zilverkleurig nep-kroontje met Happy New Year. Wat me toen al opviel, was hoe die ludieke, vrolijke uiting niet synchroon liep met haar uitstraling. Vandaag loopt ze een toestel vóór mij. Ze kijkt niet om, haar houding is gesloten. Vroeger had ik me hierdoor geïntimideerd gevoeld, of het bij mezelf gezocht. Nu zei ik in de auto tegen Ton:
“Volgens mij is iemand die zich zo presenteert eigenlijk heel onzeker.”
De volgende keer kijk ik met die gedachte naar haar. Ik vraag me af of dat iets zal veranderen — misschien vooral in mij.

Het was ook de dag dat ik weer een afspraak had bij de hartkliniek. Al sinds 3 juli vorig jaar zijn we bezig met onderzoeken naar mijn hart en het ritme. De hartfilmpjes zijn inmiddels ontelbaar. Dit keer liep het wachten veertig minuten uit. We werden naar een kamertje gebracht met de mededeling dat ik me alvast kon uitkleden, zodat er nog snel een hartfilmpje gemaakt kon worden voordat ik naar de cardioloog ging.
Ton en ik zeiden tegelijk: “Dat dacht ik niet.”
“Maar dat is protocol,” zei de assistente.
“Helaas,” antwoordde ik, “ik ben klaar met protocollen.”

We kregen een gesprek met weer een nieuwe cardioloog. Ze gaf mildere opties om over na te denken. Over zes weken komen we terug, zodat we er in rust over kunnen nadenken. Dat voelde goed.

Het was voor mij ook een dag van synchroniciteit. Niet als verklaring, niet als toeval, maar als een manier om dingen te onthouden. Eerst had Ton een afspraak voor de hondjes gemaakt op 3 maart — de verjaardag van een goede vriendin. Later maakte hij voor zichzelf een afspraak bij de praktijkondersteuner op 21 juli — de verjaardag van mijn tante, de enige zus van mijn moeder. En in de hartkliniek werd mijn vervolgafspraak gepland op 10 maart. De geboortedag van mijn overleden man Michel.
Ik gebruik zulke data als ezelsbruggetjes. Vandaag waren ze opvallend aanwezig.

Op de terugweg naar huis voelde ik me verdrietig. Zonder duidelijke reden. Misschien is Weltschmerz het juiste woord. Nu ik dit aan het eind van de dag opschrijf, is dat gevoel weer weg. Het mocht er even zijn. Dat was genoeg.

Misschien zijn sommige dagen geen verhaal,
maar een verzameling lagen.
Een hond die vertrouwt.
Een façade die ik anders leer zien.
Een grens die ik rustig trek.
Een datum die blijft hangen.
En een gevoel dat komt en weer gaat.

Vandaag hoefde niets opgelost te worden.
Ik was er gewoon.

 

 

 

 

 

 

Mijn zon gaat op, ik zag zijn vrijheid

 

26 januari 2026

Gisteren was het de geboortedag van mijn schoonvader. Ik werd eraan herinnerd door een bericht dat een neef op Facebook plaatste.
Wanneer ik aan hem denk, gebeurt er vrijwel altijd hetzelfde: mijn zon gaat van binnen op. Niet als herinnering die pijn doet, maar als iets wat vanzelf aanwezig is. Hij was voor mij een bijzonder mens. Ik hield van hem. Zijn aanwezigheid raakte me zoals weinig mensen dat ooit hebben gedaan. Ik ben dankbaar dat ik hem via mijn man Michel heb leren kennen.

Het is moeilijk uit te leggen wat ik precies voel. Het is geen gemis. Geen verdriet. Het is een verbinding die ik tot op de dag van vandaag met niemand anders zo heb ervaren. Er zijn geen juiste woorden voor, en misschien hoeven die er ook niet te zijn.

Toen ik hem leerde kennen, viel me meteen op hoeveel Michel op zijn vader leek. In zijn stem, zijn gezicht, zijn handen, zijn mimiek. En toch was er een verschil. In de ogen van Max zag je diepte, ondeugd en joie de vivre. Bij Michel zag je eerder geslotenheid en melancholie. Alsof zij elk een andere manier hadden gevonden om met hetzelfde leven om te gaan.

Wat ik toen nog niet kon benoemen, maar nu wel zie, is dit:
Max leefde vrijheid niet als luxe, maar als noodzaak. Niet als iets wat je je permitteert wanneer het leven meewerkt, maar als iets wat je kiest omdat er anders geen leven overblijft. Dat herkende ik onmiddellijk. Zonder woorden. Zonder aarzeling. Misschien was dat de reden dat ik hem meteen zag.

Max werd door mensen bewonderd en veroordeeld. De bewondering kwam vaak uit de creatieve kringen waarin hij zich bewoog — kunstenaars, schrijvers, dansers, zangers — mensen die hij ontmoette in cafés als Reijnders en Eijlders op het Leidseplein. De veroordeling kwam vaker uit zijn directe omgeving. Na de oorlog besloot Max dat het leven van hém was. Dat niemand hem ooit nog beperkingen zou opleggen. Vrijheid was zijn leidraad, op alle vlakken. Niet altijd gemakkelijk voor de mensen om hem heen, maar voor hem onontkoombaar.

De eerste keer dat ik hem ontmoette, gingen we samen uit eten. Toen Michel even naar het toilet was, pakte Max mijn hand en keek me indringend aan. Met zijn diepe, beschaafde stem vroeg hij of ik het zou willen overwegen hem er ook bij te nemen. Meteen daarna zei hij:
“Volgens mij ben jij niet geschokt door deze vraag.”
Hij had gelijk. Dat was ik niet. Ik vertelde hem dat ik het liever bij Michel hield — en daarmee was het goed. Die vrijheid van spreken, zonder drama of oordeel, typeerde hem.

Max overleefde de oorlog — naar eigen zeggen door puur geluk. Hij droeg die geschiedenis met zich mee, zonder haar uit te dragen als wapen of schild. Hij wist hoe kwetsbaar de mens is, en hoe noodzakelijk het soms is om een pantser te dragen. Dat pantser beschermt. Maar als het afgaat, blijft de mens over — kwetsbaar, open, levend.
Door hem ben ik gaan zien hoe vrijheid niet gegeven wordt, maar gekozen. En hoe je daar soms een prijs voor betaalt: afwijzing, onbegrip, eenzaamheid. Maar ook hoe trouw blijven aan die keuze iets oplevert wat niemand je meer kan afnemen.

Vanmorgen keek ik opnieuw naar de uitzending van Achter het Nieuws, geheel gewijd aan Max, gepresenteerd door een jonge Paul Witteman. Ik zie hem dan. Ik hoor hem. En meteen gebeurt het weer: mijn zon gaat op.
Ik voel geen verdriet dat hij er niet meer is.
Ik voel dankbaarheid dat hij in mijn leven was — en nog steeds is.

Ik mis hem niet.
Ik draag hem.
Niet als herinnering die pijn doet,
maar als aanwezigheid die warm blijft.
Misschien is dat ook een vorm van vrijheid:
dat wat werkelijk verbonden was,
niet verdwijnt,
maar van plaats verandert.

 

Als je benieuwd bent naar de uitzending die ik noem, hier is de link:
https://youtu.be/LVbnR_LpI8Q

 

Trouw voor jou

 

25 januari 2026

Soms valt iets wat je al je hele leven leeft ineens samen met woorden van buitenaf.
Niet als bewijs, maar als herkenning.

Er zijn weinig foto’s van mij als kind. En als ze er zijn, zit ik bijna altijd met mijn neus tegen een hond aan. Alsof dat vanzelf zo hoorde. In mijn jonge jaren heb ik heel wat tranen achtergelaten in de vacht van mijn hond Rakker. Stille tranen. Door niemand gezien — behalve door hem. Dat was genoeg.

Herken je dat — dat wat je ziet of hoort je even een steuntje in de rug kan geven?
Een glimp is soms al genoeg om te voelen dat je niet de enige bent.

Mijn hondjes zijn mijn meest trouwe partners. Ze lijken altijd te voelen hoe het met me gaat. Alsof ze mij lezen zonder vragen te stellen. Andersom voelen zij zich ook veilig bij mij. Het is een vanzelfsprekendheid tussen ons, geen afspraak.

Ooit had ik een hondje dat Donald heette. Niet mooi, maar ontzettend lief en eigenwijs. Ze mocht van ons niet op de bovenverdieping komen. Ze sliep beneden, in haar mand. Toch lag ze soms boven, op de overloop bij mijn slaapkamer. Het lukte ons niet om haar daar weg te krijgen. Ze opende zelf deuren, ook als we de sloten hadden omgedraaid.

Ik ontdekte later het patroon: wanneer ze zo halsstarrig boven bleef liggen, werd ik ziek. Zij voelde het al voordat ik het zelf doorhad. In die tijd was ik jong en ging ik structureel over mijn grenzen om zo normaal mogelijk te functioneren — als vrouw, partner en moeder. Dat hield ik een tijdje vol. Tot ik instortte. Mijn hond wist het eerder.

Als ik haar daar zag liggen, dacht ik: ojee, ik moet gas terugnemen. Dat was altijd te laat. Zij bleef naast mijn bed liggen tot ik weer beter was.

De blik in haar ogen toen we haar lieten inslapen, het vertrouwen dat ze had — dat zijn kostbare momenten. Een band die ik met geen enkel mens ken. Dat kan aan mij liggen, maar zo ervaar ik het.

Veel later kreeg ik Pan. Als pup werd hij ernstig ziek. Wekenlang verzorgde ik hem dag en nacht. Ik zette ’s nachts de wekker om zijn medicatie te geven. Hij overleefde het. Hij werd groot, zwaar, lief en trouw. Voor anderen indrukwekkend, voor mij — als hij de kans kreeg — een schoothond.

Toen Michel ziek werd, week Pan niet van zijn zijde. Op de bank, in bed, overal. Na Michels overlijden verplaatste Pan zijn aandacht direct naar mij. In die periode was ik zwak, mentaal en fysiek. Pan voelde dat hij mij moest beschermen. Dat sloeg om in dominantie en gevaarlijk gedrag naar iedereen buiten onze directe kring.

Bij mij lag hij samen met Kiba op bed. Zacht, beschermend, afgestemd. Maar naar de buitenwereld toe was hij niet meer veilig. Ik heb nog een hondencoach ingeschakeld, maar ik kon hem letterlijk niet aan. Hij was te sterk. Zijn roedel bestond uit mij, Kiba, de katten, de kinderen en ons kleinkind.

Voor het eerst in mijn leven moest ik afstand doen van een dier. Dat is nu tien jaar geleden. Nog steeds, als ik een Berner Sennen zie, gaat er een scheut door mijn hart.

Kiba was in die tijd een vrolijk, atletisch hondje. Na het verlies van Michel en Pan veranderde ze. Ze lag dagenlang in een hoekje, liep met haar staart tussen haar pootjes. De dierenarts vertelde me dat dieren ook rouwen. Ze had twee verliezen te verwerken. Pas na een half jaar kwam er weer leven in haar terug.

Vlak bij mijn huis stond eens een woning in brand. De brandweer gebruikte mijn huis als commandopost. Er werd een hondje uit het huis gered en het trillende dier werd op mijn schoot gezet. Ze heette Fluffy. Vanaf dat moment is ze nooit meer bij me weggegaan. Soms hoor ik haar getrippel nog in mijn hoofd, vlak achter mijn been. Ze werd vijftien en mocht bij de dierenarts in mijn armen inslapen.

In de coronaperiode namen veel mensen een huisdier. Puck werd als pup aangeschaft door jonge mensen. Toen het leven weer normaal werd, verdween hun aandacht. De moeder van het stel vond het zielig en zocht een nieuw baasje. De eigenaresse van de trimsalon stuurde mij een foto met de vraag of ik nog een plekje had.

Ik was verkocht.

Puck loopt, net als Fluffy, de hele dag achter mij aan. Ze ligt bij me op bed, wil naast me zitten of op schoot. Ze houdt me in de gaten. Ik knuffel mijn hondjes veel.


De laatste tijd zie ik steeds meer verschijnen over honden en mensen. Artikelen, gesprekken, reflecties.

Je hond als therapeut.
Wat huisdieren doen voor je mentale gezondheid.
Een monnik die zich afvraagt of het vies is dat een hond op bed slaapt — en concludeert dat er zelfs voordelen zijn.

Ik neem zo’n blad niet stiekem mee uit de wachtkamer. Ik schrijf het nummer op en bestel het later. Niet omdat ik iets zoek, maar omdat ik herken wat ik al lang leef. Het doet me goed dat er nu vanuit meerdere hoeken anders gekeken wordt naar dieren. Naar wat zij doen voor ons — en wij voor hen.

Trouwe aanwezigheid vraagt geen uitleg.
Ze is er.
Ze voelt wat ik zelf nog niet kan dragen.
Ze blijft, zonder voorwaarden.

Dat is voor mij trouw.

 

Puck en Kiba

 

 

 

 

 

 

 

Missen als een ronde vorm

 

24 januari 2026

Verlies is een groot onderdeel van mijn leven.
Van ieders leven.

Al jong ontdekte ik dat schrijven hierover voor mij winst kon zijn.
Op deze plek schrijf ik vooral over hoe ik verlies ervaar en hoe ik ernaar kijk. Dat maakt het niet tot waarheid. Voor mij wel, voor een ander misschien niet. Wat ik nu als waar ervaar, kan verschuiven door nieuwe inzichten.

Nieuwe inzichten kondigen zich bij mij altijd lichamelijk aan. Als een soort bevestiging.
Er gaat een Willie Wortel-lichtje aan in mijn hoofd. Of ik krijg kippenvel. Soms nog sterker, als een korte elektrische schok. Ik ga er niet bewust naar op zoek. Ik geloof dat de tijd zijn eigen tijd kiest. Dat vraagt rust en geduld. Groeien als mens vraagt wachten. Gek genoeg zijn inzichten die ik forceer voor mij vaak niet zuiver. Ze halen me weg bij wat zich werkelijk wil laten zien.

Het leven voelt voor mij als een kronkelig, breed pad met zijwegen. Uiteindelijk kom ik altijd weer terug op dat brede pad. Ik heb geleerd geen spijt te hebben van de zijwegen die ik nam. Soms uit ongeduld. Soms geleid door emotie. Het vallen en opstaan, de pijn, de ervaringen — ze blijken later winst.

Zo is geboren worden voor mij het begin van verlies.
Een lichaam hebben betekent beperking. Het moet gevoed worden, onderhouden, beschermd.

Elke verandering tijdens het opgroeien is het verlies van wat was en de winst van wat nieuw ontstaat. Dat geldt lichamelijk en mentaal. Iedere dag sterft er iets. En iedere dag komt er ook iets bij. Letterlijk: gisteren is weg, morgen is er nog niet.

Wat is er dan wel?
NU. Dit moment.

Ton en ik bezochten een tentoonstelling met de titel Missen als een ronde vorm. Kunstenaars die vorm hebben gegeven aan missen, aan omgaan met verlies en rouw. Ik was nieuwsgierig hoe zij dat hadden gedaan.

— Ieder mens krijgt vroeg of laat te maken met verlies. Of het nu gaat om het verlies van een dierbare, een huisdier of een vaderland. Hoe ga je om met het gemis en hoe houd je je dierbaren dicht bij je? —

Dat waren de eerste zinnen uit de aankondiging. In de zalen zag ik vooral het verdriet om dierbaren. De pijn van het missen werd op veel manieren verbeeld. Mooie kunst, maar het maakte me ook wat somber.

In een grote zaal, met uiteenlopende werken, stond een tekst op de muur die iets in mij raakte:

— In deze zaal wordt verdriet niet als een moment getoond, maar als een beweging. Als een trage golf die blijft komen en gaan, zelfs na het overlijden. Hoe krijgt de afwezigheid van de ander vorm in het dagelijks bestaan? —

Daar werd iets helder voor mij. Verlies en doorleven hebben voor mij niet alleen te maken met het missen van een dierbare of een vaderland. Ze zitten ook in de kleinste, dagelijkse dingen. Dichtbij. Voor mij is dat de essentie van wat wij leven noemen. Het begint in de kleinste atomen, in en om ons heen. Afsterven en vernieuwen.

Wanneer je dit kunt zien als een onafgebroken cyclus, is het altijd NU.

Voor mij is de enige ware ervaring van het heden het loslaten van verwachtingen, angst, zorgen, onrust en pijn. Door mijn hoofd leeg te maken van het verleden en de controle over de toekomst los te laten, kan ik in dat ware nu zijn.

De Annette die mij in de spiegel aankijkt, ben ik op het moment dat ik er voor sta.
Geen seconde eerder.
Geen seconde later.

Wat nam ik mee van deze tentoonstelling?

Het besef dat ieder mens een ander referentiekader heeft om vorm te geven aan iets als — missen.

En dat het allemaal waar is.

Missen is geen leegte die gevuld wil worden,
maar een beweging die rondgaat.
Wat verdwijnt, verandert van vorm.
Wat blijft, beweegt met me mee.

En telkens weer
is er alleen dit moment
waarin alles samenkomt.

 

 

24 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

Wanneer lachen kantelt

 

23 januari 2026

OMG!!!
Dit keer heb ik mezelf wel even op m’n nummer moeten zetten.

Aan het begin van de week waren mijn twee vriendinnen op visite. Hilde en ik hebben een gezamenlijke vriendin met een bepaalde, serieuze naïviteit waar we altijd enorm om moeten lachen. Met haar maak je Fawlty Towers-achtige situaties mee. Doordat zij zelf zo serieus is, lijkt het voor Hilde en mij soms alsof we in een sprookjesachtige comedy terecht zijn gekomen. We hebben onszelf toegestaan om hier samen over te praten — misschien is roddelen wel het juiste woord. In ieder geval komen die situaties soms boven en dan lachen we echt tranen met tuiten.

We vertelden dit aan Carry. Ik zag aan haar gezicht dat ze het geen fijn idee vond. Roddelen — het woord alleen al. En eerlijk gezegd ben ik het helemaal met haar eens. Ik heb slechte herinneringen aan roddelen. Het kan heel naar zijn. Hilde en ik bedoelen het niet kwaad. Maar waar ligt dan de grens tussen roddelen en het vertellen van een anekdote over iemand?

De afkeurende blik van Carry kwam wel bij me binnen. Ik voelde me schuldig. Het was geen vervelend verhaal, het was vooral heel komisch. Maar dan gaat het er misschien niet om wat je vertelt, maar waarom. Lachen we om een situatie — of lachen we iemand uit?

Vandaag was ik samen met Ton in een museum. Ton leest bij alle schilderijen en beelden de teksten, waardoor hij langzaam en geconcentreerd door een zaal schuifelt. Ik was ondertussen in het restaurant gaan zitten. Daar staan lange tafels aan elkaar, waardoor onbekenden zomaar naast je komen zitten. Zo zat ik daar eerst alleen, rustig te lezen.

Toen kwam er een groep dames naast mij zitten — een stuk of zes, zeven. Ze hadden het over een vrouw die er nu niet bij was. Het was overduidelijk roddel.

“Ach ja, ze heeft altijd wat.”
“Nou, als jij wist wat ík allemaal heb meegemaakt.”
“Waarom heeft ze jou geappt en niet in de groepsapp?”
“Ja, ze mag mij natuurlijk niet.”
“Geeft niet hoor, ik zorg gewoon dat ik nooit naast haar ga zitten.”
“Ik heb een appje gekregen — zal ik het voorlezen?”

Op een schertsende toon begon een van hen het bericht voor te lezen. En op dat moment zakte alle energie uit mij weg. Ik wilde alleen nog maar naar buiten. Dan maar in de kou wachten.

Ooooh… wat is dat erg.

De conclusie diende zich bijna lichamelijk aan: lelijk praten over iemand doet iets. Met jezelf. Met de ruimte. Met de ander — ook al is die er niet bij.

Buiten stond ik in de winterkou diep adem te halen. En ik dacht:
Annette, laat dit een les zijn.
Misschien niet om nooit meer over iemand te praten — leuk of niet —
maar om het alleen te doen wanneer je bereid bent je gedachten ook open en eerlijk met die persoon zelf te delen.

Of misschien is dat geen regel,
maar een oefening.

Eén die vandaag weer zichtbaar werd.

Misschien begint eerlijkheid niet bij wat ik zeg,
maar bij wat ik voel wanneer ik het zeg.
En misschien vraagt vrijheid soms niets groots,
alleen de moed om stil te worden
op het moment dat iets niet meer klopt.

Vandaag luisterde ik.

 

 

 

23 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

VRIJHEID

 

22 januari 2026

Op 22 januari 2025 werd ik opgenomen op de stroke-unit van het ziekenhuis. Natuurlijk was dat vervelend. Tegelijkertijd was het een moment waarop mijn gedachten direct vooruit gingen: hoe nu verder met deze verlammingen?
Geen schrik. Nee — eerder acceptatie van wat er was. Zelfs in de ergste scenario’s zag ik al mogelijkheden. Het weten dat ik altijd een weg vind om me gelukkig te voelen, hoe mijn situatie ook zal zijn. Dat geeft mij een gevoel van vrijheid.

Vandaag gaat het zoveel beter, zowel mentaal als fysiek. Veel beter dan ik had kunnen bedenken. Een kantelpunt in mijn leven. Je ziet het misschien niet aan de buitenkant, maar van binnen voel ik rust. Ik voel me vrij van de donkere geesten uit het verleden. Ze zijn onderdeel van wie ik ben, zonder dat ze me nog raken. Ze zijn er als ervaring — en dat voel ik als vrijheid.

Na het trainen vandaag scheen de zon in mijn lichaam. Mijn gezicht straalde ervan. Dat is vrijheid.

Sinds Ton en ik op de EGYM trainen, heb ik een app die alles registreert: wat ik gedaan heb, hoe zwaar, hoeveel, de vooruitgang en/of achteruitgang. Het is fijn en aantrekkelijk om dit niet alleen te voelen en te ervaren, maar ook visueel in kaart te zien. Helaas werkt deze app bij Ton niet. We maakten daarom een afspraak met de administratie om daar persoonlijk langs te gaan. Zo gezegd, zo gedaan.

Ton vroeg ook naar mijn medische indicatie en hoe de vergoeding loopt. Eerst moet je langs een fysiotherapeut, die voert het in, en dan loopt het via de zorgverzekering. Maar… dan mag je alleen tussen 12.00 en 16.00 uur komen. Alleen als je zelf betaalt, kun je kiezen wanneer je wilt trainen — van 8.00 tot 21.00 uur.

Wat voor mij op dit moment zo goed werkt, is: opstaan, wassen, ontbijten (de helft), trainen, en daarna terugkomen om verder te ontbijten. De hele dag ligt dan nog voor me. Dat zou dus niet meer kunnen.

Op het moment dat deze vriendelijke dame dit tegen ons zegt, voel ik het vuur uit mijn ogen schieten en zeg ik:
“Dus als je gehandicapt bent, wordt niet alleen je lichamelijke vrijheid beperkt, maar deze vrijheid ook?”

De schrik in haar ogen laat mijn opkomende woede direct zakken. Ik voel begrip: zij heeft deze regels niet gemaakt. Ik verontschuldig me meteen voor mijn snelle, verongelijkte reactie.

Er zijn twee opties.

  1. Zelf een abonnement betalen zonder indicatie.

  2. Het ziekenfonds bellen, in de hoop dat het anders geregeld kan worden.

Het ziekenfonds houdt zich strikt aan de regels. Ga ik op de vastgestelde tijden, dan betalen ze €50 per dag. Doe ik dat niet, dan betalen ze niets en kost het mij €50 per maand. De keuze was eenvoudig. Liever zelf bepalen.

Het grappige is dat ik als puber een tijdlang de boeken van Jean-Paul Sartre verslond. Het existentieel humanisme stelt dat de mens volstrekt vrij is en zelf zijn leven en betekenis moet creëren in een wereld zonder inherente zin. Dat brengt een totale verantwoordelijkheid met zich mee: de mens is ‘veroordeeld tot vrijheid’. Vrijheid is geen cadeau, maar een opdracht. Elke keuze vormt niet alleen jezelf, maar ook de mensheid.
Daarin paste ik mijn eigen moraal, zoals ik die had geleerd en geïnterpreteerd uit de Bijbel. Ik dacht daarbij meer aan een BRON dan aan een God.

Jaren later, tijdens mijn studie, kwam ik Carl Rogers tegen. Opvallend was dat dit existentieel-humanistische denken nauwelijks aandacht kreeg op de universiteit. Voor mij sloot Rogers nog dichter aan bij hoe ik in het leven sta. Zijn humanisme legt de nadruk op vrijheid via zelfactualisatie: de aangeboren drang van de mens om zijn volledige potentieel te benutten. Dat kan alleen bloeien in een omgeving van onvoorwaardelijke positieve acceptatie, empathie en echtheid. Van daaruit ontstaat autonomie — leven vanuit een intern referentiekader, los van externe, vaak voorwaardelijke eisen.

Al tijdens mijn studie verzette ik mij innerlijk tegen vaste definities op dit vlak. Veel later ben ik het eclectische gaan omarmen en kon ik mezelf toestaan dit als een organisch groeiend concept te zien. Niets vaststaand. Beweeglijk. Veranderlijk zelfs. Vrijheid is nauwelijks te definiëren. Eigenlijk verlies je al een deel op het moment dat je geboren wordt. Je hebt opeens een lichaam.
Hoe vrij is dat?

Vrijheid is niet de afwezigheid van grenzen, maar de manier waarop ik me tot grenzen verhoud — ethisch, belichaamd, en met oog voor de ander.

Door dit sterke vrijheids-thema moest ik ook denken aan mijn schilderij Colorful Equality.
“For to be free is not merely to cast off one’s chains, but to live in a way that respects and enhances the freedom of others.”
Jaren geleden maakte ik dit schilderij met die quote van Nelson Mandela.

Colorful Equality is een ode aan gelijkwaardigheid, vrijheid en respect. De vele hoofden, elk met hun eigen kleuren en texturen, staan symbool voor de verscheidenheid van de mensheid. Ze zijn uniek, maar verbonden — gevormd door verschillende verhalen, achtergronden en perspectieven. Vrijheid is niet alleen het recht om jezelf te zijn, maar ook de verantwoordelijkheid om ruimte te scheppen voor de ander.

Wat ik nooit begreep, is waarom ik de achtergrond zo vurig schilderde. Vandaag snap ik voor het eerst waarom die gezichten in een vuurzee staan.

— Vrijheid die in het geding komt, voelt alsof je haar in eerste instantie te vuur en te zwaard zou willen verdedigen. —

Ook hier komt, na jaren, een betekenis boven drijven die ik zelf nog niet eerder had gezien.

Vrijheid is geen toestand die ik bereik.
Het is een beweging die ik telkens opnieuw maak.
Niet door grenzen te negeren,
maar door ze bewust te bewonen.

Vandaag kies ik niet voor minder,
maar voor waarachtiger.
En dat blijkt genoeg ruimte te zijn.

 

Colorful Equality - Acryl - 3D - 100 cm x 100 cm

 

 

22 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

 

 

FLEETING LIFE

Over tijd

Dit was het.
Eén heel jaar.

Een lang jaar.
Een traag jaar.
Een kort jaar.
Een supersnel jaar.

Fleeting life.

We zeggen: de tijd vliegt.
En ineens zie ik het helder:
als mens leef je altijd in twee tijdzones tegelijk.

Er is tijd die gemeten wordt in tijd.
Die is vluchtig.
Bijna niets.

Eén jaar.
Tien jaar.
Honderd.
Duizend.

Een mensenleven
is een druppel
in de oceaan van tijd.

En tegelijk
staat de tijd stil.

Je béleeft.
Er gebeurt van alles.
Er ligt nog zoveel in het verschiet.

Over vijftien jaar dan…
Vroeger toen…

Dat voelt als een eeuwigheid.

En toch
vliegt de tijd voorbij.

Als ik terugkijk naar dit dagboek
ervaar ik beide.

De tijd is vluchtig.
De tijd staat stil.
En de tijd vliegt aan mij voorbij.

De tijd eindigt niet.
De tijd begint niet.
De tijd is.

 

 

 

De stem terug

 

21 januari 2026

21 januari 2025 werd ik wakker en kon ik niet meer praten.
21 januari 2026 heb ik mijn stem letterlijk en figuurlijk terug.

Wat er tussen die twee zinnen ligt, was geen rechte lijn. Het was ook geen herstelverhaal in stappen of doelen. Het begon met ontregeling.

Mijn lichaam vroeg aandacht, maar dat was niet waar de grootste strijd zat. De lichamelijke tegenslag nam ik direct serieus. Revalidatie hoorde erbij, vanzelfsprekend bijna. Daar zat geen drama, geen verzet. Het lichaam kende ik al langer als een eigenzinnig maar eerlijk instrument. Dat deel liep.

Wat niet liep, waren mijn emoties.

Ze kwamen ongefilterd naar boven. Rauw, oud, niet te sturen. Pijn, herinneringen, reacties die ik herkende maar niet meer kon beheersen. Alsof er deuren openvlogen die jarenlang gesloten waren gebleven. Niet één voor één, maar tegelijk. Dat verraste me — en het confronteerde me.

Daarom besloot ik te gaan schrijven. Niet om het kwijt te raken, maar om het te onderzoeken.
Waarom doe ik wat ik doe?
Waarom reageer ik zoals ik reageer?
Kan ik dat veranderen?
Wil ik dat veranderen?
Heb ik keuzes?
En als ik kies — mogen die keuzes dan ook veranderen?

Het werd geen analyse, maar een proces. Met ups en downs. Met momenten van helderheid en momenten van verwarring. Geen spectaculaire groei, maar — zo zag ik later — wel een onzichtbaar stijgende lijn.

Een aanvaring met mijn zoon werd een kantelpunt. Niet door de omvang van het conflict, maar door wat het zichtbaar maakte. Dat dit niet alleen mijn binnenwereld was. Dat wat in mij gebeurde, doorwerkte. En dat ik hier niet alleen doorheen hoefde — en misschien ook niet alleen doorheen kón.

Ik zocht hulp. En daar werd iets zichtbaar wat ik lang niet onder ogen had willen zien: mijn hart droeg een pantser. Geen klein schild, maar een harde laag, gevormd over jaren. Beschermend, functioneel — en uiteindelijk verstikkend. Het beeld dat daarbij hoorde was helder.
Een kogel vernielt. Die slaat in, scheurt kapot, laat geen twijfel over wat geraakt is. Zo had schade er in mijn hoofd altijd uitgezien. Maar dit was geen kogel. In mijn leven was het een naald. Een dunne, bijna onzichtbare beweging, die langzaam door het pericard glijdt. Niet om te vernietigen, maar om ruimte te maken. Geen klap, geen drama — wel een onmiskenbaar proces. Je ziet het nauwelijks gebeuren, maar je voelt het wel. Adem krijgt weer plaats. Het hart hoeft zich niet langer schrap te zetten.

Rond 23 december voelde ik iets wat ik alleen maar kan omschrijven als verlichting. Geen euforie. Geen groot inzicht. Maar een lichamelijk weten: hier is iets verschoven. Dit was voor mij het meest tastbare kantelpunt van dit jaar.

En toen gebeurde er nog iets onverwachts. De EGYM. Geen lange opbouw, geen traject. Eén dag. Alsof mijn lichaam ineens begreep dat het weer mee mocht doen. Niet vechten, niet compenseren, maar deelnemen. Het was geen prestatie. Het was integratie.

Nu, een jaar later, kijk ik terug zonder heroïek. Dit was geen overwinningstocht. Het was een eerlijk jaar. Een jaar waarin emoties niet langer te onderdrukken waren. Waarin oud materiaal zich aandiende en onderzocht mocht worden. Waarin ik ontdekte dat keuzes bestaan — en dat ze mogen veranderen. Waarin mijn hart zachter werd, mijn lichaam weer werd meegenomen, en mijn stem langzaam terugkeerde.

Niet luid.
Wel van mij.

Vandaag sluit ik geen hoofdstuk af om het dicht te doen.
Ik sluit het om ruimte te maken.

Ik ben hier.
Ik spreek weer.

Er zijn breuken die je neerhalen,
en er zijn openingen die je niet ziet ontstaan.
Ze maken geen geluid,
ze vragen geen aandacht,
maar ineens stroomt er weer iets wat lang had stilgestaan.

Dit is geen einde.
Dit is het moment waarop het leven weer door mij heen durft te gaan.

 

 

21 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

 

Kleine verschuivingen

 

20 januari 2026

Op dagen waarop ogenschijnlijk niets gebeurt, zijn er altijd kleine, stille momenten die het leven net even laten oplichten. Ik heb mezelf de opdracht gegeven die te zien en vast te leggen. Niet elke dag is spectaculair. Er zijn rustige, bijna saaie tijden, en er zijn dagen die bruisen. Momenteel vaar ik door kalm water.

Ik werd wakker doordat Ton me wekte. Mijn droom was intens. Er was gevaar, maar geen angst. Integendeel: ik ging in elke situatie vanzelfsprekend goed om met wat zich aandiende. Om mijn dromen niet te verliezen, loop ik altijd direct naar mijn laptop om ze op te schrijven. Vanmorgen deed ik dat met een opvallend optimistisch gevoel.

In de sportschool was het rustig. Ik deed wat extra oefeningen en zong zachtjes mee met de radio die door de zaal klonk. Thuis zag ik via de app dat mijn bestie Hilde mijn blog van gisteren had gelezen en er warm op reageerde. Dat deed me goed.

Even later belde Ton: of ik hem wilde ophalen bij de garage. In mijn kast hangt een bonte winterjas die ik nog nooit gedragen heb. Toen ik hem kocht zat hij te strak rond mijn armen en rug. Door een lange periode van slecht ter been zijn — al vóór mijn CVA — was ik behoorlijk aangekomen. Toch hield ik die jas. Voor betere tijden. Voor slankere misschien.

Vandaag trok ik hem weer aan. Hij zat perfect. Niet strak, gewoon goed. In de lift keek ik in de spiegel en dacht: wat staat daar een leuke vrouw. Ik voelde me oprecht tevreden. Dat ik überhaupt in de spiegel kijk is al nieuw. Dat ik mezelf daar ook nog met mildheid zie, is misschien nog wel bijzonderder.

Eind vorig jaar heb ik mijn atelier volledig opgeruimd. Het was lang een doorn in het oog geweest, simpelweg omdat ik de energie niet had om eraan te beginnen. Uiteindelijk lukte het. En toen — bijna achteloos — werden er weer spullen neergezet. Dozen. Opslag. Kerstspullen. Opnieuw geen ruimte.

Ik heb er iets over gezegd, meer dan eens. Maar Ton voelt die druk niet zoals ik dat doe. En dit keer merkte ik dat ik niet hoefde te vechten. Ik liet het liggen. Vandaag hebben we het samen opgeruimd. Rustig. Zonder spanning. In een harmonische sfeer.

Het waren geen grote gebeurtenissen vandaag. Geen mijlpalen. Maar voor mij waren het regelrechte pareltjes.

Misschien is dit wat leven soms doet:

het verschuift niets groots,

maar zet alles net een fractie beter.

En ineens past het weer.

 

20 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.


 

 

 

Wie leest wie?

 

19 januari 2026

Twee vriendinnen kwamen vandaag bij mij langs.
Carry — mijn vriendin sinds de brugklas. Vijftig jaar inmiddels. Dat blijft een vreemd, bijna onwerkelijk getal.
En Hilde, mijn bestie. Ze kennen elkaar wel, maar zijn geen vriendinnen van elkaar. Dat hoeft ook niet. Het was een ontspannen middag. We hebben gelachen, echt gelachen, zoals vroeger.

De afgelopen tijd ben ik intensief bezig met mijn boek. Ik heb in een jaar ongelooflijk veel tekst geschreven en die gebruik ik nu als basis. In mijn hoofd is er een duidelijke structuur. Ik zie hoe alles samenhangt. Maar zodra ik het in het format van ChatGPT probeer te gieten, ontstaat er ruis. Het materiaal is groot, gelaagd, complex — en ergens raakt het systeem steeds de kluts kwijt.

Op een gegeven moment zei ik tegen Ton:
als dit een collega was geweest in plaats van een AI-hulp, dan hadden we nu bonje gehad. Dan had ik hem achter het behang geplakt.
Ik werd er gek van. Ik ging zweten. Maakte me te druk.

Ton stelde voor mijn bloeddruk te meten.
Die bleek die van een jonge, gezonde vrouw te zijn.
Dat viel dus reuze mee.

Knap eigenlijk — ruzie maken met een computer.

De komst van mijn vriendinnen was een welkome afleiding.

Hilde vroeg een paar keer hoe het met me ging.
En het eerlijke antwoord is: ongewoon goed.
Sinds ik naar de nieuwe sportschool ben gegaan, is er veel veranderd. Ik heb energie. Ik voel me stabiel. Er is een innerlijke rust die ik niet van mezelf ken.

Maar ze vroeg het zo indringend.
Ze vertelde dat ze, na het lezen van mijn stukken, het idee had gekregen dat ik depressief was.

Dat raakte me. En het verbaasde me.

Ik ervaar juist helderheid. Natuurlijk gebeurt er van alles — maar het beklijft niet. Het slaat niet naar binnen. Ik heb het gevoel dat alles er mag zijn, zonder dat het me onderuit haalt. Niet zoals vroeger, toen ik het oploste door een ondoordringbaar pantser te dragen.
Nu is het anders: zien, voelen, en weer loslaten.
Een voor mij nieuwe manier van in het leven staan.

Wat zegt dit over de manier waarop ik schrijf?
Wat zegt het over hoe mijn vriendin mijn teksten laat binnenkomen?
Wat zegt het over mij?
Over haar?

Ik vind dat een interessante vraag.

Vorig jaar schreef ik nog duidelijk vanuit een zelftherapeutische beweging. Nu schrijf ik meer vanuit existentiële nieuwsgierigheid. Minder om mezelf te redden, meer om te kijken. Misschien raakt dat iets universelers — waardoor de thema’s zich kleuren naar de lezer zelf.

Althans, dat denk ik.
Maar dat zijn aannames.

En wie ben ik?
Wie is zij?
Wie ben jij?

Misschien is schrijven geen spiegelen van wat ís,
maar een ruimte waarin ieder ziet wat hij kan dragen.
Niet omdat het daar staat,
maar omdat het in beweging komt —
tussen mij, jou, en wat nog geen naam heeft.

 

 

19 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

TUSSEN LIEFDE EN LEEGTE

 

18 januari 2026

Ik heb gedroomd over Ton en mij. Waar de droom precies over ging, weet ik niet meer. Maar toen ik wakker werd, bleef er iets hangen: een conclusie, en een paar vragen die zich niet lieten wegdrukken.

Zie ik en ervaar ik hetzelfde als toen?
Hoe ga ik daar nu mee om?
En hoe doe ik dit — zonder mezelf opnieuw te verliezen?

Mijn eerste man, de vader van mijn oudste dochter, leerde ik kennen op vakantie. We werden hevig verliefd. Jong getrouwd. We mochten een lief meisje ontvangen, Renée. Daarna volgde een zware operatie en twee jaar revalidatie. Aan het einde van die periode werd Renée geboren. Mijn lichamelijke conditie ging zo achteruit dat ik volledig werd afgekeurd.

Het maakte toen allemaal niet uit. Ik was gelukkig getrouwd en had een kind. Het leven was moeilijk, waardoor mijn ouders een deel van de zorg voor mijn dochter overnamen. Ik bleef vaak alleen achter in mijn flat. Mijn auto werd aangepast, ik kreeg een rolstoel en een scootmobiel. Mijn wereld werd weer iets groter.

In die tijd kwam yoga op mijn pad. Ik stortte me er volledig op. Mijn energie keerde terug. Ik kon weer beter lopen — letterlijk en figuurlijk. Er gebeurde in die jaren veel meer dat bepalend is geweest voor mijn leven, maar dat is nu niet het punt.

Door de verdieping die ik doormaakte, door hoe ik altijd al in het leven stond maar nu nog sterker, raakte ik steeds verder verwijderd van mijn man. Tot er een moment kwam waarop er naar mijn gevoel niets meer was. Geen communicatie. Geen gezamenlijk doel. Geen liefde. Leegte.

Ton leerde ik acht jaar geleden kennen, nadat Michel tweeënhalf jaar daarvoor was overleden. Ook wij werden smoorverliefd. We waren al snel onafscheidelijk. Ton is iemand die zorgt — beter gezegd: hij verzorgt. Hij kookt, doet boodschappen, neemt het huishouden over. Voor mij voelde dat als de hemel op aarde. Het gaf me ruimte. Ruimte om weer te schilderen. Om creatief te zijn.

Totdat hij in mijn leven kwam, was leven en overleven meer dan genoeg. Dat was wat mijn lichaam aankon. Niets mis mee. Ik had niets te klagen. Maar door die ruimte werd ook iets aangeraakt wat lang had stilgelegen. De energie die schilderen me gaf, was enorm.

We verhuisden samen naar een gelijkvloers appartement, met een klein atelier. Perfect. We kochten fietsen zodat we de natuur in konden en ik beweging had. En toen kwam het CVA. De revalidatie. De bewustwording. En het herboren gevoel van nu.

Ton is zo goed voor mij. En tegelijk spreken we niet dezelfde taal. Hij kan niet mee in mijn gedachtegang. Hij wil alles rationaliseren. Hij gaat discussies aan over dingen die voor mij geen discussie zijn, maar er gewoon zijn. Ik wil de ruimte om dat hardop te benoemen — en telkens belanden we dan in afstand. In leegte.

En dan komen de vragen.

Wat gebeurt er met mij als het zo goed blijft gaan als nu?
Als mijn energie weer volledig terugkomt?
Laat ik die leegte opnieuw ontstaan?
Word ik weer liefdeloos — niet uit onwil, maar uit overleving?

Ik wil het anders doen. Zonder in herhaling te vallen.

Geen verwachtingen hebben van dezelfde denkbeelden.
Zien wat hij wél voor mij doet.
De kleine liefdevolle dingen niet veronachtzamen.
Mijn liefde niet laten afhangen van herkend worden, maar wel erkend.
Liefde geven. Liefde delen. Zodat er ook ruimte is voor Ton om te ademen.

Dat is waar ik nu sta.
Niet met antwoorden.
Maar met een keuze om aanwezig te blijven — ook wanneer het schuurt.

Misschien vraagt liefde soms niet om samenvallen,
maar om naast elkaar blijven staan
zonder jezelf te verlaten.
Niet om dezelfde taal te spreken,
maar om elkaar ruimte te geven
om in die verschillen te blijven ademen.

 

18 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

OMARM DE HOOP

 

17 januari 2026

In de postbus lag een pakje, aan mij geadresseerd, met een voor mij bekend handschrift: lange halen en enigszins sierlijke krullen. Het was een pakketje van mijn zus, dat zij voor mijn verjaardag had gestuurd. De post liep wat achter na de sneeuwval aan het begin van het jaar. Op de begrafenis van mijn nichtje vroeg mijn zus voorzichtig of ik niets had ontvangen. Nee, maar maak je geen zorgen, het komt echt wel, zei ik.

Prachtig ingepakt in een geel zijden doek met fluitenkruid kwam er een mooi gebonden boek tevoorschijn.

Onthoud dit altijd…
De jongen, de mol, de vos, het paard en de storm, geïllustreerd en geschreven door Charlie Mackesy.

Zonder het gelezen te hebben voelt het boek al prettig. Het doet me denken aan mijn jeugd, toen boeken nog ouderwets gebonden waren en de kaft wat zacht en dik was, met reliëf. De tekening en de titel doen vermoeden dat het — net als Olivier B. Bommel en Winnie de Poeh — een boek zal zijn met prachtige tekeningen en gedragen teksten, met diepere lagen.

Nieuwsgierig als ik ben, ga ik eerst op internet op zoek naar wie Charlie Mackesy is.

Het idee voor het boek ontstond nadat auteur en illustrator Mackesy zijn Instagram-account begon te vullen met tekeningen die vrede, empathie en zelfreflectie uitstralen. Dat was voor mij meteen duidelijk.

Na het overlijden van een goede vriend begon hij een jongen te tekenen die met een paard praat — als uiting van zijn verdriet en als gesprek over de aard van moed. In een tijd van verwarring, wrok en tragedie biedt het verhaal van de jongen, de mol, de vos en het paard een eenvoudige manier om opnieuw naar de wereld om ons heen te kijken. Sommige gevoelens lijken misschien simpel, maar het zijn juist de essentiële dingen die we in tijden van onrust gemakkelijk vergeten of onderdrukken.

Het is een boek over hoop. Zoals ik zelf in eerdere blogdagen heb geschreven: het licht zien en ervaren in kleine, eenvoudige dingen.

Mijn zus en ik hebben altijd een ambivalente relatie gehad. Liefde en afgunst. We weten allebei waar de wortels daarvan liggen. We hebben allebei geprobeerd zaadjes van liefde te laten landen, in de hoop dat ze zouden ontkiemen, groeien en bloeien.

Vandaag kan ik, na het lezen van haar briefje dat zij in een mooie open envelop bij het boek had gevoegd, zeggen dat die zaadjes enorme bomen zijn geworden — met diepe wortels en vol bloesem. Voor mij was dit vandaag een waardevol geschenk. Een voorbeeld van hoe magisch en wonderlijk levens kunnen verlopen.

Ik leg het boek op mijn nachtkastje, om iedere nacht voor het slapen gaan een stukje te lezen.

Misschien is hoop niet iets groots om vast te houden,
maar iets kleins dat je zachtjes toelaat.
Een gebaar.
Een boek.
Een zin die naast je mag liggen
wanneer de dag tot rust komt.

 

17 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

 

 

MAGISCH LEVEN

16 januari 2026

Het leven is iets wonderbaarlijks. Ik bedoel: wat maakt dat iets leeft? Dat alleen al is een wonder. We weten voor een groot deel hoe ons instrument — ons lichaam — werkt. Als het hart stopt, als de adem stopt, dan leven we niet meer. Vooral de laatste jaren word ik zo vaak met de dood geconfronteerd, dat deze wezenlijke vraag in mij leeft als het trillen van geluidsgolven, als resonantie — zoals we die terugzien in het heelal. Ritmische, synchrone bewegingen en trillingen op kosmische schaal: planeten in harmonische banen, de natuurlijke vibraties van sterren.

Na het overlijden van mijn opa, oma en mijn vader popte deze vraag wel even op, maar verdween daarna weer ver weg uit mijn systeem.
Na het overlijden van Michel begon deze vraag echter te leven — bijna als iets organisch. Hij was het startsein in mijn leven waarin mensen verdwenen als sterren die uitdoven. Sommigen als een supernova, met een spetterende explosie. Anderen verdwenen in een zwart gat. Ook dat blijft mysterieus.

In ieder geval blijft het begin en het einde, en de betekenis van dit alles, in mijn bewustzijn aanwezig. Niet zwaarmoedig — nee, eerder organisch, als een stukje dat een vast deel van mijn bestaan is geworden. Of misschien was het er altijd al. In ieder geval is het een deel dat mij nog dieper naar het leven en de betekenis daarvan leert kijken.

Zo heb ik wel keuzes gemaakt. Wat zich ook aandient: ik wil er met verwondering en nieuwsgierigheid naar kijken. Waarom ik dat een keuze noem? Soms voel ik negatieve emoties — gekwetst zijn, niet begrepen worden, pijn, of iets anders vervelends. Mijn keuze is dan niet om het te ontkennen, maar om het te voelen en ermee om te gaan, zo goed als ik kan. Dan word ik vanzelf nieuwsgierig naar waarom ik zo reageer, of wat maakt dat iets zo’n pijn doet. De verwondering over hoe dit werkt volgt dan vanzelf. Sterker nog: door deze keuze groeien verwondering en vertrouwen. Ze worden groter.

Iedere dag — hoe middelmatig die ook lijkt — zit vol magische momenten. Soms zo klein dat ze nauwelijks waarneembaar zijn.

Inmiddels weet ik het zeker… het is er écht.
Hahaha — daar kan ik iedereen van verzekeren.

De dag is traag en vervelend. Ik kijk naar de kersenbloesemtakken die ik in de supermarkt heb gekocht, en er komen waarachtig bloemen uit. Een piepklein magisch moment. Mijn hond die met zijn trouwe ogen naar me opkijkt — een magisch moment. Mijn man die iedere dag met liefde eten voor me klaarmaakt. Misschien routine, misschien gewoon, maar in wezen zijn het magische momenten.

Iedere dag wil ik ernaar kijken, het voelen — en het vooral zien en waarnemen.

Wat de betekenis van het leven is, kan ik niet definiëren.
Maar dit is hoe ik het wil invullen.
En zo wil ik het beleven.

Iedere dag — hoe gewoon ook — draagt iets magisch, zodra ik bereid ben het te zien en te voelen.

Misschien is magie niets bijzonders.

Misschien is het wat zichtbaar wordt

wanneer ik ophoud te haasten,

en blijf bij wat er al is.

Niet groots, niet spectaculair —

maar levend,

ademend,

en precies genoeg.

 

 

16 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

DE HERDER IN MIJ

 

15 januari 2026

Vandaag ben ik naar de begrafenis geweest van een nichtje. Zij woonde in het dorp waar mijn vader is grootgebracht. Een groot gezin met acht kinderen, die altijd met elkaar zijn blijven omgaan. In ieder geval gingen ze af en toe bij elkaar langs. Al hun kinderen, waaronder ikzelf, hebben dus met elkaar gespeeld. Nadat de oudere generatie allemaal zijn overleden, zijn wij begonnen met 1x in het jaar een nichten en nevendag te organiseren om op deze manier nog verbinding te ervaren als familie. Nu de oudere garde getransformeerd is, is de uitdunning binnen deze nichten en neven groep begonnen. Het is een apart gevoel om te zien dat we allemaal ouders zijn geworden en allemaal grootouders en sommigen van ons zelfs overgrootouder. Vrijwel iedereen is aanwezig. Deze mensen zijn heel verschillend maar hebben een liefdevolle familieband, altijd blij elkaar te zien. Elkaar steunen op dit soort verdrietige momenten hoort er dan ook bij.

Mijn overleden nichtje was gelovig en onderdeel van een kerkgemeenschap.  De dienst werd dus voorgedragen door een dominee. Een normale man die het gelukkig ook dicht bij zichzelf hield. Geen opzwepende gedragen teksten, zoals ik weleens heb meegemaakt. De dienst begon met  ‘De Heer is mijn Herder’.  Een bekende tekst, die veel mensen een zekere rust geeft. Ik kan mij herinneren dat dit ook voor mijn ouders gold. Voor mij is de interpretatie wat moeilijk. Ik geloof in een oerkracht. Ik ben bereid om het ‘God’ te noemen. Maar voor mij is het een kracht in mij, een kracht in iedereen, in de natuur, in de lucht die ik inadem. Het is overal. Het is een kracht die ik in mijzelf kan oproepen, en waar ik vervolgens op vertrouw. Het houdt niet in dat het ‘Het Leven’ buiten mij houdt. Nee, door pijn en moeilijkheden gaan hoort erbij. Alles wat op mijn weg komt, goed of slecht, leuk of vervelend, mooi of lelijk enz. hoort daarbij. De kracht in mij, de oerkracht, de ‘God’ in mij geeft richting aan hoe ik ermee omga. Dus zou ik nooit vragen ; “Waarom overkomt dit mij ?” 

Nee, ik geloof dat ‘Het Leven’ mij de weg aanbiedt die ik kan en mag gaan. De bijbelse teksten vind ik mooi als ik dit meer metaforisch kan interpreteren. Want als de Heer mijn Herder is en hij mij de weg wijst, dan heeft hij de leiding. Laat ik me dan leiden ? Of zoek ik naar de herder in mijzelf en laat ik dat leiden ? Misschien bedoelen we hetzelfde, voelen we hetzelfde maar is het een taalkundig misverstand.

Misschien zoeken we geen andere waarheid,

maar andere woorden.

Misschien is wat ons draagt niet buiten ons,

en ook niet alleen van ons,

maar iets wat zich van binnenuit laat voelen

wanneer we stil genoeg worden om te luisteren.

En misschien is volgen dan niets anders

dan leren vertrouwen

op wat zich van binnen al weet

 

Het gemaal in Ouderkerk aan de IJssel — een plek van water, stilte en herinnering, waar ieder van ons op zijn eigen manier deel van is.

 

15 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

 

 

Aangewakkerd

 

14 januari 2026

Mijn droom van vanochtend heeft een vraag aangewakkerd.
Wat is eigenlijk het verschil tussen kijken en waarnemen?

Volgens mij is kijken dat wat je ziet: een onderwerp, een object, een persoon — zonder werkelijk waar te nemen. Het is een passieve manier van zien. Je ziet iemand, maar niet per se zijn of haar kleding, of iemand lacht of juist niet.

Waarnemen gaat dieper. Waarneming vraagt om aandacht; kijken niet. Grappig eigenlijk: bij allebei gebruik je het werkwoord zien, maar het betekent iets anders. Bij waarnemen gebruik je je zintuigen — zien, horen, ruiken, proeven, voelen — om betekenis te geven aan wat je ziet. Het is een zintuiglijk proces en daardoor ook subjectief. Je neemt immers altijd je eigen ervaringen mee.

Kijken is letterlijk zien met de ogen. Het is objectief.

Goed. Laat ik er dan van uitgaan dat dit de definities zijn van kijken en waarnemen. Dan komt vanzelf de volgende vraag op. Wat is belangrijker: kijken of waarnemen? Objectief of subjectief? Zo breng ik mezelf weer in een dualistisch vraagstuk — en dat is nu juist waar ik het liefst van verschoond blijf.

Wanneer je een verder reikende vraag stelt, kom je, als je eerlijk bent, bijna altijd uit bij dualistische stellingen. Misschien is dat wel wat leven is. Het vraagt uiteindelijk niet om het één uit te sluiten ten gunste van het ander, maar om ze samen te laten bestaan. Alleen samen vormen ze een geheel. Misschien zien we dan het best door te kijken én waar te nemen.

En dan ben ik er nog niet.

Wat als je blind bent? Hoe werkt het dan? Kun je dan alleen maar waarnemen? Ervaar je de wereld dan volledig subjectief? Ik weet dat bij blinde mensen andere zintuigen sterker worden aangesproken — en misschien ook een zesde, onzichtbaar zintuig meer ruimte krijgt. Wat betekent dat eigenlijk?

Zou je dan kunnen zeggen dat er mensen zijn die zichtbaar een defect hebben, maar misschien juist door datzelfde defect gezegend zijn? Kunnen zij daardoor sneller of anders ontwikkelingen doormaken? En zou het kunnen dat wat wij als een defect beschouwen, in het geheel misschien helemaal geen defect is?

Ik weet dat ik mezelf — en misschien ook de lezer — met deze gedachtenhoepels een beetje tureluurs maak. Maar een antwoord op het bestaan of hoe het precies werkt, hoeft voor mij niet per se. Vragen stellen en ze hardop benoemen, vind ik prettig om op deze plek te kunnen doen.

Misschien hoeft het leven niet opgelost te worden.

Niet opgeheven in één waarheid.

Zolang ik hier ben — met een lichaam, met zintuigen, met vragen —

beweeg ik tussen onderscheid en verbinding.

En misschien is dat geen gebrek aan non-dualisme,

maar juist de manier waarop het geheel

zich in de materie laat ervaren.

 

 

14 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

Zondagsgevoel

13 januari 2026

Het zondagsgevoel. Het is dinsdag, maar het voelt als een zondag. Vroeger betekende dat: nog even vrij en dan weer werken. Een soort verlies van autonomie. Maar dat ken ik eigenlijk al veertig jaar niet meer. Dus wat betekent dit gevoel nu?

Voor mij is het rust. Gezelligheid. Niets moeten, alles mogen. Een wereld die niet aan me rammelt, maar redelijk stil is. Dat is het vooral: wanneer mijn omgeving weinig inbrengt, weinig geluid maakt, ontstaat dit zondagsgevoel.

Ik sta op, ga trainen, ontbijt thuis. Tijdens het ontbijt gaat de tv aan. Politiek — het vragenuurtje in de Tweede Kamer. Daarna Maestro. De klassieke filmmuziek maakt dat de tranen over mijn wangen lopen. Ook dát, bedenk ik me, hoort bij dit gevoel.

Ik wil altijd graag naar huis. Mijn man vindt dat bijna aandoenlijk — zo blij als ik ben wanneer ik thuis ben. Voor mij is de plek waar ik woon een huis waarin ik me werkelijk thuis kan voelen. Een plek waar ik veilig ben, waar mijn eigen energie hangt, waar ik niets hoef uit te leggen.

Ik zou kunnen zeggen dat ‘thuis’ geen fysieke plek is, dat ik me overal thuis kan voelen als ik thuis ben in mezelf. En dat is ook waar. In de natuur voel ik me thuis. In het fietsen langs bomen en water. In regen, vogels, planten, sterren. In muziek die me opent. In schilderen en schrijven, wanneer ik opga in de flow en de tijd oplost. Dan voel ik me verbonden. Niet afgescheiden. Alsof alles deel uitmaakt van dezelfde beweging.

Maar dat betekent niet dat het aardse verdwijnt. Aan het eind van de dag wil ik naar mijn huis. Naar mijn stoel. Mijn tafel. Mijn muren. Mijn stilte. Juist daar kan dat alles landen. Juist daar kan ik ontspannen zonder te verdwijnen.

Thuis is voor mij geen tegenstelling. Het is geen keuze tussen binnen of buiten, lichaam of geest, aarde of kosmos. Het is én de wereld voelen — én ergens mogen aankomen. En soms voelt een dinsdag dan gewoon als een zondag.

Misschien is thuis zijn niets anders dan mogen rusten in wat er is 

— in de natuur, in muziek, in stilte, 

en uiteindelijk ook gewoon tussen je eigen muren, 

waar alles even blijft zoals het is.

 

 

13 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

De eerste dag

 

12 januari 2026

De eerste dag voor de rest van mijn leven.
Die zin resoneert door mij heen. Eigenlijk best een krachtige zin. Waarom drijft die juist nu bij me boven?

Ik heb altijd het gekke idee gehad dat ik 96 jaar oud zal worden. Het gaf me op moeilijke momenten in mijn leven de moed om door te gaan — en door te willen gaan. Vaak twijfel ik aan die vreemde, niet-gegronde aannames van mezelf. En toch… wat maakt het uit of het waar zal zijn of niet? Men zal dan vanaf nu nog 33 jaar van mijn lijfelijke aanwezigheid mogen genieten. Twee derde zit erop, nog een derde te gaan. Klinkt lekker toch?

De spirituele betekenis van 33 draait om het meestergetal 33, de Leraar der Leraren. Het staat voor onvoorwaardelijke liefde, creativiteit, spiritueel leiderschap en het helpen van anderen groeien. Het wordt geassocieerd met het transformeren van oude structuren en het openen van nieuwe paden — met onthulling en diepe innerlijke wijsheid. Vaak wordt het gezien als een teken van roeping en dienstbaarheid.

Wow. Als dit dan de eerste dag van mijn leven is, heb ik nog een mooi pad te volgen. Natuurlijk is dat wat zweverig en hoog gegrepen — maar een meisje mag best af en toe dromen en fantaseren.

Laat me vandaag gewoon filosoferen.

Ik denk dat ik op een leeftijd ben gekomen waarop je met enige rust kunt zeggen dat je overzicht hebt gekregen over het landschap van het leven. Alsof de contouren zichtbaar zijn geworden. Daardoor kan ik het leven nu vrijer, natuurlijker en moeitelozer bewandelen. Omdat ik meer van mezelf ben gaan houden en meer zelfbeheersing heb ontwikkeld, kan ik hopelijk gemakkelijker met anderen samenwerken. Meer op mijn gemak herken ik mogelijkheden wanneer ze zich aandienen — soms zelfs voordat anderen ze zien. Omdat ik in harmonie ben met mezelf, begrijp ik dat het leven mij precies geeft wat ik nodig heb.

Hoe mooi, magisch en wonderlijk het leven is, ga ik steeds meer zien. Langzaam merk ik dat ik de hemel op aarde begin te beleven. Blij met de kleine dingen, de kleine vreugden, de kleine vervoeringen — klein in hun stilte, maar groot in hun onbegrensde potentieel.

Misschien kan ik de zin die vandaag in mijn hoofd blijft resoneren ook anders verstaan.
De eerste dag van de rest van je leven kan een uitnodiging zijn: om los te laten, te leren, bewuste keuzes te maken, en het leven te ontmoeten zoals het zich nu aandient — zonder te wachten op perfecte omstandigheden.

En om de rust te bewaren wanneer het moment nog niet het moment is.
Om te vertrouwen dat je mag loslaten.
Ik geloof dat ik vanzelf kom op het punt waar ik moet zijn — in welke omstandigheid dan ook.

Misschien is dit wat beginnen werkelijk betekent:
niet alles omgooien,
maar anders kijken.
Niet haasten,
maar vertrouwen dat het leven me draagt —
precies vanaf hier.

12 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

Na middernacht

 

11 januari 2026

Mijn dag begon zonder een droom. Dat is zeldzaam voor mij.
Het is mijn verjaardag.

Voor het eerst in mijn leven heb ik hier geen gevoelens bij. Normaal ben ik al weken van tevoren wiebelig en misselijk, en op de dag zelf opgefokt. Vandaag is alles stil — in mij en om me heen.

Om klokslag twaalf gebeurde er wél iets. In één helder moment besefte ik dat ik nu officieel een jaar ouder ben dan Michel ooit is geworden. Dat was het eerste wat door me heen ging. Geen verdriet, geen drama — alleen dat weten. Als Assepoester die het bal verlaat wanneer de klok slaat. Niet omdat de betovering verdwijnt, maar omdat de tijd onverbiddelijk verder gaat.

Ik heb Ton gevraagd tegen niemand te zeggen dat ik jarig ben. Zeker niemand uit te nodigen. Hahaha — op zich al geen makkelijke opdracht voor hem. Maar hij hield zich eraan. Het werd een huiselijke dag. Lang douchen. Vreselijk lui zijn. Geen rol, geen verwachting.

Even werd de stilte onderbroken toen Miranda met haar man voor de deur stond om mijn schilderij terug te brengen. Het schilderij met de ibis. Ik zag aan de insigne dat ik het drieëndertig jaar geleden heb gemaakt. Dat het juist vandaag terugkwam, liet ik verder rusten. Het mocht gewoon zo zijn.

De hele dag keek ik naar de Chinese serie The Untamed. Deze serie laat een andere modaliteit van liefde zien:
liefde als aanwezigheid,
liefde zonder eis,
liefde die niet hoeft te worden voltrokken.

Geen oproep om lichamelijke liefde te overstijgen. Geen idee dat dit “beter” zou zijn. Het verhaal durft simpelweg één specifieke vorm van liefde volledig te laten bestaan. En dat is zeldzaam.

In de materiële wereld is liefde altijd begrensd. Lichamen blijven gescheiden, verlangens botsen, pijn en schoonheid bestaan naast elkaar. Dat is geen oordeel — het is een constatering binnen het verhaal.

Tussen de hoofdpersonages zie ik iets anders. Twee mensen die niet via lichamelijke vereniging, maar via trouw, afstemming, keuze en aanwezigheid zo samenvallen dat het voelt als één beweging. Eén intentie. Eén zijn. Niet als idee of ideaal, maar als verhalende werkelijkheid.

Voor mij is dat de hoogste vorm van liefde in de materie. Niet omdat zij boven andere vormen staat, maar omdat zij binnen dit verhaal niet verder kan worden getild zonder het stoffelijke te verlaten. Precies dát maakt het zo indrukwekkend.

Misschien is dat waarom deze verjaardag zo stil mocht zijn.
Waarom er geen droom was.
Waarom ik niets hoefde te vieren.

Aan het eind van de dag keek ik de laatste afleveringen. Het was het verjaardagscadeau van mezelf aan mezelf.

En dat was genoeg.

Misschien zijn sommige overgangen niet bedoeld om gevierd te worden,
maar om ongemerkt te passeren.
Zoals tijd dat doet —
zonder lawaai, zonder bewijs.
En blijft er dan iets achter
dat niet ouder wordt,
maar eenvoudiger aanwezig is
dan ooit.

 

 

 

 

 

MEER HEEL

 

10 januari 2026

De hele week ga ik, voor mijn doen, op tijd naar bed. Het gevolg is dat ik weer vroeg wakker ben. Ik kan iedere ochtend vroeg gaan trainen. In het weekend geef ik mezelf vrij. Dan kan en mag ik uitslapen, gewoon lui zijn.

Morgen ben ik jarig. Mijn jongste kleinkind ook. Vandaag wordt haar verjaardag gevierd.

Buiten heeft het de hele week flink gesneeuwd. Het dooit en vriest om en om. Alleen buiten lopen durf ik nu niet. Bij gladheid heb ik absoluut geen balans. Iedere vreemde beweging maakt dat mijn lichaam zich weer ontzet en ik alleen bij een arts de boel weer recht moet laten zetten. Veel pijn, veel moeite — daar kies ik niet voor als ik het zelf kan vermijden.

Mijn andere kleindochter belt me om te vragen of ik vandaag kom, in verband met de gladheid. Op de doorgaande wegen is het goed te doen, behalve in de kleinere straten.
“Als ik zonder moeite bij mijn auto kan komen en bij jullie voor het huis ook niet glad is, dan ben ik van de partij,” zeg ik.

Bij de eerste afslag bij Eindhoven moet ik ineens denken aan een vriendin van mijn overleden man. Twee jaar lang heb ik haar iedere week naar Eindhoven gereden voor een medische behandeling. Haar gedrag naar mij toe was vriendelijk, maar naar mijn man toe ook bezitterig.

Ik vertel dit aan Ton, mijn huidige man. Tijdens het vertellen hoor ik mezelf dingen zeggen die ik nooit eerder met elkaar in verbinding had gebracht. Deze vriendin ging over een grens en ik heb deze relatie uiteindelijk in de koelkast moeten zetten. Michel was geen bezit van niemand — maar wel mijn man, moge dat duidelijk zijn.

Zijn ex-vrouw had hem ook als bezit gezien. Zelfs toen hij overleden was, belde er een voor mij onbekende vrouw op. Ze commandeerde mij dat Michel per se wilde dat zij aanwezig zou zijn bij de uitvaart. Terwijl ik in gedachten mijn schouders ophaalde, zei ik:
“Prima, je kan komen — als je het goed vindt dat ik er ook ben.”

Mijn vriendin die naast me zat en dit had aangehoord, was stomverbaasd over mijn reactie. Zelf vond ik het een bijna lachwekkende situatie.

Ook de zus van Michel wilde, toen hij ziek was, gaan bepalen wat er met hem moest gebeuren. Toen ik zei dat ik bepaalde wat er gedaan werd en hoe, zei ze:
“Ja, maar ík ben zijn zus.”
Het feit dat ik vijfentwintig jaar zijn vrouw was, werd weggewimpeld. In die vijfentwintig jaar heb ik haar misschien tien keer gezien. We waren niet close. Tijdens de ziekte van Michel heb ik haar zelfs het huis uit moeten zetten, om mijn en onze ruimte te kunnen behouden.

Dit alles kwam boven op weg naar Veldhoven.
Michel had mensen aangetrokken die hem als bezit zagen. Degene die hem totaal vrij liet, was ik.

Verder heb ik dit laten liggen in de ether. Het kwam door me heen en ik kon het hardop aan Ton vertellen. Dat was genoeg.

Op de verjaardag van mijn kleinkind heb ik naast mijn ex-man en zijn vrouw gestaan. Totdat ik wegging, heb ik met hen gekletst en gelachen. In al die jaren komen we elkaar tegen op verjaardagen, maar meestal vermijd ik dat. Even praten, maar zeker niet te lang.

Dit keer was het anders. Spontaan. Pas terug in de auto besefte ik dat. Het zijn geen aardverschuivingen. En toch verander ik. Word ik meer heel.

Het zijn geen grote bewegingen.

Geen besluiten, geen verklaringen.

Alleen momenten die niet meer blijven haken.

Herinneringen die mogen passeren

zonder dat mijn lichaam ze hoeft vast te houden.

Misschien is dat wat heel worden doet:

niet alles begrijpen,

maar merken dat ik kan blijven staan

waar ik vroeger moest wijken.

 

10 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

Kijken zonder haast

 

9 januari 2026

Ik kijk The Untamed niet om het verhaal te volgen, maar om te voelen waar het mij raakt.
Met mijn laptop op schoot, soms stil, soms hardop reagerend, alsof ik niet alleen kijk. Alsof er iemand naast me zit die begrijpt wat ik zie voordat ik het kan uitleggen.

Wat zich langzaam ontvouwt, is geen strijd tussen goed en kwaad, maar een landschap van bewustzijn. Clans als innerlijke toestanden. De Lan-clan als iets engelachtigs: helder, zuiver, bijna onaards. De Jiang-clan als liefelijk, dragend, menselijk warm. De Wen-clan als beschadigd — kwaad niet als oorsprong, maar als gevolg. En de Nie-clan… niet onrein, maar menselijk: aannames, conclusies, misvattingen waardoor het fout lijkt te gaan.

Ik merk hoe mijn aandacht blijft haken aan de stilte. Aan wat niet wordt uitgesproken. Aan details die nauwelijks zichtbaar zijn, maar alles dragen. Een bijna onmerkbaar glimlachje van Lan Zhan, pas in aflevering tien echt te zien — terwijl het er al die tijd al was. Alsof het verhaal mij vertrouwt. Alsof het weet dat ik kijk.

Deze serie legt niets uit. Ze toont.
Ze laat zien hoe innerlijke ruis mist veroorzaakt, en hoe helderheid niet ontstaat door kracht, maar door stilte. Hoe “het kwaad” een oorsprong heeft, en hoe macht reageert op leegte. Hoe mensen eerst hun autonomie verliezen, voordat geweld begint.

Ik kijk zonder vooruit te lopen. Ik kijk zoals ik leef, schrijf en schilder: aanwezig, open, soms verwonderd. Niet om te begrijpen, maar om te zien wat zich aandient. En misschien is dat alles wat nodig is — een verhaal dat niet uitlegt wie je bent, maar ruimte laat waarin je jezelf herkent.


Misschien is kijken soms genoeg.
Niet om te weten waarom iets raakt,
maar om toe te laten dát het raakt.
Zonder haast. Zonder uitleg.
Gewoon — gezien worden,
in stilte.

9 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

De spiraal raakt

8 januari 2026

Een vriendin die ik al zo’n vijfendertig jaar ken, stuurt me een bericht via WhatsApp. Ze woont al lange tijd niet meer in Nederland. We hebben weinig contact, maar als we elkaar zien is er altijd direct een verbinding. In het moment blijken we dan vaak met dezelfde thema’s in ons leven bezig te zijn. Het contact is intens, dichtbij, bijna vanzelfsprekend. En daarna gaat ieder weer zijn eigen weg.

Zo gaat dat al jaren. Soms zien we elkaar lange tijd niet. En als we elkaar dan weer ontmoeten, is de intensiteit er meteen weer. Alsof er niets tussen heeft gezeten.

Los van elkaar wandelt er ook een derde persoon door ons leven. Al vanaf mijn schooltijd kruist hij mijn pad — en los van mij ook het hare. Weinig contact, maar als hij er is, dan is het intens. Tot het weer uitgekristalliseerd is. Dan verdwijnt hij opnieuw uit beeld.

Rond de jaarwisseling stuur ik, zoals altijd, nieuwjaarswensen. Deze gezamenlijke vriend stuurt een filmpje terug van een dansende Koreaanse acteur en zanger. Ik herken hem onmiddellijk en laat dat weten. We raken in gesprek over onze fascinatie voor Aziatische films en cultuur. Hij vertelt dat onze gezamenlijke vriendin daar ook van houdt.

En dan begint het cirkeltje weer te draaien.

Zij neemt contact met me op. Zonder omhaal zitten we direct weer in een intense resonantie. Wat me raakt, is niet dat dit gebeurt — maar hoe vanzelfsprekend het voelt. Alsof de spiraal ons weer even op hetzelfde punt brengt, precies waar het klopt.

Dit is voor mij verticale tijd, heel concreet zichtbaar in relaties. Je hoeft elkaar niet vast te houden. Je hoeft niets bij te houden. De verbinding ís er, of ze is er niet. Je beweegt met elkaar mee, raakt elkaar aan, en gaat weer verder. De spiraal maakt haar eigen weg, verdiept zich, en komt elkaar later opnieuw tegen.

De intensiteit blijft.
De liefde blijft.
De herinnering blijft.

Het is dus niet zo vreemd dat ook deze fascinatie opnieuw resoneert. Wat ik opvallend vind, is dat we hier door de jaren heen nooit eerder over gesproken hebben. Blijkbaar kiest ook dit zijn eigen moment. Tijd kiest zijn tijd.

Mijn levensfilosofie ontvouwt zich niet in theorie, maar in het dagelijks leven. In ontmoetingen die komen en gaan, zonder verlies. In verbinding zonder bezit.

En elke keer wanneer de spiraal weer raakt, weet ik:
dit is genoeg.

Misschien is dat wat tijd werkelijk doet:

niet vasthouden, niet verliezen, maar bewegen.

Ontmoeten zonder bezit.

Loslaten zonder afscheid.

En telkens weer herkennen

dat wat waar is, niet verdwijnt —

het wacht tot de spiraal opnieuw raakt.

8 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

PLAUSIBEL

7 januari 2026

Vanmorgen vroeg pikken mijn oren een interview op van de radio. Gek genoeg blijft het hangen. Waarom? Ik zou het werkelijk niet weten.

De stem op de radio kondigt een collega-journalist aan. Ze blijkt getrouwd te zijn met een Canadees. Lachend, bijna smadelijk, vertelt ze dat haar man ‘de ballen uit zijn broek lacht’ om hoe Nederlanders met een beetje sneeuw omgaan. De interviewer vindt het ook enorm leuk en lacht mee. Vervolgens laat hij het ochtendnieuws horen, inclusief waarschuwingen. Ze herkennen hun collega die met ernstige stem ‘code oranje’ uitspreekt — en lachen opnieuw, omdat deze collega dit ‘lachwekkende nieuws’ de wereld in moet slingeren.

Deze manier van journalistiek, verpakt als een quasi-diepte-interview dat serieus genomen zou kunnen worden, verstoort mij. Ik zet de radio uit. Ton, mijn man, reageert direct. Hij vindt het ook kortzichtig en ongepast.
Gelukkig, denk ik.

Dit soort geluiden hoor ik voortdurend, over allerlei onderwerpen. Heel stellig, bekeken vanuit een enorm smal perspectief. Dan moet ik denken aan mijn schilderij Vistas / Vergezichten. In dit tweeluik zie je het universum, de Big Bang, de mens, de dualiteit, de vrouw, de volgers, de individuen en de verbinders.

Volgens mij bestaat de mensheid momenteel vooral uit volgers van individuen — en zijn er te weinig verbinders. Dat is geen mening, maar een observatie. De tijd van de verbinders komt vanzelf weer terug. Maar nu duidelijk niet.

De presentatie is vaak grappig, bijna gezellig. Ik noem dat altijd plausibel. Het lijkt zo — maar ís het ook zo? Onbewust komen dit soort ‘gezellige’ babbels en interviews tot ons via radio, tv en social media. Voor veel mensen is het moeilijk om daar los van te blijven staan. Technische vooruitgang heeft voordelen, maar zeker ook nadelen.

Persoonlijk kies ik ervoor om hier niet naar te kijken of te luisteren. Er zit immers een uitknop op.

En toch…
wat is het in mij dat dit de hele dag blijft hangen?

… hahaha, hij lacht de ballen uit z’n broek…

Misschien blijft het hangen omdat ik hoor waar gelachen wordt om wat gedragen wil worden.

Omdat ernst hier niet zwaar is, maar wel werkelijk.

En omdat ik, zelfs met een uitknop, niet kan doen alsof ik niet hoor wat ontbreekt.

Niet alles wat plausibel klinkt, klopt.

En niet alles wat stoort, wil weg.

 

7 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

WANNEER WOORDEN LEREN DRAGEN.

 

6 januari 2026

Er was een tijd waarin ik dacht dat eerlijk spreken vanzelf verbinding zou brengen. Dat als ik mijn woorden zorgvuldig koos, bij mezelf bleef en geen vinger wees, de ander mij wel zou kunnen volgen. Ik nam de tijd, woog zinnen, haalde alles weg wat als aanval kon klinken. Wat overbleef was zuiver, dacht ik. En juist dát bleek ontregelend. Er kwam geen gesprek, geen reactie, zelfs geen afwijzing. Er kwam stilte. Een verdwijnen. Ik begreep het niet. Ik had niets geëist, niets beschuldigd, niets opgelegd. Toch leek precies die openheid iets te raken waarvoor geen bedding was. Lang dacht ik dat ik iets verkeerd had gedaan. Dat ik te direct was geweest, te helder misschien. Dat eerlijkheid soms zachter verpakt moet worden om te mogen bestaan. Pas veel later begon ik iets anders te zien. Woorden die geen uitweg bieden — geen schuldige, geen strijd, geen tegenstem — kunnen iemand confronteren met zichzelf. En niet iedereen kan of wil dat dragen. Ik leerde dat spreken vanuit jezelf niet automatisch betekent dat de ander het ook kan ontvangen. Dat was geen makkelijke ontdekking, want ik was gewend om stevig te blijven staan in hoe ik iets zag en voelde. Wijken deed ik niet. Bruggen slaan ook niet. Ik dacht dat dat hetzelfde was als mezelf verloochenen. Inmiddels antwoord ik anders. Niet omdat ik minder waarachtig ben, maar omdat ik geleerd heb ruimte te laten voor de ander zonder mezelf te verlaten. Als iemand woorden gebruikt als verlangen, teleurstelling, berusting en acceptatie, dan poets ik dat niet meer weg met mijn waarheid. Ik voeg er iets aan toe, subtiel, door te zeggen: niet echt. Niet om het gevoel van de ander te ontkennen, maar om het intact te laten. Ik heb ontdekt dat bruggen slaan niet betekent dat je je standpunt opgeeft. Het betekent dat je een plank neerlegt tussen twee oevers, zodat niemand hoeft te vallen. Voorheen stonden mijn woorden soms als muren. Nu probeer ik ze te laten functioneren als draagbalken. Beide kanten mogen blijven staan in hun eigen recht. Ik ook. Dat is de groei die ik nu zie. Niet zachter worden ten koste van mezelf, maar beweeglijker zonder te breken. Ik spreek nog steeds vanuit mijn kern, maar ik luister beter naar wie er tegenover me staat. Niet om me aan te passen, maar om af te stemmen. Misschien is dat wat ik nu pas leer: dat waarheid pas kan landen als er ook een brug is waarover ze kan komen.

Misschien is dit wat rijpen is:

niet minder waar spreken,

maar leren hoe woorden kunnen dragen

zonder te duwen.

Ik blijf staan waar ik sta —

en leg ondertussen een plank neer.

 

6 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

RUIMTE IN EN OM ME HEEN

 

5 januari 2026

Het is toch al een tijd geleden dat er bij ons in Nederland echte pakken sneeuw vielen. Vanochtend moest de auto uitgegraven worden. Terwijl wij op de sportschool waren, bleef het sneeuwen en een uur later konden we de auto opnieuw letterlijk uitpakken van een dikke witte laag.

Het roept nostalgische gevoelens op. Tegelijk voel ik vreugde, een lichte blijheid wanneer ik naar buiten kijk. Buiten voel ik zelfs niet dat het koud is — misschien is het ook niet koud. Ik zou het niet weten, omdat ik zo bezig ben met het ervaren van deze serene, witte rust.

De eerste stap zetten in die maagdelijk verse sneeuw, zodat mijn voeten diepe sporen achterlaten. Dan denk ik: hoe laat ik eigenlijk nog meer mijn sporen na? Wil ik dat? En zo ja — hoe?

Wit staat voor zuiverheid. Voor vrede. Voor het witte canvas van mijn schilderijen. Wit staat voor een nieuw begin. Nu ook letterlijk, in dit nieuwe jaar. Zo toepasselijk voor mij op meerdere vlakken: mijn verjaardag aankomend weekend, mijn vernieuwde bewustwording. Een nieuwe lichamelijke start. Frisse moed. Nieuwe ideeën. Ja — alles klopt momenteel.

Ik zie veel minder auto’s. Nog maar weinig fietsen. De wereld vertraagt door deze sneeuw. Alles mag even stiller worden. We mogen opladen, verinnerlijken, voordat er weer nieuwe uitdagingen op ons pad komen.

Ik ontvang mooie foto’s en filmpjes. Op Instagram en Facebook zie ik dat veel mensen genieten, opgetogen zijn. Natuurlijk zijn er in de wereld allerlei vervelende dingen gaande — ook in ons eigen land is er onrust. Dat zien we op televisie en sociale media.

Misschien vindt men het egocentrisch. Misschien denkt men dat ik mijn kop in het zand steek. Maar ik kies er vandaag bewust voor om te genieten van deze witte pracht en van het plezier dat ik om me heen zie. Ik probeer sowieso niet extra naar het nieuws te kijken of te luisteren. Er komt al genoeg binnen. Het actief opzoeken hoeft voor mij niet.

Een lach. Een vriendelijk woord. Mooie gedachten. Genieten van de natuur. Mij creatief uiten. Dat is wat ik kan doen. Dat is wat voor mij het leven lichter maakt.

Ik zie hoe dit wit ruimte schept in veel mensen. Dat doet me goed. Zulke momenten wil ik blijven meepakken, want uiteindelijk zijn mooie herfst-, lente-, zomer- of winterdagen zoals deze kleine cadeautjes in een uitdagend bestaan.

Tegelijk voel ik ook dat mooie externe omstandigheden het makkelijker maken om je zo te voelen. Dit gevoel wil ik niet alleen hier ervaren, maar onder alle omstandigheden. Want volgens mij is leven niet wachten tot de storm voorbij is —
maar leren dansen in de regen.

Misschien is ruimte niet iets wat ontstaat door stilte,

maar door aandacht.

En laat sneeuw ons dat soms even herinneren.

 

 

5 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

 

 

VERTROUWEN OP MIJN KOMPAS

 

4 januari 2026

Om half vijf werd ik wakker. Mijn onderkant kriebelde enorm. Nu denk je misschien: bah, dit wil ik niet weten. Begrijpelijk. Maar voor mij is het belangrijk om dit te benoemen.

Op 1 januari 2019 ben ik hard gevallen, waarbij mijn heiligbeen een flinke draai maakte. De pijn zal ik nooit vergeten. Sindsdien heb ik voortdurend last van mijn heupen.
Ondanks mijn ziekte CMT ben ik altijd erg sterk geweest. Ik kon zware dingen tillen en verplaatsen; fysieke klussen waren aan mij besteed. Om iets op te tillen heb je stabiele heupen nodig. Vanaf dat moment merkte ik dat de kracht die ik altijd had, letterlijk weg was. Het is vreemd om te ontdekken dat de kracht waarvan je denkt dat die in je armen of rug zit, eigenlijk vanuit je heupen komt.

Sindsdien geldt: als ik struikel of een onverwachte draai maak, moet ik naar de bewegingsarts om mijn botten weer recht te laten zetten. Die heupen bepalen dus in hoge mate mijn bewegingsvrijheid, mijn kracht en mijn zelfstandigheid. Het hele gebied rond mijn heupen, heiligbeen en schaambeen is daardoor gevoelig en instabiel.

Nu train ik bij de E-Gym. Alle toestellen zijn zorgvuldig afgesteld en doen mij letterlijk geen centje pijn — behalve de leg press. Zodra ik daarop ging zitten, schoot er direct een felle pijnscheut door mijn heup, gevolgd door een enorme kramp in mijn been. De pijn trok door tot in mijn rechterwang; mijn huid stond zichtbaar en voelbaar vol kippenvel. Dit hield thuis nog urenlang aan.

Toch ben ik vanaf dat moment met volledige focus blijven oefenen. Dag na dag. Na een paar dagen lukte het me om deze oefening zonder pijn te doen.
Je zou kunnen zeggen: bij pijn moet je stoppen. Waarschijnlijk wel. Maar ik herinnerde me een moment van veertig jaar geleden.

Toen ik met yoga begon, voelde ik diep van binnen: dit is het. Mijn hele wezen wist dat. Ik ging al snel dagelijks oefenen en heb zeker een half jaar krom gelopen van de pijn erna. Maar de overtuiging was sterker dan de pijn. En het resultaat was groots. Yoga heeft me jaren gegeven waarin ik kon doen wat gezonde mensen ook kunnen. Dat maakt me dankbaar — niet verdrietig dat het nu anders is.

Diezelfde overtuiging voel ik nu bij E-Gym. Geen paniek bij pijn in mijn heupen of onderkant. Wel vertrouwen.
Vannacht kon ik niet slapen van het kriebelen. Ik wist: dit zijn zenuwen die kennelijk weer geactiveerd worden. Ik ben een uur in de woonkamer gaan zitten, tot ik voelde dat de slaap me toch overmande — ondanks de hevige kriebels. En gelukkig viel ik daarna direct weer in slaap.

Doordat mijn lichaam jarenlang getraind is door yoga, had ik nu maar een paar dagen nodig om een omslagpunt te bereiken. Met andere woorden: ik kon leunen op een oud systeem dat mij door vasthoudendheid nog steeds draagt. Een systeem dat, net als toen bij yoga, weet wanneer iets klopt. Dat mij nu, tegen alle medische logica in, laat vertrouwen op E-Gym — zonder mezelf te blesseren, of erger.

Zoals toen, herken ik het weer:

dit is geen overmoed, maar weten.

En weten vraagt vertrouwen.

4 januari 2026

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

BLUE BIRD


3 januari 2026

Terwijl Ton en ik aan het ontbijt zitten, vragen we ons af of het misschien toch een goed idee is om te gaan trainen. We zouden normaal gesproken niet in het weekend gaan. Het is inmiddels drie minuten voor elf en de laatste reservering kan om half twaalf gemaakt worden. Nog vijf plaatsen vrij. Dus: gaan met die banaan.

Buiten sneeuwt het. Er is nog niet gestrooid; straten en trottoirs zijn wit. Mijn wandelstok heeft vandaag geen zin, dus houd ik me aan Ton vast. We horen het geknisper en gebobbel onder de banden van de auto — weer een nieuw geluid, een nieuw gevoel. Mijn systeem is nog steeds gevoeliger dan voorheen en moet even wennen aan dit soort prikkels. Eenmaal op de toestellen in de gym kom ik tot rust. Het lichamelijke werk geeft me een tevreden gevoel, alsof alles weer even op zijn plek valt.

Op weg naar huis horen we op de radio over de toestand van Amerika. Wat is er nu weer aan de hand? Trump beweert dat Maduro, de president van Venezuela, gevangen is genomen en bevestigt aanvallen. Ik wil me niet bezighouden met politiek of met een uitgesproken mening, maar de analogie met het individu dringt zich aan me op.

Ik geloof dat wanneer wij als individu de chaos in onszelf durven oplossen — wanneer we ons eigen handelen onder de loep nemen — daar iets wezenlijks begint. Als wij in onze kleine kring onvoorwaardelijk steun geven én kunnen ontvangen, dus echt zonder verwachting van iets terug, dan is dat misschien wel de eerste stap richting vrede.

Ik begrijp de protesten, de meningen, alles wat via de media binnenkomt. Maar daar ligt volgens mij niet de oplossing. Het begint letterlijk en figuurlijk bij onszelf. Misschien heb ik het mis. Ik ben niet alwetend. Maar dit is hoe het voor mij voelt.

Op mijn cursussen vertelde ik wel eens een verhaal uit de Mahabharata. Het gaat over een klein vogeltje — de Blue Bird — dat haar eieren op het strand legt. Door een vloedgolf worden de eieren meegenomen door de oceaan. Het vogeltje begint druppel voor druppel de zee leeg te drinken, vastbesloten haar eieren terug te vinden. Arjuna, de god van wedergeboorte, ziet haar bezig en vraagt: “Is dit geen onmogelijke opgave?” Het vogeltje antwoordt: “Nee. Als ik lang genoeg drink, zal ik mijn eieren vinden.”

In het verhaal voeren het vogeltje en Arjuna vele gesprekken. Het vogeltje blijft vol vertrouwen, gedreven door eenvoud, onbaatzuchtigheid, doorzettingsvermogen en geduld — geduld met liefde. Na talloze beproevingen besluit Arjuna uiteindelijk om in één keer de oceaan leeg te drinken. Het vogeltje ervaart een wonder en vindt haar eieren terug.

Als wij mensen ons iets meer zouden gedragen als dit vogeltje, zouden we misschien ook wonderen kunnen verrichten — zonder wapens op te pakken, zonder elkaar te dwingen tot andere zienswijzen. Er zijn mensen in deze wereld die denken macht te hebben en zichtbaar verwarring en oorlog veroorzaken. Vanuit onze schommelstoel lijkt het alsof we daar niets aan kunnen doen. Alsof een handjevol mensen de richting bepaalt.

Mijn geloof — mijn idee — is dat wanneer wij van binnenuit macht krijgen over onze eigen emoties, over onze angsten, er energetisch iets verschuift op kosmisch niveau. Daar kan uiteindelijk geen enkele machthebber tegenop. In feite zeg ik dat de chaos en verwarring die we in de wereld zien, een spiegel is van wat in het leeuwendeel van het individu leeft. Dat is geen oordeel. Ik zie ons als deeltjes van één beweging. En als er steeds meer deeltjes een andere kant op bewegen, dan… kan ons misschien iets vergelijkbaars overkomen als het kleine vogeltje.

Tot slot wil ik iets belangrijks benoemen. Er zijn uitzonderingen. Mensen die leven in oorlogsgebieden of onder extreem slechte omstandigheden kunnen niet met dit soort bewustzijn bezig zijn. Hun systeem staat letterlijk op overleven. Niet iedereen kan naar die plekken afreizen om steun te verlenen. Wat wij wél kunnen doen — vanuit ons relatief comfortabele bestaan — is aan onszelf werken. Zodat er, stap voor stap, misschien een wereldwijde verschuiving kan ontstaan

 

Druppel voor druppel.
Zonder haast.
Dat is soms al wonder genoeg.

 

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

 

 

 

VERWONDERDE VERVLECHTING


2 januari 2026

Vandaag ben ik gaan trainen en heb ik me thuis beziggehouden met mijn droom. Ik heb het schilderij waarover in mijn droom gesproken werd snel teruggevonden.

De hele dag heb ik afwisselend verschillende dingen gedaan. Ik heb de planten water gegeven. Nee, niet gewoon een plons in de aarde gegooid, maar ze één voor één naar de keuken gedragen en zorgvuldig verzorgd. Zachtjes lauw water gegeven. Terwijl ik ze weer terugzette, zag ik dat het buiten sneeuwde. Ik nam de tijd om te genieten van het witte uitzicht en maakte er een paar foto’s van.

Ik heb contact gemaakt met een vriendin in Togo, waar het natuurlijk lekker warm is. Ik stuurde haar een foto om haar even mee te laten genieten van het winterwit. Ze stuurde vrijwel direct een foto terug: lekker buiten aan een tafel met vrienden. Een moment in tijd, dik 5000 kilometer uit elkaar… zo mooi.

Een vriendin die met Oud en Nieuw ziek was, heb ik even gevraagd of ze iets nodig had — boodschappen bijvoorbeeld. Ze was nog niet fit, maar wel alweer aan het werk geweest. Iedere dag maak ik contact met mijn bestie. We sturen elkaar dagelijks een hartje. We maken een foto als we ergens een hartje tegenkomen. Soms alleen dat, soms een uitwisseling van gedachten. Ik heb contact gemaakt met twee vriendinnen die ik al mijn hele leven ken en een afspraak vastgelegd. Ook met mijn zus heb ik contact gehad; we spraken over veranderingen en ‘anders’ zijn.

Ik volg een Chinese serie en een Koreaanse serie; die wisselen elkaar af. Deze momenten gebruik ik als rustpauze.

Vandaag ben ik voor de tiende keer bij de E-Gym geweest. In twee weken tijd vijf keer per week. De eerste week voelde ik me direct fris en fruitig, maar bleven mijn prestaties stabiel. Ik dacht eerst: goh, dat wordt dan niet gemeten. Maar de trainer zei: “Ja hoor, de apparatuur maakt het vanzelf zwaarder zodra ze meet dat je sterker bent geworden — dat gaat automatisch.”
“Nou ja,” dacht ik, “als ik me zo goed voel terwijl mijn kracht niet zichtbaar toeneemt, vind ik het prima. Energie krijg ik er in ieder geval wel van.”

Toen ik twee weken geleden begon, was mijn BioAge 73 jaar. En nu, na twee weken dagelijks trainen… 56 jaar. Volgende week ga ik de revalidatie afzeggen en me op deze manier volledig richten op herstel. Het voelt goed.

Ik bedacht me hoe vaak ik wel weet dát iets gedaan moet worden, maar dat het juiste vaak pas na wat schermutselingen duidelijk wordt. Is dat erg? Moet het altijd direct het juiste zijn? Nee, dat geloof ik niet. Ik geloof in de tijd, met zijn verdiepingen. Tijdens de revalidatie heb ik me opnieuw leren begeven tussen onbekende mensen — met vallen en opstaan. Nu kan ik de wereld alweer een stuk beter aan.

Deze dag lijkt voor de meeste mensen waarschijnlijk een gewone, bijna kabbelende dag. Misschien denk je nu wel: “Annette, lekker boeiend hoor.” Dat begrijp ik heel goed. Voor mij is het echter, na vele jaren, een nieuw fenomeen om met plezier huishoudelijke taken op te pakken. Om veelvuldig contact te maken en zelfs afspraken te plannen. Het is bijzonder om met een opgeruimd gevoel een gym binnen te stappen.

Zoveel ‘gewone’ handelingen die weer zo nieuw en verfrissend aanvoelen. Het gevoel om in verbinding te zijn met de wereld om mij heen, met de mensen om mij heen. In verbinding met de materie. Niet uit gewoonte, maar vanuit een open verbinding.

Ik voel verwondering dat het zo is.
Ik ben verwonderd over het feit dat ik me niet eens kan herinneren wanneer ik, op zo’n gewone dag, me zo heel heb gevoeld.

Misschien is dit wat herstel soms werkelijk is:

niet spectaculair, niet luid,

maar stil verweven met het alledaagse.

Een hand die water geeft,

een lichaam dat sterker wordt zonder strijd,

een wereld die weer binnenkomt

zonder dat ik haar hoef vast te grijpen.

Vandaag kabbelde het leven —

en ik kabbelde mee.

 

 

 🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.

2 januari 2026

Op 2 januari 2026 had ik een droom die me terugbracht naar een schilderij dat ik drie jaar geleden begon. Een stem zei: "Durf die draak te zijn." Wat daarna volgde, is niet zomaar een droom — het is een innerlijk keerpunt. Je kunt het volledige verslag lezen op mijn dromenpagina:..

 

 

 

 

BESTE WENSEN


1 januari 2026

Al de hele avond vóór middernacht werd er veel vuurwerk afgestoken.
De kat hebben we in de badkamer gezet. Kiba, het oudste hondje, ligt lekker te slapen, maar Puck — het jongste hondje — veert bij iedere knal op. Inmiddels zit ze letterlijk aan mij vastgeplakt en probeert ze zelfs ín mij te kruipen. Ze graaft met haar pootjes in mijn nek, duwt haar kop zo dicht mogelijk tegen me aan. Ik hoor haar hijgen, haar lijf trilt.

Zelf ben ik ook geen fan van al die knallen. Ik ga nooit naar buiten — bang voor al die oncontroleerbare vuurflitsen in het rond. Vanmiddag stonden volwassen jonge mannen vuurwerk af te steken en gooiden het, nadat ze het hadden aangestoken, in mijn richting. Ik bedoel maar… geen kinderen, nee: jongvolwassenen.

Even later kwam er een alert-bericht op mijn mobiel dat 112 overbelast was.
Ik begrijp mijn kleine hondje helemaal. Het heeft iets angstaanjagends.

Ooit heb ik dit in Azië mogen meemaken. Het was feest — veel, maar gecontroleerd. En ja, natuurlijk is het van oudsher een traditie om met veel geknal de boze geesten te verdrijven. Daar heb ik me geen moment angstig of belaagd gevoeld. Het was misschien zelfs meer geluid, meer kabaal, maar met respect.

Hier gaat het om het afsteken van vuurwerk — en voor sommigen zelfs om, met te veel alcohol op, je buren te pesten. De diepere betekenis gaat verloren.

Wel hebben alle kinderen op één na even gebeld en gefacetimed.
Tot mijn groot genoegen kwamen er direct na 00.00 uur appjes binnen — zo’n twintig in totaal. Vrienden, familie.
Dankbaar dat er zo snel in het nieuwe jaar aan Ton en mij gedacht wordt.

Ik begin steeds meer te beseffen dat er toch een groep mensen is die, ondanks mijn afwezige staat, veel om me geeft.

Dat is dan ook mijn wens: om mij meer te verbinden.
Ik was er al langzaam mee begonnen, en vannacht kon ik constateren dat het zeker iets gedaan heeft.

Hopend op een mooi 2026 voor iedereen.
Hopend dat een ieder elkaar steun geeft, op de momenten dat het nodig is —
en dat men openstaat dit te ontvangen.

We praten altijd over liefde.
Maar juist in deze dagen wordt dat woord wat abstract.
Laten we daarom beginnen met STEUN mogen geven en ontvangen.

Een stap naar humaniteit.
Menslievendheid.

 

Misschien begint liefde niet bij grootse woorden,

maar bij een hand die niet terugdeinst,

en een hart dat even open blijft staan.

 

🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.