Blog 2026
Bijna dagelijks schrijf ik hier ook een droom.
Dromen maken deel uit van deze reis.
Een lege dag vol ruimte
14 augustus 2026
Nadat we vannacht zijn gaan stargazen in de polder ben ik nog tot half vier wakker gebleven. Mijn blog geschreven en nog even kunnen genieten van een wat afgekoelde sfeer. Tegen het middaguur werd ik pas wakker. Gelukkig had Ton de airco in de slaapkamer al aangezet, waardoor ik enigszins okay wakker werd. In huis voelde ik meteen het verschil tussen de koele wind van de airco en de verstikkende warmte zodra je ook maar iets buiten die luchtstroom stapt. Het was direct duidelijk dat ik deze dag voorzichtig moest aanpakken. Zelfs in huis niet te veel bewegen als ik me redelijk goed wilde blijven voelen. Op bed met mijn hondje Puck, de tv aan, laptop naast me aan de ene kant en mijn boeken aan de andere kant. Laat deze lege dag maar komen en zich vullen met ruimte!!!
Uiteindelijk heb ik hem vooral gevuld met slapen. Ik heb gedroomd. Het was eigenlijk een bijna letterlijke herhaling van de serie Moon Lovers: Scarlet Heart Ryeo. Op mijn Fitbit zag ik dat ik meer dan een uur in diepe slaap was geweest en verder in een lichtere slaap. De zonsverduistering heeft mijn onderbewuste kennelijk even teruggebracht naar dit verhaal en naar de lagen daarin die resoneren met mijn verbeelding en ervaring. Hoe liefde verbindt, maar ook hoe het kan verwonden. Hoe liefde de innerlijke duisternis van een ander kan verlichten, zoals het licht van de maan. Het masker, ook zo fascinerend en tegelijkertijd symbolisch. Net zoals de maan een donkere kant heeft die verborgen blijft, verbergt het masker fysieke en emotionele littekens en een angstaanjagende reputatie. De bitterzoete pijn van het open einde benadrukt dat diepe verbondenheden de tijd kunnen overstijgen, zelfs wanneer fysieke scheiding en rouw onvermijdelijk zijn. De onderlinge verhoudingen binnen de familie, de veranderende kijk op mensenrechten, opstanden, ruzies, plezier, eenzaamheid; zoveel aspecten zijn in deze serie aanwezig. Het was er vandaag allemaal weer in mijn droom.
Rond het avondeten werd ik pas weer wakker. Is het een verloren dag? Ik denk het niet. Ik droomde dit verhaal met meer rust dan waarmee ik er destijds naar gekeken heb. Toen kwam het fysiek binnen. De herkenning raakte mijn eigen diepe wonden. Nu had ik een mooie, volle droom gedroomd en werd ik wakker met een verkwikt gevoel. Tevreden dat deze dag zoveel beter voelt dan gisteren schuif ik aan tafel om de heerlijke salade te eten die Ton heeft gemaakt.
Daarna weer terug naar mijn slaapkamer. Ik blader door een tijdschrift en zie staan: ‘Maak ruimte voor kleur.’ Ik kijk mijn slaapkamer rond en moet lachen. Dat is bij mij het probleem niet. Een stukje verder staat: ‘Vergeet niet even stil te zitten.’ Nou, dat is ook geen probleem voor mij. Wat voor hoofdstukken zijn er nog meer? ‘Slinger af en toe door het leven.’ Af en toe? Neem van mij aan dat het leven geen rechte weg is. Soms is vooruitgang spontaan een afslag nemen, het slingerpad op. ‘Laat de natuur zijn werk doen.’ Zonder het stuk verder te lezen ben ik het daar helemaal mee eens. Ik heb er zelfs ooit een stuk over geschreven: ‘De zin van onzin versus de onzin van de zin.’
Het laatste kopje van een hoofdstukje dat ik zie heet: ‘Plant een zaadje voor anderen.’ Ook dit lees ik verder niet, maar ik moet denken aan een appje van mijn zus. Ze is veertien jaar ouder dan ik, waardoor ze qua levenservaring letterlijk die periode op mij vooruitloopt. Haar kinderen en kleinkinderen zijn net een stukje ouder dan die van mij. We zijn allebei ooit gescheiden, wat een zekere problematiek met zich meebracht. We komen uit hetzelfde gezin, waarin de tijd ook niet stilstond maar alles veranderde. Nu zij en haar man ouderdomsmankementen hebben en vertonen, gaan de kinderen daar op een bepaalde manier mee om. Ik heb vaak opgeslagen wat er in haar leven gebeurde, als een soort les voor mezelf voor wanneer iets vergelijkbaars voor mijn deur zou staan. Zij heeft met haar ervaringen vaak zaadjes voor mij geplant. Waarschijnlijk onbewust, maar ik denk dat het dat is wat wij voor elkaar kunnen betekenen.
Vannacht keek ik naar kleine lichtsporen die kriskras door de hemel bewogen en zag ik daarin zaadcellen, een neerdalende stroom van leven. Vandaag kom ik, zonder mijn bed nauwelijks te verlaten, opnieuw bij zaadjes terecht. Misschien weten we zelf niet eens welke zaadjes we onderweg in een ander achterlaten. We leven ons leven, vertellen onze verhalen, maken onze fouten, veranderen en vinden soms onze weg. Een ander kijkt mee en neemt ongemerkt iets daarvan mee.
Gisteren zag ik een stroom van leven door de hemel trekken.
Vandaag besef ik dat die stroom misschien gewoon doorgaat,
van mens tot mens,
in zaadjes waarvan we zelf niet weten waar en wanneer ze zullen ontkiemen.
Een stroom van leven
13 augustus 2026
Op 12 augustus waren vanuit Nederland en België twee bijzondere hemelverschijnselen te zien. In de avond vond een gedeeltelijke zonsverduistering plaats en enkele uren later, in de nacht van 12 op 13 augustus, bereikten de Perseïden hun hoogtepunt. Doordat de piek vrijwel samenviel met de nieuwe maan, was er nauwelijks storend maanlicht. Op een donkere plek zouden bij helder weer tientallen vallende sterren per uur te zien kunnen zijn.
Afgelopen nacht ben ik eropuit gegaan om dit te zien. Ton sliep lekker, dus ben ik alleen de polder in gegaan. Inderdaad zag ik her en der lichtstrepen door de lucht schieten. Ooit heb ik dit in België meegemaakt. In 1991 zag ik in de Ardennen werkelijk een spectaculaire meteorenregen, alsof er een vuurwerkshow aan de hemel gaande was. Een beeld en herinnering die ik nooit zal vergeten. Deze keer was de hemel prachtig, maar de sterrenregen was veel zachter aanwezig. Ik moest goed omhoog blijven staren om de vallende sterren te zien.
Thuis kon ik helaas weer niet slapen door de zenuwpijnen die al dagenlang aanhouden. Het werd 35 graden en samen met mijn vermoeidheid werd het een dag waarop ik me niet opperbest voelde. Ik voel me dan huilerig. Ik huil niet, ik ben niet echt depressief, maar ik doe niets en ik kan niets. Het bleef tot middernacht warm.
Ton ging pas om één uur ’s nachts de hondjes uitlaten. Ik ging mee om toch even te bewegen en buiten te zijn. Het was zwoel. We besloten samen nog even de polder in te gaan om te kijken of de sterrenregen vannacht wat duidelijker zou zijn.
Het was weer zo zacht aanwezig als gisteren. Wel zag het er nu meer uit als zaadcellen die zich kriskras door de hemel bewogen. Als kleine lichtknopjes of vonkjes die een stroom achterlaten die je als kleine streepjes waarneemt. Het zijn zogezegd vallende sterren, maar het voelt meer als een neerdalende stroom van leven.
Blij dat Ton even is meegegaan. Samen stargazen is veel leuker. Deze nacht zie ik ook een nevel oplichten als een soort hoefijzer. Het gevoel van nieuw leven en geluk komt bij me binnen.
We rijden terug naar huis. Ton en de hondjes duiken snel terug naar bed en ik blijf nog een poosje wakker. Mijn lichaam voelt eindelijk weer even wat beter. Morgen wordt het nog warmer, dus kan ik maar beter genieten van deze uren waarin de nacht zacht om me heen ligt en mijn lichaam weer wat ruimte geeft.
Misschien hoeft iets niet spectaculair te zijn om indruk te maken. In 1991 stond de hemel voor mij in vuur en vlam. Vannacht moest ik zoeken, wachten en blijven kijken. Kleine lichtjes trokken hun korte sporen door het donker, nauwelijks meer dan vonkjes. En toch zag ik er leven in.
Soms komt het leven niet met vuurwerk.
Soms trekt het als een klein lichtspoor door het donker en moet je alleen lang genoeg omhoog blijven kijken om het te zien.
Perfect in imperfectie
12 augustus 2026
Het is moeilijk om wakker te worden de laatste tijd, waardoor het opstarten lang duurt. Tussen de middag hebben we met mijn broer en zijn vriendin afgesproken. Het is een half uurtje fietsen. Dat gaat me lukken, maar de training moet ik dan wel afzeggen. Jammer dat het niet lukt, maar het is niet anders. De vriendin van mijn broer heeft nogal ferme, vrij onwrikbare uitspraken waar ik jammer genoeg weleens op reageer. Dit kan wat wrijving veroorzaken. Ik neem me voor om niet te reageren en het gesprek steeds naar een gemoedelijk, vrolijk onderwerp te sturen. Of haar uit te laten praten, er vervolgens niet echt op te reageren en weer naar een makkelijker onderwerp te gaan. Mijn broer vertelt dat de samenhorigheid die we vroeger als gezin ondervonden verdwenen lijkt te zijn. Hij vraagt zich af of het nog mogelijk is om het weer wat dichter bij elkaar te brengen. Tijden veranderen. We krijgen partners, kinderen, kleinkinderen. Er zijn scheidingen geweest en onze ouders zijn overleden. Het verlangen naar een ouderlijk huis waar kinderen en kleinkinderen bij opa en oma op bezoek gaan en waar we elkaar ontmoeten, is misschien begrijpelijk, maar in onze nieuwe situatie praktisch niet meer te doen. Onze kinderen hebben niet meer vanzelfsprekend één ouderlijk huis, want ouders zijn gescheiden en wonen ergens anders. Wij als ouders, opa en oma, zijn ook veel meer gericht op samen dingen ondernemen en niet iedere zondag thuis wachten op kinderen die misschien langskomen. Het leven is anders dan zoals wij dat gekend hebben. Samenkomsten gaan organiseren lijkt mij geen goed idee meer. Gewoon langs een broer of zus gaan als je daar behoefte aan hebt. Dat is hoe ik het doe, vertel ik hem. Niet meer afvragen waarom het andersom niet lukt, dat frustreert alleen maar. Doen wat je zelf fijn vindt en wat je hart je ingeeft. Ik snap de heimwee die hij voelt wel. Ook ik verlang er soms naar. Tegelijkertijd denk ik dat heimwee en verlangen je kunnen vasthouden, waardoor je ruimte kleiner wordt. Accepteer dat de tijd verandert en anders is, dan ontstaat er ruimte voor nieuwe wegen of fijne dingen die je nu nog niet kunt zien. Nadat we lekker mosselen hebben gegeten en gezellig hebben gekletst, nemen we afscheid. Ton en ik fietsen nog een eindje bij Kinderdijk door de polder terug naar huis. Vanaf 19.15 tot 20.15 uur zal er een zonsverduistering, een eclips, zijn. We willen daarom weer de polder in om ernaar te kijken. Onderweg komen we nu wel mensen tegen die in het gras zitten te wachten. Ook op het landweggetje waar we vaak fietsen staan verschillende mensen langs de weg in afwachting van de eclips. Niet veel, maar een aantal. Ik maak foto's. Met het blote oog kun je de verduistering niet echt waarnemen en ook met mijn mobiel lukt dat niet rechtstreeks, maar indirect wel. Een klein sikkeltje onder de zon is op de foto's terug te vinden, zelfs op Tons gezicht. Dat is geen tweede maantje aan de hemel, maar een lensflare. Tijdens een gedeeltelijke zonsverduistering kan zo'n interne reflectie in de lens de vorm van de verduisterde zon aannemen. Daardoor heb ik eigenlijk indirect het eclips-sikkeltje gevangen.
Terwijl we daar staan te kijken naar het felle licht van de eclips zie ik een torenvalk jagen. Zijn vleugels bewegen snel, terwijl hij verder vrijwel stil op één plek in de lucht blijft hangen. En woeps, naar beneden om zijn prooi te vangen. Even later hetzelfde ritueel, allemaal onder de eclips. Wanneer de eclips verdergaat, verschijnt opeens weer een zwerm zwaluwen, maar nu extreem laag. Ik krijg het gevoel dat ik moet bukken. Ik weet dat zwaluwen laag kunnen vliegen als er regen op komst is, maar nu verbaast het me omdat ik voel dat dit niet aan de orde is. We komen langs een veld waar honderden ganzen zijn neergestreken. In plaats van dat ze, zoals ik ze daar normaal zie, grazen, scharrelen, hun kop omhoog steken en weer verdergaan, liggen ze vrijwel allemaal alsof ze aan het rusten zijn. Een opvallend en voor mij vervreemdend beeld. Ik kijk vaak naar Aziatische series waarin verschijnselen als een eclips een rol krijgen in het verhaal. In een van mijn lievelingsseries, Moon Lovers: Scarlet Heart Ryeo, fungeert een zonsverduistering als mystiek vehikel voor tijdreizen. Tijdens een totale zonsverduistering belandt hoofdpersonage Go Ha Jin vanuit het moderne tijdperk in het lichaam van Hae Soo in de Goryeo-dynastie. Het fenomeen wordt een tijdelijke scheur in de tijd. Een fascinerend gegeven. Ik heb me jarenlang beziggehouden met de spirituele en astrologische symboliek van dit soort verschijnselen. Een eclips wordt daarin onder andere verbonden met verandering, het zichtbaar worden van wat verborgen was, loslaten en een nieuw begin. Die betekenissen spreken nog altijd enorm tot mijn verbeelding. Ze inspireren mij. Maar misschien spreken de natuurkundige verschijnselen zelf nog wel sterker tot mijn fantasie. De diamant, het intense restant van de zonschijf dat door een maanvallei breekt. De ring, de ijle zonnecorona die als een cirkel rond de maan zichtbaar wordt. De zogenaamde Baily's beads, lichtparels waarbij de laatste lichtpuntjes door de oneffenheden van het maanoppervlak schitteren. Diamant, ring, parels. Allemaal beelden die doorwerken in mijn fantasie en mijn dromen. En wat ik daar misschien nog wel het mooiste aan vind, is dat het fenomeen een zekere perfectie heeft, maar de uitvoering niet. Het lijkt op een diamant. Het lijkt op een ring. Het lijken parels. Maar ze zijn het nét niet! De maan zelf is niet eens die volmaakt gladde cirkel die wij vanaf een afstand denken te zien. Juist door haar bergen en dalen ontstaan die lichtparels. De onregelmatigheid maakt het verschijnsel mooi. De natuur is perfect in haar imperfectie. Die gedachte geeft mij rust en maakt mij, hoe ouder ik word, steeds tevredener. Misschien geldt hetzelfde wel voor het leven. We kunnen verlangen naar de vorm die het ooit had, naar een ouderlijk huis, naar samenhorigheid zoals we die kenden, naar mensen en tijden die niet terugkomen. Maar wanneer de oude vorm verdwijnt, verdwijnt daarmee niet noodzakelijk de schoonheid. Er ontstaan andere openingen waar het licht doorheen kan vallen.
Zoals zonlicht door de dalen van de maan.
Geen volmaakte ring. Geen echte parels. Geen diamant.
En juist daardoor zo ongelooflijk mooi.
Dezelfde plek, andere stilte
11 augustus 2026
Iedere dag doe ik hetzelfde. Wakker worden, koffie drinken, shake drinken, douchen of wassen, toilet, aankleden, naar trainen, thuiskomen, weer uitkleden, e-mails bekijken, weer koffie, maar nu met twee crackers. De verdere invulling van de dag bepaal ik aan de hand van hoe ik me voel, het weer en de omstandigheden. Tot en met twee uur heb ik een vast ritueel. Je zou het discipline kunnen noemen of regelmaat. Misschien wel stijf of saai. Maar iedere dag is anders. Ook al lijkt iets hetzelfde, iedere seconde zie ik verandering. Zoals de cellen in je lichaam zich vernieuwen of veranderen: onzichtbaar, maar wel in constante beweging.
De ene dag slaap ik goed, de andere dag weer niet. De ene dag ben ik zelf op tijd wakker, de andere dag maakt Ton me wakker. De ene dag ben ik, als hij me wakker maakt, direct klaarwakker. Op een andere dag, zoals vandaag, maakt hij me wakker, maar mijn lichaam wakkert niet met me mee. Ik heb dan een lange aanloop nodig om mentaal en fysiek evenwicht te bereiken. Het trainen verschuif ik dan een uur. Ook op de sportschool zijn de apparaten iedere dag dezelfde. De mensen zijn iedere dag weer anders, alhoewel ik de gezichten zo langzamerhand leer kennen. Soms is het druk, soms helemaal niet. De ene dag gaat het makkelijk, de andere dag is het juist zwaar, terwijl ik hetzelfde doe.
Ons appartementencomplex staat met haar voeten in het water. Er loopt een sloot die doorgaat naar een park met een enorme vijver. De wijken in de gemeente waar ik woon zijn zo gebouwd dat er overal sloten zijn. Er is een zwanenfamilie die vanmorgen dicht bij het sportcentrum vertoefde en vanavond, toen we thuiskwamen van het fietsen, was de familie onder mijn appartement in de sloot. Het maakt me blij om ze overal tegen te komen en te zien hoe ontspannen ze zich bewegen binnen het leef- en woongebied van mensen.
Door de pijnen die ik ervaar slaap ik slecht en sta ik mezelf tegenwoordig toe om ’s middags dutjes te doen. Althans, ik verzet me er niet meer tegen als ik op bed achter een boek of de tv in slaap val. Voorheen vond ik dat iets voor bejaarde mensen, niets voor mij. Nu zie ik dat anders.
Na het eten gaan we weer fietsen, een andere weg naar dezelfde polder. Op dezelfde plek als gisteren, om en nabij dezelfde tijd, maak ik vanaf één plek drie foto’s. Ik zie nu weer stilte, maar een heel andere stilte.
Waar ik gisteren nog de windveren in de lucht zag als voorbode van een mooie dag, is de lucht nu vrijwel helder, zonder een wolkje.
Hoog in de lucht boven het veld zien we zwermen zwaluwen. Terwijl we langs de weidevelden fietsen, zien we er wel duizenden. Overal zwermen zwaluwen, te hoog in de lucht om met mijn mobiel goed op de foto te krijgen. Honderden zwaluwen hoog boven een veld wijzen op goed, droog weer en een grote hoeveelheid insecten. Volgens de bekende weerspreuk blijft het droog zolang ze hoog vliegen. De thermiek neemt de insecten mee omhoog en de zwaluwen volgen hun voedsel. Zo zie je: de lucht is nu helder, op het veld zelf is het veel rustiger. Hoe kan de sfeer in één dag veranderen?
In mijn levensfilosofie gebruik ik vaak metaforen uit de natuur, omdat ik denk, of geloof, dat het leven, het bestaan, naar hetzelfde ritme beweegt. Beweging en verandering zijn elementen van het bestaan. Niets staat vast. Iets willen vastzetten of vasthouden is een menselijke ingreep.
Misschien geeft juist mijn vaste dagelijkse ritme me de ruimte om die verandering te zien. Ik sta iedere dag op, doe veelal dezelfde dingen en fiets door hetzelfde landschap. Toch bestaat geen ochtend, geen training, geen lichaam, geen lucht en geen stilte tweemaal op precies dezelfde manier. Zelfs wanneer ik op dezelfde plek ga staan, rond dezelfde tijd en opnieuw om me heen kijk, krijg ik gisteren niet terug.
Het bestaan laat zich niet vasthouden.
Misschien kan ik alleen aanwezig zijn terwijl het verandert.
Ik zie de stilte
10 augustus 2026
Aanhoudende zenuwpijnen in mijn voeten houden me de hele nacht wakker. Het is lastig, maar gelukkig heb ik geen verplichtingen waarvoor ik goed uitgerust moet zijn. Mijn nachtrust is nooit stabiel geweest. Vroeger kon ik me ’s morgens gewoon fit voelen, ook als ik de hele nacht niet had geslapen. Dat is nu anders. Ik moet meer rekening houden met de verdeling van mijn energie. Tijdens de fitness loopt het zweet in stralen van me af. Het voelt goed om zo hard te zweten. Het voelt alsof ik gezond ben. Of dat werkelijk zo is, weet ik niet, maar ik vind het lekker om zo hard te werken. Het snelle herstel erna is misschien nog wel het mooiste: het gevoel sterk, krachtig en nog jong te zijn.
We spreken af om vandaag weer pas na het avondeten te gaan fietsen. Op bed de tv aan en zo af en toe even een dutje is de remedie tegen mijn chronische vermoeidheid. Ton vindt het vervelend dat ik hem ’s nachts niet wakker maak, zodat hij mijn voeten kan masseren totdat ik in slaap val. Hij vindt dat ik dat moet leren. Het komt alleen niet in me op om hem wakker te maken als ik pijn heb. Ik ben niet gewend om daar een ander mee lastig te vallen. Ik denk ook nooit aan pijnstilling. Pas als Ton zegt: “Zou je niet eens…” Leren om zachter te zijn voor mezelf is een ding, maar dat ten koste van een ander doen is weer iets anders. Althans, zo voelt het voor mij. Ton zegt dan: “Je moet niet aan mij denken als aan iemand anders.” Daar komt meteen het volgende struikelblok. Ik zie een partner als iemand anders, niet per se als een eenheid met mij.
Ik hoor een gesprek in een film. Hij vertelt dat hij haar ziet als zijn lucht. Zonder haar kan hij niet ademen, voelt hij zichzelf verstikken. Zij zegt heel rustig: “Ik ben niet de lucht, ik was slechts een briesje. De wind kan niet terugkeren naar een plek die hij al heeft verlaten.”
Ja, daar kan ik wel wat mee. Ik ben als de wind. Net zoals de wind altijd doorstroomt en nooit exact dezelfde luchtstroom terugstuurt naar dezelfde plek, beweegt het leven zich altijd. We leven samen, maar bewegen los van elkaar, met eigen gevoelens, gedachten en intenties. Soms is het windstil, soms stormt het of ontstaat er zelfs een orkaan, maar we bewegen los van elkaar. Soms door elkaar heen, soms botsend. Tijd is onomkeerbaar en wij bewegen erdoorheen. De wind zijn symboliseert voor mij de noodzaak om het verleden te accepteren. Proberen terug te keren naar hoe het was, is zinloos. De weg die je aflegt maakt dat je steeds verandert. Dezelfde willen blijven zijn, is volgens mij ook niet hoe het werkt. Alles verandert permanent. Als je ergens vandaan bent gegaan, is die plek, geestelijk of letterlijk, niet meer dezelfde als toen je er was. Nee, het klinkt misschien romantisch, jij bent mijn lucht die ik inadem, maar voor mij voelt het als de autoriteit buiten jezelf zoeken.
Al bijna twee maanden heb ik niets van mijn zus gehoord. Ik denk steeds aan haar, maar nu ik met deze gedachtespinsels bezig ben, vat ik de koe bij de horens en bel haar op. Het is fijn om elkaar weer even te spreken. We vertellen elkaar over gebeurtenissen die momenteel dicht bij ons hart liggen. Opeens geeft ze antwoord op iets wat ik vertel en zegt: “Dat is duidelijk een geval van autoriteit buiten zichzelf zoeken. Ik herken het, want ik heb dat ook altijd gedaan.” Ze bevestigt daarmee iets wat ik op die manier aanvoel. Het geeft mij een inzicht dat ik kan accepteren en waardoor ik vrede kan hebben met hoe dingen gaan. Het maakt niet uit waar het precies over ging. Wel vind ik het een kwestie van synchroniciteit dat het in ons gesprek ineens ook weer hierover gaat. We beloven elkaar opnieuw om te proberen wat meer contact met elkaar op te nemen. Een mooi voornemen.
Na het eten gaan we inderdaad fietsen. Het is een stuk koeler. Op het moment dat we weer de polder inrijden zeg ik tegen Ton: “Ik zie de stilte.” Ik maak er een foto van om te proberen dat gevoel vast te leggen. Maar kan dat wel? Waait het niet weg met de wind op het moment dat je het ziet? De wolkenlucht heeft enorme windveren en is bijna een spektakel om te zien.
Ook daar maak ik een foto van. We fietsen verder, maar stoppen omdat het echt koud wordt. Een dik vest maakt dat we ons weer behaaglijk voelen en verder kunnen. De lucht verandert langzaam van paars en lila naar oranje. Prachtig.
In de schemering zie ik ineens licht. Het geeft een licht waarmee de horizon scherper wordt. Overdag is alles dichtbij scherper dan wat verder weg ligt. Nu is het duidelijk andersom. Van dichtbij zijn de planten een soort van zacht geworden en de horizon komt naar me toe.
Fris en wakker kom ik weer thuis.
Misschien hoef ik niet samen te vallen met een ander om verbonden te zijn.
We kunnen ieder onze eigen wind zijn en elkaar toch ontmoeten, soms botsend, soms door elkaar heen en soms bijna windstil.
En misschien is het juist in die beweging dat ik af en toe de stilte kan zien, voordat ze alweer verder waait.
De modder laten zakken
9 augustus 2026
Vanochtend voelde ik me nog beroerder dan gisteren. Ik ging me echt diep ongelukkig voelen. Zelfs vluchtneigingen: m’n boel oppakken en verdwijnen met de noorderzon. Vele donkere gedachten gingen door m’n hoofd, moeilijke herinneringen en vergelijkingen met mijn situatie nu. Iedere minuut voelde ik me steeds verder wegzakken in mijn zwarte gat.
Dan zie ik een boek met citaten van Alan Watts.
“Muddy water is best cleared by leaving it alone.”
Het betekent dat je chaos, onrust of problemen soms het beste kunt oplossen door er niet krampachtig in te blijven roeren. Net zoals modder vanzelf naar de bodem zakt als water met rust wordt gelaten, keert de helderheid vanzelf terug als je geduld hebt en even niets forceert.
Alsof het boek daar ligt om mij te vertellen dat ik vanuit dit gevoel geen rare bokkensprongen moet maken. Toeval of niet, het komt binnen. Dus besluit ik uit m’n lethargie te stappen en voor te stellen om te gaan fietsen.
We gaan naar buiten en het voelt meteen als een warme föhn. We proberen het toch en zien langs het fietspad allemaal Italiaanse aronskelken. Giftige planten, waarvan vooral de oranjerode bessen behoorlijk opvallen tussen het verdorde gras. Ik maak er een foto van.
Nou, denk ik, dit past wel bij mijn giftige gedachten.
We fietsen nog een stukje door, maar het is niet fijn omdat het echt te warm is. Na een kort ritje zijn we weer thuis.
Nog steeds met de wijze woorden van Watts in mijn hoofd spreek ik met Ton af om vanavond tegen de schemering nog een keer te proberen om te gaan fietsen. Hahaha, het voelt als reuzenstappen die ik zet om zo meegaand en vriendelijk naar hem te zijn. Ik erger me al dagen aan hem. En ja, dat zegt genoeg over mij, maar dat neemt nog steeds niet weg dat ik dit wel voel.
Rond een uur of acht is het bewolkt en gaan we weer op stap. We zijn de straat nog niet uit of we voelen al de eerste regendruppels. De temperatuur voelt nu zalig aan, dus besluit ik van de regen te gaan genieten. Het zijn dikke druppels die zo af en toe vallen en het is eigenlijk wel verfrissend.
We gaan weer de polder in. Het is werkelijk muisstil. Geen auto’s, fietsers, niets van dat alles. We komen niemand tegen.
Het avondlicht is werkelijk prachtig, zo bijzonder, een levend schilderij.
We zien hazen achter elkaar aan rennen en een enorm grote kolonie zilverreigers. Echt nog nooit gezien, misschien wel honderd spierwitte reigers. We zien tientallen ooievaars, kieviten, buizerds, ganzen, waterhoentjes, meerkoeten, zwanen enzovoort. De velden zijn dikbevolkt met dieren. Het is alsof we door een open dierenpark rijden.
Ik word steeds enthousiaster en gelukkiger.
“Ton, kijk, daar! En daar! Oooh, kijk eens hoe mooi!”
Dan zien we boven het veld, in dit prachtige licht, ook nog een regenboog verschijnen.
Mijn dag heeft zich letterlijk en figuurlijk opgelicht.
Soms hoef ik niets op te lossen. Niet te begrijpen waar mijn donkere gedachten vandaan komen, niet te zoeken naar antwoorden en er vooral niet in te blijven roeren. Misschien hoef ik alleen maar te wachten tot de modder zakt.
Vandaag hielpen de regen, het avondlicht en een polder vol dieren een handje mee.
Blij en gelukkig kom ik thuis. De modder is duidelijk langzaam naar de bodem gezakt.
Mijn geest is weer helder als water.
Ingewikkeld
8 augustus 2026
Ik voel me al twee dagen niet lekker. Niet ziek, maar moe en met hoofdpijn. Door de afwisseling van verhit en bezweet zijn, snel afkoelen en later weer opwarmen ervaar ik een algehele malaise. Eigenlijk is alles me te veel. Tv-kijken, schilderen, borduren, lezen, het is even niet aan mij besteed.
Tijdens het eten staat de televisie aan met het nieuws. Zelden kijk ik daarnaar, omdat ik toch wel genoeg negatieve berichten over de wereld opvang. Er dan ook nog eens extra naar kijken gaat me meestal te ver. Vandaag vraag ik Ton zelfs om het geluid wat harder te zetten. Grappig toch? Ik voel me al niet okay en nu wil ik nog meer ellende binnen laten komen. Wat is dat toch? Wat zit een mens vreemd in elkaar.
De bosbranden komen voorbij en nietszeggende interviews met een brandweercommandant. De brandweer zit aan zijn taks. Okay, wat heeft de kijker hieraan? Binnen een paar minuten wordt het woord ‘ingewikkeld’ gebruikt. Ton en ik struikelen daar tegelijkertijd over. Waarom wordt dit woord nu gebruikt? Het voelt als een rookgordijn om niet te benoemen dat het een complex probleem is. Of gekker nog, om kritiek af te wenden of lastige keuzes en besluiten uit te stellen. Het valt me zo vaak op dat er woorden worden gebruikt, vooral in de media, die eigenlijk helemaal niets vertellen.
Wat wil men inwikkelen om niet te laten zien? Of wanneer iemand iets vertelt over de problematiek als antwoord geven: “Ja, het is ingewikkeld.” Wat betekent dat? Heb je wel echt geluisterd? Ik vraag me dat dan werkelijk af.
Het volgende struikelwoord dat je in het nieuws hoort is ‘uitdaging’. Het probleem is ingewikkeld en een hele uitdaging om op te lossen. Ook hier wordt voor mijn gevoel geen verantwoordelijkheid genomen. Het woord lijkt het probleem te verzachten. Terwijl er in werkelijkheid misschien is gefaald of sprake is van een echte crisis.
Hoeveel uitheemse dieren er in Nederland zijn, is het volgende onderwerp. Ook hier: veel geblaat, weinig wol. De woorden ‘ingewikkeld’ en ‘uitdaging’ komen weer voorbij.
Het kikkert me eigenlijk wel weer op om te beseffen waarom ik niet meer naar het nieuws kijk. Hahaha, zo werkt het dan ook weer. Ik voel me slecht en kijk of luister naar nog meer slechte dingen, waardoor ik weer opknap.
Mijn lege dagen voelen gevuld, door lege berichten.
De familie die ik vandaag nodig had
6 augustus 2026
Mijn vader is op eerste kerstdag 2000 overleden. Dat vergeet ik nooit meer. Gek genoeg weet ik van mijn moeder het jaar en de datum niet eens meer. Vandaag is mijn vaders geboortedag, 6 augustus 1928. Ik heb er meerdere keren aan gedacht. Op de broers-en-zussenapp kwam ik het niet tegen en iets in mij weerhield me ervan om het te benoemen. Ik doe mijn best, maar familie blijft toch wel een dingetje voor me. Wat is familie eigenlijk? Bloedverwanten? Of juist de mensen die geen bloedverwant zijn, maar die je het meest vertrouwt?
Ik begin mezelf steeds meer als een onbewoond eiland te voelen, waar zo af en toe mensen verblijven en vervolgens weer vertrekken. Is zo'n eiland beter af met of zonder mensen? Bezocht worden is fijn. Te veel drukte, met kans op vervuiling of duidelijke sporen die worden achtergelaten, is minder fijn maar haast niet te voorkomen. Daarna het eiland een poosje met rust laten, zodat het zich in de stilte van de elementen weer kan vernieuwen en opschonen, lijkt me een ideale balans. Momenteel zit ik in die stille fase. Mijn eiland wordt niet bezocht.
Mijn jongste zoon belt om te vragen hoe je mosselen klaarmaakt. Zo'n telefoontje zie ik als een boot die richting het eiland vaart en daar voor anker gaat, maar men komt niet aan wal. Ook sluit ik me wat af van de dingen waar Ton zich mee bezighoudt. Ik herken dit soort momenten bij mezelf. Waarom het gebeurt? Ik weet het niet. Soms is het een voorbode van iets wat ik nu nog niet kan zien. Misschien is het een beweging in mezelf die me leidt, zonder dat ik weet waarom het zo gaat. Ik vecht niet tegen dat gevoel en ga ook niet op zoek naar de betekenis ervan. Ik laat het gebeuren.
We gaan fietsen. Het is maar twintig graden en er staat een sterke wind. Het eerste uur hebben we wind tegen en ik merk dat ik alleen maar tegen die wind opbokst. Te veel kracht gebruik om vooruit te komen, kromgebogen over mijn stuur en de omgeving compleet negerend. Al puffend denk ik: "Ja, dit hoort wel bij mijn gevoel. Het enige wat ik nu kan doen is naar binnen keren en mijn lichaam het werk laten doen."
Na twaalf kilometer slaan we rechtsaf de polder in. De molens staan in een lange rij achter elkaar in het vroege avondlicht. Het is helder en stil en we fietsen nu in de luwte. De oeverplanten langs de sloten zijn inmiddels anderhalve tot twee meter hoog, waardoor het beeld van de fietsroutes bij Kinderdijk helemaal veranderd is. Op verschillende vlonders zitten wel tien vissers, misschien meer. Zij zijn vrijwel de enige mensen die we tegenkomen. Ook zij zitten stil, allemaal starend naar hun dobber. Ik bedenk hoe anders de sfeer hier in de vroege avond is.
Dan komen we weer een zwanenfamilie tegen. We stappen af om naar ze te kijken. Vader en moeder zijn al een heel eind vooruit gezwommen. De vier kinderen spartelen nog in de verte en maken geen enkele aanstalten om achter hun ouders aan te gaan. Toch blijven Ton en ik staan. We zien hoe ze steeds hun hoofd onder water steken om voedsel van de bodem te zoeken. Dit gedrag heet grondelen.
Dankzij hun lange hals kunnen ze dieper reiken dan veel andere watervogels, terwijl hun achterlijf en staart omhoog uit het water steken.
Na een tijdje komen de vier jonge zwanen onze kant op. Op slechts een paar meter afstand blijven we naar ze kijken. Ik vraag Ton of hij hier ook zo rustig van wordt. Ja, hij ervaart hetzelfde, bijna meditatieve moment.
Deze familie geeft warmte. Mijn hartslag daalt. Een rustig en opgeladen gevoel stroomt naar mijn hart en vandaaruit door mijn hele lichaam. Het stroomt verder, waardoor ik me wezenlijk één voel met het geheel.
Dit was vandaag de familie die ik nodig had.
Het hart wijst naar huis
5 augustus 2026
Vandaag hebben Ton en ik afgesproken met zijn broer en schoonzus. We ontmoeten elkaar in het restaurant waar wij ooit onze bruiloft vierden. Gelukkig is het met zevenentwintig graden een stuk aangenamer dan de afgelopen dagen. Er staat wel een stevige wind zodra ik buiten stap.
Het is maar twintig minuten fietsen. Ik voel me net zo blij als mijn hondjes wanneer ze worden uitgelaten. Na dagen binnen in de koele lucht van de airco voel ik me vrolijk en uitgelaten op mijn bakfiets. We fietsen langs een provinciale weg, met aan de ene kant landerijen en aan de andere kant bos. Een vrachtwagen zoeft voorbij.
In gedachten zing ik:
Met de wind in m'n rug,
fiets ik in Hoeksche Waard,
op m'n e-bike bakfiets,
ver van huis, op weg naar niets.
Op de melodie van Met de vlam in de pijp van Henk Wijngaard. Het liedje ademt vrijheid, onderweg zijn, zonder dat het doel belangrijk is. Ik moet lachen om mezelf, want we fietsen helemaal niet in de Hoeksche Waard maar in de Alblasserwaard. Alleen... dat past ritmisch niet in het liedje. Lachend zing ik mijn nieuwe versie voor Ton. Hij lijkt vooral blij omdat ik zoveel plezier heb.
De broer van Ton is normaal heel punctueel, maar nu zitten we een half uur te wachten. Hij dacht dat hij de weg nog wist en had het adres niet in zijn TomTom gezet. Ton merkt op dat dit eigenlijk niets voor hem is. Ik reageer droog: "Nou ja, voor alles een eerste keer, zelfs op je achtenzeventigste." De manier waarop ik het zeg maakt dat we allebei in de lach schieten. Die vrolijke stemming blijft de hele lunch hangen.
Op de terugweg kopen we bij de boer verse, zelfgemaakte jam. We rijden langs de Alblas, waar de huizen lijken te liggen op kleine eilandjes, omringd door sloten die uitkomen op het riviertje. Voor het eerst zie ik daar geen waterlelies of dotters, maar een waterplant met blauwe bloemen. Natuurlijk stoppen we even voor een foto. Thuis zoek ik op wat het is: de moerashyacint, ook wel snoekkruid genoemd. Oorspronkelijk komt deze plant uit Midden- en Zuid-Amerika. Waarschijnlijk is hij hier ooit door mensen aangeplant.
Omdat de wind is gaan liggen voelt het warmer aan. Om mijn vrolijke energie vast te houden, fietsen we rechtstreeks naar huis en slaan we het gebruikelijke ommetje over. Voor ons appartement glijdt een zwanengezin in een keurige rij door het kroos: vader, moeder en zeven inmiddels bijna volwassen, nog grijze jongen. Ik ben iedere keer weer blij dat dit stukje natuur gewoon onder mijn raam leeft.
Eenmaal thuis gaan de kleren uit, een oud T-shirt aan, de airco weer aan. Met de hondjes op bed zet ik Netflix op.
In de serie volgen we twee mensen die elkaar al sinds hun puberteit liefhebben. Hun levens kruisen elkaar steeds opnieuw, maar telkens gaan ze weer ieder hun eigen weg. Dertig jaar later lijken ze uit te komen op dezelfde plek, alleen niet met elkaar.
Dan krijgt de vrouw een advies:
"Your heart will show you the right path. It will lead you home."
Hier wordt bedoeld dat het hart weet bij wie je uiteindelijk thuishoort. Niet op wie je verliefd wordt, maar van wie je blijft houden, dwars door alle knopen van het leven heen. In dit verhaal is thuis geen plek, maar een persoon.
De laatste tijd valt het me op hoeveel uitspraken, beelden en theorieën er bestaan over het hart. Het magische hart, het hart als symbool voor emoties, als gids, als thuis of als het middelpunt van alles.
Al die beelden lijken steeds naar hetzelfde te wijzen.
Het doet me denken aan het middelpunt van een horoscoop. De plek waar alles samenkomt. Waar alles mogelijk is. Waar tegenstellingen verdwijnen. Het punt dat eenvoudigweg IS.
Misschien zoeken we allemaal naar woorden voor hetzelfde mysterie.
Niet om het te verklaren,
maar om er af en toe even een glimp van op te vangen.
Je hart als gids
4 augustus 2026
De hele nacht niet kunnen slapen, dat is wat aanhoudende warmte met mij doet. In huis voel je de koele lucht daar waar de airco blaast. Zodra je buiten deze luchtstroom staat, is het benauwend warm. Geen man overboord, het blijft aanpassen. Niet weggaan, er is altijd nog een koude douche of bad als optie wanneer het echt niet meer te doen is voor me. Voorlopig serietjes kijken, ademen in de koele luchtstroom.
Het is frappant hoe de quotes over het hart via series mijn kant op blijven komen. Ik ben niet per se op zoek naar een film of serie met diepgang of betekenis. Vraag je me precies te vertellen waar ik naar gekeken heb, dan zou ik het niet echt weten. Ik kijk met één oog. Op het moment dat een tekst binnenkomt, kijk ik even op om het te volgen.
"Vertrouw je mij?" vraagt een Arabische man aan een Engelse blanke vrouw. Ze zegt dat ze hem inderdaad vertrouwt. Dan legt hij uit dat in zijn land, zijn cultuur gezegd wordt: "Vertrouw nooit op mensen, maar alleen op je intuïtie." Daarna zegt hij: "Alalbek Daleelek." "Your heart is your guide."
Okay, dat is wel weer een statement.
Het gekke is dat ik van nature niet veel vertrouwen stel in mensen. Mensen zeggen niet altijd wat ze denken of bedoelen. Ik ook niet. We doen dat om verschillende redenen. We willen elkaar niet kwetsen, we voelen schuld of schaamte of voelen iets geheel anders. We praten met elkaar, vaak in dezelfde taal, waardoor we elkaar verstaan, maar uiteindelijk niets zeggen. Dit maakt dan weer dat er misverstanden ontstaan, wat weer kan uitmonden in wantrouwen.
Dus kun je mensen vertrouwen? Waarschijnlijk niet als je het zo strikt psychologisch bekijkt. Maar is het een keuze? Dat denk ik dan weer wel. Waarom maak je die keuze om iemand blind te vertrouwen? Zoek je bevestiging? Geeft het een gevoel van veiligheid? Of is het chemie? Heb je veel overeenkomsten? Wat maakt een mens blind of juist ziende?
Luisteren naar je hart als gids. Hoe weet je dat het je hart is en niet stiekem je gedachten, die beïnvloed zijn door je conditioneringen en ervaringen tot nu toe? Dus daar begint het eigenlijk al. Zijn je eigen gevoelens wel te vertrouwen? Of schuift er iets voor jou opzij, louter en alleen omdat je het graag zo wilt zien?
Wanneer weet ik zeker dat het mijn hart is, mijn gids waar ik naar luister? Is daar een echt antwoord op? Of alleen maar aannames vanuit religieuze of spirituele hoek? Moet er überhaupt altijd bewijs zijn? Is geloven of innerlijk weten gewoon geoorloofd?
Voor mij betekent het dat je je ware leiding niet buiten jezelf zoekt. Het zijn de wegen naar het hart, de sleutels of inzichten die je daarbij opdoet die je als het ware leiden. Jij bent in feite je eigen gids naar je hart.
Door vallen en opstaan, door goede en foute keuzes, leer je jezelf steeds beter kennen, en daarmee je hart. Er is in het hart geen wit of zwart meer, de dualiteit lost op. Niet door zijn afwezigheid, maar juist door het bestaan.
Misschien hoef je je hart niet te zoeken.
Misschien ontstaat het vertrouwen vanzelf,
terwijl je de weg ernaartoe blijft bewandelen.
Thuis in je hart?
2 en 3 augustus 2026
Gisteren was het zondag, de enige dag waarop ik niet train. Mijn lichaam heeft het zwaar door de warmte, dus een rustige dag in een koel huis is op dit moment de beste remedie. Om het half uur vijf minuten lopen is voor zulke dagen een goed alternatief. Het belangrijkste is dat ik thuis ben, in mijn ondergoed met een oud T-shirt, gewoon helemaal mezelf. Even borduren, even lezen, even lopen, even televisie kijken.
Ik ontdek de Canadese serie SkyMed. De serie volgt jonge verpleegkundigen en piloten van een luchtambulance in Noord-Canada en laat tegelijkertijd iets zien van het ruige landschap, de inheemse bevolking, Indiase immigranten en de LHBTQ+-gemeenschap. Het maakt me nieuwsgierig naar het land, de geschiedenis en ook naar de persoonlijke worstelingen van mensen.
Vooral door mijn jongste kinderen ben ik meer in aanraking gekomen met de LHBTQ+-gemeenschap. Voor mijn generatie is het soms wennen hoeveel verschillende vormen van genderidentiteit tegenwoordig worden benoemd. Van mijn dochter weet ik hoe discriminatie en agressie zijn toegenomen. Zij woonde met haar vrouw in New York, maar voelde zich daar uiteindelijk niet meer veilig. Door deze serie dringt voor het eerst echt tot me door hoe verwarrend en moeilijk die innerlijke zoektocht kan zijn. Zo'n serie geeft mij als het ware een inkijkje in de wereld van mijn kinderen.
Ook zie ik hoe de Indiase gemeenschap haar eigen gebruiken probeert te bewaren, terwijl ze tegelijkertijd deel wordt van een nieuwe samenleving. Datzelfde zie je bij de inheemse bevolking. Dat raakt me. Eigenlijk is er overal ter wereld slecht omgegaan met oorspronkelijke bewoners. Indianen, Inuit, Aboriginals, Māori, Papoea's… telkens weer zie je hoe kolonisten hun eigen cultuur als de norm beschouwden. Uit ervaring weet ik hoe lang pijn en vernedering generaties lang kunnen worden meegedragen.
Dan zegt een personage ineens:
"Maybe home isn't a place. Maybe it's a feeling."
En daar is hij weer.
Het hart.
Home is where the heart is.
Een bekende uitdrukking. Maar wat betekent die eigenlijk?
Is thuis de plek waar je je veilig voelt, bij de mensen van wie je houdt? Of is thuis de staat waarin je helemaal jezelf kunt zijn, zonder maskers? Misschien is thuis wel zelfacceptatie: de plek waar je vrede hebt met je sterke en zwakke kanten. Of draag je je thuis altijd met je mee, in de vorm van je innerlijke kompas, je intuïtie of een gevoel van veiligheid?
Wat is thuis eigenlijk?
En waarom wordt het zo vaak verbonden met het hart?
Huist thuis werkelijk in je hart? Of is dat voor iedereen anders? Misschien vind je pas echt een thuis wanneer je langzaam de sleutels ontdekt van alle wegen naar het hart.
Ik moet glimlachen om mijn eigen gedachten. Hoe vaker ik schrijf, hoe vrijer mijn geest lijkt te associëren. Steeds vaker merk ik dat taal, het voelen en de ware betekenis van woorden elkaar nooit helemaal lijken te raken.
Misschien geldt dat ook voor het woord thuis.
Misschien is thuis geen plek en ook geen woord.
Misschien is het een ervaring die je pas herkent wanneer je hart zegt:
hier hoef ik niets meer te worden, ik mag er gewoon zijn.
De sleutel tot het hart
1 augustus 2026
Na mijn revalidatie ben ik gaan trainen. Inmiddels doe ik dat al acht maanden, zes keer per week. Mijn medicijnen zijn eindelijk goed afgesteld. Voor het eerst sinds lange tijd voel ik me weer gezond en energiek.
Er was nog één ding waar mijn cardioloog zich zorgen over maakte: mijn gewicht. Ze verwees me naar een leefstijlkliniek, maar na drie maanden wachten kreeg ik een brief dat er geen nieuwe patiënten meer werden aangenomen.
Zelf begrijp ik nog steeds niet hoe ik zoveel ben aangekomen.
Mijn trainer keek naar mijn metabolisme en gaf me voedingsadvies. Tot mijn grote verbazing vertelde hij niet dat ik minder moest eten, maar juist méér. Ik vroeg hem of dat vaker voorkwam.
"Jazeker."
Hij zei het zo overtuigend dat ik er weer vertrouwen in kreeg. De eerste dagen raakte ik zelfs een beetje in paniek, omdat ik mijn calorieën telde en merkte dat ik lang niet aan het geadviseerde aantal kwam. Pas half oktober gaan we bekijken wat het effect is.
Opvallend genoeg hoef ik mijn voeding nauwelijks te veranderen. Ton en ik blijken al behoorlijk gezond en gevarieerd te eten. Ik moet alleen wat meer en regelmatiger eten.
Eigenlijk ben ik opnieuw aan het oefenen.
Goed voor mezelf zorgen door genoeg te bewegen, voldoende te eten en tegelijkertijd ruimte te houden voor mijn passies: de natuur, schilderen, schrijven en samen met Ton op pad gaan.
Laatst hoorde ik iemand zeggen:
"Muziek is de sleutel tot mijn hart."
Natuurlijk moest ik meteen denken aan de tien wegen van het hart. Aan de ontdekking dat het geen tien bestemmingen zijn, maar tien manieren om het leven te oefenen.
Maar wat is dan eigenlijk de sleutel tot het hart?
Heeft iedere weg misschien een eigen sleutel?
Vaak wordt "de sleutel tot iemands hart" gebruikt als beeld voor romantische liefde, vertrouwen of kwetsbaarheid. Dat begrijp ik wel, maar voor mij voelt die betekenis te beperkt.
Gaat het om de sleutel naar mijn eigen hart? Of naar dat van een ander? Misschien zijn dat wel twee heel verschillende ingangen.
Naar mezelf toe betekent het misschien zachter worden. Minder streng zijn. Pijn en angst niet meteen wegredeneren, maar durven voelen. Oude boosheid loslaten. Vergeving, ook naar mezelf. De stilte blijven opzoeken.
Naar een ander toe begint het misschien met werkelijk luisteren. De ander ruimte geven om zichzelf te zijn. Liefde geven zonder iets terug te verwachten.
Misschien is dat wat meestal bedoeld wordt met "de sleutel tot het hart."
Toch dacht ik, toen ik hoorde dat muziek de sleutel tot iemands hart was:
Misschien is het niet muziek. Misschien is het passie.
En die passie ziet er voor iedereen anders uit.
Ik denk dat sommige mensen hun passie nog moeten ontdekken. En ik geloof dat wanneer je werkelijk leeft vanuit wat je bezielt, er vanzelf een innerlijke weg opengaat. Niet omdat je dat probeert, maar omdat het gebeurt.
Misschien opent passie wel de deur naar één van de wegen van het hart.
Of misschien schrijf ik gewoon hardop terwijl ik probeer te begrijpen wat er in mij beweegt.
Misschien is de sleutel tot het hart niet voor iedereen dezelfde.
Misschien is de sleutel datgene waardoor je zo volledig opgaat in het leven, dat het hart vanzelf opengaat.
Een andere manier
31 juli 2026
Mijn zoon sliep bij ons, omdat hij van het ziekenhuis de eerste nacht na zijn operatie niet alleen mocht zijn. Het voelde fijn dat we voor hem konden zorgen. Nadat Ton hem weer naar huis had gebracht, voelde ik pas hoe moe ik eigenlijk was. Voor het eerst in acht maanden ging ik voor de tweede dag achter elkaar niet trainen. Ik besloot nog even te gaan slapen. Wel spraken we af om halverwege de middag te gaan fietsen.
Na een extra uurtje slaap besloot ik eindelijk de tien wegen van het hart op mijn schilderij te gaan borduren. Al snel merkte ik dat ik de naald niet meer kon voelen. Het oog van de naald zag ik nauwelijks, zelfs niet met mijn bril. Gelukkig heb ik een loeplamp. Daarna bleek ook nog dat het dikke linnen doek zo stug was, dat ik de naald er met mijn handen niet doorheen kreeg. In mijn atelier vond ik een tang met een kromme bek. Met het schilderij op de grond, tussen mijn benen terwijl ik in mijn rolstoel zat, lukte het uiteindelijk om de naald met de tang door het doek te trekken. Zo werkte ik steeds aan de voorkant van het schilderij en daarna weer aan de achterkant.
Na negen Franse knoopjes gutste het zweet over mijn gezicht. Voor vandaag vond ik het genoeg. Tijd om te gaan fietsen.
Onderweg zei Ton: "Je hebt jezelf wel weer wat op de hals gehaald."
Ik reageerde wat kribbig.
"Ga nu niet reageren zoals Lucie. Die doet dat ook altijd, zo meelijwekkend en overbezorgd. Ik weet dat ik beperkingen heb. Geen gevoel, minder kracht, slecht zicht. Beperkt zijn betekent niet dat iets niet kan. Het betekent alleen dat het anders moet. Misschien duurt het daardoor langer, maar het is wel mogelijk."
Ton begreep meteen wat ik bedoelde en liet het verder rusten.
Voor dit soort dingen heb ik eindeloos geduld. Misschien maak ik maar tien knoopjes per dag. Dan ben ik nog maanden bezig. Dat geeft niet. Het schilderij is geduldig en ik ook.
We maakten weer een prachtige fietstocht. Donkere en lichte wolken wisselden elkaar af, met hier en daar een stukje blauwe lucht. De zon liet zich nauwelijks zien, maar de lucht voelde warm, bijna alsof er een föhn over het landschap blies. Overal zagen we vogels. Niet hoog in de lucht, maar op het land, tussen de groene weilanden en langs de kronkelende slootjes vol waterlelies en dotterbloemen. Ze zochten eten, lagen rustig in het gras of poetsten hun veren. Het voelde alsof wij bij hen op visite waren.
Onderweg kwamen we zelfgemaakte bordjes tegen waarop stond dat we welkom waren om te kijken. Er lagen pompoenen, kruiden en aardappelen te koop, met een oud kistje waar je zelf het geld in kon doen. Achter de boerderij lag een soort labyrint van wilde bloemen. Er waren wel paadjes, maar verder had je niet het gevoel dat er iets was aangelegd. Het wemelde er van de vlinders en bijen. Zonnebloemen van wel twee tot drie meter hoog en dahlia's groter dan ik ooit had gezien. Hier zag je hoe bloemenweelde vanzelf leven aantrekt.
Ik dacht hoe mooi het zou zijn als we in steden veel vaker gewoon een mengsel van bloemen en planten zouden inzaaien en de natuur haar eigen gang zouden laten gaan. Niet alles steeds snoeien en beheersen, maar ruimte geven. Volgens mij zouden er vanzelf weer veel meer insecten terugkomen.
We kochten een pompoen en wat wilde knoflook.
Ik verheug me nu al op de pompoensoep van morgen.
Misschien geldt dat ook voor mensen.
Beperkt betekent niet dat iets niet kan.
Soms vraagt het leven alleen om een andere manier.
En misschien bloeit juist dáár iets op wat anders nooit zichtbaar was.
De stilte als thuis
29 en 30 juli 2026
Vannacht, precies één minuut over twaalf, gaat de Mijs & Co-app. Ton is jarig. Zevenenzeventig lentes jong. De kinderen en kleinkinderen zijn op vakantie en facetimen om hem te feliciteren. Hoewel ik niet dol ben op verjaardagen, ken ik deze traditie ook uit mijn eigen gezin. Het is fijn om midden in de nacht even te laten weten: Ik hou van je.
Vrijwel nooit drink ik alcohol, maar voor dit soort momenten vinden Ton en ik het gezellig om een fles bubbels open te trekken. Uiteindelijk lig ik pas om half drie in bed.
Mijn training heb ik daarom verzet naar twaalf uur, zodat ik nog wat kon slapen. Buiten is het inmiddels drieëndertig graden. Geen dag om veel te ondernemen. We hadden iedereen verteld dat we samen iets zouden gaan doen.
Mijn dochter belt: "Zijn jullie vanmiddag thuis?" "Uuuh... ja, nu wel." "Mooi, dan komen we."
Even later appt een broer: "Vieren jullie het?" "Nee, we zouden samen iets doen." "Dan komen we rond vier uur." Ook de jeugdvriend van Ton belt dat hij langs wil komen.
Ton en ik kijken elkaar aan en moeten lachen. Onze plannen worden, uit liefde, langzaam aan de kant geschoven.
Ineens moeten we bedenken of er genoeg drinken en hapjes in huis zijn. Waarschijnlijk blijft iedereen ook eten, maar een vriendin biedt spontaan aan om het avondeten te verzorgen.
En zo verandert de dag in een huis vol mensen, gelach en gezelligheid. Pas rond één uur 's nachts vertrekt de laatste.
Na twaalf uur drukte kan ik niet direct slapen. Ik heb altijd een uur of twee stilte nodig voordat de onrust in mijn lichaam weer zakt. Misschien is het adrenaline, ik weet het niet precies.
Maar als ik naar Ton kijk, zie ik hoe hij heeft genoten. Dat is op zichzelf al een prachtig verjaardagscadeau.
Ondanks dat deze dag niet mijn keuze zou zijn geweest, voelde ik me oprecht blij voor hem. Dat warme gevoel bleek groter dan mijn eigen ongemak.
De volgende ochtend word ik laat wakker met een barstende hoofdpijn. Strompelend loop ik naar de eettafel. Ik voel me totaal uitgewoond. Koffie en ontbijt helpen niet. Er zit niets anders op dan weer terug naar bed te gaan.
Na een uur word ik gebeld door het ziekenhuis. De operatie van mijn zoon is goed verlopen en ik kan hem aan het einde van de middag ophalen.
O jee… In mijn agenda stond dat pas morgen. Weer een dag die heel anders loopt dan ik had gedacht.
Ik merk dat de vanzelfsprekende flexibiliteit die ik vroeger had, ver te zoeken is.
"Wil je langskomen?" Kom maar. "Wil je mee-eten?" Prima. "Wil je blijven slapen?" Natuurlijk. "Heb je tijdelijk onderdak nodig?" Dan schuiven we wel wat op. Zo leefde ik jarenlang. Nu niet meer.
Is dat erg? Ben ik star geworden? Of ben ik gewoon ouder? Heb ik vroeger de omstandigheden mijn leven laten bepalen? En leef ik nu steeds meer op de manier die bij mij past?
Vroeger was stilte nauwelijks te vinden. Het leven denderde maar door. Nu heb ik de stilte gevonden en merk ik dat zij steeds meer richting geeft aan mijn leven.
Dagen zoals gisteren en vandaag zullen ongetwijfeld blijven komen.
Maar ze vormen niet langer de rode draad.
Misschien is dat wel wat de wegen van het hart mij langzaam hebben geleerd.
Niet dat het leven stiller wordt,
maar dat ik steeds weer terugkeer naar de stilte in mezelf.
En misschien is dát uiteindelijk het thuis waar ik al die jaren naar op zoek was.
Oefen het leven
28 juli 2026
Na een drukke, warme dag lig ik op bed televisie te kijken. Ik hoor een personage zeggen: “Elke prestatie begint met het besluit om het te proberen.” Ik zet de televisie stil. Die ene zin brengt me direct naar het thema waar ik vandaag over wil schrijven.
Na de tien wegen van het hart op mijn eigen wijze behandeld en bewandeld te hebben, kwam ik tot een inzicht. Ik zag het niet aankomen. Juist door erover te schrijven en voor mezelf duidelijk te proberen te maken wat ik bedoelde, gaf mijn pen mij iets terug.
Bij iedere weg was als vanzelf een sleutelwoord ontstaan:
Vrijgevigheid — onbaatzuchtigheid
Ethiek / Deugd / Moraal — innerlijk kompas
Verzaking / Loslaten — acceptatie
Wijsheid — harmonie
Energie — verbondenheid
Geduld — vertrouwen
Eerlijkheid / Waarheid / Oprechtheid — bewustwording
Vastberadenheid — verantwoordelijkheid
Liefdevolle vriendelijkheid — onvoorwaardelijkheid
Gelijkmoedigheid — leven
Vooral dat laatste woord bleef hangen. Leven.
Het advies van de kosmos is niet dat je volmaakt moet worden. Het advies is: blijf oefenen. Misschien is dát de betekenis van mijn laatste kernwoord. Leven, niet als iets wat je overkomt, maar als iets waarin je iedere dag opnieuw oefent.
Pas toen werd me duidelijk wat ik de afgelopen tien dagen eigenlijk had geschreven. Niemand hoeft eerst ‘af’ te zijn om te mogen leven. Zo kijk ik er bewust ook naar, maar blijkbaar had ik het onbewust al in die tien wegen beschreven. De ontdekking kon mij daardoor toch weer verwonderen.
De tien wegen van het hart zijn geen tien bestemmingen. Het zijn tien manieren om het leven te oefenen. Het leven is de oefening. Dat is wat ik er zelf uit haal.
Misschien zit in perfectie juist een bepaalde starheid. Iets wat vastzit, onverzettelijk wordt en niet meer kan meebewegen. En wat niet kan bewegen, wordt uiteindelijk breekbaar. Dat is best eng als je erover nadenkt. Hoe hard kun je vallen wanneer je denkt perfect te zijn of perfect te handelen? Die scherven weer aan elkaar lijmen lijkt me een heel karwei.
Perfectie kent geen oefening meer. Zodra je denkt dat je er bent, houdt het leren op. Perfectie zegt: “Ik mag niet vallen.” Het leven zegt: “Val maar. Sta weer op. Oefen verder.”
Daarmee kom ik vanzelf weer bij kintsugi, iets wat regelmatig terugkomt in mijn creaties. Ik gebruik goud om breuken zichtbaar te maken. Niet om te doen alsof ze er nooit zijn geweest, maar juist om ze onderdeel te laten worden van het geheel.
Misschien geldt dat ook voor mensen. Niet de mens zonder barsten is het sterkst, maar de mens die zijn breuken niet hoeft te verbergen en toch verder oefent.
En daarmee kom ik weer terug bij het schilderij waarmee dit allemaal begon. Wekenlang heb ik er bijna iedere dag aan gewerkt. Het pad veranderde voortdurend. Ik kreeg een inzicht, gooide het weer om en ging verder. Op het moment dat het schilderij ‘af’ leek, droomde ik over de tien wegen van het hart. Ik wist dat het dus niet af was.
Toch bleven mijn kwasten en verf liggen. Een volgende droom liet mij zien dat ik de wegen moest gaan borduren. Goed, DMC-garen besteld. Ik dacht dat ik aan de slag zou gaan.
Maar weer: nee.
Eerst kwam er iedere dag een overdenking over één van de wegen. Tien dagen lang. De laatste eindigde met:
“In feite oefen ik het leven tijdens mijn leven.”
En nu lijkt de weg vrij om te gaan oefenen met borduren. Steek voor steek. Niet in één keer af. Niet perfect. Gewoon de volgende steek.
Misschien is dat uiteindelijk alles wat van mij gevraagd wordt.
Oefen het leven. Iedere dag opnieuw.
Val. Sta op. Oefen opnieuw.
En stop daar nooit mee.
Gelijkmoedigheid
26 en 27 juli 2026
Er lijkt iets gaande in mijn lichaam. Vreemd. Verhit, maar zonder koorts. Loom. Niet ziek, maar ook niet fit. Buiten hangen donkere wolken. De hele dag valt er motregen, afgewisseld met flinke buien.
Mijn kleindochter viert haar verjaardag. We gaan erheen voor een barbecue. Dat betekent douchen, schone kleren aantrekken en met een opgewekt gezicht de deur uit. Terwijl we op de lift staan te wachten, zeg ik tegen Ton: "Is het vreemd dat ik een verjaardag ervaar alsof ik naar het slachthuis word gebracht?" Ton moet lachen en zegt dat het inderdaad een nogal bijzondere vergelijking is.
We gaan op de fiets. Een beetje nat worden geeft niets.
Op de verjaardag begroet ik iedereen en zoek een stoel zo dicht mogelijk bij de open schuifpui. Ik praat gezellig met de opa en oma van de andere familie, eet een hamburger en een paar frietjes en kijk om me heen. Na de barbecue vertrekken de twee zonen van Ton samen met mijn drie kleindochters in één auto naar Spanje. Overal verschijnen tassen en koffers en mensen lopen heen en weer. Het oogt behoorlijk chaotisch.
Het raakt me niet, maar het is wel mijn sein om naar huis te gaan. Vroeger zou ik waarschijnlijk nog hebben gevraagd wie het huis schoonmaakt nu iedereen tegelijk op vakantie vertrekt. Nu niet. Ik hoef het niet te weten.
Gelukkig begrijpt Ton direct dat ik weg wil. We stappen op de fiets en besluiten thuis te blijven. Gewoon samen op de bank terwijl de regen tegen de ramen tikt. Normaal gesproken zou zo'n dag me veel energie kosten. Nu voel ik vooral rust.
Vandaag blijkt gelijkmoedigheid de tiende weg van het hart te zijn.
Het is een woord dat ik zelf eigenlijk nooit gebruik. Voor mij betekent het een diepe innerlijke rust, waardoor je, ondanks alles wat er gebeurt, emotioneel in evenwicht blijft. Niet omdat er niets gebeurt, maar omdat je niet meer met alles hoeft mee te bewegen. Eigenlijk is dat vandaag aardig gelukt. Ik voelde me niet fit toen ik opstond. Ik ging toch naar de verjaardag. En toen ik thuiskwam, voelde ik me zelfs beter dan daarvoor.
Misschien is dat wel wat de weg naar het hart betekent: in balans blijven, ook wanneer omstandigheden niet ideaal zijn.
Ik merk dat verjaardagen, huishoudelijke klusjes en sociale verplichtingen mij vaak meer uit evenwicht brengen dan moeilijke situaties. Dat klinkt misschien vreemd. Juist wanneer het leven echt ingewikkeld wordt of pijn doet, lijkt er iets in mij wakker te worden. Dan krijg ik energie. Alsof het aangaan van de situatie mij juist kracht geeft. De gewone dingen van het leven vragen soms veel meer van mij. Daarom voelt het iedere keer weer als een kleine overwinning wanneer ik na zo'n dag gewoon rustig thuiskom.
Misschien is gelijkmoedigheid wel niet de eerste weg van het hart, maar de laatste. Misschien ontstaat zij vanzelf wanneer alle andere wegen langzaam een plaats in je leven krijgen. Dat betekent niet dat ik daar al ben. Soms voel ik die innerlijke rust en soms stap ik weer met beide voeten in mijn oude valkuilen.
Het enige wat ik kan doen, is blijven oefenen. Ik denk dat dat oefenen doorgaat tot mijn laatste ademtocht.
In feite oefen ik het leven tijdens mijn leven.
Liefdevolle vriendelijkheid
25 juli 2026
Na een slechte nacht ben ik erg vermoeid. Het kost me veel tijd om op gang te komen. Op zaterdag is de fitness maar tot twaalf uur open, dus besluit ik mijn training af te zeggen. Er is niets aan de hand. Ik kies er gewoon voor vriendelijk te zijn voor mezelf.
Om niet in die loomheid te blijven hangen, spreken Ton en ik af om te gaan fietsen. Omdat ik niet heb getraind, maken we er een flinke tocht van. We fietsen naar mijn jongste broer, een rit van ongeveer vijfendertig tot veertig kilometer.
Mijn broers zijn nog nooit spontaan bij mij op bezoek geweest. Ook hebben ze me nog nooit gebeld om te vragen hoe het met me gaat. Met onze oudste zus onderhouden ze wel contact. Toch bel ik hen af en toe of ga ik spontaan langs. Niet omdat ik vind dat het moet of er iets voor terug verwacht, maar omdat het goed voelt. Ik volg daarin gewoon mijn hart.
Vandaag blijkt liefdevolle vriendelijkheid de negende weg van het hart te zijn.
Vriendelijkheid wordt vaak gezien als aardig, behulpzaam en goed zijn voor anderen. Maar of dat op zichzelf een weg van het hart is, weet ik niet. Dat gedrag kan ook aangeleerd zijn.
Misschien begint liefdevolle vriendelijkheid juist bij jezelf.
Ik weet hoe hard ik jarenlang voor mezelf ben geweest en daarmee, zonder het altijd te beseffen, soms ook voor anderen. Pas de laatste jaren merk ik dat ik zachter word. Liefdevoller. Vriendelijker voor mezelf. En hoe vriendelijker ik voor mezelf word, hoe gemakkelijker mijn hart ook verzacht naar anderen.
Voor mij begint liefdevolle vriendelijkheid met mildheid voor mijn eigen fouten en pijn.
Vriendelijk zijn voor mensen die vriendelijk zijn voor mij, is niet zo moeilijk. Maar vriendelijk blijven naar iemand die lastig is of zelfs lelijk doet, vraagt iets anders. Dan kan mededogen ontstaan. Niet omdat ik het gedrag goedkeur, maar omdat ik steeds beter begrijp dat ieder mens zijn eigen pijn en worsteling met zich meedraagt.
Ik merk ook dat hoe beter ik mijn eigen schaduwkanten leer kennen en accepteren, hoe gemakkelijker ik begrip kan opbrengen voor een ander.
En dan is er nog een volgende stap.
Hoe blijf je liefdevol tegenover iemand die je helemaal niet begrijpt? Iemand wiens gedrag je niet herkent of misschien zelfs afwijst?
Misschien begint liefdevolle vriendelijkheid juist daar.
Niet in het begrijpen, maar in het besef dat ook die ander zijn redenen heeft, ook al zal ik die misschien nooit kennen.
Het woord dat voor mij steeds terugkomt, is onvoorwaardelijkheid.
Vriendelijk zijn kunnen we allemaal. Maar liefdevolle vriendelijkheid voelt anders. Alsof er geen voorwaarden meer aan verbonden zijn. Niet alleen voor mezelf, mijn familie en vrienden, maar ook voor onbekenden, lastige mensen, boze mensen en uiteindelijk voor alle levende wezens, de natuur en misschien zelfs de hele kosmos.
Misschien is dat wel een utopie.
Ik erger me nog steeds en mopper ook weleens. Toch lukt het me steeds vaker om te zien dat die ergernis iets over mij vertelt. Daardoor hoef ik de ander niet aan te vallen. Ik kan vriendelijk blijven, ook als ik iets moeilijk vind.
Er is eigenlijk maar één uitzondering.
Ton.
Hij is de enige tegen wie ik weleens lelijk kan doen. Waarschijnlijk juist omdat hij de enige is bij wie ik me volledig veilig voel. Ik twijfel nooit aan zijn liefde voor mij.
Grappig genoeg laat dat me tijdens het schrijven nog iets anders zien.
Vriendelijkheid kan soms ook een masker zijn.
Waarom zeg ik niet gewoon eerlijk wat me irriteert?
Omdat de ander óók gevoelens heeft.
Daar ontstaat de zoektocht naar de middenweg. Niet alles eruit gooien wat ik voel, maar ook niet alles inslikken. Zo eerlijk mogelijk zijn, zonder de ander onnodig te kwetsen.
Misschien is liefdevolle vriendelijkheid wel precies dat.
Niet jezelf wegcijferen.
Niet de ander veroordelen.
Maar steeds opnieuw proberen met een open hart te kijken.
Misschien staan ik en velen met mij nog ver af van de liefdevolle vriendelijkheid waar de Boeddha over sprak. Onvoorwaardelijk en onbaatzuchtig, naar alle wezens, de natuur en de kosmos.
Misschien begint die liefde niet bij de ander, maar bij de manier waarop ik naar mezelf leer kijken.
Vastberadenheid
24 juli 2026
Vanmorgen droomde ik dat het druk, druk, druk was. Waarmee weet ik niet meer. Ineens hoor ik een stem zeggen: "Het is een wonder!" Poef... ik ben klaarwakker, terwijl dat ene woord nog nagalmt in mijn hoofd.
Ik heb geen idee wat dat wonder is. Natuurlijk ben ik nieuwsgierig, maar het antwoord zal op zich laten wachten of misschien wel nooit komen. Toch is het een bijzondere manier om wakker te worden.
Tijdens het ontbijt vertelt Ton over een dikke rat die bij een vriend onder de brandpoort gangen heeft gegraven. De rat ligt inmiddels dood tegen de muur van de keuken en buiten is de grond verzakt. Onze vriend heeft dit al enkele dagen gemeld, maar krijgt steeds hetzelfde antwoord: het moet via internet, met een formulier.
Terwijl ik luister, denk ik aan alle oudere mensen die nauwelijks met internet overweg kunnen of het zelfs helemaal niet hebben. Hoe lopen zij vast in dit soort bureaucratie?
Ik besluit zelf te bellen met het bedrijf dat ratten bestrijdt. Nee, dat moet via de gemeente. De gemeente meldt het vervolgens bij een andere instantie en die schakelt uiteindelijk het bestrijdingsbedrijf in. Bellen mag, maar het liefst willen ze dat ik ook nog een formulier via internet invul.
Ik doe allebei.
Dan hoor ik dat ze over twee weken contact zullen opnemen om een afspraak te maken.
Twee weken.
Wat ik ook uitleg, ze kunnen en willen niet anders dan de vakjes op hun computer volgen. De situatie zelf lijkt nauwelijks van belang.
Dat vind ik absurd.
Er spelen kleine kinderen. Er lopen honden en katten. Er is een verzakte brandpoort, een gangenstelsel van ratten en een dode rat die daar ligt.
Ik besluit de onderste steen boven te krijgen.
Wie is hier eigenlijk verantwoordelijk?
Ik probeer de wethouder van volksgezondheid en veiligheid te bereiken. Die blijkt ontslag te hebben genomen. Zijn taken worden waargenomen door de burgemeester. Helaas is ook de burgemeester afwezig vanwege ziekte en er is nog geen vervanger benoemd.
Uiteindelijk krijg ik een gemeentemedewerker aan de telefoon. Opnieuw hoor ik welke stappen ik moet volgen.
"Die stappen héb ik al gevolgd," antwoord ik vriendelijk. "Maar dan zijn we minimaal twee weken verder."
Aanvankelijk verandert er niets.
Dan vraag ik haar:
"Bent u de gemeenteambtenaar die mij hierover te woord staat?"
"Ja."
"Dan neem ik aan dat de gemeente ook verantwoordelijkheid draagt voor de volksgezondheid en veiligheid."
Even wordt het stil.
Daarna zegt ze dat ze er zo snel mogelijk werk van zal maken.
Dit soort situaties vind ik zo bijzonder dat ik er juist mijn tanden in zet. Niet boos. Niet strijdlustig. Eigenlijk vind ik het zelfs leuk om me vriendelijk niet van het kastje naar de muur te laten sturen.
Vandaag blijkt vastberadenheid de achtste weg van het hart te zijn.
Vastberadenheid betekent voor mij standvastig ergens voor kiezen en daar vervolgens verantwoordelijkheid voor nemen. Doorzettingsvermogen, moed, discipline en doelgerichtheid horen daar allemaal bij.
Ik denk niet dat vastberadenheid tegenover twijfel staat. Ik stel juist veel vragen. Ik onderzoek, weeg af en probeer een situatie zo goed mogelijk te begrijpen. Niet om in twijfel te blijven hangen, maar om tot een besluit te komen.
En als dat besluit eenmaal genomen is, ga ik ervoor.
Of het uiteindelijk de juiste keuze blijkt te zijn, zie ik later wel. In die zin bestaan er voor mij eigenlijk geen verkeerde beslissingen. Gaat het goed, dan is dat fijn. Gaat het anders dan verwacht, dan leer ik ervan. Ook dat is waardevol.
In de yoga heb ik geleerd hoe belangrijk discipline is. Niet als streng regime, maar als een bewuste levenshouding waarin lichaam, adem en geest elkaar ondersteunen.
Tegelijkertijd zie ik ook de valkuilen van vastberadenheid. Te veel doorzetten kan omslaan in koppigheid of overbelasting. Doorgaan terwijl mijn lichaam allang aangeeft dat het genoeg is. Vasthouden aan een eenmaal gekozen koers, terwijl de werkelijkheid vraagt om bijsturen.
Ik ben daar niet blind voor. Natuurlijk ben ik die valkuilen tegengekomen. Juist daarom probeer ik steeds opnieuw mijn innerlijke kompas te volgen. Angst en twijfel niet weg te drukken, maar te onderzoeken, zodat ze kunnen transformeren in moed.
Voor mij gaat vastberadenheid uiteindelijk niet over winnen of koste wat kost een doel bereiken.
Ze gaat over verantwoordelijkheid nemen voor mijn eigen pad.
Discipline helpt mij daarbij. Niet omdat discipline het doel is, maar omdat zij de eenheid tussen lichaam, adem en geest levend houdt.
Misschien is dat wel de diepste vorm van vastberadenheid.
Niet star vasthouden aan een doel, maar trouw blijven aan jezelf.
Oprechtheid
23 juli 2026
Vanmorgen toen ik opstond wist ik meteen dat de zevende weg van het hart oprechtheid is. Tja, dat zal ik vandaag dan maar laten landen en kijken hoe ik dit zie en ervaar.
Ton was al vroeg weg. Ik bemerkte een hevige pijn in mijn rug, halverwege mijn rechterflank. Tijdens mijn kop koffie en shake probeerde ik in te voelen of trainen een goed idee zou zijn. Buiten was het nog steeds bewolkt en motregende het, net als gisteren.
Hoe stel ik mezelf deze vraag? Ga ik, of ga ik niet? Is de pijn een smoes? Is fietsen door de motregen een smoes? Wat is oprecht?
Nog geen half uur nadat ik wakker was, stelde ik mezelf al de vraag waar het vandaag blijkbaar om draaide. Wanneer is iets luiheid of gewoon geen zin hebben? Is het niet eerlijker naar mezelf om gewoon te gaan en te kijken hoe het gaat? Desnoods de apparaten wat lichter afstellen. En pas als de pijn erger wordt besluiten dat het echt niet gaat.
Dat laatste besloot ik te doen. Ik heb er geen spijt van, omdat het daarna juist weer wat beter ging. Wel heb ik een aantal apparaten wat lichter afgesteld.
Ton kwam me ophalen om daarna samen te gaan fietsen. Heerlijk tegen een stevige wind in, langs landerijen en door kleine dorpjes.
Bij een boerderijwinkel waar wij regelmatig komen, staat op het weiland een groot spandoek met de tekst:
"Bidt en het wordt u gegeven. Zoekt en u zult vinden. Klopt en er zal worden opengedaan."
Het is zo groot dat iedere fietser op deze landweg het moet lezen.
Onmiddellijk houdt het me bezig.
Achter mij hoor ik Ton wat mopperen. Hij is atheïst en voelt zich, denk ik, een geloofsovertuiging opgedrongen. Ik ervaar het anders.
Voor mij zijn deze woorden oprecht. Alleen de interpretatie is anders.
Ik denk niet dat bidden ervoor zorgt dat een wens in vervulling gaat. Ik zie bidden als een vorm van meditatie. Een manier om dieper naar binnen te gaan. Wat speelt er werkelijk in mij? Welke waarheid wil gezien worden? Dat inzicht wordt je dan gegeven.
"Zoekt en u zult vinden" zie ik als de zoektocht naar jezelf. Waarom doe ik dit? Waarom voel ik dit? Waarom zeg ik dit? Open vragen die uiteindelijk leiden naar je eigen innerlijke waarheid.
"Klopt en er zal worden opengedaan" ervaar ik op dezelfde manier. Zolang je durft te erkennen dat je vaak handelt vanuit conditioneringen, en bereid bent je eigen intenties zonder schuld of schaamte onder ogen te zien, gaat er langzaam een deur open. Niet naar een absolute waarheid, maar naar meer inzicht.
Is het een religieus gegeven? Ja, ook.
Is het een universeel gegeven? Ja, ook.
Is het een menselijk gegeven? Ja, ook.
Het maakt mij niet uit wie deze woorden uitspreekt of vanuit welke traditie ze komen. Voor mij zijn ze zinvol.
Sowieso zie ik heilige geschriften als boeken die een handleiding kunnen zijn, net als sprookjes, mythen en sagen. Ze vertellen iets aan degene die bereid is werkelijk te luisteren.
Oprechtheid betekent voor mij eerlijkheid, echtheid en leven zonder verborgen bedoelingen. Geen misleiding, geen stiekeme plannen en geen verhalen verzinnen over een ander.
Eerlijk zijn betekent vertellen wat voor jou waar voelt. Dat maakt het nog niet dé waarheid. Onze ervaringen, overtuigingen en geschiedenis kleuren allemaal hoe wij de werkelijkheid zien. Daarom gaat oprechtheid voor mij niet alleen over eerlijk zijn naar jezelf, maar ook over beseffen dat een ander vanuit een heel andere waarheid kan spreken.
De werkelijkheid dient zich aan. Probeer haar niet te beheersen. Laat haar ontstaan.
Ik probeer zonder maskers te leven, zo open mogelijk te zijn. Toch maakte ik vorig jaar een schilderij met elf maskers. Pas later ontdekte ik dat het mijn eigen maskers waren.
Juist het moment waarop ik dat zag en accepteerde, voelde voor mij als oprechtheid.
Oprechtheid ligt dus niet in volmaakt eerlijk zijn. Oprechtheid ligt in het vermogen steeds eerlijker naar jezelf te durven kijken, ook wanneer dat ongemakkelijk is. Misschien is oprechtheid daarom onlosmakelijk verbonden met bewustwording.
Wanneer ik bezig ben te creëren, ben ik volledig aanwezig. Ik kan helemaal opgaan in wat ik doe, zoals een spelend kind dat de tijd vergeet. Ik leef dan vanuit een plek waar ego en controle verdwijnen, totdat alleen de handeling nog overblijft.
Ik ben de kwast.
Ik ben de pen.
Dat zijn misschien wel de momenten waarop ik het dichtst bij oprechtheid kom.
Niet omdat ik dan alles weet, maar omdat er niets meer is wat verborgen hoeft te blijven. Dat zijn voor mij heilige momenten. Niet per se religieus, maar stil, zuiver en volledig opgenomen in het grote geheel.
Misschien begint oprechtheid juist daar, waar tijd verdwijnt in een eeuwig nu.
Waar het kind in mij weer speelt.
Waar acceptatie een werkelijkheid is.
Geduld
22 juli 2026
Na de fitness is het een goed idee om direct daarna te gaan fietsen. Zeg maar cardio in de buitenlucht. Op het moment dat ik van huis wegging was het twintig graden en bewolkt. Voor deze dame ideaal! Ik roep dan ook uit hoe blij ik ben met de bewolking. Ton moet altijd lachen om mijn vreemde reacties. Een tochtje in dit weer leek me dus helemaal geweldig.
We fietsen weg en ik merk dat er op mijn bril allemaal kleine druppeltjes komen. Het voelt niet alsof het regent. Sterker nog, je ziet het niet, totdat ik letterlijk niet meer door mijn bril kan kijken. Ik voel de regen nauwelijks, dus bril af en lekker doorfietsen. Met een beetje geduld zal deze onzichtbare motregen vanzelf wel ophouden.
Terwijl ik vrolijk doorfiets, merk ik dat mijn vest en broek langzaam nat worden. Ik vraag aan Ton: "Weet je nog dat we tijdens het fietsen door dit soort motregen tot en met ons ondergoed doorweekt nat zijn geworden?" Er zit niets anders op dan toch maar terug naar huis te fietsen.
Eenmaal thuis ben ik inderdaad doorweekt, alsof ik onder de douche heb gestaan. Mijn gezicht is werkelijk kleddernat. Grappig hoe minuscule, bijna onzichtbare druppeltjes uiteindelijk meer nattigheid veroorzaken dan een gewone plensbui. Het doet me denken aan langzaam maar zeker.
Geduld is de zesde weg van het hart.
Dat beeld brengt me terug naar mijn jeugd. Als meisje van een jaar of acht kreeg ik een projector waarmee ik 8 mm-filmpjes kon afspelen. Het eerste filmpje dat ik kreeg was het verhaal van de haas en de schildpad, die een wedstrijd hielden. Wie als eerste over de finish kwam nadat ze allerlei obstakels hadden overwonnen.
De haas schiet er als een speer vandoor, maar verliest door zijn snelheid van alles uit het oog en moet steeds weer terug. De schildpad loopt langzaam, maar aandachtig. Hij mist niets en wint uiteindelijk de wedstrijd.
De moraal van dat verhaal was voor mij toen al meteen duidelijk.
Ik ben nooit snel geweest in mijn bewegingen, maar wel geduldig. Daardoor was ik vaak eerder klaar dan iemand die veel sneller leek te werken. Geduld is inderdaad een schone zaak. Voor mij heeft geduld ook alles te maken met discipline: het vermogen om consequent iets te blijven doen, ook wanneer je daar even geen zin in hebt.
Tijdens mijn yogalessen ontdekte ik dat geduld misschien wel één van de moeilijkste eigenschappen van de mens is. Natuurlijk kun je allerlei andere dingen bedenken, maar geduld, zelfbeheersing en doorgaan terwijl iets lastig of saai is, blijken voor veel mensen een enorme uitdaging.
Binnen de yoga bestaat zelfs een handgebaar dat hiermee verbonden is: de Shuni Mudra. Door de top van de duim en de middelvinger tegen elkaar te brengen en de andere vingers ontspannen te houden, symboliseer je geduld, discipline en innerlijke rust.
Ik vertelde mijn cursisten ook vaak dat iedere eigenschap een tegenpool kent. Wie een groot vermogen tot geduld heeft, draagt meestal ook een even groot vermogen tot ongeduld in zich. Ik herken dat bij mezelf. Ik zie mezelf als een extreem geduldig mens, maar kan soms ook schrikken van de intensiteit van mijn ongeduld.
Geduld is voor mij vertrouwen op het natuurlijke proces en dingen de ruimte geven om zich op hun eigen tempo te ontvouwen. Mijn filosofie is eenvoudig: de tijd kiest zijn tijd. Dat vraagt soms moed, omdat het betekent dat je niet ingrijpt, niet trekt of duwt, maar durft af te wachten. Ik merk dat ik dat met het ouder worden steeds beter kan.
Ik gebruik de natuur graag als metafoor, omdat ik de mens zie als onderdeel van hetzelfde geheel en onderworpen aan dezelfde natuurwetten. Een plant begint als een zaadje onder de grond. Het heeft tijd nodig om te ontkiemen, te groeien en uiteindelijk te bloeien.
Ook binnen de psychologie leerde ik dat wanneer een ontwikkelingsfase door omstandigheden wordt overgeslagen, dit later in het leven vaak merkbaar blijft. Alles vraagt om zijn eigen tijd. Misschien uit langzaam zich daarom zo vaak in duurzaam.
Voor mij is geduld uiteindelijk onlosmakelijk verbonden met vertrouwen. Vertrouwen dat alles zich ontvouwt wanneer de tijd er rijp voor is. Een zaadje weet dat. De natuur weet dat. En hoe ouder ik word, hoe meer ik ontdek dat ook wij mensen daar niet aan kunnen ontsnappen.
Misschien werkt het leven wel net als die bijna onzichtbare motregen.
Druppel voor druppel lijkt er niets te gebeuren,
totdat je ineens ontdekt hoeveel er in de tussentijd is veranderd.
Misschien is dát voor mij de ware betekenis van geduld.
Energie
21 juli 2026
Vannacht ging ik naar het toilet. Ik loop dan in het donker met maar één oog open om daarna weer direct in slaap te kunnen vallen. Ik loop terug naar mijn bed, draai me om om te gaan zitten, gilt m'n hondje ineens. Kiba is een hondje met een donkere vacht die kennelijk onder mijn bed lag te slapen en ik per ongeluk op haar pootjes stond. Schrikken natuurlijk. Het harde gepiep van Kiba schrikt Ton ook wakker en hij doet het licht aan. Ik lig inmiddels al in bed en sluit mijn ogen, mijn armen eroverheen om het felle licht buiten te houden. Het lijkt erop dat Ton niet van plan is het licht uit te doen, dus ik zeg geïrriteerd dat het uit moet. Gelukkig doet hij dat, maar staat ook op om naar het toilet te gaan. Als hij terugkomt gaat hij aan de dekens rukken en plukken om alles weer netjes recht te leggen. Ik ben moe, maar word door al dit gedoe toch klaarwakker. Boos stap ik uit bed om in de woonkamer maar een uurtje naar iets te gaan kijken, in de hoop weer slaperig te worden.
Op de fitness merk ik hoe moe ik ben en hoe weinig energie ik heb. Ik besluit maar twee rondjes langs de apparaten te gaan in plaats van de gebruikelijke drie. Ook Ton haakt al snel af omdat hij moe is. Buiten is het gelukkig lekker weer, niet te warm, dus besluiten we nog een eindje te gaan fietsen. Na vijftien kilometer zijn we weer thuis. Aan het einde van de middag komt mijn zoon langs om hem te helpen met zijn belastingaangifte. Er is geen tijd meer om even op bed te liggen. Het is gezellig. Hij vertelt over zijn leven, blijft eten en gaat daarna weer naar huis. Een dag zoals deze vraagt veel van mijn energie.
Energie is de vijfde weg van het hart.
Toen Ton en ik nog maar net verkering hadden, vertelde hij mij dat hij een enorme hekel heeft aan mensen die praten over energie, zeker wanneer zij het gebruiken als een spiritueel begrip. Voor Ton is energie een natuurkundig gegeven: het vermogen om arbeid te verrichten of verandering teweeg te brengen. De officiële eenheid is de joule. Denk aan zwaartekracht, kinetische energie, thermische energie of elektriciteit, uitgedrukt in kilowattuur. Ik vergeet nooit dat ik direct zei: "Nou, dat wordt leuk, want voor mij is alles energie." Hahaha. Zijn duidelijke afkeer van de onzichtbare levenskracht die door alles stroomt was meteen duidelijk. We zijn getrouwd!
Nog steeds denk ik er zo over. Voor mij staat energie voor levensadem, zingeving en de trilling die ieder mens uitzendt. In de yoga noemen we die levensenergie prana. Door yoga heb ik geleerd deze prana bewust te gebruiken en te sturen, bijvoorbeeld naar plekken in mijn lichaam die extra zorg nodig hebben. Het helpt mij pijn te verlichten, mijn lichaam tot rust te brengen en soms zelfs sterker te maken. Ik zie dat als een groot cadeau. Ik begrijp heel goed dat dit voor mensen die deze ervaring niet hebben, zweverig of ongeloofwaardig kan klinken.
Daarnaast ervaar ik ook positieve energie. Mensen, plekken of activiteiten die mij opladen en inspireren. En natuurlijk de zogenaamde energievreters: situaties of personen die mijn energie uitputten. Yoga heeft mij technieken geleerd om zware of overtollige energie weer los te laten en mijn evenwicht terug te vinden.
Als het over energie gaat, merk ik dat ik veel minder vragen heb dan bij de vorige wegen van het hart. Misschien komt dat omdat energie voor mij nooit een theorie is geweest. Ik heb het niet uit een boek geleerd en ook niet overgenomen van iemand anders. Ik heb het ervaren. Daarom voelt het voor mij als een vanzelfsprekend onderdeel van mijn leven. Ik zeg niet dat het voor iedereen zo is. Ik kan alleen zeggen dat het voor mij een diep en blijvend weten is geworden, waar ik iedere dag opnieuw naar leef.
Misschien is dat wel de grootste les die energie mij heeft geleerd.
Dat twee mensen hetzelfde woord kunnen gebruiken en toch iets heel anders bedoelen.
Ton en ik hebben elkaar daarin nooit hoeven overtuigen.
Zijn waarheid en de mijne kunnen eenvoudig naast elkaar bestaan.
En misschien geeft juist dát ruimte om elkaar werkelijk te ontmoeten.
Wijsheid
20 juli 2026
Hoe vaak denk ik niet bij mezelf: "Wat is wijsheid?" Vanmorgen nog tijdens mijn training in de fitness. Ik voelde mijn heupen opspelen en vroeg me af: stop ik, ga ik door met minder gewicht of zet ik nog even door in de hoop dat het vanzelf overgaat? Wat is wijsheid?
Toevallig gaat de vierde weg van het hart over wijsheid. Misschien vind ik dit wel de moeilijkste van allemaal om te onderzoeken. Mijn eerste reactie is namelijk niet een antwoord, maar een reeks vragen. Hoe subjectief is wijsheid? Is iets wat ik wijsheid noem, voor een ander misschien juist dwaasheid? Heeft wijsheid te maken met moraal, met maatschappelijke regels of culturele opvattingen? Is wijsheid kennis, inzicht of juist het besef dat je eigenlijk heel weinig weet? Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer vragen er ontstaan.
Voor mij is wijsheid in ieder geval geen verzameling kennis of informatie. Sterker nog, ik denk dat kennis je soms juist verder van wijsheid kan afbrengen wanneer zij de plaats inneemt van je eigen ervaring. Begrijp me goed: ik bedoel niet dat het verstand tegenover het hart staat. Voor mij gaat wijsheid juist over de samenwerking tussen die twee. Het ontstaat wanneer je leert luisteren naar de stem van je hart en je intuïtie, zonder het denken uit te schakelen. Soms vraagt dat zelfs de moed om het logische of gangbare los te laten en te doen wat diep van binnen goed voelt. Wijsheid betekent voor mij ook dat ik mij steeds minder laat leiden door oude herinneringen en de angsten voor de toekomst die daaruit zijn ontstaan. Dat klinkt eenvoudig, maar hoe doe je dat?
Wanneer ik aan wijsheid denk, verschijnt vanzelf de kaart Harmonie uit de Zen Tarot voor mijn ogen. Ik zie iemand die volledig tot rust is gekomen in haar hart. Vanuit dat hart springen dolfijnen omhoog in een boog naar het hoofd, of misschien wel naar het derde oog. Voor mij verbeelden zij de speelsheid en intelligentie die vanzelf ontstaan wanneer denken en voelen niet langer tegenover elkaar staan, maar samenwerken. Ik moet daarbij denken aan een tekst van Osho: "Luister naar je hart. Doe wat je hart je ingeeft, wat het ook kost." Dat raakt mij. Eenvoudig zijn is misschien wel één van de moeilijkste dingen die er bestaan. Het vraagt dat je alles loslaat wat je denkt te moeten zijn. Alleen een eenvoudig hart kan werkelijk in harmonie leven.
Zo kijk ik op dit moment naar wijsheid. Eigenlijk heb ik het gevoel dat alle wegen van het hart uiteindelijk uitkomen bij hetzelfde: een authentiek, gelukkig, eenvoudig en wijs mens. Misschien moet ik de Paramita's nog verder bestuderen om te begrijpen waarom wijsheid de vierde weg is en niet juist de vrucht van alle andere wegen. Maar misschien hoeft ook dat antwoord niet vandaag te komen. Voor nu ben ik vooral blij dat dit hoofdstuk mij opnieuw meer vragen heeft gegeven dan antwoorden. Misschien begint wijsheid juist daar.
Misschien is wijsheid uiteindelijk niet het vinden van de juiste antwoorden,
maar het blijven stellen van de juiste vragen.
Loslaten
19 juli 2026
Mijn schilderij heeft brede zijkanten; een zogenoemd 3D-doek. Al dagen dacht ik dat ik die bordeauxrood zou schilderen. Wat gebeurt er? Ik pak mijn kwast en maak hem roze.
Dat overkomt mij vrijwel altijd. Ik doe iets anders dan ik van tevoren had bedacht.
Ik begin meestal met een richting, net zoals een droedel. Vervolgens vertrouw ik erop dat ik mijn ideeën mag loslaten, omdat het schilderij vaak iets anders van mij vraagt. Uit ervaring weet ik inmiddels dat ik mijn oorspronkelijke plan niet hoef te beschermen. Het schilderij maakt zichzelf. Ik mag meebewegen en ben uiteindelijk meestal verbaasd over wat er is ontstaan. Het begint met een idee, maar dat idee is niet meer dan een richting. Het is een vorm van innerlijk luisteren.
Anders gezegd: ik gebruik intuïtie niet als inspiratiebron voor een idee; intuïtie ís mijn werkwijze.
Soms stopt het proces omdat het schilderij mij niets meer te vertellen heeft. Toch voel ik dat het nog niet klaar is. Dan zet ik het weg totdat ik zelf zover ben om de volgende fase van het verhaal binnen te gaan. Dat kan dagen duren, maar ook jaren. Ik zou die schilderijen nooit onaf noemen. Ik zou zeggen dat ze in rust zijn.
Vroeger vroeg ik mezelf: "Hoe gaat het met mij?" Tegenwoordig lijkt de vraag eerder te zijn: "Wat wil dit schilderij mij nog vertellen?"
Ik heb altijd geweten dat conditioneringen mij hebben afgesloten van mijn ware gevoelens en emoties. Alleen via creativiteit leek ik, als buitenstaander, naar de echte Annette te kunnen kijken. Schilderen en schrijven brachten mij steeds dichter bij mezelf. De dagelijks functionerende Annette draagt een overlevingsharnas. Een harnas dat veel van buiten tegenhoudt, maar waardoor ook mijn eigen binnenwereld niet altijd goed naar buiten kan komen.
Juist wanneer ik schilder of schrijf, geleid door de kwast of de pen, lijkt dat harnas even te verdwijnen. Dat zijn de momenten waarop ik vrij ben van gedachten, invullingen, oordelen en het gevoel beoordeeld te worden. Ik denk dat creëren voor mij de meest pure vorm van loslaten is.
Vandaag las ik verder over de derde weg van het hart: Loslaten.
Ook nu struikelde ik weer over de uitleg in het boek.
Er staat:
"Loslaten leidt tot zelfbeheersing, doordat je tot je laat doordringen dat onverzadigbaar verlangen lijden betekent."
En:
"Het wordt ondersteund doordat je tot de ontdekking komt dat alles voorbijgaat, pijnlijke verlangens incluis, en komt tot uiting als matigheid."
Jeetje...
Voor mij klinkt deze uitleg erg mentaal. Alsof loslaten een handeling is, zoals je een touw of een voorwerp loslaat. Ik denk dat loslaten op die manier nooit een werkelijk verinnerlijkt proces kan zijn. Wanneer iemand zegt: "Ik heb het losgelaten," vraag ik me af of dat werkelijk zo is, of dat het vooral een gedachte is.
Voor mij voelt loslaten meer als acceptatie.
Loslaten is niet weggaan, maar ruimte geven.
Loslaten betekent niet dat het me niets meer kan schelen, maar dat ik iets niet voor een ander kan oplossen.
Loslaten is niet machteloosheid, maar weten dat ik het resultaat niet in handen heb.
Loslaten is vertrouwen.
Loslaten is niet een ander de schuld geven, maar beseffen dat ik alleen mezelf kan veranderen.
Loslaten is een ander mens laten zijn, met alle mooie én minder mooie kanten.
Loslaten is geen spijt hebben van het verleden, maar het zien als ontwikkeling en groei.
Dat is wat loslaten voor mij betekent.
Niet een beslissing die je neemt, maar een innerlijk proces van acceptatie dat zich langzaam ontwikkelt. Misschien groeit het wel met de jaren.
Ik denk dat loslaten soms moed vraagt.
Niet weglopen, maar blijven.
Niet meteen handelen, maar liefdevol aanwezig zijn.
Niet voortdurend iets willen oplossen, maar erop vertrouwen dat ook stilte haar eigen beweging kent.
Wij mensen zijn sterk geneigd om letterlijk in beweging te komen. Misschien juist daardoor krijgt de innerlijke beweging zo weinig ruimte.
Voor mij leeft loslaten precies in die beweeglijke stilte. Daar horen woorden als zelfbeheersing, onverzadigbaar verlangen en matigheid niet thuis. Daar ontstaat iets dat zich niet laat afdwingen, maar alleen langzaam kan groeien.
Misschien is loslaten uiteindelijk niet iets wat ik doe.
Misschien is het iets wat vanzelf ontstaat zodra ik ophoud het te willen begrijpen.
Een innerlijk kompas
18 juli 2026
Ik ben blij om te zien dat ik inmiddels al acht maanden zeer stabiele metingen laat zien op de fitness. Ondanks wat valpartijen en ongelukjes, die iets frequenter zijn nu ik weer meer beweeg. Het hoort er in mijn geval bij. Door mijn neurologische aandoening zal ik altijd blijven struikelen, maar ik merk ook dat ik sterker ben geworden en sneller terug kan veren na een tegenslag.
Dat was vanaf het begin ook de bedoeling van mijn plan. Ik train niet voor snelle resultaten, maar voor duurzame stabiliteit. Een stevige basis – fysiek én mentaal – is uiteindelijk belangrijker dan een korte periode van vooruitgang. Ik wil beter bestand zijn tegen de stormen van alledag, of die nu bestaan uit stress, lichamelijke belasting of een onhandige val.
Terwijl ik daar vanochtend over nadacht, las ik verder over de tweede weg van het hart: Moraliteit.
Zelf gebruik ik het woord moraal eigenlijk anders. Voor mij gaat het niet over opgelegde regels of wetten. Ik zie het meer als een innerlijk kompas. Een manier van leven waarbij ik probeer zo vrij mogelijk van oordeel te zijn, medeleven te voelen en begrip te hebben, ook wanneer ik iets niet volledig begrijp. Een kompas dat liefde voelt voor mensen, dieren, de natuur en de kosmos. Maar ook een kompas dat nooit af is. Het groeit, verandert en beweegt mee met nieuwe ervaringen.
In het dagelijks taalgebruik verwijst moraal meestal naar normen en waarden, naar opvattingen over goed en kwaad en hoe we ons horen te gedragen. Soms betekent het zelfs de zedenles of de boodschap van een verhaal. Juist daar begint het voor mij wat dogmatisch te voelen.
Ik moet dan denken aan Osho, de ooit zeer omstreden meester Bhagwan. Michel liet mij ooit zijn boeken lezen. Het waren eindelijk boeken waarin ik kon lezen zonder voortdurend te struikelen over de betekenis. Mijn oordeel over die 'gekke Bhagwan-cult' verdween als sneeuw voor de zon. Niet omdat ik alles wat er gebeurde goedpraatte, maar omdat ik in zijn boeken iets anders ontdekte. Voor mij liet Osho zien hoe gemakkelijk wij als mensen oordelen, partij kiezen en reageren. Alsof hij die menselijke neiging uitvergrootte, waardoor ik er met meer afstand naar kon kijken.
In de Osho Zen Tarot staat de kaart Moraliteit – de Koningin van Wolken – symbool voor starre overtuigingen. Ze waarschuwt dat aangeleerde normen, oordelen en zwart-witdenken je levensenergie kunnen beperken en je kunnen opsluiten in een zelf gecreëerde gevangenis.
Daar kon ik me wel in vinden.
Misschien past daarom het woord ethiek of zelfs deugd beter bij wat ik bedoel. Ethiek nodigt uit om na te denken. Deugd gaat nog een stap verder; die gaat niet over regels, maar over wie je bent en vanuit welke intentie je handelt. Dat komt voor mijn gevoel dichter in de buurt van mijn innerlijke kompas.
Ik vind het bijzonder om deze tien wegen van het hart te onderzoeken. Niet omdat ik verwacht de waarheid te vinden. Ik weet niet eens of zoiets als dé waarheid bestaat. Ik probeer met aandacht te leven en steeds opnieuw te onderzoeken wat voor mij op dit moment waarachtig voelt.
Misschien zijn de tien wegen van het hart geen route die ik hoef te volgen, maar tien uitnodigingen om stil te staan bij hoe ik leef. Niet om antwoorden te vinden, maar om mijn eigen vragen beter te leren kennen. Voorlopig wandel ik gewoon verder, nieuwsgierig naar wat de volgende acht wegen in mij zullen wakker maken.
Wie weet volgt morgen de derde weg.
Ik ben benieuwd waar die mij naartoe brengt.
Vooruitgang of overtuiging
17 juli 2026
Gisteren was het de geboortedag van mijn oma. Vandaag moest ik ineens denken aan alles wat zij in haar leven heeft meegemaakt. Niet alleen persoonlijk, maar ook aan de veranderingen die zij op wereldniveau heeft zien gebeuren.
Ze werd geboren in 1906 en overleed in 1999. Toen zij geboren werd, droegen vrouwen lange jurken en hoeden. Mensen reden met paard en wagen, auto's waren een zeldzaamheid, televisie bestond niet en in datzelfde jaar opende de eerste bioscoop haar deuren. Er waren geen lijnvliegtuigen, geen snelwegen, geen computers, internet of smartphones. Antibiotica en veel moderne geneesmiddelen moesten nog worden ontdekt. Tegen de tijd dat mijn oma overleed, was de wereld onherkenbaar veranderd.
Dat noemen we vooruitgang.
Uit nieuwsgierigheid zocht ik op wat er in 1906 nog meer gebeurde. Er was een zware stormvloed in Nederland, waardoor men serieuzer ging nadenken over bescherming tegen de zee. Uiteindelijk zouden daar de Deltawerken uit voortkomen. In hetzelfde jaar werd San Francisco getroffen door een zware aardbeving, gevolgd door enorme branden die een groot deel van de stad verwoestten. Ook werd het Nederlands Verbond van Vakverenigingen opgericht, de voorloper van de FNV.
Grappig genoeg weet ik nu zeker dat ik haar geboortejaar nooit meer vergeet. Zo werkt mijn geheugen blijkbaar.
Mijn oma maakte twee wereldoorlogen mee, zag de wederopbouw van gezin, huis en bedrijf en later ook het faillissement van het familiebedrijf. Meer dan negentig jaar vol veranderingen.
Vaak heb ik me afgevraagd of mijn generatie net zulke grote veranderingen zou meemaken.
Na ruim zestig jaar kan ik alleen maar zeggen: ja.
Niet in alles hetzelfde, maar de snelheid waarmee de wereld verandert is ongekend. Dankzij media zien we vrijwel direct wat zich overal op aarde afspeelt. Persoonlijk ervaar ik dat niet altijd als vooruitgang. Misschien is dat ook de reden dat ik nauwelijks nieuws kijk of kranten lees. Ondanks die keuze bereikt de wereld mij toch wel.
Na een nacht eindelijk goed geslapen te hebben, gingen Ton en ik pas rond het middaguur trainen. Het was heerlijk afgekoeld tot ongeveer drieëntwintig graden. Daarna besloten we meteen te gaan fietsen. Vanavond wordt de brug naar mijn geboortestad voor negen maanden afgesloten vanwege werkzaamheden. Voor fietsers komt er een pontje, maar vandaag konden we nog één keer gewoon over de brug.
We fietsten door het centrum, langs bedrijventerreinen, woonwijken en het platteland.
Het viel me op hoeveel asfalt erbij is gekomen sinds mijn jeugd. Hoe straten zijn veranderd in grote verkeerswegen en hoeveel natuur plaats heeft gemaakt voor bebouwing.
Steeds opnieuw hoorde ik dezelfde vraag in mijn hoofd.
Is dit vooruitgang?
Vooruitgang?
Vooruitgang?
Ik merkte dat ik niet iemand wil zijn die zegt dat vroeger alles beter was. Die gedachte botste voortdurend met mijn verlangen om open te blijven staan voor verandering.
Eenmaal thuis gebeurde er iets grappigs.
Het woord vooruitgang veranderde in mijn hoofd langzaam in overtuiging.
Iedere keer wanneer ik aan vooruitgang dacht, verscheen vanzelf het woord overtuiging.
Misschien ben ik helemaal niet zo overtuigd van alles wat wij vooruitgang noemen.
En toen kwam vanzelf de volgende vraag.
Wat versta ik eigenlijk onder vooruitgang?
Misschien is vooruitgang niet alles wat nieuw is.
Misschien is vooruitgang alles wat de mens helpt om met meer bewustzijn,
vrijheid en medemenselijkheid te leven.
De rest is misschien vooral verandering.
De oorsprong
16 juli 2026
Langzaam begin ik het patroon te herkennen. Zodra het een paar dagen achter elkaar warm is, vraagt mijn lichaam steeds meer energie. Eerst gaat het nog prima, maar na een aantal dagen lijkt het de warmte niet meer te kunnen verdragen. De hele nacht lig ik wakker door de hardnekkige zenuwpijnen. Slapen lukt dan niet meer. Er zit niets anders op dan in de woonkamer achter mijn laptop te gaan zitten, wat te lezen of een serie te kijken en langzaam de ochtend te zien worden. Het is een vreemde combinatie: ik ben ontzettend moe, maar slapen is onmogelijk. Het is iets waar ik mee moet leren leven. Frustratie of de strijd ermee aangaan kost alleen maar extra energie. Ik vind het eerder ongezellig voor Ton, een vrouw die de halve nacht wakker is en overdag naast de airco zit. Wie weet is hij stiekem wel blij dat er eens een dag niet gefietst of getraind wordt. Hahaha... dat zou best eens kunnen.
Vandaag is het de geboortedag van mijn oma, de moeder van mijn moeder. De oma van wie ik zoveel hield. Een lieve, warme en op haar eigen manier hippe vrouw. Haar huis was altijd smaakvol ingericht en bij haar kon ik mijn frustraties over mijn moeder kwijt. Er werd toen nooit gesproken over een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Waarschijnlijk wist mijn oma niet eens dat zoiets bestond. Wel begreep ze heel goed waar ik tegenaan liep. Ik herinner me vooral hoe ze haar schouders ophaalde en zei dat het eigenlijk nooit anders was geweest. Mijn moeder had al van jongs af aan haar eigen wil en ertegenin gaan leidde vaak tot heftige emoties. Volgens mij koos mijn oma er uiteindelijk voor om met de grillen van haar dochter mee te bewegen. Ze had vooral vertrouwen in mijn vader. Hij zou de situatie wel binnen de perken houden. En dat heeft hij ook gedaan.
Ik weet natuurlijk niet hoe mijn oma vroeger met dit alles is omgegaan. Misschien heeft ook zij eerst geworsteld met verdriet, boosheid en teleurstelling voordat ze uitkwam bij acceptatie. Hetzelfde vertelde mijn tante, de enige zus van mijn moeder, mij later ook. Zij kende haar eigen worstelingen, maar hield tegelijkertijd zielsveel van haar zus. Vroeger verbaasde ik me daarover. Nu niet meer.
De tijd heeft ook mijn eigen gevoelens veranderd.
Misschien is dat wel wat ik nu pas begin te begrijpen. Waarschijnlijk hebben mijn oma en mijn tante dezelfde weg afgelegd als ik. Alleen heb ik dat deel van hun leven nooit gezien, omdat ik toen nog niet geboren was of nog veel te jong was om het te begrijpen.
Tijdens mijn huwelijk met Michel stelde ik mezelf vaak één vraag wanneer een relatie onder druk kwam te staan. Ik probeerde steeds terug te gaan naar het allereerste gevoel. Wat voelde ik toen deze relatie begon? Hoe oprecht was dat? Kan een zuivere oorsprong werkelijk veranderen in een zwarte put? Of zijn het de omstandigheden die zich als een laag over die oorspronkelijke bron hebben gelegd?
Ik merk dat ik steeds opnieuw bewust kies om terug te kijken naar die oorsprong. Niet om moeilijke situaties te ontkennen, maar omdat ik nieuwsgierig ben naar wat daaronder nog steeds aanwezig is. Misschien brengt ouder worden je daar vanzelf weer dichter bij. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, maar bij mij lijkt dat wel zo te werken.
Terwijl ik met een half oog televisie kijk, zie ik beelden van mensen die snorkelen en duiken bij het eiland Maui. Onmiddellijk ben ik terug op de Malediven, waar Michel en ik samen snorkelden en hij ook dook. De onderwaterwereld zal ik nooit vergeten. De kleuren van de vissen, het koraal en de anemonen waren zo intens dat ze bijna licht leken te geven. Aan land ben ik zulke kleuren nooit meer tegengekomen. Alleen nog in mijn dromen.
Natuurlijk zijn de omstandigheden anders. Onder water breekt het zonlicht op een heel andere manier dan boven land. Toch valt me ineens iets op. Rond de schemering gebeurt bijna hetzelfde. Dan wordt het groen groener, lijken kleuren feller en komen ze als het ware los van hun omgeving.
Misschien geldt dat niet alleen voor kleuren.
Misschien geldt het ook voor mensen.
De omstandigheden bepalen vaak welk aspect zichtbaar wordt. Het licht verandert niet wie iets is, maar wel hoe wij het waarnemen.
En zo kom ik opnieuw uit bij dezelfde vraag die de laatste tijd steeds vaker in mij opkomt.
Zie ik de waarheid? Of zie ik slechts één aspect van het geheel?
Misschien ligt de waarheid niet in wat op een bepaald moment zichtbaar is,
maar in de bron waaruit alles ooit is ontstaan.
Misschien begint begrijpen met de bereidheid om steeds weer naar die oorsprong terug te keren.
\
Een andere vorm van geven
15 juli 2026
Heeft iets mij vandaag bewogen? Behalve mijn training en een kort fietstochtje? De warmte laat mij vertragen. Hoe langer de warmte aanhoudt, hoe meer mijn tempo vanzelf omlaaggaat.
Zo zat ik vandaag toch weer achter de airco op bed. Het plan was om mijn broer in het revalidatiecentrum te bezoeken, maar het idee om opnieuw de warme loomheid in te gaan en daarna thuis weer te moeten acclimatiseren sprak me niet aan. Ook een avondfietstocht trok me vandaag niet echt. Verstand op nul. Lichaam op nul. Dat voelde vandaag als precies genoeg.
Op televisie hoorde ik iemand zeggen: "Het leven is een reis." Die woorden brachten mij weer terug naar de tien wegen van het hart die ik momenteel op mijn schilderij aanbreng. Vandaag bleef vooral de eerste weg bij mij hangen.
Vrijgevigheid.
In het boek dat ik ben gaan lezen over de Paramita's, de volmaakte eigenschappen van het hart, schrijft de auteur:
"Vrijgevigheid leidt tot delen, doordat je de vreugde ervaart dat je je niet behoeftig voelt, dat je de rust geniet van een vredige geest en dat je de mogelijkheid hebt een einde aan het lijden te maken."
Ik merk dat ik niet zozeer struikel over de leringen van de grote meesters, maar over de manier waarop wij mensen die leringen vandaag de dag uitleggen.
Bij deze uitleg blijf ik even hangen. Niet omdat ik denk dat ze onjuist is, maar omdat mijn eigen leven mij iets anders heeft laten zien.
Mijn ervaring is juist dat hoe behoeftiger een mens is, hoe vrijgeviger hij of zij vaak kan zijn. Dat klinkt misschien generaliserend, maar het is wat ik in mijn drieënzestig levensjaren steeds weer heb waargenomen. Niet alleen bij mensen die weinig geld hebben, maar ook bij mensen die lichamelijk beperkt zijn, weinig mogelijkheden hebben of veel verlies hebben gekend.
Misschien is dat ook wel begrijpelijk.
Hoe meer een mens bezit, of dat nu materie, gezondheid, schoonheid of zekerheid is, hoe moeilijker loslaten soms wordt. Wie vaker heeft moeten loslaten, lijkt de angst om opnieuw iets te verliezen soms minder sterk te ervaren.
Nogmaals, dat is geen oordeel. Het is een observatie.
Jarenlang heb ik lesgegeven zonder daar iets aan te verdienen. Ik wilde eenvoudigweg delen wat ik had geleerd. Eigenlijk doe ik dat nog steeds, alleen in een andere vorm. Nu deel ik mijn ervaringen via mijn blogs.
Iedereen was welkom in mijn huis. Mensen konden mee-eten, blijven slapen of, als het nodig was, zelfs een tijd bij ons wonen. Ik heb mijn leven met veel mensen gedeeld. Met plezier. Ik kijk daar met warme gevoelens op terug.
Na het overlijden van Michel veranderde er langzaam iets.
Ik merkte dat die manier van geven een steeds grotere aanslag op mijn lichaam begon te worden. Langzaam ging ik vertragen en groeide mijn behoefte aan rust. Een huis vol mensen past niet meer bij mij. Iedere dag voor een grote groep koken evenmin.
Die vorm van vrijgevigheid ligt achter mij. Nu krijgt zij een andere vorm. Misschien minder zichtbaar. Maar niet minder oprecht.
Misschien geef ik tegenwoordig geen ruimte meer in mijn huis, maar probeer ik ruimte te geven in mijn woorden.
En misschien verandert vrijgevigheid met de jaren niet van betekenis.
Alleen van vorm.
Misschien bewandel ik de eerste weg van het hart al veel langer dan ik dacht.
Alleen ziet die weg er vandaag anders uit dan vroeger.
Van droedel naar bewustwording
14 juli 2026
Papier oordeelt nooit. Het is een plek waar alles mag bestaan. Laat ik het anders zeggen: het praat niet terug, maar het reflecteert wel.
Het dagelijkse schrijven heeft mij ontzettend veel gebracht. Het is een dagboek waarin ik iedere dag mijn leven, mijn gedachten, gevoelens, vragen en nieuwsgierigheid opschrijf. Donkere gedachten, lichte gedachten, sympathieke en onsympathieke handelingen. Het mag er allemaal zijn. Ik ben een mens en niets menselijks is mij vreemd.
Ik denk dat het feit dat ik mijn dagboek ook deel op mijn website er een extra dimensie aan geeft. Waarschijnlijk voor mezelf, maar misschien ook voor de lezer. Voor mij zit die extra dimensie vooral in mijn kwetsbaarheid. Ik stel me open, zonder precies te weten wat dat met een ander doet.
Ik ben, zoals ieder mensenkind, zacht geboren. Gaandeweg ben ik hard geworden. Hard voor mezelf en hard voor anderen. Een strengheid die ik mezelf had opgelegd en die ik ook naar buiten toe meenam. Niet omdat ik geen liefde voelde, maar omdat ik niet wist hoe ik mijn eigen pijnen kon loslaten.
Dat werd mij pas duidelijk nadat ik, naar aanleiding van het CVA dat ik op 22 januari 2025 kreeg, iedere dag ben gaan schrijven.
Schrijven is voor mij dezelfde beweging geworden als schilderen.
Het proces dat ik tijdens het schilderen altijd "dweilen" noem. Lang kijken. Blijven kijken. Totdat het schilderij langzaam iets begint terug te vertellen.
Nu doe ik beide, iedere dag. Ik schrijf en ik schilder.
En langzaam begin ik een pad te zien dat door mijn teksten én door mijn schilderij heen loopt.
Het begon allemaal met een eenvoudige droedel. Soms begint een schilderij niet met een idee, maar met een lijn. Zonder plan zette ik wat vormen op papier. Terwijl ik bleef kijken, ontstond langzaam een figuur. Eerst zag ik haar zelf nog niet. Pas toen de lijnen zich verder ontwikkelden, verscheen er een vrouwelijke vorm. Alsof zij al die tijd verborgen had gezeten in die eerste, onschuldige lijnen.
Ik besloot haar niet in te kleuren zoals ik dat normaal zou doen. Ik begon met slechts vier kleuren die al een tijd in mij leefden: bordeauxrood, zachtroze, lichtblauw en frisgroen. Ik nam me voor geen nieuwe kleuren toe te voegen. Zelfs toen ik voelde dat lila misschien mooi zou zijn, mengde ik geen nieuw paars. Ik wilde ontdekken hoeveel leven kon ontstaan vanuit wat er al aanwezig was.
Gaandeweg gebeurde er iets bijzonders.
Overal waar ik keek, begonnen vormen te verschijnen die ik niet bewust had bedacht. Fossielen. Schubben. Structuren van schelpdieren. Waterplanten. Lotusbloemen. Organische patronen die deden denken aan het ontstaan van leven. Alsof het schilderij mij meenam naar een wereld waarin natuur, mens en bewustzijn niet los van elkaar bestaan.
Boven de figuur verscheen een grote cirkel. In eerste instantie voelde die als een halo. Al snel merkte ik dat het voor mij niet over een engel ging. Het ging over iets wat veel dichterbij kwam.
Steeds sterker voelde ik dat de bescherming, de wijsheid en de leiding waar mensen vaak buiten zichzelf naar zoeken, misschien al in de mens aanwezig zijn.
De halo werd voor mij geen teken van heiligheid, maar een beeld van bewustzijn. Niet iets boven ons. Maar iets dat in ons kan ontwaken.
Ook de vleugels kregen een andere betekenis. Ze werden geen vleugels waarmee iemand wegvliegt, maar een beeld van bewustwording. Alsof bewustzijn, zodra het gezien wordt, vanzelf vleugels krijgt. Niet om aan de aarde te ontsnappen, maar juist om zich midden in het leven te ontvouwen.
Langzaam begon ik ook de verbinding tussen de halo en de mens te zien. Niet als een rechte lijn, maar als een kronkelend pad van kleine stipjes. Dat voelde direct goed. Bewustwording verloopt immers zelden in een rechte lijn. Ze slingert, maakt omwegen, verdwijnt soms uit het zicht en verschijnt daarna weer opnieuw.
Tijdens het schilderen kwam ineens een oud boeddhistisch begrip in mij op: de tien Paramita's. Tien levenskwaliteiten die richting geven aan een leven vol liefde, wijsheid en mededogen: vrijgevigheid, ethiek, loslaten, wijsheid, energie, geduld, waarheid, vastberadenheid, liefdevolle vriendelijkheid en gelijkmoedigheid.
Vanaf dat moment wist ik wat de kronkelende paden zouden worden. Tien wegen die vanuit het bewustzijn door het hart lopen en zich vervolgens door de hele mens bewegen. Niet als regels waaraan je moet voldoen, maar als levende wegen die iedere dag opnieuw bewandeld kunnen worden.
Terwijl ik verder werkte, merkte ik dat het schilderij steeds meer aansloot bij mijn blogstukken van de afgelopen weken. Daarin schrijf ik over de middenweg, over de eenheid van licht en donker, over het zichtbare en het onzichtbare en over het besef dat alles met elkaar verbonden is.
Dat zie ik nu ook terug op dit doek. De zachte en de harde kant. Materie en het onzichtbare. Water en aarde. Bloemen en fossielen. Mens en bewustzijn. Niet als tegenstellingen. Maar als één geheel.
Misschien is dat wel de grootste verrassing van dit schilderij.
Het begon met een onschuldige droedel. Ik dacht dat ik een tekening maakte. Gaandeweg ontdekte ik dat de tekening mij iets liet zien waarvoor ik nog geen woorden had. Terwijl het schilderij groeide, groeide mijn eigen inzicht met mij mee.
Wat ik nu zie, is een weg van droedel naar bewustwording.
Misschien krijgt bewustwording vanzelf vleugels wanneer zij lang genoeg gezien wordt.
Misschien is dat wat ik bewustzijn noem.
Het spreekt via mijn pen.
Het spreekt via mijn kwast.
En ik ben dankbaar dat ik deze twee vormen heb gevonden.
Ze vertellen mij niet alleen wie ik ben, maar laten mij steeds opnieuw zien wie ik kan worden.
Een andere wereld
13 juli 2026
Door de warmte merk ik dat mijn dag- en nachtritme langzaam weer opschuift. Ik ga laat naar bed, train overdag en ben daarna snel weer thuis. Nu fietsen we juist in de avond. Hoe later het wordt, hoe energieker ik me voel. Afgelopen week lag ik pas rond vier uur 's morgens in bed.
Het is eigenlijk best gek. Als ik klam en plakkerig ben, voel ik me niet prettig. Tijdens het trainen lopen de zweetdruppels langs mijn gezicht, mijn nek en mijn rug. Het lijkt alsof ik onder een douche sta. Ondanks dat ik dan kleddernat word, voel ik me juist prima.
In de avond fietsen is heerlijk, omdat het wat afgekoeld is en het windje daarbij helpt. Door het veranderende licht krijgt hetzelfde landschap een heel ander gezicht. De watervogels liggen voor een groot deel langs de waterkant te slapen en juist rond de schemering beginnen andere dieren zich te laten zien.
Terwijl we verder fietsen, moet ik ineens denken aan mijn schilderij. Overdag ziet het er heel anders uit dan in de avond. Toch is het hetzelfde schilderij. Eerder schreef ik al dat context kleur verandert. Nu lijkt ook de tijd van de dag iets toe te voegen. Niet alleen het licht verandert, maar ook wat zichtbaar wordt. Misschien geldt dat niet alleen voor een schilderij of een landschap, maar ook voor mensen. Wie of wat ontmoet je op een bepaald moment? En welk beeld neem je vervolgens mee naar huis?
Even later holt een enorme haas over het fietspad voor ons uit. Als je hem zo ziet rennen, lijkt hij bijna een kleine gazelle. Zo licht en sierlijk beweegt hij zich door de schemering. Niet veel later steekt er een rat over. Ik vind het leuk om die verschillen zo bewust mee te maken. Het doet me denken aan de tijd dat ik nog in het bos woonde. Rond de schemering kwamen daar de dieren uit hun schuilplaatsen en verschenen ze op plekken waar overdag mensen wandelden.
De laatste jaren heb ik dat eigenlijk niet meer gedaan. Als je in een stad woont, ga je er niet zo snel met schemering op uit. Ton en ik spreken af dat we binnenkort ook eens heel vroeg, rond zes uur in de ochtend, gaan fietsen. Het is mooi om bekende routes steeds opnieuw te rijden en te zien hoe de seizoenen veranderen. Maar zelfs van week tot week verandert er al zoveel. Alles groeit en bloeit in een ongelooflijk tempo.
Nu herinner ik me ook weer hoe verschillend een dag kan zijn, afhankelijk van het tijdstip waarop je naar buiten gaat. Natuurlijk wist ik dat ergens wel, maar ik schrik er toch een beetje van hoe snel een mens went aan het leven tussen beton en zijn ritme daarop afstemt. Het is eigenlijk helemaal niet zo vreemd dat mensen die in een stad wonen ongemerkt wat verder af komen te staan van wat de natuur iedere dag laat zien.
Het is zomervakantie. Daardoor zie je overal groepjes jongeren op straat. Logisch, ze zoeken elkaar op. We fietsen over een smal fietspad met aan beide kanten riet en water. In de verte zie ik een groepje pubers op scooters bij een bankje zitten. Uit een draagbare speaker schalt keiharde muziek. In deze omgeving doet dat me bijna fysiek pijn. Terwijl we langsrijden, denk ik alleen maar: Het zijn pubers. Ze staan hier waarschijnlijk niet bij stil. In ieder geval zitten ze buiten, midden in een stukje natuur. Dat is tenminste iets.
Tien minuten later komen we langs een ander groepje jongeren. Met een stok slaan ze de planten langs de rivieroever plat. Dat vind ik moeilijker om te zien. Als we voorbij zijn, blijft vooral het gezicht van een meisje me bij. Ze keek niet gelukkig. Eerder boos.
Ik keur het niet goed.
Maar misschien is het beter dat een struik de klap opvangt dan een vriend, een vriendin of een klasgenoot.
Thuis krijg ik een foto via WhatsApp van mijn kleindochter. Ze heeft haar haar met henna rood geverfd. Haar stralende gezicht doet me goed. Even later volgt een filmpje van een kleindochter van Ton. Zij viert met haar vriendinnen het einde van het schooljaar. Ze dansen, lachen en hebben zichtbaar plezier.
Wat fijn om ook dát te zien.
Misschien komt het doordat ik in de jaren dat mijn kinderen pubers waren midden in het bos woonde. Het gedrag dat ik vanavond zag, is me toen eigenlijk nooit opgevallen. Natuurlijk blijven jongeren in de vakantie niet thuis bij hun ouders. Ze zoeken elkaar op. Dat hoort erbij.
Er gaat een wereld voor me open.
Het leven van hazen, ratten en jongeren in een stad rond schemertijd.
Misschien verandert de wereld minder dan ik denk.
Misschien laat ieder moment van de dag gewoon een andere wereld zien.
Ik hoef alleen maar op het juiste moment bereid te zijn om te kijken.
De wegen van het hart
12 juli 2026
Het is tien uur in de avond. Meestal schrijf ik rond deze tijd mijn dagblog. Op het moment dat ik de datum intik, bedenk ik me dat dit de geboortedag van mijn moeder is. Zij werd geboren op 12 juli 1931 en is een aantal jaren geleden overleden aan corona. In de app van mijn broers en zussen heb ik er niets over voorbij zien komen. Waarschijnlijk is haar geboortedag aan hen voorbijgegaan, net zoals aan mij. Toch denk ik heel even terug aan de verjaardagen van vroeger, aan de feestjes die er altijd waren. Dat zijn mooie herinneringen, die ik later zelf heb voortgezet toen ik een gezin had. Nu iedereen al lang is uitgevlogen, kijk ik daar met een warm hart op terug. Tegelijkertijd besef ik dat ik dat nu niet meer zou kunnen of willen doen.
Maar terug naar mijn dag.
Het was warm, dus bleef ik binnen, waar het koel was, verder schilderen totdat het doek voor mijn gevoel af leek te zijn. Toch bleef ik ernaar kijken met het gevoel dat er nog iets ontbrak. Dan zit er maar één ding op: het schilderij op de schildersezel laten staan totdat het mij vertelt wat dat dan is.
Op Weeronline hadden we gezien dat het vanaf zes uur langzaam wat koeler zou worden. Om zeven uur begonnen we aan onze fietstocht. Al snel ontdekten we hoe heerlijk zacht het weer was, met een stevig windje. Zo'n fijn gevoel: de koele lucht langs mijn gezicht, mijn blouse die om me heen wappert en... misschien nog wel het mooiste... de stilte. Vrijwel geen verkeer, geen fietsers, nauwelijks wandelaars. Het was bijna niet te geloven dat we zo ongeveer de enigen waren die van deze zomeravond genoten.
We rijden door een dorp. In de verte hoor ik gezang dat steeds dichterbij komt. Als we langs de kerk fietsen, zie ik dat de deuren openstaan. De kerk zit vol en de mensen zingen uit volle borst. Ik zeg tegen Ton: "Als ik in zo'n kleine gemeenschap zou wonen, zou ik ook naar de kerk gaan. Gewoon om mee te kunnen zingen en onderdeel te zijn van de dorpsgemeenschap." Hij reageert daar niet echt op, maar vertelt over een interview op de radio met een overtuigd atheïst. Hij vond het een geweldig gesprek. Ik glimlach alleen maar en zeg: "Ik snap dat jij dat graag hoort."
We fietsen verder, genietend van de temperatuur, de wind en de stilte. Dan zegt Ton ineens: "Ik weet niet hoe ik de kleur van de lucht moet noemen. Het is geen avondrood. Zie je ook hoe groen alles ineens lijkt?" Op dat moment ben ik zo blij dat hij dit óók begint te zien.
Ik antwoord: "Het is een heel zacht lila, want het avondrood zit nog achter het blauwe licht. Zie je ook dat het aan de ene kant heel diffuus is, terwijl de kleuren aan de andere kant juist oplichten?"
We stappen even af om van het bijzondere licht en de stilte te genieten.
Terwijl ik daar zit, hoor ik in mijn geestesoog de woorden:
"Je mist de wegen van het hart."
Mijn gedachten springen van het kerkgezang naar mijn schilderij.
Dat is het dus.
Weer een stap verder in het proces.
Mijn kwast zal wel weten wat hij moet doen.
En ik zal hem volgen.
We stappen weer op de fiets en vervolgen onze tocht langs de rivier. Dit keer vallen me weer heel andere paarsrode planten op. Ze groeien bijna als struiken langs de oever. Ik stop om een foto te maken, zodat ik thuis kan opzoeken welke plant het is en of er misschien een symbolische betekenis aan wordt gegeven.
Het is bijna negen uur wanneer we na vijfentwintig kilometer weer het centrum binnenfietsen. Ton zegt: "Jij wilt zeker een ijsje, maar ik ben bang dat we te laat zijn." Ik haal mijn schouders op. Ach, denk ik, als het nog lukt is het leuk, en anders ook goed. Uiteindelijk blijken wij de laatste klanten te zijn. We krijgen allebei een heerlijk sorbetijs: bosvruchten met citroen.
Thuis heb ik een vast ritueel. De hondjes krijgen een snoepje, mijn kleren gaan uit, mijn slaapshirt aan, laptop op schoot en opzoeken wat mij onderweg nieuwsgierig heeft gemaakt.
Vandaag was dat het Harig wilgenroosje.
In de plantensymboliek wordt het Harig wilgenroosje vaak geassocieerd met veerkracht, genezing en magie. Omdat de plant uitbundig bloeit op ruige, soms verstoorde oevers, staat hij symbool voor standvastigheid en het overwinnen van tegenslagen.
Misschien kent mijn hoofd de weg niet altijd.
Mijn hart en mijn kwast lijken hem soms al lang te kennen.
Zachtheid
11 juli 2026
Verbaasd dat ik opnieuw over een slang had gedroomd en er in mijn droom weer heel ontspannen mee omging, werd ik tevreden wakker. Mijn slangenfobie lijkt in mijn dromen tegenwoordig helemaal afwezig te zijn. Ik denk dat het met verwerking te maken heeft, waardoor oude angsten langzaam verdwijnen.
Een goed begin van de dag.
Op het moment dat we naar de auto lopen om te gaan trainen, zegt Ton: "Oh ja, ik heb gisteren tegen een paaltje aangezeten toen ik mijn zoon wegbracht." Op dat moment zie ik de deuk en de schade aan mijn auto. Ik flip helemaal. Niet om de auto zelf, maar omdat ik baal dat Ton niet gefocust is. Zodra hij zorgen heeft of te veel ballen tegelijk in de lucht probeert te houden, raakt hij zijn aandacht kwijt. Hij is iemand die voor iedereen klaarstaat en bijna nooit nee zegt. Daar maak ik me zorgen over. In plaats van liefdevol te reageren word ik boos en ga ik verbaal los. Als dit gebeurt, dan gebeurt dat, en als dat gebeurt, dan volgt weer iets anders. Ik kan dan werkelijk aan één stuk door blijven praten. Tijdens de training kijk ik hem nauwelijks aan. Ik ben mijn eigen frustratie aan het verwerken.
Eenmaal thuis zeg ik sorry tegen hem.
Het is jammer.
Meer niet.
Een kleindochter van Ton heeft een dansuitvoering en mijn dochter komt met haar man en twee dochters rond dezelfde tijd naar Papendrecht om ons gedag te zeggen voordat ze op vakantie gaan. De dansuitvoering is vlakbij, dus Ton en ik besluiten op de fiets te gaan. Hij haalt alvast de fietsen uit de bus terwijl ik ga douchen. Tegen de tijd dat ik klaar ben, komt hij weer boven. Ik denk nog: Wat is hij lang weggebleven. Dan zie ik dat hij iets zoekt. Hij blijkt mijn fietssleutels kwijt te zijn.
Van binnen voel ik me direct huilerig worden.
Wat nu weer?
Ik zeg: "Het maakt me niet uit. Ik breek het slot desnoods open met een hamer, want ik wil gewoon weg op de fiets." Ik voel me zo hulpeloos dat ik hem niet eens meer tot rust kan manen. Hij besluit eerst nog op straat te gaan zoeken en fietst weg.Terwijl ik daar sta, besef ik hoe ik me als een hork gedraag. Mijn reacties maken zijn stuurloze gevoel alleen maar erger. Op dat moment besluit ik er niet verder op in te gaan en gewoon vriendelijk samen een oplossing te zoeken. Even later zie ik hem over de stoep terugkomen. Zo'n dertig meter verderop schijnt de zon precies op een klein glanzend voorwerp. We zien het allebei tegelijk.
Mijn fietssleutels.
Gelukkig kunnen opa en oma alsnog vrolijk op de fiets naar de dansuitvoering.
Op de fiets is het, dankzij een klein windje, redelijk aangenaam. Stilzitten op een stoel in de brandende zon is een ander verhaal. Goed ademen en mijn aandacht bij de dansers houden lukt gelukkig redelijk. Halverwege komt ook mijn dochter met haar gezin aan. Het voelt fijn dat onze gezinnen elkaar steeds beter leren kennen en het ook leuk vinden om bij zulke momenten aanwezig te zijn. De kleindochter van Ton laat een aantal prachtige optredens zien, maar wordt daarna bevangen door de hitte. Ton blijft rustig bij haar en brengt haar naar huis.
Ik ga alvast met mijn dochter en haar gezin mee naar ons huis, waar de airco het heerlijk koel heeft gemaakt. Het valt hen op dat Ton er wat verwilderd uitziet. Tja... dan ben ik blijkbaar niet de enige die dat ziet. De aard van het beestje kan ik niet veranderen. Wel mijn eigen reactie daarop. Daar wil ik mee aan de slag. Een middenweg vinden.
Mijn dochter lacht.
"Ja mam... meer kun je niet doen."
Mijn schilderij staat midden in de woonkamer op de schildersezel. Mijn schoonzoon kijkt er een tijd naar en zegt: "Het lijkt de stijl van de Aboriginals." Grappig dat hij dat zegt. Ooit heb ik met cursisten een Aboriginal kunstwerk gemaakt van tien meter lang. Een landschap vanuit vogelperspectief, opgebouwd uit symbolen waar iedereen eerst onderzoek naar had gedaan. Samen met degene die naast je zat ontstond één groot doorlopend geheel. Een soort Panorama Mesdag in Aboriginalstijl. Geweldig om te maken.
Aboriginal kunst is diep geworteld in de spirituele Droomtijd. Dat herken ik ook in mijn eigen manier van schilderen. Het lijkt alsof het werk door mijn kwast en verf heen ontstaat. Pas wanneer ik stop met schilderen, zie ik wat er op het doek is verschenen. Net als in een droom wordt het onbewuste langzaam bewust. Soms voel of zie ik direct een betekenis. Soms heeft dat tijd nodig.
En die tijd...
...kiest zijn eigen tijd.
Dit keer denk ik dat het schilderij mij iets wil leren over geduld en zachtheid.
Mijn kleindochters vragen of ze mogen tekenen. Ze krijgen allebei een tekenblok en mooie kleurpotloden en gaan rustig aan mijn werktafel, naast het schilderij, aan de slag. Inmiddels is Ton weer thuis. Eerst heeft hij voor zijn kleindochter gezorgd en nu staat hij meteen in de keuken om eten te maken voor mijn dochter, haar gezin en mij.
Even later komt hij naast me zitten, met een wat verhit en vermoeid hoofd.
Mijn hart smelt.
Misschien is zachtheid niet dat ik nooit meer boos word.
Misschien is zachtheid dat ik steeds sneller de liefde terugvind.
Nietsheid
10 juli 2026
Na een dag bingewatchen en schrijven ging ik pas om half vijf naar bed. Toch was ik op tijd wakker om te gaan trainen, maar Ton had iets anders te doen en de auto nodig. Heel snel kon ik zeggen dat het prima was om de training een dag over te slaan. Tjonge jonge, wat word ik daar makkelijk in. Of is het stiekem luiheid? Misschien weerstand? Eigenlijk maakt het niet uit. Ik weet dat ik goed bezig ben en ik heb vertrouwen in mezelf om mijn lichaam zo fit mogelijk te houden.
Terwijl Ton weg is, kijk ik naar buiten. De zon schijnt en ik voel dat het warmer wordt dan gisteren. Gisteren is het me gelukt om de hitte beter te verdragen, al merkte ik wel hoeveel energie dat mijn lichaam kostte. Dus vandaag verder gaan met bingewatchen achter de airco is helemaal niet zo'n gek plan. Verstand op nul, de hondjes naast me, helemaal goed. Tussendoor af en toe een uurtje schilderen.
Heerlijk, deze nietsheid die zo oneindig aanvoelt.
Wees eens eerlijk. Als je in je ietsheid zit, is die dan niet altijd eindig? Waarom zou een mens zich dan druk maken op het moment dat hij niets doet?
Ik zie mijn nietsheid niet als leegte, maar als een creatieve ruimte. Een ruimte waarin nog niets gevormd hoeft te worden en juist daardoor alles kan ontstaan. Steeds meer begin ik dat te begrijpen. Ik leer ook te luisteren naar dat stemmetje in mij dat af en toe kiest voor niets, zonder schaamte of schuldgevoel. Niet uit luiheid, maar vanuit het besef dat dit óók een zachte kant van het leven is, die wij als mens nodig hebben.
We hoeven niet altijd iets te doen of productief te zijn. Dat is de harde kant. Voorlopig zou ik zeggen dat er meer balans mag ontstaan tussen die twee. Uiteindelijk hoop ik dat ik ze niet meer zie als twee verschillende facetten, maar als één hoedanigheid, één laag van zijn die alles omvat. Niet denken in tweeheid, maar in eenheid.
Ik merk dat mijn taalgebruik misschien wat vreemd wordt. Toch zijn dit de woorden die het dichtst in de buurt komen van wat ik probeer te beschrijven. Misschien bestaan er voor dit gevoel helemaal geen juiste woorden.
Woorden geven vorm. Zodra ik ergens woorden aan geef, begint het voor mij te leven. Misschien is nietsheid daarom geen leegte waarin niets bestaat, maar een creatieve ruimte waarin nieuwe vormen kunnen ontstaan. Ik ben mens. Ik leef in vorm en kan alleen via vorm uitdrukking geven aan wat in mij leeft. Misschien is nietsheid juist de ruimte waaruit steeds weer nieuwe vormen geboren worden.
Uiteindelijk is de weg van het woord afgesneden. Verleden, heden en toekomst... zijn weg.
Misschien is nietsheid niet het einde van de woorden.
Misschien is het de ruimte waaruit woorden steeds opnieuw geboren worden.
De middenweg
9 juli 2026
Het is vaak avond als ik verder werk aan mijn schilderij. Vanochtend, in het daglicht zonder felle zon, kon ik zien hoeveel zachter het op mij overkwam. In het licht wordt het zacht en in het donker komen bepaalde delen harder over. Toch is het hetzelfde schilderij. Het voelt als een metafoor voor de mens. In het licht en in positieve sferen komt iemand vaak zachter en vriendelijker over. In het donker of in moeilijke omstandigheden kan diezelfde mens harder of zelfs onvriendelijk lijken. Hoe tref je iemand aan? Vrolijk of geïrriteerd? In het donker of in het licht? Het wordt mij steeds duidelijker dat ieder mens heel veel kanten heeft. De vraag is alleen: welke ontmoet je? En is dat vervolgens het beeld dat je vasthoudt? Ik hoop dat ik me altijd bewust zal blijven van de vele veranderingen die ieder mens iedere dag weer doormaakt, gewoon door de situaties die hij of zij tegenkomt. Zou dat de ondertoon zijn van wat ik aan het schilderen ben?
Na mijn training gaan we met de bus op pad om in een andere omgeving te fietsen. Het valt me op hoeveel grote paarse planten werkelijk overal langs de waterkanten groeien. Prachtig om te zien.
Ooit vertelde iemand die zijn leven had gewijd aan kruiden, planten en elixers mij dat de mate waarin bepaalde planten ergens groeien iets kan zeggen over de bewoners van een tuin of zelfs over een gebied. Het idee dat wij niet losstaan van de natuur om ons heen, en de natuur niet losstaat van ons, heeft toen wel wortel geschoten in mij. Dat is inmiddels meer dan dertig jaar geleden. Natuurlijk zocht ik thuis op welke plant het precies was en of er ook een spirituele betekenis aan wordt gegeven. Niet dat ik zoiets meteen als waarheid aanneem, maar ik vind het wel leuk om te weten. Het blijkt de grote kattenstaart te zijn. Op spiritueel gebied zou deze plant vrede, bescherming en fysieke continuïteit symboliseren. Daarnaast staat hij voor oprechtheid, eerlijkheid en de eenvoud van het leven. Dat klinkt mooi. We hebben ruim tweeënhalf uur gefietst en bijna de hele route groeide hij uitbundig langs de slootkanten. Als deze plant werkelijk iets bijdraagt aan liefde voor de medemens en levenskracht, dan mag hij van mij nog veel meer ruimte krijgen.
Het is opvallend hoeveel wegwerkzaamheden er zijn. Snelwegen zijn afgesloten en auto's worden door de polders en over smalle dijken geleid. Ook veel fietspaden zijn opgebroken. Overal staan files, maar nu ik erop terugkijk heb ik eigenlijk geen enkele irritatie waargenomen. Hahaha... doen die grote kattenstaarten misschien toch hun werk?
Het was nog warmer dan gisteren. Pas thuis voelde ik hoeveel energie mijn lichaam nodig had om alles goed vol te houden. Kleren uit, lekker op bed met de airco aan, laptop op schoot, hoofd in de kussens en even helemaal niets. Op televisie kijk ik naar een programma over fotografie. Ik hoor een fotograaf zeggen: "Ik probeer evenwicht te vinden tussen hard en zacht." Iemand reageert: "Tja, zo is het leven." Ik glimlach. Dat dacht ik vanmorgen ook toen ik naar mijn schilderij keek.
Even later komt Ton naast me op bed zitten. Hij vertelt over de stress die hij ervaart door een geheim dat iemand hem in vertrouwen heeft verteld. In de psychologie wordt wel gezegd dat ieder mens geheimen heeft. Dat begrijp ik ergens wel. Soms zijn het niet eens bewuste geheimen, maar dingen die je voelt of ervaart en met niemand deelt. Maar hoe ga je om met een zwaar geheim dat iemand je toevertrouwt? Diegene doet dat uit schaamte, angst of uit vrees voor gezichtsverlies. Je wilt dat vertrouwen niet beschamen, maar ondertussen levert het jou slapeloze nachten en stress op. Bovendien weet je dat het voor een ander juist weer kan voelen als uitsluiting.
Ik vind dat een lastig vraagstuk.
Mijn eerste reactie is altijd geweest dat je iemands vertrouwen nooit mag beschamen. Toch vraag ik me steeds vaker af of zo'n regel altijd zo absoluut moet zijn, zeker wanneer degene die het geheim bewaart er lichamelijk of geestelijk onder gaat lijden. Is er een middenweg? En zo ja, hoe ziet die eruit?
Of is het misschien mogelijk om iemand werkelijk aan te horen, zonder zijn last over te nemen? Had diegene misschien alleen een luisterend oor nodig om zichzelf wat lichter te voelen? Is het wel de bedoeling dat jij die zwaarte vervolgens met je meedraagt, terwijl die in wezen niet van jou is?
Ton is van nature zacht en neemt daardoor gemakkelijk de zorgen van anderen mee. Ik ben eerder geneigd om hard te reageren en de verantwoordelijkheid daar te laten waar ik vind dat die hoort.
Voor het eerst merk ik dat er een andere gedachte in mij opkomt.
Misschien hoeft het niet hard óf zacht te zijn.
Misschien bestaat er ook een middenweg.
Hoe die eruitziet weet ik nog niet.
Maar misschien begint iedere middenweg met de bereidheid om ernaar te zoeken.
Misschien ben ik niet alleen een schilderij aan het maken.
Misschien laat het schilderij mij langzaam zien hoe ik ook naar het leven kan kijken.
Innerlijke vrijheid
8 juli 2026
Tot diep in de nacht heb ik geschilderd. Even heb ik me niet gehouden aan mijn voornemen om me niet helemaal mee te laten trekken in de flow waarin ik terecht kan komen. Op tijd gaan slapen, stoppen waar ik mee bezig ben... Prettig om te merken hoe ik de strengheid naar mezelf toe aan het kwijtraken ben. Draag ik mezelf iets op, dan ga ik roeien met de riemen die ik heb om dat voor elkaar te krijgen. En? Ik wilde doorgaan, dus deed ik dat en zag vanochtend wel hoe moe ik wakker zou worden. En inderdaad, ik was behoorlijk lodderig toen ik opstond. Geen probleem, dan verzet ik mijn training toch gewoon met een uur. Hoe makkelijk kan het leven zijn?
Een goede vriend vraagt me via WhatsApp zijn blog te lezen. Daar heb ik nu mooi even tijd voor, dacht ik. Het was een prachtig geschreven stuk met een thematiek die je ook regelmatig in mijn dagboekblogs tegenkomt. Ik complimenteerde hem ermee en vervolgens belde hij me terug. We maakten een afspraak om binnenkort samen een dagje op stap te gaan. Een fijn vooruitzicht. We kunnen altijd heel goed met elkaar praten en het voelt prettig als we samen zijn. Ton vindt het fijn dat ik lieve vrienden en vriendinnen heb. Ook al kent hij ze niet goed, het feit dat ze van mij houden is voor hem genoeg. Gezegend ben ik met zo'n man. Geen jaloezie, niemand vasthouden, gewoon kunnen en mogen zijn wie ik ben.
Vandaag hadden Ton en ik een gesprek dat me opnieuw liet zien hoe een rode draad soms pas na jaren zichtbaar wordt. We hadden het over mijn beste vriendin, over mijn dochter en over loslaten. Ik vertelde hem dat ik de bal uiteindelijk bij de ander laat. Als iemand ervoor kiest om afstand te nemen, doet dat mij eerst pijn. Daarna ontstaat er iets anders. Rust. Geen onverschilligheid, geen boosheid, geen verdriet dat blijft hangen. Het is alsof mijn systeem zegt: dit is wat er nu ligt, en daar hoef ik niets meer aan te veranderen.
Er ontvouwt zich een soort innerlijke stilte, een plek waar beweging ontstaat zonder dat ik eraan trek. Niet een stilstand, maar een bron. Alsof onder alle gedachten en emoties een laag ligt die niet afhankelijk is van wat anderen doen. Vanaf dat moment is het los.
Dat is voor mij heel vanzelfsprekend, maar voor veel mensen niet.
In hetzelfde gesprek kwamen herinneringen boven die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben. Mijn moeder zei na het overlijden van Michel: "Hoe moet dat nu? Er is geen normale man die haar ooit nog wil." Hahaha... ik was helemaal niet op zoek naar een man. In dit geval was het duidelijk iets wat in haar leefde en niet in mij. Jaren eerder vroeg een dochter zich af of haar vader misschien ooit een andere vrouw zou kiezen, omdat hij knap was en ik, volgens haar kinderlogica, niet. Ook een vriendin vroeg zich ooit spontaan af of een meisje misschien net zo mismaakt was als ik. Natuurlijk niet zo bedoeld, maar het floepte er toch maar even uit.
Ik moest er toen en vandaag weer om glimlachen. Niet omdat zulke woorden geen pijn doen, maar omdat ik inmiddels zie wat eronder ligt.
Mijn hele leven hebben mensen, vaak onbewust, eerst mijn handicap gezien en daarna pas mij. Alsof een afwijkende manier van lopen automatisch iets zegt over mijn uiterlijk, mijn aantrekkelijkheid, mijn mogelijkheden of zelfs mijn waarde als mens.
Dat mechanisme begrijp ik inmiddels wel.
Wat mensen vaak niet begrijpen, is dat het bij mij niet werkt.
Ik voel me niet minder waard omdat iemand mij zo ziet. Ik ga ook niet harder mijn best doen om het tegendeel te bewijzen. Ik hoef niemand ervan te overtuigen dat ik de moeite waard ben.
Wie mij werkelijk ontmoet, ontmoet mij.
Wie alleen mijn handicap ziet, ontmoet vooral zijn eigen vooroordelen.
Dat klinkt misschien streng, maar zo bedoel ik het niet. Ik veroordeel niemand. We kijken allemaal door onze eigen bril naar de wereld. Ook ik.
Misschien hoop ik uiteindelijk maar één ding. Dat we af en toe de moed hebben onszelf af te vragen of wat we over een ander denken werkelijk over die ander gaat, of dat het iets vertelt over de manier waarop wij zelf naar mensen kijken.
Wat vertelt het over mij?
Dat vind ik misschien wel de interessantste vraag.
Innerlijke vrijheid laat zich steeds weer op een andere manier zien. Vandaag weer anders dan gisteren. Maar in al die bewegingen, letterlijk en figuurlijk, gloort steeds weer dezelfde zachte zonnestraal.
Misschien ontstaat innerlijke vrijheid niet doordat anderen veranderen,
maar doordat ik steeds minder hoef te reageren op wat zij in mij denken te zien.
VRIJHEID
7 juli 2026
Terwijl ik vanochtend mijn koffie drink, hoor ik in mijn oortjes een psychiater vertellen over PTSS. Ze legt uit dat mensen met PTSS black-outs kunnen krijgen. Niet doordat ze buiten bewustzijn raken, maar doordat ze in een dissociatieve toestand terechtkomen. Dat kan gebeuren wanneer ze zich bedreigd voelen of sterk geïrriteerd raken. Ze worden boos, soms zelfs gewelddadig. Wanneer het voorbij is, weten ze er niets meer van. Het blijft hangen. Ik bespreek het met Ton, omdat het ineens licht lijkt te schijnen op mijn dochter en op mezelf. Het geeft begrip voor een situatie die ooit is ontstaan en inmiddels een kluwen wol is geworden die onmogelijk nog helemaal te ontwarren lijkt. Misschien hoeft dat ook niet. Misschien hoeven sommige draden alleen maar losgeknipt en opnieuw aan elkaar geknoopt te worden. Alleen al die gedachte geeft rust. Daarna laat ik het onderwerp weer los.
Op de fitness is het stil. Mensen praten nauwelijks met elkaar. Iedereen lijkt bezig met zijn eigen gedachten. Juist daar komt ineens een ingeving voor mijn schilderij binnen. Een vervolg dat ik niet had verwacht. Na twee oefeningen laat ik ook die gedachte weer los en concentreer ik me alleen nog op mijn ademhaling.
Thuis begin ik direct aan mijn schilderij. Kennelijk was de ingeving toch blijven hangen zonder dat ik er bewust mee bezig was. Het resultaat verrast me. Ik weet niet wat het betekent. Ik zie alleen het kleurgebruik en voel dat het me in de toekomst nog iets te vertellen heeft.
Na de eerste opzet leg ik mijn kwasten neer om te gaan fietsen. Het is warm, maar gelukkig staat er een windje. Ik ben vastbesloten mijn lichaam te laten wennen aan de warmte, zodat ik de komende weken ook buiten kan zijn zonder er onwel van te worden. Ik weet niet precies hoe ik het doe, maar door mijn ademhaling en een bepaalde houding probeer ik mijn lichaam zich over te laten geven aan de warmte. Gek genoeg lukt dat. Ik voel de warmte buiten mij, maar niet in mij. Terwijl ik fiets, denk ik: "Op deze manier kom ik de zomer wel door." We hadden een plan, maar onderweg bleek dat niet uitvoerbaar. Dus lieten we onze fietsen ons gedachteloos door dorpen en polders leiden. Grappig... zoals ik tijdens het schilderen de kwast word, zo werd ik vandaag de fiets.
Aan een landweggetje staat een bankje waar we even gaan zitten om wat water te drinken. Ineens zie ik een tekst die in het hout is gegraveerd: "Wat betekent vrijheid voor jou?" Geweldig! Gewoon dit: fietsen, genieten van de natuur, de elementen voelen, niets hoeven, alles kunnen. Dat is vrijheid voor mij.
Dan komt er een herinnering boven van dertig jaar geleden. Ik gaf een workshop met als thema Vrijheid. Na de yoga-oefeningen liet ik iedereen tekenen wat vrijheid voor hem of haar betekende. Aan het einde vertelde iedereen in de kring over de tekening. Ook ik deed altijd mee. Destijds had ik geen fiets en was dat ook geen mogelijkheid. Ik tekende mijn auto. Toen ik mijn tekening liet zien, had ik nooit verwacht zoveel weerstand te krijgen. Veel mensen die yoga beoefenden leefden bewust alternatief. Dat de yogadocent een auto als symbool van vrijheid had getekend, vonden ze materialistisch. Ik liet alle reacties bestaan. Niemand gaf mij de kans uit te leggen waarom ik mijn auto had getekend. Het was fascinerend om te zien hoe een groep van dertig mensen elkaar versterkte in hun oordeel. Pas na misschien wel een half uur kon ik eindelijk vertellen waarom mijn auto voor mij vrijheid betekende. Zolang ik mezelf zelfstandig kan verplaatsen – met de auto, mijn bakfiets of mijn scootmobiel – voel ik me vrij. Lopen ervaar ik niet als vrijheid, maar als concentratie. Het kost me veel energie. In de auto stappen en naar het buitenland rijden, dat is vrijheid. Nu ervaar ik datzelfde gevoel tijdens onze fietstochten. Misschien zelfs nog sterker, omdat ik buiten ben, dicht bij de natuur.
Dan zie ik ineens dat er 7000 kilometer op mijn teller staat. Ton maakt snel een foto, want wat bijzonder dat we dit in drie zomers samen hebben gefietst. Wat ben ik blij met de aanschaf van mijn bakfiets. Misschien wel de beste aankoop die ik ooit heb gedaan.
Thuis zie ik een e-mail van de Efteling. 7 juli = Dag van het Sprookje. "Wist je dat deze dag voor het eerst werd gevierd op 7-7-2007? Niet zomaar een datum: het getal zeven speelt de hoofdrol in talloze sprookjes."
Is dat niet grappig? 7000 kilometer gefietst op 7 juli... de Dag van het Sprookje.
Mijn leven voelt mooi, net als een sprookje. Er komt altijd iets moeilijks of verdrietigs voorbij, maar uiteindelijk lijkt het leven mij steeds weer iets moois terug te geven.
Misschien is vrijheid niet dat alles altijd goed gaat.
Misschien is vrijheid dat ik, ondanks alles,
kan blijven genieten van het leven.
Context verandert kleur
6 juli 2026
Vannacht heb ik gedroomd. Ik weet dat het een heel verhaal was, maar vlak nadat ik wakker werd was ik het alweer kwijt. Het enige dat is blijven hangen, is een enorme slang van wel zes of zeven meter lang. Zijn huid was donker, antracietgrijs. Een soort python, denk ik.
Ik ben ontzettend bang voor slangen. Het is echt een fobie. Alles wat er een beetje op lijkt, zoals een paling, daar durf ik niet eens in de buurt te komen, laat staan dat ik het zou eten. De gedachte alleen al.
Slangen waren in mijn dromen vroeger altijd onderdeel van nachtmerries. Het gekke is dat ik vannacht helemaal niet bang was. Sterker nog, ik hielp mee om hem te vangen, in een soort kooi te doen en terug te brengen naar zijn eigen leefgebied. Hij dook zomaar op en ik had alleen maar het gevoel: het komt goed, ik regel dit wel.
De ochtend verliep zoals altijd. Een proteïneshake, wassen, aankleden en op weg naar de training. Mijn knie is niet meer verbonden. Hij is nog wel rood en er zitten inmiddels korstjes op. Tijdens de training stootte ik me twee keer tegen een apparaat. Dom natuurlijk. Pas de derde keer hield ik er rekening mee.
Kennelijk ben ik toch een ezel die zich twee keer aan dezelfde steen stoot.
Iedere keer is het weer goed om te merken dat ik niet perfect ben. Ik ben nog steeds bedachtzaam, maar ik kan mijn eigen onhandigheid inmiddels beter accepteren. Vroeger zou ik mezelf dit kwalijk hebben genomen. Nu moet ik er vanbinnen om lachen.
Het was vandaag weer wat warmer, waardoor mijn lichaam iets harder moest werken. Voldaan, maar moe kwam ik thuis. Na een kop koffie en twee crackers met ei en avocado voelde ik de energie langzaam terugkomen. Ton en ik besloten dat we zouden gaan fietsen zodra ik het startsein zou geven.
Maar iets in mij wilde verder met mijn schilderij, dat al een paar dagen onaangeraakt op de schildersezel stond. Alles stond al klaar. De juiste verf, de kwasten, een verhoging voor mijn laptop, oortjes in, een serie aan. Alsof ik een bed opmaakte waar ik weer in kon stappen.
De hele dag ben ik ermee bezig geweest. Af en toe stond ik even op om mijn benen te strekken, waarna ik weer verder schilderde. Het startsein om te gaan fietsen kwam niet. Wel begon mijn schilderij steeds meer te leven.
Ik werk steeds met vier kleuren. Iedere keer vervang ik slechts één kleur, waardoor alle andere kleuren mee lijken te veranderen.
Toen dacht ik ineens: context verandert kleur.
Nu zie ik dat letterlijk terug op mijn doek.
Een kleur verliest zichzelf niet doordat hij naast een andere kleur staat. Hij lijkt alleen anders. Soms intenser, soms zachter, soms warmer of juist koeler. De kleur zelf blijft dezelfde verf.
Misschien is dat ook wel waarom dit schilderij zo levend voelt.
Niets staat op zichzelf. Alles beïnvloedt elkaar, zonder dat iets zijn eigen aard hoeft te verliezen.
Volgens mij geldt dat ook voor mensen. Hun omstandigheden veranderen. Daardoor doen ze andere dingen, zeggen ze andere dingen en lijken ze soms een ander mens. Maar hun diepste aard verandert uiteindelijk niet.
De kleuren op dit doek zijn ontstaan tijdens onze fietstochten van de afgelopen weken. De verwondering die ik onderweg voelde, herken ik nu terug in mijn schilderij. Alsof de kleuren uit de natuur zich als zaadjes in mijn innerlijk hebben genesteld en nu, via mijn handen, kwasten en verf, een eigen weg zoeken om mij iets te laten zien wat al in mij leeft.
Alleen zie ik het zelf nog niet.
Dat alleen al vind ik een wonder.
Op zulke momenten verdwijnen mijn lichamelijke ongemakken naar de achtergrond en stap ik een wereld binnen die óók van mij is. Geen lichamelijke wereld, maar een wereld die minstens zo werkelijk en ongelooflijk rijk is.
Nu mijn mentale pijnen langzaam naar de achtergrond verdwijnen, gaat er opnieuw een wereld voor mij open. Een vernieuwde Annette, die in haar diepste aard altijd dezelfde blijft.
Zou de slang mij daarom vannacht niet meer angstig hebben gemaakt?
Misschien verandert niet alles wat ik ontmoet.
Misschien verandert vooral de manier waarop ik ernaar kijk.
Transformatie na verlies.
5 juli 2026
Vijf juli 2015 is de dag waarop Michel transformeerde naar het onbekende. Zo noem ik het, zo beleef ik het.
Sommigen zeggen dat hij op die dag stierf. Voor mij klinkt sterven als het proces van leven naar dood. Anderen zeggen dat hij doodging. Voor mij klinkt het woord dood als een definitief einde. Natuurlijk klopt het dat alle vitale functies stoppen. Je kunt zeggen dat iemand dood is of overleden.
Nu ben ik elf jaar verder.
Iedere dag komt Michel wel even voorbij. Niet letterlijk natuurlijk, maar in mijn herinnering. Eigenlijk praat ik vanbinnen nog steeds met hem.
Zelf zei hij ooit:
"Een mens is pas dood als er niet meer over hem gesproken wordt of aan hem gedacht."
In mijn geval is hij dus nog springlevend.
Het woord transformatie, dat letterlijk 'gedaanteverandering' of 'omvorming' betekent, past voor mij het beste. Ik ervaar niet langer zijn materiële aanwezigheid, maar wel zijn onlichamelijke, onstoffelijke, geestelijke kant. Voor mij is die onlosmakelijk verbonden met het leven.
Inmiddels besef ik dat hij voor mij levend zal blijven zolang ik leef. En daarna, vermoed ik, ook nog in onze kinderen.
Dit jaar viel mij iets nieuws op.
Vanaf eind april begon ieder jaar min of meer de weg naar 5 juli opnieuw. Niet dramatisch, maar wel nadrukkelijk aanwezig. Dit is het eerste jaar waarin er af en toe nog een wolkje herinnering voorbij kwam, maar het dreef ook weer rustig met de wind mee. Het herbeleven van die korte stervensperiode lijkt langzaam weg te drijven.
Misschien is het verwerking. Misschien werkt het zo. Ik weet het eigenlijk niet.
Wat ik vooral voel, is meer rust. Meer acceptatie.
Tegelijkertijd zie en ervaar ik steeds sterker hoe zonde het is wanneer familie of vrienden elkaar niet meer willen zien, om welke reden dan ook.
Het leven is bedoeld om lief te hebben: je medemens, de natuur, de kosmos.
Alle emoties en gevoelens die ik ervaar, zijn uiteindelijk van mij. Niemand anders is daarvoor verantwoordelijk. Ik ben de enige die kan kiezen hoe ik ermee omga.
Ook de mensen met wie ik het ooit moeilijk had, zijn veranderd. Niet alleen degenen die inmiddels naar het onbekende zijn getransformeerd, maar ook de mensen die nog leven. Of misschien ben ík het die veranderd is.
Door alles heen kan ik steeds vaker de liefde voelen die er altijd is geweest.
Ik ben degene die tijdens het leven misschien nog wel meer transformeert dan degenen die letterlijk naar het onbekende zijn gegaan.
Ik kan nu hardop zeggen:
Ik hou van mijn ouders.
Ongelukken, pech en andere moeilijke ervaringen zullen altijd onderdeel van het leven blijven. Toch probeer ik steeds opnieuw ook de zon te zien, hoe klein het straaltje licht soms ook is.
Het maakt uiteindelijk niet uit waar iemand is.
Wanneer ik van iemand hou, is dat voor nu en altijd.
Liefde blijft bestaan.
Misschien is liefde wel het enige dat werkelijk onsterfelijk is.
Misschien transformeren niet alleen degenen die vertrekken naar het onbekende.
Misschien transformeren juist degenen die achterblijven.
MICHEL
DE MUZIEK VAN DE WIND
4 juli 2026
Mijn hondje bijt me in mijn hand, dan in mijn arm. Ik duw haar weg, maar ze komt meteen terug om opnieuw in mijn vingers en arm te happen. Ze geeft niet op. Langzaam dringt het tot me door dat het Puck is die vindt dat het tijd is om wakker te worden.
Moe, warm en slaperig hijs ik mezelf uit bed om te ontdekken dat ik alleen thuis ben met de hondjes. Ik loop als een houten klaas en besef ineens weer dat ik gisteren gevallen ben. Mijn knie is verbonden en mijn zenuwstelsel was zo van streek dat ik pas rond vijf uur vanochtend in slaap viel.
In de woonkamer liggen mijn medicijnen al klaar. Ton heeft ze voor me neergelegd voordat hij vertrok. Nog steeds half slapend neem ik ze braaf in. Ik merk dat mijn bewustzijn vandaag langzaam op gang komt. Opvallend genoeg voel ik nog geen pijnlijke elektrische schokken door mijn lichaam gaan. Dat is een aangename vooruitgang.
Wanneer ik eenmaal echt wakker ben, dienen de gemene speldenprikken zich aan. Geen onverwachte stroomstoten meer zoals gisteren, maar een zeurende, voortdurende pijn. Pffft... dit is te doen, denk ik.
Even later komt Ton thuis. Hij wil het verband verwijderen om de wond te bekijken en daarna opnieuw te verbinden. De verdovende zalf die hij gisteren bij de apotheek haalde, blijkt inderdaad verlichting te geven.
Terwijl hij voorovergebogen mijn knie verzorgt, vraag ik terloops waar we vandaag naartoe zullen fietsen.
Ineens staat daar niet mijn man, maar dokter Mijs.
"Jij gaat vandaag niet fietsen en ook niet lopen," zegt hij resoluut. "Die wond heeft rust nodig. Je lichaam moet hard werken."
Normaal ben ik best eigenwijs, maar nu weet ik meteen dat hij gelijk heeft.
Ik kijk de woonkamer rond. Mijn schilderij staat geduldig te wachten tot ik weer verder kan. Het lijkt me bijna aan te kijken. Op de dag van de val deden alleen de wondjes pijn, maar nu voel ik de val in mijn hele lichaam. Elke spier lijkt eraan mee te doen. Schilderen vraagt concentratie en rust. Vandaag lukt dat niet.
Met een klein gevoel van weemoed kijk ik nog één keer naar mijn schilderij en ga weer terug naar bed, ondersteund door een stapel kussens.
Zodra ik de televisie aanzet, val ik vrijwel direct weer in slaap.
Een paar uur later word ik wakker. Verbaasd dat ik zo snel ben weggezakt en zo lang heb geslapen.
Mijn gedachten dwalen terug naar gisteren.
We fietsten door de polder toen de wind ineens begon te fluiten. Niet zomaar een geluid, maar een zuivere melodie, alsof ergens tussen het groen een indiaan op een panfluit stond te spelen. Het was zo mooi dat ik afstapte om te luisteren. Ton hoorde het niet. Ik keek zelfs om me heen of ik werkelijk iemand zag, maar er was niemand. Alleen de wind.
De natuur maakt muziek.
Niet alleen kikkers, krekels of vogels, maar ook de elementen zelf. Regen heeft een eigen ritme. Wind heeft een stem. Zelfs warmte lijkt soms een geluid te hebben.
De herinnering alleen al maakt me opnieuw blij.
Dan verschijnt nog een beeld van gisteren.
We kwamen langs een antiquair. Aan de buitenkant leek het een statig herenhuis, zo'n huis waar vroeger notabelen woonden. Er stond een bordje dat bezoekers welkom waren. Ton en ik draaiden om en gingen naar binnen.
Vanaf het eerste moment voelde ik me alsof ik samen met Alice in Wonderland, of Dorothy uit The Wizard of Oz, een andere wereld binnenstapte. Achter die voordeur ging een wereld van verwondering schuil.
Dat ik een uur later zou vallen terwijl ik naar die prachtige dahlia liep, kan die dag niet overschrijven.
Wanneer ik eraan terugdenk, herinner ik me niet als eerste de wond op mijn knie.
Ik herinner me de muziek van de wind, de verwondering achter een oude voordeur en de schoonheid van een dahlia.
Misschien is dat wel wat verwondering doet.
Ze laat zich niet wegdrukken door pijn.
De knie zal herstellen.
De verwondering hoeft dat niet.
Die was gelukkig nooit beschadigd.
DE OMGEVING VAN DE MENS IS DE MEDEMENS
3 juli 2026
De omgeving van de mens is de medemens.
Op de fitness komen we inmiddels steeds meer bekende gezichten tegen. Niet dat ik de medesporters bij naam ken, wel van gezicht. We groeten elkaar vriendelijk en maken zo nu en dan een kort praatje. Juist doordat ik ze niet echt ken, maar regelmatig zie, merk ik dat mijn lichaam direct op mensen reageert. Soms voel ik spontaan sympathie of een glimlach, soms juist afweer. Die eerste indruk verandert eigenlijk zelden, maar krijgt eerder verdieping. Kan ik dan inderdaad op mijn eerste gevoel afgaan? Dat betekent niet dat de mensen bij wie ik afweer voel slechte mensen zijn. Ze resoneren gewoon niet met mij. Het frappante is dat Ton dat meestal precies zo ervaart. We denken over veel dingen heel verschillend, maar als het om mensen gaat reageren we opvallend vaak hetzelfde. Heeft dat met onze eigen resonantie te maken? Alsof we twee violen zijn, gebouwd door dezelfde meester, met hetzelfde klankbord. Wanneer ik me dat realiseer, voel ik me uit hetzelfde hout gesneden als mijn man. Dat doet me goed.
Na het sporten gaan we snel naar huis. Mijn vriendin heeft afgesproken vroeg langs te komen terwijl haar man naar het oogziekenhuis is. Vlak voordat ze op vakantie ging, vroeg ze of ze voor haar verjaardag een schilderij van mij mocht uitzoeken. Ze had er één gekozen op mijn website. Ton dook de berging in en vond het al in de eerste doos die hij opende. Dat voelde voor mij bijna synchroon. Jaren had ik het schilderij niet meer gezien en ik stond er zelf verbaasd naar te kijken. Vaak verwonder ik me erover dat ik ooit iets gemaakt heb.
Mijn vriendin was oprecht blij met het schilderij, Landscape. "Ooh, in het echt is hij nog mooier dan op de foto!" riep ze. Dat is fijn om te horen. Eigenlijk wilde ze het in een achterkamertje ophangen, maar toen ze het eenmaal in handen had, besloot ze dat het een mooie plek in de woonkamer verdiende. Later stuurde ze een berichtje dat het inderdaad daar hangt.
Zij en haar man reizen ieder jaar maandenlang met hun camper door Europa. Nu zijn ze na drie maanden weer thuis en vertrekken pas in september of oktober opnieuw. Dit keer verraste ze me nog met iets anders. Voor het eerst in drieënvijftig jaar vriendschap belde ze me onderweg. Gewoon om mijn stem te horen en te vertellen wat ze op dat moment meemaakte in Spanje. Ikzelf bel eigenlijk nooit iemand en verwacht dat ook niet van anderen, maar ik moest glimlachen dat dit ineens gebeurde.
Ook had ze maar liefst drie cadeautjes voor me meegenomen. Alles zat verpakt in een prachtige groene zijden tas met een kaartje eraan: "Van je vriendin, die nooit meer weggaat. Kus, Cynthia." Een mooi doosje met een kolibrie erop, een kunstspel met vragen en een dik boek met gedichten en kunstwerken. Het was een gezellige ochtend.
Toen zij en haar man weer vertrokken waren, besloten Ton en ik nog een rondje te fietsen. Even kijken hoever de bramen waren om straks weer jam te kunnen maken en daarna langs de boerderij waar we altijd onze wilde veldbloemen kopen. Een tochtje van ongeveer vijfentwintig kilometer.
De bramen bleken nog zeker twee weken nodig te hebben. Daarom reden we door naar een boerderij waar ze ook heerlijke zelfgemaakte jam verkopen. Langs een breed grindpad stonden aan de ene kant groenten, fruit, melk en jam. Aan de andere kant grote potten met vaste planten en eenjarigen.
Aan het einde van het pad bleven mijn ogen ineens hangen aan een rij dahlia's.
Weelderige planten uit mijn jeugd.
Tegenwoordig zie je ze niet zo vaak meer in tuinen. Misschien vinden mensen ze ouderwets. Ik vond ze prachtig. Donkerroze, bordeaux en paars, met gele randjes langs de bloemblaadjes.
Wij hebben geen tuin, maar de ex-vrouw van Ton wel. Ze woont bij ons om de hoek. Ik liep terug naar Ton om te zeggen dat ik die plant graag voor haar wilde kopen.
Ik liep over het grind… BAM. Daar lag ik. Tussen de steentjes en een grijze greffel.
Mijn knie open. Mijn enkel open. Overal losse velletjes huid. Opstaan was even geen optie.
Gelukkig was het warm weer, dus ik bleef maar even tussen de steentjes zitten. Een mevrouw kwam direct naar me toe. De eigenaar gaf Ton een natte doek om op mijn knie te leggen. Na een paar minuten hielpen de mevrouw en Ton mij overeind. Achter me was inmiddels een stoel neergezet.
Het leek me beter om meteen weer te bewegen dan naar het bloed te blijven kijken.
Ik vroeg Ton de dahlia alvast in mijn bakfiets te zetten, zodat ik eerst naar zijn ex kon fietsen om haar de plant te brengen.
Ze was er ontzettend blij mee. Meteen herkende ook zij de nostalgie van die kleurrijke dahlia's.
Even later fietsten Ton en ik samen weer naar huis. Een bloedend been, maar een tevreden gevoel.
Thuis begon de zenuw in mijn knie steeds heftiger te reageren. Het voelde alsof er om de paar minuten een elektrische stroomstoot door mijn been schoot. Ik vloog letterlijk steeds overeind en riep: "AUUU!"
Om mezelf af te leiden pakte ik het boek dat ik die ochtend gekregen had. Ik sloeg het open op bladzijde zeventig.
Daar stond: "De omgeving van de mens is de medemens."
Geweldig.
Ik sloeg het boek weer dicht, begon gewoon bij bladzijde één en was inmiddels op bladzijde vijfenzeventig toen Ton terugkwam van de apotheek met verband en een verdovende crème. Nadat hij mijn knie had verbonden, merkte ik dat de stroomstoten langzaam minder vaak kwamen.
Toen ik die ochtend de zin las, dacht ik dat het gewoon een mooie uitspraak was. Pas aan het einde van de dag begreep ik waarom juist díe bladzijde voor mij openging.
Deze dag werd mooi door mijn medemensen en mijn medegezel.
Misschien is een mens nooit alleen onderweg.
We worden voortdurend gedragen door de mensen die even met ons meelopen.
Soms voor een paar minuten, soms voor een leven lang.
THUIS
2 juli 2026
De eerste keer in jaren dat ik acht uur achter elkaar heb geslapen. Mijn Fitbit laat geen onderbrekingen of wakkere momenten zien. Bijzonder eigenlijk. Of ik me daardoor anders voel? Dat kan ik niet goed zeggen.
Mijn hondjes gaan meestal naar mijn oudste dochter als we weggaan. Dit keer bleven ze bij een van mijn zoons. We waren maar twee dagen weg, toch waren de hondjes helemaal ontregeld. Een beetje van slag. Het verbaast me altijd weer hoe een hond, zonder te kunnen praten, toch precies weet duidelijk te maken wat hij nodig heeft.
Je bouwt samen gewoontes en routines op. Zodra zij iets anders doet dan ik gewend ben, weet ik dat ze me iets probeert te vertellen. Vlak voordat we gingen slapen waren de hondjes gelukkig weer terug in hun gewone ritme. Het overgeven was voorbij, ze waren extra buiten geweest voor hun behoefte en hadden uiteindelijk toch gegeten, ook al was het uren later.
Ik ben zelf ook zo'n gewoontedier.
Zolang ik me kan herinneren, kan ik eigenlijk alleen thuis naar de wc. Iedere vakantie eindigde vroeger met een enorme obstipatie. Ik geniet van de natuur, nieuwe plekken bezoeken en lekker even weg zijn, maar thuiskomen is altijd weer fijn.
Na een paar uur fietsen, een visite, een weekendje weg of een vakantie ben ik altijd blij als ik weer naar huis mag.
Ik ben geen hondje, maar ik begrijp de ontregeling.
Ton vindt het grappig, zelfs lief, dat ik altijd hardop zeg hoe blij ik ben weer thuis te zijn. Vanuit zijn perspectief snap ik dat wel. Voor mij is het een lichamelijke sensatie. Zodra ik buiten mijn eigen, vertrouwde habitat ben, begint mijn lichaam langzaam te protesteren. Het ongemak wordt steeds groter.
Het maakt verschil of ik in een drukke sociale omgeving ben geweest of juist in de natuur. Ook is belangrijk of ik me ergens letterlijk goed kan bewegen. Mijn neurologische aandoening vraagt om een zekere mate van ruimte om me prettig te voelen.
Zelfs mijn kleding speelt daarin mee. Kan ik gewoon iets makkelijks aantrekken, of moet ik opgedoft verschijnen?
Dat is bijvoorbeeld één van de redenen waarom ik een hekel heb aan bruiloften. Mensen vinden het meestal niet passend wanneer ik daar in een oude spijkerbroek, een oversized T-shirt en Crocs verschijn. Dan zijn er ook nog veel mensen, gesprekken die energie vragen en uiteindelijk wil ik misschien iets eten of drinken. Vervolgens moet ik naar de wc... en dat gaat dan juist weer niet.
Hahaha...
Voor mij is dat een kleine ramp.
Misschien leef ik daarom ook zo mee met mijn hondjes wanneer ik zie hoe ze opgelucht richting de voordeur rennen om zo snel mogelijk weer op hun eigen terrein te zijn.
Na twee dagen genieten van zee, zand en zoute zeewind ben ik dankbaar om weer thuis te zijn. Laptop op schoot, een hondje aan mijn voeten, de televisie zachtjes aan en de koele lucht van de airco die door de kamer stroomt.
"Home is where the heart is" is misschien een tijdloos gezegde. Een plek waar je de diepste verbondenheid voelt, ongeacht waar je bent.
Voor mij is dat niet alleen figuurlijk waar.
Maar letterlijk.
Misschien is thuis niet de plek waar je woont,
maar de plek waar je lichaam eindelijk weer ophoudt met zoeken.
WAAR HERINNERINGEN WONEN
30 juni en 1 juli 2026
Een van onze kleindochters woont in Noord-Holland en had haar eindmusical van groep 8. Dat is meestal anderhalf uur kijken naar lieve kinderen die onhandig over het toneel bewegen en vaak flink vals hun liedjes zingen. Ze hebben er een half jaar aan gewerkt en zijn opgetogen, enthousiast en tegelijkertijd bloednerveus om het aan vaders, moeders, opa's en oma's te laten zien. Niemand kon het goed verstaan of precies volgen waar het verhaal over ging. Toch blijft het aandoenlijk om die kinderen op het podium te zien. De meeste meisjes zijn op die leeftijd al groter en rijper dan de jongens. Dat verschil is enorm.
Ik heb Ton zeker twintig keer moeten knijpen om hem wakker te houden. Uiteindelijk was er een stralend kleinkind en voelde het alsof we een goede daad hadden verricht.
Mij kost zo'n zaal veel energie. Ouders die op hun eigen manier zenuwachtig zijn. Grootouders die, net als wij, graag aanwezig willen zijn, maar zich ook door zo'n middag heen moeten slaan. En dan het onderwijsteam, wel dertig mensen sterk, allemaal zichtbaar bewogen en af en toe een traan wegpinkend omdat hun kuikens na zoveel jaren de school verlaten.
We hadden bedacht een hotel te boeken zodat we niet dezelfde avond nog naar huis hoefden te rijden. Voor de volgende dag huurden we een duofiets om langs de Noord-Hollandse kust te fietsen.
Tegenover het theater zat een casino. We besloten daar een uurtje naar binnen te gaan om weer wat energie op te doen. We voelden ons allebei wat ingezakt. Na een uur stonden we vijfentwintig euro in de plus en reden we naar het hotel.
Om kwart over twaalf 's nachts kwamen we aan. Het eerste wat ik deed, was mijn oudste dochter bellen omdat ze jarig was. Ze vond dat ik laat was, want normaal bel ik haar altijd om één minuut over twaalf. Nadat ik voor haar had gezongen, wilde ik mijn blog schrijven. Ik vulde het wifi-wachtwoord in, maar de verbinding was zo slecht dat ik de laptop weer dichtklapte. Papier is geduldig.
Na een wat onrustige nacht stonden we om negen uur buiten om onze duofiets in ontvangst te nemen. Na de technische uitleg gingen we op pad. Ik had een knooppuntenroute gemaakt van Schoorl naar Callantsoog, ongeveer tweeëntwintig kilometer.
In deze omgeving heb ik een groot deel van mijn zomers als kind doorgebracht.
Op een duofiets zit je naast elkaar. Dat praat heerlijk. Ik vertelde Ton hoe ik als kind de Hondsbossche Zeewering beleefde. De donkere kasseien waar de zee met geweld tegenaan sloeg. Het unheimische gevoel dat juist deze dam de zee moest tegenhouden, terwijl de rest van de kust beschermd werd door brede duinen. Ik zie mijn oudste broer nog over die kasseien huppelen, terwijl ik doodsbang was dat hij in de woeste zee zou vallen. Zo voelde die plek voor mij.
Terwijl we verder fietsen zie ik ineens een bord: Hondsbossche Zeewering Route.
"Ik ben benieuwd waar de kasseien zijn," zeg ik.
We fietsen door drie rijen duinen met daartussen brede valleien. Overal staan waarschuwingsborden: Los duinzand, niet betreden. Stevig helmgras groeit overal, maar verder is de begroeiing nog jong. Dan zie ik, zo'n tweehonderd meter rechts van ons, ineens de oude kasseien liggen. Tussen de stenen groeit inmiddels gras en andere begroeiing. Ik wijs ze aan.
"Dat bedoelde ik."
In ruim vijftig jaar tijd zijn er aan de zeekant nieuwe duinen aangelegd. De zeewering is er nog steeds, maar bijna verborgen onder een nieuw landschap.
We fietsen verder. Steeds weer komen herinneringen vanzelf boven, opgeroepen door de plekken waar we langs rijden. Ton vraagt af en toe door. Terwijl ik vertel, besef ik pas hoe bijzonder sommige dingen eigenlijk waren. Destijds voelde dat helemaal niet zo. Nu zie ik hoe het werkelijk was, maar gelukkig doet het me niets meer.
We rijden langs de bollenvelden waar mijn broer en ik vroeger in de vakanties bloembollen pelden. Voor een volle krat kregen we één gulden. De kleuren zijn prachtig.
We stoppen om foto's te maken en discussiëren ondertussen over welke bloemen er eigenlijk groeien.
Even later bereiken we de beroemde bocht. De plek waar we vroeger allemaal op het puntje van onze stoel zaten. Zodra de auto de bocht om ging, schreeuwde iedereen dat hij of zij als eerste het kerkje van Callantsoog had gezien.
Ieder jaar opnieuw leverde dat de eerste ruzie van de vakantie op.
Ton moet er hard om lachen.
We stoppen ook hier om een foto te maken en sturen die naar de broers-en-zussen-app met de vraag:
"Wie ziet hem als eerste?"
Mijn jongste broer reageert direct. Daarna volgen de anderen. Opeens voelt de afstand die ik normaal tussen ons ervaar helemaal niet meer zo groot. Voor even zijn we gewoon weer broer en zussen.
In Callantsoog laat ik Ton de plekken zien waar we vroeger logeerden en vertel ik wat we daar allemaal deden.
We besluiten er op een terras in de schaduw te gaan eten.
Ondanks ons ingewikkelde gezin heb ik overwegend mooie herinneringen aan dit dorp. Het dorp waar ik eigenlijk ben opgegroeid. Het dorp waar ik even los was van de dagelijkse werkelijkheid thuis. Waar ik vrijheid voelde. Waar ik op mijn eigen manier verbinding maakte.
Dat gevoel kwam vandaag weer even terug.
Uiteindelijk fietsen we dezelfde weg terug. Achtenveertig kilometer staat er op de teller.
Geheel tegen mijn gewoonte in bestel ik terug in het hotel een alcoholische cocktail. Daarna zoeken we op internet op of ik na één cocktail nog naar huis mag rijden.
Nee.
Dat bleek geen goed idee.
Dus schoenen uit, raam open, haren in de wind en ontspannen terug naar huis.
Dit keer met Ton achter het stuur.
Misschien bewaren landschappen niet alleen onze herinneringen.
Misschien wachten ze geduldig tot wij er klaar voor zijn om ze opnieuw te ontmoeten.
Dan blijkt dat niet alleen de plek is veranderd, maar ook degene die ernaar kijkt.
KEN UZELVEN
29 juni 2026
Na een goede nacht en vijf dagen binnen achter de airco te hebben gezeten, ging ik weer trainen. Het ging goed, al was het nog steeds erg warm. Het zweet gutste langs mijn lijf. Tijdens het sporten vind ik dat niet zo erg, misschien voelt het zelfs bevrijdend. Eenmaal thuis bleek hoeveel energie het me had gekost. Moe, maar tevreden dat ik mijn lichaam weer in beweging had gebracht, ging ik schilderen. Koptelefoon op, een serie aan. Meestal luister ik alleen maar. Het verhaal komt ongemerkt binnen. Ik weet niet precies hoe dat werkt. Ik hoor het en tegelijkertijd ook weer niet.
Ton zette een kop koffie naast me neer met een gebroken koekje in drie stukjes.
Terwijl ik pauzeerde om mijn koffie te drinken, vertelde ik hem over een herinnering uit mijn jeugd. Toen ik drie of vier jaar was, gingen we iedere zondag naar de ouders van mijn vader. Er waren altijd tien tot twintig kleinkinderen. We stonden in een rij om van opa een glaasje limonade en een handje breuk te krijgen.
Opa haalde bij de Victoria-koekjesfabriek altijd een grote zak met breuk op. Gebroken koekjes die niet meer verkocht konden worden. Voor alle kleinkinderen was het een traktatie.
Alleen ik weigerde altijd. Liever niets dan breuk. Waarom weet ik niet meer.
Ik hield het zo consequent vol dat opa uiteindelijk één heel koekje voor mij apart hield. Dat haalde hij met een diepe zucht achter zijn rug vandaan. Het was altijd een Café Noir.
Ton vroeg lachend: "Voelde je je soms te goed voor breuk?"
Ik moest lachen, maar geloof dat eigenlijk niet. Ik heb me nooit verheven gevoeld. Eerder het tegenovergestelde. Misschien had het iets te maken met mijn sterke gevoel voor principes. Die onzichtbare grenzen die ik al als kind leek te hebben en waar niemand zomaar overheen kon.
Bijzonder dat zo'n gebroken koekje ineens een herinnering van zestig jaar geleden terug kan brengen.
Terwijl ik weer verder schilderde, hoorde ik ineens in mijn oortjes dat aan iemand ECT, shocktherapie, werd voorgesteld.
Ik stopte direct met schilderen.
Ik zette het geluid uit en vroeg aan Ton of hij enig idee had waarom ik meer dan vijftig jaar geleden zelf shocktherapie had gekregen.
Ik weet dat artsen destijds experimenteel met mij bezig zijn geweest. De herinnering daaraan is een gruwel. Terwijl ik erover sprak, voelde ik de tranen alweer achter mijn ogen. Opmerkelijk genoeg lukte het me om de gebeurtenis zelf niet opnieuw te beleven. Ik zag de kamer wel weer voor me. De apparatuur. Ik herinner me de angst en de ellende. Maar niet meer de overweldigende emotie van toen.
Tijdens het gesprek met Ton kon ik verschillende gebeurtenissen uit die periode met elkaar verbinden. Voor het eerst kreeg ik een mogelijk nieuw inzicht in deze gruwelijke puzzel.
Dat inzicht zal ik in mijn schaduw dagboek opschrijven. Het is nog te kwetsbaar om hier te delen.
Deze dag bracht me onverwacht een paar keer terug naar mijn verleden. Het gaf af en toe vocht in mijn ogen, maar gelukkig niet meer in mijn hart.
Misschien is er weer een klein puzzelstukje op zijn plaats gevallen.
En dat voelt goed.
Want de oude spreuk 'Ken uzelf' gaat volgens mij niet over weten wie je bent, maar over steeds iets beter begrijpen hoe je geworden bent wie je bent.
Jezelf leren kennen is misschien geen zoektocht naar nieuwe herinneringen,
maar naar een nieuwe manier van kijken naar de herinneringen die er altijd al waren.
Soms verandert één klein inzicht niet het verleden,
maar wel de manier waarop je het met je meedraagt.
HET VERLOREN KIND
28 juni 2026
In het jaar van mijn CVA ben ik de verjaardag van mijn vriendin vergeten. Dat is bij haar helemaal verkeerd gevallen. Ik heb de neiging me terug te trekken wanneer ik me niet goed voel. Of wanneer ik denk te veel te zijn, om wat voor reden dan ook. Ook wanneer ik weet dat ik ergens niet aan mee kan doen. Zelden bel ik iemand, omdat ik niet weet wat ik te melden heb. Natuurlijk kan ik vragen hoe het met iemand gaat, maar uiteindelijk zal ik ook iets over mezelf moeten vertellen. Mijn keuze is dan simpel: ik zoek geen contact. Het is nooit persoonlijk. Het ligt altijd in mezelf. Dat weet ik.
Waarom zou ik praten over mijn pijn? Mijn vermoeidheid? Het is wat er altijd is. Het zou al snel als gezeur voelen als ik dat steeds zou benoemen, toch? Gezonde mensen vullen dat bovendien vaak in op een manier waar ik niet op zit te wachten. Met medelijden of adviezen bijvoorbeeld.
En over het schilderen? Ook dat lukt niet. Het is zo persoonlijk. Het is een reis door mijn innerlijke wereld die ik zelf nog aan het ontdekken ben. Het voelt alsof die reis nog met mij in gesprek is. Wanneer iemand er dan al woorden aan geeft, voelt dat als een verstoring van iets dat nog niet af is.
Dat terugtrekken, die stilte, is voor mij een beweging waarin ik me veilig en comfortabel voel.
Afgelopen week kwam ik een advertentie tegen van een boek van psychotherapeut Kathleen Saxton: Kind van een narcist. De pauw op de omslag trok direct mijn aandacht. Niet omdat ik oude pijn wilde oprakelen, maar uit nieuwsgierigheid. Zou er nog iets instaan wat ik niet weet? Zijn er nog blinde vlekken? En… doet het eigenlijk nog pijn? Wanneer ik naar mijn broers en zus kijk zoals zij nu zijn, zie ik dat ook zij getekend zijn door hetzelfde verleden. Wat heeft dat met hen gedaan?
Ik ben me ervan bewust dat ik tijdens het lezen veel situaties zal herkennen. Daarom besluit ik eerst mijn schilderij af te maken. Daarna is het boek aan de beurt.
Tijdens een drinkpauze pak ik het toch even op. Gewoon om het willekeurig open te slaan.
Bam.
Mijn oog valt direct op een kopje:
Publiek imago versus de realiteit in de privésituatie.
"Narcistische gezinnen houden voor de buitenwereld vaak een gepolijst en geïdealiseerd beeld op om het disfunctioneren binnen het gezin te verbergen. Deze dualiteit zorgt voor een verwarrende en isolerende ervaring voor gezinsleden die zich bewust zijn van de verborgen giftige dynamiek."
Mijn zus en ik waren ons daar altijd sterk van bewust. Hoe de buitenwereld keek en hoe het thuis werkelijk was. Mijn broers lijken zich daar nog steeds tegen te verzetten. Ik ben benieuwd wat de schrijfster zegt over degene die het ziet en degene die in ontkenning leeft, maar ondertussen ook zijn eigen wonden draagt.
Ik sla het boek nog eens open. Weer zo herkenbaar.
Het hoofdstuk heet:
Het verloren kind.
Ik denk direct aan al die keren dat men letterlijk was vergeten dat ik er ook was. Er is later vaak om gelachen. Zelf ben ik er als kind diep door gekwetst geweest.
Ik lees:
"Het verloren kind wordt vaak over het hoofd gezien binnen de gezinsdynamiek. Het trekt zich terug en wordt onzichtbaar om te ontsnappen. Het ontwikkelt vaak een rijke innerlijke wereld en zoekt zijn toevlucht in boeken, fantasieën en solitaire activiteiten om met gevoelens van verwaarlozing en isolatie om te gaan. Dat kan later invloed hebben op het uiten van emoties, het aangaan van intieme relaties en het opkomen voor zichzelf."
Verder lees ik dat je in grotere gezinnen vaak ook een zondebok en een gouden kind tegenkomt. Dat kan ik binnen ons gezin ook duidelijk terug zien. Ook zijn de rollen wel eens verschoven. Even afwachten of het boek daar iets over zegt.
Mijn beste vriendin voelde afwijzing en overweegt onze vriendschap te beëindigen. Ik voelde me verloren en trok me terug. Ook dat gedrag komt ergens vandaan.
Zo zie je maar hoe een mens, zelfs op middelbare leeftijd, nog steeds een pion kan zijn van zijn of haar conditioneringen. Hoe je, zonder het te willen, iets heel moois bijna kwijt kunt raken.
Misschien verdwijnen oude patronen niet vanzelf.
Misschien wachten ze geduldig tot het leven opnieuw een situatie aanbiedt waarin ze zichtbaar worden.
Niet om ons gevangen te houden in het verleden, maar om ons de kans te geven eindelijk een andere keuze te maken.
Verdwijnen
27 juni 2026
Ik heb vandaag bijna de hele dag geschilderd.
Vanmorgen sliep ik lang uit. Misschien had mijn lichaam dat nodig. Daarna zette ik de ezel weer op zijn vertrouwde plek in de woonkamer, pakte mijn verf en mijn kwasten en begon.
Vanaf dat moment gebeurde er iets wat ik nauwelijks kan uitleggen.
Ik schilder niet. Op een bepaald moment bén ik de kwast. Ik bén de verf.
Gedachten verdwijnen. Niet omdat ik ze wegduw, maar omdat ze eenvoudigweg niet meer binnenkomen. Alsof er ergens een deur dichtgaat voor de buitenwereld en een andere deur opengaat naar iets waar geen woorden meer nodig zijn.
Ik verdwijn.
Soms denk ik aan Alice in Wonderland. Zij valt door een konijnenhol een andere werkelijkheid binnen. Zo voelt schilderen voor mij ook. Niet alsof ik ergens naartoe ga, maar alsof ik ergens in val waar tijd geen betekenis meer heeft.
Ik kijk niet op de klok. Ik vergeet te eten. Ik vergeet zelfs mezelf.
Alleen de volgende lijn bestaat. De volgende kleur. De volgende beweging van de kwast.
Misschien is dat ook de reden waarom ik zo zelden iets verander aan wat eenmaal op het doek staat. Op het moment dat een lijn ontstaat, is hij waar. Hij hoort bij de reis die het schilderij maakt. Net zoals een stap in het leven niet uitgewist kan worden. Je kunt er spijt van krijgen, maar hij blijft onderdeel van het verhaal.
Aan het einde van de dag keek ik op. Het was al tien uur 's avonds. Waar de uren gebleven zijn, weet ik niet. Misschien bestaan ze niet eens in de wereld waar een schilderij ontstaat.
Straks stap ik weer in de gewone wereld. Buiten rommelt het onweer en ik moet nog naar Schiphol rijden om de zoon van Ton op te halen.
Dat contrast vind ik eigenlijk mooi. Van de stilte van verf naar de regen op de voorruit. Van een wereld zonder gedachten naar een snelweg vol verkeer. Allebei horen ze bij dezelfde dag.
Maar ergens weet ik dat een deel van mij nog even achterblijft.
Tussen de kleuren.
Wachtend tot ik morgen opnieuw verdwijn.
Ik zet straks het raam open.
De warmte mag naar buiten.
De regen naar binnen.
En ik...
ik verdwijn morgen gewoon weer tussen de kleuren.
Verdwaalde vriendschap
26 juni 2026
De airco hebben we vannacht in de slaapkamer aan laten staan. Ik heb met mijn geitenharen sokken en een muts op geslapen. De sokken om het branden en de kou in mijn voeten te reguleren. De muts omdat ik snipverkouden word van zoveel koude lucht om me heen. Sexy is anders, maar Ton slaapt toch met zijn ogen dicht. Al met al is mijn nacht daardoor beter verlopen.
Tijdens mijn eerste kop koffie zag ik een appje van de oudste zoon van mijn overleden vriendin. Hij vroeg hoe het met me ging in verband met de hitte. Hij wist nog goed hoe moeilijk dat voor mij is. Die onverwachte aandacht maakte mijn ochtend direct goed. Vlak daarna belde mijn zoon met dezelfde vraag. Wat lief dat de jongens zich zorgen maken, denk ik dan. Ik kan hen geruststellen dat het onder controle is. Even zoeken, aanpassen en dan gaat het. Wel besef ik dat het er anders uit zou zien als ik alleen was. Dankbaar dat Ton er is.
Tijdens het schilderen denk ik aan mijn vriendin en neem even de tijd om haar een berichtje te sturen. Ze reageert koeltjes. Dat was me al een tijdje opgevallen. Ik vraag of er iets is. Ze schrijft dat ze afstand neemt omdat ze zich niet meer zo welkom voelt als vroeger en dat ze zich afvraagt of ze nog verder wil met onze vriendschap.
Schok.
Deze vriendin zit net zo diep in mijn wezen als mijn kinderen. Ik hou heel veel van haar. Er is veel veranderd in onze levens. Daardoor zijn er verschuivingen ontstaan. Aanpassen aan nieuwe omstandigheden. Ik probeer iets uit te leggen, maar appjes zijn niet toereikend, zeker niet wanneer het gevoelig ligt.
Een tijd later lees ik ons gesprek rustig terug. Dan zie ik wat ik heb laten liggen.
Zij vertelt iets over haar gevoel. En ik begin uit te leggen vanuit mezelf.
Fout.
Daar had ik mee kunnen wachten.
Dit ongeduld om uit te leggen heb ik ook gehad naar mijn kinderen en familie. Eerst moet ik leren luisteren naar hun gevoel. De manier waarop ik reageer kan overkomen alsof ik hun gevoel bagatelliseer. Dat is helemaal niet mijn bedoeling.
Zij zegt: "Ik voelde me ineens niet meer zo welkom als vroeger."
Ik zeg uiteindelijk: "Ik voelde me ook niet welkom bij jullie."
Bijna een spiegel.
Het pijnlijke is dat we allebei zijn gaan handelen vanuit dat gevoel, zonder het ooit echt uit te spreken. Dan ontstaat afstand. En afstand gaat vanzelf verhalen verzinnen.
Nu ik het gesprek met meer rust teruglees, zie ik vooral haar verdriet.
Haar leven is heel anders geworden. Daardoor heb ik bewust wat afstand genomen. Ik dacht: Zij kiest een ander leven. Zij dacht waarschijnlijk: Annette wil mij niet meer dichtbij.
Wat ging hier mis? Ik had mijn gevoel veel eerder moeten bespreken. Dat weet ik van mezelf. De sleutel ligt misschien wel in twee verschillende reacties op hetzelfde verhaal. Ik voelde teleurstelling en verdriet. Zij voelde afwijzing. En allebei gaven we daar te laat woorden aan.
Van de week ontdekte ik nog iets over mezelf. Bij vernedering ga ik direct in de tegenaanval, op welke manier dan ook. Bij verdriet trek ik me juist stilletjes terug.
Zij heeft ongetwijfeld ook haar eigen conditioneringen. Ook zij reageert op haar manier.
Allebei voelen we verbondenheid en liefde. Daarom doet de afstand die we ervaren zo'n pijn. Juist daarin zie ik hoop voor onze vriendschap. Als we deze gevoeligheden samen onder ogen durven komen.
Elkaar verwijten is elkaar verwijderen. Dan spreek je nog wel dezelfde taal, maar geef je niet langer dezelfde betekenis aan de woorden.
Opnieuw merk ik hoe schrijven voor mij werkt. De knoop rond mijn maag is verdwenen. Nu hoop ik dat we elkaar snel weer face-to-face ontmoeten.
Niet om gelijk te krijgen.
Maar om samen te kijken naar onze emotionele omzwervingen.
Verdwalen betekent niet dat er geen weg meer terug is.
Soms betekent het alleen dat je even bent vergeten hoe de ander de weg beleeft.
Misschien begint elkaar terugvinden wel met opnieuw leren luisteren.
Leven is bewegen.
25 juni 2026
Vandaag bleef ik binnen.
Niet omdat ik dat van plan was, maar omdat mijn lichaam een andere agenda had. Ik werd wakker met hoofdpijn, misselijkheid en duizeligheid. Mijn voeten waren opgezet, mijn hoofd voelde oververhit. Buiten was het warm, binnen draaide de airco op volle toeren.
De hele dag zat ik in de woonkamer. Met mijn voeten in een emmer koud water. De verf en kwasten naast me.
Om het half uur probeerde ik vijf minuten te lopen. Zelfs dat lukte nauwelijks. Mijn lichaam zei heel duidelijk: vandaag niet.
Vroeger zou zo'n dag me waarschijnlijk gefrustreerd hebben. Het gevoel niets te kunnen, niets te bereiken. Nu merk ik dat er iets veranderd is.
Ik zat te kijken naar mijn schilderij. Niet om te beoordelen, maar om te luisteren.
Ik noem dat al jaren 'dweilen'. Kijken totdat een schilderij iets terugzegt. Soms duurt dat minuten, soms uren. Als het af is soms jaren. Nee, het blijft spreken zolang ik er naar mag en kan kijken. Het mooie is dat ik het schilderij niet hoef te dwingen. Het vertelt vanzelf wanneer het tijd is om verder te gaan.
Vandaag gebeurde dat ook. Ik zette een paar lijnen. Een bloem. Een stukje van de krans rond het hoofd. Meer niet. En toch voelde het alsof het schilderij verder groeide dan de verf die ik aanbracht.
Tijdens het schilderen dacht ik aan iets wat vandaag bij mee binnenkwam. Hoe onzeker ik soms kan zijn over mijn uiterlijk, letterlijk en figuurlijk, terwijl ik nog nooit ontevreden ben geweest over een schilderij dat onder mijn handen ontstond. Zelfs niet als ik onderweg denk dat iets mislukt is.
Wat eenmaal op het doek staat, blijft staan. Niet omdat ik koppig ben, maar omdat het leven ook niet met een gum komt. Je kunt terugverlangen naar hoe iets was. Je kunt ook kijken wat er wil ontstaan vanuit wat er nu is.
Misschien is dat wel de reden dat ik zo graag schilder. Ik ben niet op zoek naar perfecte lijnen. In de natuur bestaan die ook niet. Een blad is nooit hetzelfde als het volgende blad. Een bloem groeit niet volgens een liniaal. Juist de kleine afwijkingen maken haar levend.
Hundertwasser zei ooit dat de rechte lijn niet thuishoort in de natuur. Ik begrijp wat hij bedoelde.
Ik kies niet voor gemaakte perfectie. Ik kies voor leven. Leven is bewegen.
Terwijl ik dit schrijf, staan mijn voeten nog steeds in het koude water. Buiten is het warm. Binnen is het stil.
Het schilderij staat tegenover mij. En ergens heb ik het gevoel dat we vandaag allebei niet zoveel gedaan hebben. Maar allebei toch een beetje gegroeid zijn.
Soms wandel je kilometers.
Soms zit je de hele dag met je voeten in een emmer koud water.
En toch kan juist op zo'n dag de meeste beweging ontstaan.
VRIJHEID
24 juni 2026
Nadat mijn zoon had gebeld om te vertellen over zijn bijzondere ontmoeting, kwamen er veel herinneringen boven. Michel en ik hebben heel bewust geprobeerd onze kinderen zichzelf te laten zijn. We wilden hen stimuleren in wat zij mooi vonden, wat zij leuk vonden en waar zij nieuwsgierig naar waren. We vonden het belangrijk dat ze anders mochten zijn dan hun ouders. Mijn zoon was daar een goed voorbeeld van. Vanaf zijn geboorte had hij iets bijzonders over zich. Hoe leg je dat uit? Vriendinnen zeiden vaak: “Het is een kleine Boeddha.” Michel en ik wilden hem zo HEEL mogelijk houden. Niet passend maken voor onze ideeën, maar ruimte geven om zichzelf te ontdekken. De vraag die voor ons centraal stond was altijd: “Wie ben jij eigenlijk?” Dat klinkt prachtig. En dat is het vaak ook. Maar het is niet altijd de makkelijkste weg voor een kind. Dat begin ik nu pas veel sterker te zien. Nee, eigenlijk voel ik het nu pas echt.
Het HEEL houden betekende dat wij hem niet hebben gebroken om hem passend te maken voor school, toetsen, diploma’s en systemen. Maar daardoor moest hij wel zelf leren omgaan met een wereld die juist veel waarde hecht aan die dingen. Dat is moeilijk. Niet omdat wij fout zaten. Niet omdat het systeem fout zit. Maar omdat vrijheid en authenticiteit niet automatisch leiden tot een gemakkelijk leven. Ik zie bij al mijn kinderen een sterk innerlijk kompas. Dat vind ik nog steeds prachtig om te zien. Tegelijkertijd kan ik nu ook voelen hoeveel dat soms van hen gevraagd heeft. Je kunt dus een liefdevolle moeder zijn én je kinderen iets meegeven waar ze later mee worstelen. Je kunt een kind beschermen én het daardoor minder beschermen tegen de normen van de buitenwereld. Je kunt een kind vrijheid geven én daarmee ook onzekerheid oproepen. Dat zijn geen fouten, denk ik. Het zijn gevolgen van keuzes die Michel en ik gemaakt hebben.
De pijn die ik tegenwoordig voel rond mijn kinderen komt misschien voort uit het feit dat ik beide kanten kan zien. Vroeger keek ik vooral vanuit mezelf. Vanuit mijn eigen pijn, mijn eigen ervaringen en de keuzes die daaruit voortkwamen. Nu kijk ik steeds vaker ook vanuit hen. Niet alleen als moeder, maar ook als mens. Dat maakt het pijnlijker, maar tegelijkertijd completer. De vrijheid om jezelf te zijn, om vragen te stellen, om niet zomaar mee te lopen, is een groot goed. Als kind kan dat betekenen dat je anders bent. Dat je wordt gepest. Dat je vreemd gevonden wordt. Dat je niet altijd begrijpt waarom anderen zo makkelijk lijken mee te bewegen terwijl jij steeds opnieuw moet onderzoeken wat voor jou klopt. Ik geloof, hoop en denk dat vaak pas veel later zichtbaar wordt wat er in een jeugd geplant is.
Terugkijkend op de opvoeding die wij bewust deze richting hebben gegeven, voel ik nu pas in mijn lichaam wat het voor mijn kinderen gevraagd heeft. Ben ik nu pas vrij van mijn eigen zwarte wolken? Kan ik nu pas helder zien? Kan ik nu pas werkelijk invoelen wat mijn kinderen soms in mij gemist hebben? Au. Dat inzicht doet pijn.
Maar wat betekent vrijheid eigenlijk? Kan ik alles zeggen? Ja. Doe ik dat? Nee. Omdat woorden een ander kunnen raken of kwetsen. Dus zelfs binnen vrijheid houden we rekening met elkaar. Aanpassen, afstemmen, rekening houden met — het hoort allemaal bij samenleven. Ik heb een lichaam met beperkingen. Je zou kunnen zeggen dat ik mij niet vrij kan bewegen. Iedere poging van anderen om mij vast te houden, mij op te leggen hoe ik moest denken of zijn, heeft mij altijd in een afwerende houding gebracht. Soms werd ik de clown. Soms de rebel. Soms trok ik me zo ver terug dat mensen mij letterlijk en figuurlijk niet meer zagen. En een enkele keer eindigde het zelfs in een letterlijk gevecht. Vanuit die ervaringen wilde ik mijn kinderen iets anders meegeven. Ik wilde hen besparen wat mij pijn had gedaan.
Nu kan ik zien dat iets geven vanuit pijn niet automatisch leidt tot de vrijheid waar ik op hoopte. Misschien ontstaat echte vrijheid pas wanneer pijn niet langer de richting bepaalt. Nu ik mezelf langzaam vrij begin te voelen, ontstaat er misschien ook ruimte voor mijn kinderen om hun eigen vorm van vrijheid te vinden. Voor mij is vrijheid uiteindelijk een innerlijk gevoel. Iets wat niemand van je kan afnemen, behalve jijzelf. Langzaam begin ik dat gevoel vast te pakken. En juist daardoor kan ik het misschien ook doorgeven.
Ik denk aan de woorden van Nelson Mandela die als een stille herinnering door mijn hoofd lopen: “Vrij zijn betekent niet alleen je ketenen afwerpen, maar ook leven op een manier die de vrijheid van anderen respecteert en versterkt.” Misschien is dat de vrijheid waar ik tegenwoordig naar op zoek ben. Niet de vrijheid om alles te kunnen, maar de vrijheid om mezelf te zijn, terwijl ik de ander dezelfde ruimte gun. Misschien is dat wel de mooiste vrijheid die er bestaat.
Misschien is vrijheid niet dat je niemand nodig hebt.
Misschien is vrijheid weten dat ieder mens zijn eigen weg moet gaan,
terwijl je vanuit liefde blijft zwaaien vanaf de zijlijn.
HEEL blijven
22 juni 2026
Het weerbericht gaf code rood aan, maar er werd geen noodweer verwacht. Dat vond ik grappig. De mussen vallen bijna dood van het dak, de combinatie van hitte en luchtvochtigheid maakt het hier in Nederland ongezond warm, maar dat noemt men geen noodweer.
De afgelopen dagen heb ik een aantal dingen geleerd om hier doorheen te komen. Airco, rustig blijven, goed doorademen en 's nachts geitenharen sokken dragen. Vandaag besloot ik weer te gaan trainen. Althans, het uit te proberen. Ton en ik waren helemaal alleen in de zaal, wat heel prettig was. Geen overbodige prikkels en dankzij de airco was het er koel. Mijn plan was eenvoudig: gewoon bewegen en me niet druk maken.
Tot mijn verrassing bleek ik zelfs iets sterker dan een week geleden.
Thuis weer hetzelfde ritme. Airco aan en elk half uur vijf minuten lopen. Het ging allemaal prima.
Toen ik thuiskwam zag ik dat mijn zoon een bericht had ingesproken. Hij was een pannetje gaan kopen bij Kookpunt en zag daar twee Indiase mannen op een bankje zitten. Mannen zoals Gandhi, zei hij. Geen monniken, maar wel met zo'n doek om zich heen.
Eén van hen keek hem heel intens aan, stond op, liep naar hem toe, pakte zijn handen vast en zei:
"You have very good karma. You have so much love inside of you. You don't take care of yourself like you should. Don't work too hard. You are beautiful."
Mijn zoon bedankte hem. Waarop de man zei:
"I love you, you know that. I love you."
En mijn zoon antwoordde:
"I love you too, man."
"Het was zo raar mama," zei hij. "Maar ook heel intens."
Terwijl ik het bericht afluisterde moest ik lachen. Ik was blij dat hij dit eens van iemand hoorde.
Vanaf zijn geboorte is hij een bijzonder mens geweest. Gevoelig, vriendelijk en zacht. Vroeger zeiden mensen vaak tegen mij:
"Hij is een kleine Boeddha."
Door zijn bericht kwamen allerlei herinneringen boven. Het raakte me omdat zijn manier van zijn zo authentiek is en tegelijkertijd zo moeilijk past binnen systemen. Helaas bestaat de maatschappij uit systemen en regels.
Michel en ik hebben altijd geprobeerd hem HEEL te houden.
Niet perfect. Niet succesvol. HEEL.
Als klein kind was hij niet rebels. Hij vroeg zich gewoon werkelijk af waarom hij bepaalde dingen op school moest doen. En soms weigerde hij dat ook. Altijd vriendelijk, maar vastbesloten.
Dat HEEL houden heeft zijn leven niet makkelijker gemaakt. Hij heeft geen diploma's, geen duidelijk doel en misschien komt dat er ook nooit. Maar hij leeft wel op zijn eigen manier. Als een jonge, vriendelijke Boeddha.
Hij bleef uiteindelijk trouw aan zijn eigen gevoel.
Michel en ik zijn ontelbare keren op school geweest. Vaak hadden de scholen niet veel aan ons, omdat ik het meestal met Max eens was. Michel, als wiskundeleraar, kon nog inhoudelijke gesprekken voeren met de docenten.
Max deed niet mee aan de CITO-toetsen. Hij weigerde dat vriendelijk. Op de middelbare school stond hij op toen een docent zei dat mensen die zelfmoord plegen laf zijn. Hij sprak de docent daarop aan. Toen die daar niet op terug wilde komen, verliet Max het lokaal, liep naar de directeur en vroeg om nooit meer les van deze man te krijgen.
Vriendelijk. Maar kordaat.
Hij heeft een sterk innerlijk kompas. Moed. Zelfrespect. En tegelijkertijd respect voor anderen.
Zelf denkt hij vaak dat hij weinig bereikt heeft. Misschien lijkt dat van buitenaf zo. Maar als mens is hij rijk. Rijk aan invoelingsvermogen, zachtheid en wijsheid. Als hij in de buurt is, voel je je vanzelf beter.
Het enige wat hij nog mist, is zelfwaarde. Dat is iets anders dan zelfrespect.
Vanuit een gevoel van nostalgie heb ik de hele middag foto's bekeken van Max en mijn andere kinderen. Het verwarmde mijn hart en de middag vloog voorbij met een glimlach op mijn gezicht.
Na het eten, een tonijnsalade, besloot ik nog een fietstocht te maken. Gewoon uitproberen of de avondlucht aangenaam genoeg zou zijn. En dat bleek zo te zijn. Een zachte wind, behaaglijk, niet te warm en vooral heerlijk rustig op straat.
We fietsten twintig kilometer.
Onderweg belde mijn oudste dochter. Donderdag zouden Ton en ik op de kinderen passen. Omdat deze dag zo goed verlopen was, zag ik daar niet meer zo tegenop. Ik had zelfs al plannen gemaakt: een plantenspuit mee, een natte sjaal om, voeten in een koud badje als dat nodig zou zijn.
Toen zei mijn dochter:
"Mam, ik heb goed nieuws. Het feestje gaat niet door, dus jullie hoeven niet op te passen."
Ik moest lachen.
"Zie je wel," zei ik. "Het universum zorgt wel voor je moeder."
"We komen binnenkort wel een keer als het wat koeler is."
Opgelucht en blij met een dag die zo prettig verlopen was, fietsten we naar huis.
Misschien gaat het leven niet over aanpassen aan systemen, verwachtingen of plannen. Misschien gaat het er soms gewoon om dat je trouw blijft aan wat van binnen klopt. HEEL blijven. Op je eigen manier. In je eigen tempo.
Bivakkeren in mijn lichaam
21 juni 2026
Het zou vandaag iets koeler worden, dus ik wilde een fietstochtje uitproberen. Gelukkig heb ik vannacht wel kunnen slapen.
Door de hitte waren mijn voeten gaan branden. Met een koud voetenbad en de airco leek het beter te gaan. Mijn lichaam voelt prettiger wanneer mijn voeten aan de buitenkant afgekoeld zijn. Maar zodra ik in bed tot rust kom en het stil wordt, voel ik ineens een brandende kou. Ook niet prettig.
Dus dacht ik: zal ik mijn geitenharen sokken eens proberen? Als het niet werkt, trek ik ze gewoon weer uit.
Dat bleek de remedie.
Annetje kon slapen.
Het blijft voortdurend uitproberen. Wat gisteren werkte, werkt vandaag soms juist niet meer. Om te blijven functioneren vraagt mijn lichaam veel creativiteit. Een ander is bezig met naar het strand gaan, zonnen en bruin worden. Ik ben bezig met de vraag hoe ik het beste kan bivakkeren in mijn eigen lichaam.
Misschien komt het doordat ik niets meer moet. Geen gezin dat verzorgd moet worden. Geen werk dat af moet. De tijd is van mij, voor mij. Dat maakt mijn ongemakken een stuk makkelijker om mee om te gaan.
Ook voel ik nauwelijks nog sociale druk.
Vandaag was het Vaderdag. De jongens van Ton houden vast aan dat soort tradities en kwamen dus op bezoek. Ik heb ze begroet en ben daarna weer naar mijn koude slaapkamer vertrokken. Gewoon kunnen zeggen dat ik me daar op dat moment het prettigst voel, zonder schaamte of schuldgevoel.
Uiteindelijk bleek het toch weer drieëndertig graden te worden. We kozen een route langs de rivier zodat de wind nog enige verkoeling kon brengen. Eigenlijk was het best lekker.
Ik bleef bij mijn ademhaling en probeerde geen enkele spanning op te bouwen. Gewoon fietsen vanuit ontspanning. Dat lukte verrassend goed.
Terwijl we langs de rivier reden hoorde ik het water tegen de kade klotsen. Ik bedacht dat het geluid van water misschien psychologisch ook verkoelend werkt.
Toen we later door de polder fietsten vertelde ik Ton over de nacht ervoor.
Het water was werkelijk met bakken uit de hemel gekomen. Het fietspad en de straat waren verdwenen onder het water. De riolering kon het niet aan. Ons zonnescherm stond nog uit en dreigde bijna te bezwijken onder het gewicht van de regen.
Ik had de ramen geopend om te genieten van het gekletter, de lichtflitsen die de hemel steeds opnieuw verlichtten. Een spektakel dat zeker een uur had geduurd.
Ton had overal doorheen geslapen.
Zelfs door het hem te vertellen voelde ik alweer iets van die verkoeling terugkomen.
Nu begreep hij ook waarom we onderweg zoveel plassen tegenkwamen terwijl het zo warm was.
Ondanks de hitte kon ik de regen nog ruiken.
Ook dat hielp.
Thuis aangekomen zette ik mijn fiets in de stalling en voelde de warmte als een deken over me heen vallen. Geen wind. Geen adem. Zo leek het.
Ik liep de hal binnen richting de lift en voelde me duizelig worden. Tegen de tijd dat ik onze verdieping bereikte konden mijn benen me nauwelijks nog dragen.
Eenmaal binnen strompelde ik naar mijn bed en liet me er letterlijk op vallen.
Kleren uit. Airco aan. Water drinken. Langzaam keerde het leven terug.
De voorspellingen zeggen dat het de komende week warm blijft. Ik ben benieuwd wat ik nu weer ga verzinnen.
Hoe blijf ik actief? Hoe houd ik mijn lichaamstemperatuur op orde? Wat staat me nog te wachten?
Hahaha.
Mijn slogan blijft toch echt:
Een dag niet strijden, is een dag niet geleefd.
Leven als kunstvorm
20 juni 2026
De hele nacht heb ik niet kunnen slapen door de brandende zenuwpijnen in mijn voetzolen. Zelfs na een uur met mijn voeten in een koud voetenbad wilde mijn lichaam de slaap niet vatten. Dus ben ik maar gaan schilderen en naar muziek gaan luisteren. Uiteindelijk viel ik pas om negen uur vanochtend in slaap om twee uur later alweer wakker te worden.
Er zat voor mij niets anders op dan hetzelfde recept als gisteren te volgen. Training afzeggen, airco's aan, om het half uur vijf minuten lopen en verder rustig aan doen. Dit keer wisselde ik mijn loopsessies af met schilderen en televisie kijken op bed. Uiteindelijk was het allemaal goed te doen.
Ik werd geconfronteerd met iemand die gemakkelijk geheimpjes creëert door te zeggen: “Niets zeggen hoor, want…” Ik merk dat deze persoon dat regelmatig doet. Niet uit kwaadwilligheid, eerder als een gewoonte. Wat niet weet, wat niet deert.
Wanneer iemand zo'n patroon heeft, kan ik dat niet veranderen. Het wordt pas vervelend wanneer ik meegetrokken word in leugentjes of geheimen. Omdat het zo'n onbewust systeem lijkt te zijn, wil ik het vriendelijk maar duidelijk ontmantelen. Hoe zeg je zonder iemand te kwetsen dat je daar niet van gediend bent?
Ik wil geen geheimen hebben voor Ton. Dat voelt ongemakkelijk.
Grappig genoeg had ik dat ooit al eens gezegd tegen deze persoon. Omdat ik niet reageerde, herinnerde diegene zich dat kennelijk zelf en verwijderde het bericht weer.
Pffft, dacht ik. Ook een goedemorgen, Annette.
Alleen al het lezen van zo'n bericht zet mijn lichaam direct op scherp. Mijn systeem schiet in een stressreactie. Gelukkig zakt het ook weer snel weg zodra de aanleiding verdwenen is.
Volgens mij staan die emoties nog steeds verder open dan vóór mijn CVA. Destijds werd ik erdoor overdonderd. Nu voel ik het gebeuren en probeer ik niet direct de strijd aan te gaan. Ik vraag mezelf af: moet ik handelen of mag dit gewoon weer wegzakken?
Ik denk dat daar de rust zit.
De emotie die door mijn lichaam schiet is er gewoon. Mijn lichaam reageert. Vervolgens heb ik een keuze of ik mijn gedachten daarin mee laat gaan.
Later hoor ik iemand op televisie zeggen:
“Hoe leg je aan een blind persoon de kleur goud uit?”
Meteen ben ik uit mijn ongenoegen gehaald. Ik vind het leuk om over zulke dingen na te denken.
Goud, de kleur, niet het materiaal.
Iemand die blind is kan nog steeds horen, ruiken, voelen en proeven. Dus zou ik vanuit die zintuigen proberen goud te beschrijven.
Ik zou het gezang van merels en nachtegalen laten horen.
Ruiken en proeven zou ik combineren. De bubbels van champagne die schittering en glans vertegenwoordigen, maar ook letterlijk tegen je neus prikken. Of warme honing, de geur en smaak ervan, alsof er een engeltje over je tong danst.
Wanneer je buiten loopt en de zon door de wolken breekt, voel je de aangename warmte op je gezicht.
Het aanraken van zachte zijde of bloemblaadjes.
Samen vormen die ervaringen voor mij de kleur goud.
Misschien voelt iedere dag daarom als goud.
Niet geslapen? Wel geschilderd.
Niet naar buiten? Wel op mijn eigen manier bewogen.
Een lastig berichtje? Weer iets geleerd over emoties.
Een vraag over goud? Een klein brokje goud oppakken en ineens in een heel andere wereld terechtkomen.
Dan merk ik iedere keer weer dat leven ook een kunstvorm is.
Misschien zit goud niet in wat er gebeurt, maar in de manier waarop je ernaar kijkt.
Zelfs een slapeloze nacht, een ongemakkelijk bericht of een te warme dag kan iets waardevols bevatten.
Niet omdat het prettig is, maar omdat het leven steeds opnieuw iets aanbiedt om van te leren, over te verwonderen of simpelweg te ervaren.
Misschien is dat wel de kunst.
Noodweer
19 juni 2026
Het was al 25 graden toen ik vanochtend wakker werd. Mijn hele lichaam vertelde het mij direct: noodweer.
Het wordt vandaag rond de vijfendertig graden. Voor mij is het duidelijk, ik ga dit noodweer niet in vandaag. Airco aan in de woonkamer en mijn slaapkamer, ademen en zien te overleven.
Noodweer is voor de meeste mensen extreem slecht weer, zoals stortbuien, onweer en krachtige wind. In Nederland kennen we nauwelijks tornado's of orkanen. Het noodweer dat men hier in het algemeen zo benoemt, ervaar ik juist als heerlijk, fijn, genieten. Maar zodra de meter boven de vijfentwintig graden begint te komen, beginnen bij mij de noodsignalen. Mijn lichaam vertraagt, zet op, houdt vocht vast, ik voel klam aan en mijn hartslag in rust gaat geleidelijk omhoog. Dit ervaar ik al mijn hele leven. Naarmate ik ouder ben geworden, wordt het alleen maar moeilijker.
Noodweer is ook een woord in het strafrecht. Het betekent dat iemand uit zelfverdediging handelde. Eigenlijk handelde ik vandaag ook uit noodweer op het noodweer. Schermen naar beneden om zoveel mogelijk zonlicht te weren, de airco's aan en vooral niets doen.
Met dat niets doen stuitte ik wel op een probleem. Hoe hou ik mijn lichaam in beweging? Niet trainen, akkoord. Maar de hele dag filmpjes kijken is ook niet gezond. Wat als het een warme zomer wordt? Dan kan ik misschien niet veel, maar mijn lichaam enigszins fit houden is nu wel een must.
Ik besloot een nieuwe Koreaanse serie te gaan kijken, de wekker elk half uur af te laten gaan en dan steeds vijf minuten actief door mijn huis te lopen.
Zo bedacht, zo gedaan.
Ton was de hele dag naar een golfdag. Ik had het rijk alleen. Consequent hield ik me aan mijn voornemen. Trots op mezelf en dit nu zien als een oplossing voor te warme dagen.
Mijn hondjes volgden mij tijdens die actieve vijf minuten en stortten zich vervolgens weer op bed naast me zodra ik verder ging met tv kijken. Mijn zus belde. We hadden elkaar al een tijdje niet echt gesproken, dus even bijkletsen. De hele dag voelde ik me klam, ook tijdens het lopen, maar aan het einde van het telefoongesprek liep het zweet langs mijn lijf en kon ik mijn T-shirt uitwringen.
Voor het eerst werd mij zo duidelijk hoeveel energie een gesprek mij kan kosten. Dit had net zo goed iemand anders kunnen zijn. Ik heb niet het idee dat het speciaal kwam doordat het mijn zus was. Iedere vorm van bewuste communicatie kost mij energie. Dat geldt waarschijnlijk voor iedereen, maar de meeste mensen voelen het niet. Het maakt mij steeds bewuster in mijn keuzes van wat wel en niet mogelijk is op een dag.
Terwijl ik dit schrijf is het inmiddels avond. De wind is opgekomen, het regent hard en ik zie al een uur lang flitsen in de lucht. Ton kwam het me een uur geleden vertellen, omdat hij weet hoe blij ik hiervan word.
Schermen omhoog. Raam open.
Luisteren naar de knallen van het onweer, naar de regen op het asfalt, in de sloot en op de grote platanen vlak voor mijn raam. Hun stem misschien nog wel duidelijker hoorbaar dan de lucht in de verte die gromt en zijn toorn van licht spuwt.
Voor mij een geweldige afsluiting van deze noodweerdag.
Misschien is noodweer niet voor iedereen hetzelfde.
Voor de één komt het uit donkere wolken.
Voor de ander uit een stralend blauwe hemel.
Maar uiteindelijk zoekt ieder mens hetzelfde:
een plek waar hij weer vrij kan ademen.
Vanavond bracht de regen die adem terug. En luisterde ik dankbaar naar de stem van de lucht.
De lucht schrijft
18 juni 2026
Vanochtend werd ik wakker met veel pijn in mijn ledematen. Dat kan gebeuren en het is niet iets waar ik me verder ongerust over maak. Het kan allerlei oorzaken hebben. Daarom besloot ik wat langer in bed te blijven liggen, de fitness af te zeggen en mijn dag rustig op te starten. Het leek me een goed idee om met de bus en de fietsen naar het revalidatiecentrum te rijden, daar te parkeren, een route uit te stippelen en op de terugweg bij mijn broer langs te gaan. Een mooi plan. Een half uur rijden en we waren er.
Onderweg werd ik helemaal enthousiast van de lucht. Ton moest lachen toen ik zei dat ik daar gelukkig van werd. Soms vindt hij me een eigenaardig gebakje. Ik zag zulke prachtige windveren dat ik vanuit de auto tientallen foto's maakte. Voor mij was het direct duidelijk dat het morgen uitzonderlijk mooi weer zou worden. Er hing een ouderwetse ganzenveer in de lucht. Alsof de hemel zelf aan het schrijven was.
De lucht schrijft.
De lege tijd.
Weer zo'n gedachte die van alles oproept. Waar staat lucht eigenlijk voor? Adem? Dan geeft het levenskracht. De luchttekens van de dierenriem? Denken, communicatie, vrijheid. Zelfs de animatieserie Avatar kwam voorbij, waar ik samen met mijn jongste kinderen fan van was en nog steeds ben.
In Avatar staat lucht voor vrijheid. De luchtmeesters proberen zich niet te verliezen in wereldse zorgen. Innerlijke vrede en vrijheid vormen de kern van hun manier van leven. Daarom waren de luchtnomaden pacifisten die probeerden alle leven te waarderen. Mooie gedachten, associaties en herinneringen om mee te nemen terwijl we aan onze fietstocht begonnen.
Het was opnieuw genieten van een omgeving die ik niet kende. Dit keer leek het letterlijk een rijkere omgeving. De huizen waren perfect onderhouden, de tuinen verzorgd en zelfs de landerijen zagen er keurig uit. Wat zou dat toch zijn? Een regionale aard? Meer geld? Sociale cohesie? Ik weet het niet.
Onderweg kwamen we een architectonisch prachtige kerk tegen. Ondanks haar zware bakstenen leek ze op te gaan in de lucht. Alsof het gebouw werd opgetild door iets onzichtbaars. Werkelijk betoverend hoe ze daar stond.
En toen zag ik opnieuw een veld met lila en gele bloemen. Hetzelfde beeld dat gisteren al in mijn geestesoog was blijven hangen. Alsof het ergens in de lucht bewaard was gebleven en vandaag opnieuw verscheen. Het lila leek als een zachte nevel over het land te liggen, terwijl de gele bloemen als kleine lichtpuntjes overal tussendoor schenen. Alsof iemand sterren in een paarse hemel had gestrooid.
De lucht op aarde.
De adem is overal.
Vrijheid leeft en beweegt in mij.
En de lucht schrijft.
Lege tijd
17 juni 2026
Gun je jezelf lege tijd? Dit zie ik op een kaft van een magazine staan. Wat is lege tijd?
Vluchtig probeer ik het artikel te lezen. Wat ik eruit oppik, is dat het tijd is die je niet hebt ingevuld. Geen planning. Hoe ga je daarmee om?
Blijkbaar kennen veel mensen geen lege tijd. Als ik erover nadenk hoor ik inderdaad mensen die niet meer werken, eigenlijk niets hoeven te doen, zeggen: "Ik heb geen tijd, ik heb zoveel te doen." Dat verbaast me altijd, want ik heb meer lege tijd dan geplande, ingevulde tijd.
In het artikel vraagt de schrijfster zich af: Hoe voel je je in die lege tijd? Wat gaat er in je om? Ga je je vervelen? Word je ongemakkelijk?
Okay, hoe ga ik ermee om als ik wel een planning heb? In een file staan bijvoorbeeld?
Ik heb nooit moeite met in een file staan. Overmacht, meer is het niet. Het geeft juist een momentje van rust. Muziekje aan, raampje open en genieten van het uitzicht waar je normaal gesproken langsheen scheert.
In een rij staan voor een kassa? Meestal rustig. Mensen die haast lijken te hebben geef ik vaak zelfs nog voorrang.
Wat gebeurt er als midden op de weg de auto afslaat en niet meer zo één, twee, drie start? Dat is nu steeds het geval met onze auto. Ik weet dat hij uiteindelijk gaat starten, dus ik wacht geduldig totdat Ton dat weer voor elkaar krijgt.
Vandaag waren we onderweg naar een middag fietsen. Eerst moesten we de auto opladen. Men wist waar de laadpalen stonden, maar door werkzaamheden bleken ze niet bruikbaar. Pech dus. Ik pakte mijn app erbij en zochten we verder.
Via allerlei smalle straatjes probeerden we terug te rijden. Op een gegeven moment reed Ton bijna een straat in met eenrichtingsverkeer. Hij zag het op tijd en stopte om achteruit te steken. Toen begon een oudere dame te schreeuwen.
"Nee! Nee! Daar mag je niet in!"
Ze kwam al roepend op onze auto af. Ton probeerde haar uit te leggen dat we het begrepen hadden. Op dat moment sloeg de motor weer af. Daar stonden we dan. Midden op straat. Auto's uit de eenrichtingsweg konden er nauwelijks langs. De dame bleef maar roepen.
Ton stapte rustig uit om uit te leggen wat er aan de hand was. Ik ergerde me kapot. Met luide stem vertelde ze haar buurvrouw dat wij de verkeerde straat in wilden rijden. Blablabla.
Is dit een rustmoment? Nee, toch?
Ik weet dat het goed komt. Daar ben ik niet bang voor. Maar die indringende stem werkte behoorlijk op mijn zenuwen.
Gelukkig startte de auto uiteindelijk weer. Pffft. We konden verder.
Ik begon heel overdreven te schelden op die vrouw. Ik ging even helemaal los. Ton vond mijn reactie nogal overdreven en probeerde me tot rust te manen. Van binnen moest ik lachen. Want ik deed precies iets wat ik van Michel had geleerd.
Michel kon na een vervelende ontmoeting enorm zijn frustratie uiten. Ik vond dat vroeger overdreven en schaamde me er soms zelfs voor. Dan zei hij:
"Dit moet jij ook leren. Niemand heeft er last van. Even je frustratie of boosheid ruimte geven. Daar knap je van op, Netje."
Tijdens zijn leven deed ik dat nooit. Dan was ik degene die hem tot rust maande. En nu doe ik het zelf. Ook dat is op een bepaalde manier comfortabel meegaan met het moment. Nee, inderdaad geen ZEN. Maar het lucht wel op.
We vonden uiteindelijk een laadpaal die het direct deed. Ook dat hebben we weleens anders meegemaakt. De fietsen gingen eruit en de route die ik thuis al had uitgezet kon beginnen.
Ik had alleen de navigatiestem aan die af en toe zei: "U nadert knooppunt 63. Ga door naar 60." Verder was er stilte.
We fietsten langs weilanden, akkers, rivieren, plassen en dorpjes. In dit gebied hangt een gemoedelijke, huiselijke sfeer. Weinig perfect gestileerde huizen of boerderijen. Heel veel bloemen.
Dit keer vooral geel en lila. Die combinatie inspireerde me. Geel staat voor de intellectuele en levenslustige kracht van de zon. Lila voor iets kalms, iets spiritueels. Ja, ik voelde letterlijk de aarde en de kosmos.
We maakten foto's van verschillende bloemen zodat ik thuis kon opzoeken wat het precies was. Ik ben nu eenmaal nieuwsgierig.
Kilometers lang fietsten we door een polder zonder huizen. Ik keek naar Ton en zag dat hij ook genoot van de lege tijd. Een magisch moment van samen lege tijd ervaren.
In de verte zagen we ineens enorme velden vol witte bollen of bloemen. Van veraf leek het bijna katoen. Nieuwsgierig fietsten we dichterbij. Het bleken papavervelden te zijn. Prachtig natuurlijk. Waarvoor ze precies op zo'n grote schaal worden verbouwd weet ik niet. Laten we hopen voor medicijnen.
Uiteindelijk fietsten we terug naar het vestingstadje waar we aan de haven een hapje gingen eten.
Zo zie je maar hoe vol lege tijd kan worden. Zonder stress, maar opgeladen door het leven.
Misschien is lege tijd niet de afwezigheid van iets.
Misschien is het de ruimte waarin het leven zichzelf mag vullen.
Met ergernis, verwondering, bloemen, herinneringen, liefde en een onverwacht mooie middag samen.
Moeder
16 juni 2026
Ik krijg een appje van een van mijn dochters. Een persoonlijk verhaal. Ik reageer met een paar open vragen. Mijn kinderen zijn allemaal zelfstandige geesten die hun eigen weg vinden. Ik heb niet meer de behoefte om ze te vertellen wat ze moeten doen of laten. Misschien als ze het rechtstreeks zouden vragen. Waarschijnlijk zelfs dan niet.
Mijn laatste zin, nadat ik een paar vragen heb gesteld waarvan ik denk dat zij zelf de richting kan bepalen, is:
"Een vraag mag bestaan. Het heeft bestaansrecht waardoor er beweging blijft. Zodra er een antwoord is, staat het weer vast."
Haar simpele "Thnx" maakt mij gelukkig.
Het zijn dat soort momenten waarop ik blij ben moeder te zijn.
Even later belt mijn jongste zoon. Hij belt regelmatig om even mijn stem te horen en wat te kletsen. Hij is de enige van mijn vijf kinderen die dat op deze manier doet.
Er zit iets lichts in hem waardoor altijd even de zon gaat schijnen. Zijn naam betekent letterlijk verlichtend, of hij die de zon laat opkomen. Dat heeft hij ook in zich. Je wordt blij van zijn aanwezigheid.
Het mooiste is dat hij dat zelf niet beseft.
Mijn andere zoon appt of ik een bepaald medicijn ken dat tegenwoordig voor MS-patiënten wordt gebruikt. Zou het misschien iets voor mij zijn?
Hij is soms wat onhandig als het gaat om affectie tonen, maar het doet me goed dat dit soort dingen hem bezighouden.
Van mijn oudste dochter krijg ik een mooie foto van mijn kleindochter.
Kennelijk draait deze dag om mijn kinderen die even aandacht vragen en schenken richting hun moeder.
Het zijn bijzondere dagen voor mij als ik me weer even moeder mag voelen.
Mijn leven staat los van mijn kinderen. Ze wonen niet in de buurt. Ik heb ze altijd gestimuleerd hun eigen weg te zoeken. Ik heb nooit verwacht dat ze dichtbij zouden blijven wonen omwille van mij.
Wel heb ik ze opgevoed met de gedachte dat ik nooit naar een bejaardenhuis zal gaan. Dat ik zo lang mogelijk zelfstandig zal leven, maar uiteindelijk mijn laatste jaren bij mijn kinderen zal slijten.
Desnoods een jaar bij de één en een jaar bij de ander.
Dat betekent dat ze misschien eens in de vijf jaar hun moeder in huis hebben.
Hahaha.
Het klinkt grappig, maar er zit ook een serieuze ondertoon in.
Mijn jongste zoon vertelde toevallig dat hij zijn vriendin daar alvast op heeft voorbereid.
Zo schattig bloedserieus is hij dan.
Tussen neus en lippen door vertelde hij ook dat hij eraan denkt om in Zuid-Frankrijk te gaan wonen.
"Joh, helemaal top," was mijn reactie.
Hij weet dat dit soort plannen voor mij geen probleem zijn.
Mijn dochter zei nog:
"Mam, aan de overkant staat een huis te koop."
Ze betrekken mij zonder veel woorden toch dichtbij in hun leven.
Hoe mooi is dat?
Misschien zit liefde niet altijd in grote gesprekken of bijzondere momenten.
Soms zit ze in een appje, een telefoontje, een foto of een terloopse opmerking over een huis aan de overkant.
Kleine dingen die zeggen: ik denk aan je. En soms is dat meer dan genoeg.
Zoals het is
15 juni 2026
Ik merk dat het onderwerp dat ik vandaag in allerlei gedaanten tegenkwam mij met enige weerstand laat schrijven. Niet omdat ik het wil ontkennen. Niet omdat ik het wil vergeten. Eerder omdat het voor mij van belang is dat ik er, ondanks hoe levend het vandaag werd, niet met weemoed of verdriet naar wil kijken.
Op de fitness was er maar één mevrouw aanwezig die ik al eerder had gezien. Het centrum was verder leeg. Er waren geen therapeuten of sportcoaches aanwezig. We raakten aan de praat over waarom we sporten en hoe we ons daarbij voelen.
Ze vertelde dat ze weduwe was en ervoor had gekozen om door te gaan. Het verdriet niet te ontkennen, maar wel zelf te blijven leven.
Ja, dat begreep ik maar al te goed.
Ik ken ook iemand die met de gordijnen dicht zit en moeilijk uit het verdriet lijkt te komen. Dat was niet mijn manier. Gelukkig hoeven we niet allemaal hetzelfde te zijn. Deze medesporter leek, net als ik, actief het leven weer op te pakken.
Thuis ging ik verder met schilderen totdat ik ineens heel moe werd. Ik ben op bed gaan zitten en zette een romantische film op. Meestal val ik dan in slaap, maar deze keer niet.
In de film was de vader van twee pubers overleden aan kanker. Jaren later besefte de moeder dat ze er in die periode niet echt voor haar kinderen was geweest, omdat ze zelf midden in haar eigen verwerking zat.
Dat kwam binnen.
Ook ik ben er niet voor mijn kinderen geweest op de manier waarop zij behoefte hadden. Daar ben ik zeker van. Tegelijkertijd weet ik niet meer precies hoe ik was en wat ik deed, net als de moeder in de film.
Dat kinderen naast het verlies van hun vader ergens ook het verlies van de juiste aandacht van hun moeder ervaren hebben, is pijnlijk om te zien. Het raakt me omdat ik voel dat dit ook in ons gezin gespeeld heeft.
In de film sterft uiteindelijk ook de moeder. De inmiddels volwassen kinderen kunnen hun boosheid en frustraties daardoor niet meer met haar delen. Gelukkig heeft zij haar verhaal wel aan iemand verteld, zodat haar kinderen het alsnog kunnen horen.
Hoe dan ook zullen zij er uiteindelijk zelf uit moeten komen.
Mijn jongste dochter wil geen enkel contact met mij omdat ik een enorme teleurstelling voor haar ben.
Door deze film besefte ik misschien voor het eerst hoe diep die teleurstelling voor mijn kinderen geweest moet zijn.
Helaas kun je daar alleen samen uitkomen als je allebei blijft geloven in de liefde die er voor elkaar is. Alleen dan ontstaat er ruimte voor communicatie.
Hopelijk beseft ze ooit dat ik geen perfecte moeder ben geweest, maar wel tot op het bot van haar hou.
Na het eten dacht ik: nu zet ik een komische Nederlandse film op, met twee acteurs die ik erg goed vind.
En inderdaad, hij was leuk.
Leuk genoeg zelfs om Ton erbij te halen.
Dus keek hij eerst de twintig minuten die ik al gezien had en daarna keken we samen verder.
Het verhaal ging opnieuw over een vader met kanker. Zijn zoon wil nog één reis met hem maken. Onderweg gebeuren allerlei komische en herkenbare dingen.
Toch sterft de vader tijdens die reis.
De zoon maakt de tocht af op een manier die zijn vader gewild zou hebben.
Hij voelt het verlies en beseft hoe jammer het is dat hij dit nooit eerder met zijn oude heer heeft gedaan.
Ook dat kwam binnen.
Kinderen krijgen hun eigen leven. Gelukkig maar. Ze hebben het druk. Kwalitatieve tijd met hun ouders hoort daar vaak niet meer vanzelfsprekend bij. Dat is jammer. Maar ook begrijpelijk.
Zo draaide de hele dag, totaal ongewild, rond het thema dood.
Toch is dat niet wat mij het meest bijblijft. Het enige wat ik nog wil, is genieten van het leven zoals het is. Niet zoals het had kunnen zijn.
Misschien wordt het leven niet lichter doordat verdriet, verlies of teleurstelling verdwijnen.
Misschien wordt het lichter wanneer we ophouden het heden te vergelijken met een verleden dat niet meer veranderd kan worden.
Wanneer we zien wat er wél is, in plaats van wat er had moeten zijn. Het leven zoals het is.
Donderwolken
14 juni 2026
De metafoor dat je gedachten kunt zien als wolken is denk ik de beste manier om ernaar te kijken. Er zijn mooie lichte wolken met vrolijke ideeën en beelden. Er zijn ook donkere wolken, gevuld met verdrietige of zelfs lelijke gedachten. Wolken kun je gewoon voorbij laten drijven. Je hoeft ze niet allemaal te analyseren of er iets mee te doen.
Ik denk dat dit het volgende stuk is waar ik echt mee aan de slag ga. Vooral de donkere donderwolken die voorbij komen letterlijk voorbij laten gaan.
Op familiair gebied zijn er zoveel triggers die mij kunnen terugbrengen naar pijnlijke momenten. Helaas gebeurt dat nog steeds. Ook vandaag voelt mijn hele wezen zich huilerig. Ik weet welke donderwolk voorbij kwam. Ik wil er niet bij stilstaan, maar mijn lichaam denkt daar kennelijk anders over.
Wat kan ik nu anders doen? De strijd aangaan met dat gevoel? Nee, dat lijkt me niet. Mijn lichaam laten huilen en het vervolgens langzaam laten uitdoven voelt logischer.
Vroeger stelde ik mezelf altijd dezelfde vraag: waarom doen ze zo? Kan ik iets doen waardoor ze veranderen? Maar die vraag brengt mij nergens. Ze maakt het alleen maar pijnlijker.
Daar begin ik dus mee. Mezelf die vraag niet meer stellen. Accepteren dat dingen gaan zoals ze gaan. Mijn lichaam laten huilen. Dat gaat vanzelf weer over.
Ik ben gaan fietsen en werd opnieuw blij van de sloten vol gele plomp. Er staan zoveel meer bloemen dan vorig jaar. Veel meer klaprozen ook. Niet alleen hortensia's en rozenbottelstruiken, maar allerlei borders vol bloeiende struiken en bloemen.
Ik heb opgezocht hoe die ene struik heet die ik overal zie. De Japanse spierstruik, oftewel spirea. Ook daarvan zijn er veel meer geplant dan voorgaande jaren.
De vogels, de jongen, de kwakende kikkers die een vrouwtje proberen te verleiden; het was er allemaal vandaag. Bewolkt, veel wind, bijna niemand op de weg. Het was genieten.
Toen ik thuiskwam bleek mijn lichaam kennelijk nog niet klaar met huilen. Schilderen leek me daarom een goede afleiding. Ton wilde naar het WK voetbal kijken. Geen lekkere sfeer om te schilderen. Dus besloot ik een nieuwe romantische serie uit te zoeken. Gewoon afleiding.
Wanneer ik zeg dat mijn lichaam huilt, bedoel ik niet dat de tranen over mijn wangen lopen. Het lijkt op een soort shockgevoel. Of op misselijkheid. Het is allebei niet precies, maar het komt in de buurt.
Rond mijn hart voelt het alsof er iets verkrampt. Een stille pijn.
Ik dacht altijd dat mijn lichaam mij iets niet wilde laten vergeten. Nu denk ik dat het anders ligt. Misschien mag ik het juist wel vergeten. Misschien heeft de pijn zich alleen nooit vrij mogen bewegen.
Dus laat mijn lichaam zich maar even naar voelen, zonder dat ik daar betekenis aan geef. Ik kan diep in- en uitademen. Dat is wat ik voor mijn pijn kan zijn.
Geen naam. Geen verklaring. Alleen adem.
Misschien is heling niet het verdwijnen van de donderwolk,
maar het besef dat ik haar niet hoef tegen te houden, te begrijpen of weg te duwen.
Ik mag haar voorbij zien trekken,
terwijl ik blijf ademen en het leven ondertussen gewoon doorgaat.
Met liefde naar gestuntel kijken
13 juni 2026
Vandaag vertrokken we na de training richting Veldhoven om daar in het theater naar de dansuitvoering van mijn kleindochter te gaan kijken.
Dit is voor mij altijd een heel dubbel gevoel.
Ik wil graag aanwezig zijn en geïnteresseerd zijn in de hobby's van mijn kleinkinderen. Maar eigenlijk vind ik het een regelrechte ramp.
Vroeger ging ik natuurlijk ook naar de toernooien en uitvoeringen van mijn kinderen. Dat hoorde erbij. Maar het was nooit mijn hobby.
Vooral toneeluitvoeringen vond ik verschrikkelijk. Kinderen praten vaak te snel, articuleren niet goed en als ze dan eindelijk hard genoeg praten, is het soms nog onverstaanbaar.
Bij dansvoorstellingen word ik weer op een andere manier onrustig. Ik zie onmiddellijk wie een tel te vroeg of te laat is. Ik zie wie vanuit zichzelf beweegt en wie vooral bezig is de aangeleerde pasjes eruit te werken terwijl er stiekem naar de buurvrouw wordt gekeken of die hetzelfde doet.
Voor mij is dat heel vermoeiend om naar te kijken.
Alleen als het mijn eigen kind of kleinkind is, kijk ik met liefde naar al dat gestuntel.
Dat is toch eigenlijk best hypocriet?
Maar eerlijk is eerlijk: naar drie uur gestuntel van vreemde kinderen kijken vind ik echt lastig.
Wel moest ik vandaag denken aan mijn twee jongste kinderen toen ze nog klein waren en samen op dansles zaten. Ze hadden een uitvoering waarin ze kaboutertjes waren met een stok en een knapzak.
Mijn zoon stond links op het toneel en mijn dochter helemaal rechts. Er liepen zeker twintig van die kleine kabouters rond.
Tijdens het dansen viel de knapzak van mijn dochter van haar stok.
Mijn zoon zag het gebeuren. Meteen holde hij dwars over het toneel om de knapzak op te pakken en aan zijn zus terug te geven.
De hele zaal lag dubbel van het lachen.
Mijn dochter danste onverstoorbaar verder met een blik die duidelijk zei: The show must go on.
Ik herinner me nog hoe geïrriteerd ze naar haar broertje keek terwijl hij achter haar aan holde met die knapzak.
Tijdens de voorstelling van vandaag fluisterde ik tegen mijn oudste dochter:
" Weet je dat nog?"
" Ja," zei ze. "Ik moest aan precies hetzelfde denken."
We keken drie uur lang naar alle dansgroepen van de dans- en theaterschool waar mijn kleindochter op zit. Het theatergedeelte vond ik vermoeiend en ik betrapte mezelf er af en toe op dat ik bijna in slaap viel.
De allerkleinsten vond ik daarentegen werkelijk enig om te zien. Bij hen zag je de karakters al verschijnen. De één was bloedserieus, de ander voelde zich een prinsesje en weer een ander was zó enthousiast dat alle pasjes erbij inschoten. Ze stapten naar links terwijl ze naar rechts moesten, draaiden de verkeerde kant op en vergaten de helft van de choreografie. Maar wat waren ze schattig. Misschien omdat het nog helemaal van binnenuit kwam.
Zodra kinderen ouder worden en meer bezig zijn met hoe het hoort, wordt het voor mij veel moeilijker om naar te kijken.
Ik weet het. Ik ben een zeurpiet. Het zijn kinderen. Geniet er gewoon van.
Ik geef toe dat dit niet altijd makkelijk voor me is. Maar als ik het gezicht van mijn kleindochter zie, ben ik blij dat ik gegaan ben. Ze vindt het fijn dat opa en oma zijn komen kijken. Daar heb ik die drie uur graag voor over.
En terwijl ik daar zat, kwamen ook de herinneringen aan de uitvoeringen van mijn eigen kinderen weer voorbij. Van alle vier. Destijds voelde dat net zo dubbel als nu: trots en tegelijkertijd een kleine beproeving. Maar de herinnering die is gebleven, is vooral mooi, liefdevol en een glimlach waard.
Terwijl ik naar de kinderen keek, besefte ik dat ik niet geraakt word door techniek of perfect uitgevoerde pasjes. Juist de kleintjes die alle kanten op bewegen, trekken mijn aandacht. Alsof zij nog dansen vanuit iets eigens. Vanuit verwondering. Misschien zou ik als dansjuf eerst een heel seizoen besteden aan muziek voelen, voordat ik ooit een pasje zou aanleren. Want wat van binnenuit beweegt, blijft leven. Wat alleen wordt aangeleerd, verliest soms iets van zijn eigen stem.
Misschien verandert mijn manier van kijken niet, wel mijn manier van invoelen.
Het verschil tussen moeder en nu oma zijn.
De wortels die we delen
12 juni 2026
Vanmorgen zag ik een trailer van een romantische komedie. Een jonge vrouw betrapte haar vriend op vreemdgaan. Het duurde maar een paar seconden, maar ineens kwam er een oude herinnering boven.
In de begintijd van Michel en mij gebeurde iets wat achteraf bijna ongeloofwaardig klinkt. Midden in de nacht werd ik wakker doordat iemand onze slaapkamer binnenkwam. Het bleek zijn ex te zijn. Ze had blijkbaar nog een sleutel van de voordeur.
Wat er daarna gebeurde was zo absurd dat ik eerst dacht dat ik droomde.
Terwijl ik naast Michel lag, besloot ik niets te doen. Niet uit angst, maar omdat ik weigerde mee te gaan in de chaos. Dit was mijn huis. Mijn bed. Mijn leven. Ik voelde geen enkele behoefte om te vechten om iets dat van mij was.
Ik bleef liggen en deed alsof ik sliep. Dat bleek uiteindelijk veel effectiever dan welke ruzie ook had kunnen zijn. De situatie escaleerde niet door mij, maar door haar. Ze werd steeds bozer omdat ik niet reageerde zoals zij verwachtte. Uiteindelijk schreeuwde ze dat ik moest vertrekken.
Ik herinner me dat ik heel rustig antwoordde: "Volgens mij vergis je je. Dit is mijn huis. Misschien ben je op het verkeerde adres."
Nog meer geschreeuw volgde. Daarna vertrok ze.
Toen het stil was geworden draaide ik me naar Michel om. "Ik moet morgen vroeg op," zei ik. "Maar dit is wel de eerste en laatste keer dat ik zoiets meemaak. Morgen komt er een ander slot op de voordeur."
Daarmee was het voor mij klaar. Niet omdat het normaal was wat er gebeurd was. Integendeel. Maar sommige situaties zijn zo vreemd dat je pas achteraf beseft dat de grootste overwinning niet zit in wat je zegt of doet, maar in het feit dat je jezelf niet laat meeslepen in de waanzin van een ander.
Met een glimlach om deze maffe herinnering ging ik weer verder aan mijn schilderij.
Ik kreeg een appje van mijn schoonzus dat mijn broer nu in een revalidatiecentrum ligt. Ton en ik besloten na het eten naar hem toe te gaan, zodat we niet in de file terecht zouden komen.
Mijn broer heeft Parkinson, diabetes en is geopereerd aan zijn voet nadat daar kwaadaardige cellen waren gevonden. Het hele traject rond die voet is ingewikkeld. Hij kan vrijwel niets en ligt daar alleen in zijn kamertje. Een klein, kwetsbaar mannetje. Het doet me pijn om hem zo te zien.
Hij is altijd al slecht geweest in communiceren en praten over gevoelens. Nu lijkt dat helemaal niet meer aan de orde.
Er waren vier kinderen in ons gezin. Alle vier hebben we door onze opvoeding onze eigen littekens opgelopen. Mijn zus en ik zijn ons daar al jarenlang van bewust en werken daar ook al jarenlang aan. Mijn broers niet.
De jongste praat tenminste nog. Die moppert graag en raakt zo zijn frustraties kwijt. Maar deze broer, de oudste, is altijd stil geweest. Niet goed in contact maken. Niet goed in uiten wat er in hem leeft.
En daar ligt hij dan. Op een leeftijd waarop hij eigenlijk zou mogen genieten van zijn oude dag.
Het enige wat ik voel is dat ik van hem hou. Ook al hebben we nooit echt contact gehad. Ook al hebben we nooit echte gesprekken gevoerd.
We delen dezelfde wortels.
Dat is genoeg.
Thuis bel ik mijn zus om te vertellen hoe ik hem heb aangetroffen. Althans, hoe ik het zie. Want zowel mijn zus als ik weten eigenlijk niet wat er in hem omgaat.
Vindt hij dit verschrikkelijk? Of helemaal niet? Heeft hij nog zin in het leven? Ziet hij nog een toekomst? Wil hij revalideren? Of heeft hij het opgegeven?
Zijn dit vragen die híj zichzelf stelt?
Of zijn het eigenlijk vragen die ík mezelf zou stellen?
Is het überhaupt nodig om betekenis te geven aan zijn manier van zijn?
Misschien zoek ik soms te veel betekenis.
Ik weet het niet.
Maar zo'n hoopje menselijke kwetsbaarheid zien, doet me wel veel.
Misschien is liefde niet altijd te vinden in gesprekken, begrip of nabijheid.
Soms zit liefde simpelweg in het herkennen van dezelfde wortels.
In het weten dat iemand bij jouw verhaal hoort, ook wanneer je nooit hebt geleerd elkaars taal te spreken.
De kwast en de verf
11 juni 2026
Na een dag helemaal niets gedaan te hebben, ging ik vandaag weer verder met mijn schilderij.
Het is moeilijk uit te leggen, maar ik heb geen enkele gedachte wanneer ik daarmee bezig ben. Ik ben de kwast, ik ben de verf. Er is alleen maar dat ene kleine stukje op het doek waarin ik ben verdwenen.
Wat de kwast gaat doen, slaat iedere seconde weer een onbekende weg in.
Mijn lichaam krijgt trek in eten waardoor er even afstand ontstaat. Die afstand laat een groter geheel zien en niet alleen de weg van de kwast. Terwijl ik wat eet, blijven mijn ogen gericht op wat er tot nu toe ontstaan is. Ik blijf als het ware in het lichaam van de creatie. Van cellulair niveau naar eventjes het orgaan.
Zodra ik gegeten en gedronken heb, aai ik mijn hondje naast me en keer ik terug naar het cellulaire niveau.
Ik voel warmte, geen kou. Ik hoor niets. Zo opmerkzaam als ik normaal gesproken ben, ontgaat mij tijdens het schilderen werkelijk alles.
Wanneer ik droom, beleef ik de gevoelens die voorbij komen. Ik kan zelfs meerdere perspectieven innemen en daarmee communiceren. Maar wanneer ik schilder, is ook dat weg. Ik ga dieper. Ik bén letterlijk de kwast en de verf. Het ademt mij. Het is mij, met mijn imperfectie en met mijn innerlijke stem.
Na opnieuw zo'n acht uur bezig te zijn geweest, besloot ik na het avondeten te stoppen.
Terugkeren naar de wereld. Zien dat het buiten regent en waait. De bladeren aan de bomen hebben door dit licht bijna een lichtgevende aura gekregen. Alsof ze glimlachen, blij zijn met het water waardoor ze weer kunnen ademen.
Mijn hondje ligt al die uren naast me als een stille schaduw. Hij strekt zich uit alsof hij wil zeggen:
“Okay vrouwtje, zijn we klaar? Gaan we nu wat anders doen?”
Mijn man zet de televisie aan om naar de opening van het WK voetbal in Mexico te kijken.
We zien een show met dansers, muziek en Shakira. Ik kijk naar de kleurrijke kleding van de dansers en denk dat het fris en prachtig is om te zien. Felle kleuren die in mijn ogen bijzonder smaakvol zijn. Ze vertegenwoordigen een soort passie die ik zeer waardeer.
Na een stukje van de opening gezien te hebben, zoek ik een film op mijn laptop om me te ontspannen. Voetbal kijken is niet mijn ding.
Ik kijk naar de Nederlandse film Adios Amigos.
De film gaat over drie gehandicapte vrienden: Lars, Philip en Joost. Iedere week treffen ze elkaar in het zwembad, waar ze zich hardop verlekkeren aan alle mooie meisjes in bikini. Samen plannen ze een reis naar het zonnige Salou voor hun eerste seksuele ervaring.
Natuurlijk loopt alles anders.
Wat mij vooral raakt, is hoe ieder van hen op een andere manier omgaat met beperkingen. De boosheid. De angst. De gelatenheid.
In alle drie herken ik iets van mezelf.
En dan zijn er die gouden momenten waarop je even niet merkt of bewust bent van je handicap. Die momenten zijn zo heilzaam. Bijna helend.
Voor mij is dat creëren.
Misschien is vrijheid niet de afwezigheid van beperkingen,
maar die zeldzame momenten waarop ze verdwijnen uit je bewustzijn.
Wanneer er alleen nog kleur is, beweging, adem en aanwezigheid.
Alsof het leven heel even ophoudt zich te verzetten en simpelweg gebeurt.
De wet van Murphy
9 juni 2026
Weer een stille, rustige groep mensen op de fitness vandaag, waardoor ik me vrijwel gedachteloos kon concentreren op de apparaten waarop ik werkte.
Bij de Seated Row zit ik met mijn borst tegen een zacht stootkussen terwijl alleen mijn armen het gewicht van me af en weer naar me toe trekken. Dit is voor mij overigens vanaf het begin al het zwaarste apparaat geweest.
Terwijl ik op mijn ademhaling let, drijft ineens een wolkje voorbij van meer dan dertig jaar geleden.
Ik denk aan mijn pleegdochter die net op zichzelf was gaan wonen in een flat met meerdere studenten. Haar vriendenkring bestond uit nogal saaie, serieuze jonge mensen. Ze nodigde me uit op haar verjaardagsfeestje.
Natuurlijk zei ik ja, maar eerlijk gezegd zag ik er ook een beetje tegenop. Een avond gezapigheid.
Diezelfde week moest ik nog een boodschap doen in de stad. Waarvoor weet ik niet eens meer precies. Een ontzettend vrolijke jongen hielp mij daar enorm enthousiast.
En ineens ontstond er een idee in mijn hoofd.
Ik vroeg hoe oud hij was en of hij een vriendin had. Hij bleek twee jaar ouder dan mijn dochter en had geen relatie.
Ik vertelde hem dat ik hem eigenlijk graag cadeau wilde geven aan mijn dochter voor haar verjaardag.
Hahaha… die jongen vond het een geweldig plan.
Hij gaf mij zijn adres en woonde gelukkig nog thuis bij ouders die de humor er ook wel van inzagen terwijl ik hun zoon in een dekbedovertrek inpakte met grote strikken eromheen. Vervolgens moest hij half blind en huppelend mijn auto in zien te komen.
Wat heb ik gelachen met die jongen.
Op het feestje stonden de vrienden van mijn dochter heel droog te kijken. Werkelijk, er kon nauwelijks een glimlach vanaf. Mijn dochter gelukkig wel. Die was wel gewend aan mijn gekke acties.
Nu, al die jaren later, moet ik ineens weer lachen terwijl het hele tafereel tijdens het sporten zomaar voorbij komt.
Maf toch, dat zoiets ineens weer boven komt drijven. Bij wijze van spreken was ik het bijna vergeten.
Ik was stout vroeger. Ik hield ervan om uitdagende dingen te doen. Even het normale opschudden.
Dat is een Annette die jarenlang een groot deel van mij is geweest.
En vanochtend moest ik daar ineens met een glimlach aan terugdenken.
Thuis ging ik verder met schilderen. Ton was weg, mijn hondje lag op de stoel naast me en het schilderen voelde bijna meditatief aan.
Mijn cardioloog belde ondertussen dat mijn cholesterolwaarden wel verbeterd zijn, maar nog niet genoeg. Ze schrijft nu injecties voor en we maken over drie maanden opnieuw een afspraak.
Voor haar is inmiddels duidelijk dat ik, buiten dit cholesterolprobleem om, eigenlijk zeer fit en gezond ben. Ook mijn gewicht vindt ze daardoor niet langer echt een probleem. Er zijn geen duidelijke aanwijzingen waardoor mijn cholesterol zo blijft reageren.
Meer doen dan wat ik nu al doe is eigenlijk niet mogelijk.
Ik ben vooral blij dat het nu ook voor mijn cardioloog duidelijk is. Hopelijk is hiermee het voortdurende gedokter voorlopig even voorbij.
Vlak daarna belde een vriendin uit Zuid-Frankrijk. Zij en haar man reizen ongeveer de helft van het jaar met een camper door Europa.
Ze is inmiddels alweer een maand of twee weg en komt over drie weken terug richting Nederland. Volgens haar hadden ze nog nooit zoveel pech gehad. Problemen met de camper, de hond, haar eigen gezondheid… het ene verhaal na het andere.
Ik zei:
“Maar dat kun je toch eigenlijk geen vakantie meer noemen? Het is gewoon jullie leven. Jullie wonen voor de helft van het jaar in die camper en verplaatsen je voortdurend. Natuurlijk gaan er dan soms dingen mis. Iedereen heeft thuis toch weleens last van de wet van Murphy?”
Ja… dat haalde haar wel even uit haar pechverhaal.
Het is jammer wanneer dingen mislopen, maar het hoort ook gewoon bij het leven.
“En hoe voel jij je eigenlijk?” vroeg ze daarna.
Tja… eerlijk gezegd voel ik me goed.
Ik heb een soort discipline gevonden voor lichaam en geest. Ik luister naar mezelf, doe wat ik moet doen en voel daarna of er nog meer bij kan of niet.
Geen schuldgevoel meer. Geen schaamte wanneer iets niet lukt of wanneer ik ‘nee’ moet zeggen.
Dat is misschien juist wel het mooie van ouder worden.
Ik moet niets.
Ik hoef niets.
Ik mág, als het kan.
Misschien is rust niet hetzelfde als een probleemloos leven.
Misschien ontstaat rust pas wanneer je ophoudt jezelf voortdurend voorbij te lopen om aan verwachtingen te voldoen.
Alsof ouder worden langzaam betekent dat je jezelf niet meer hoeft te bewijzen, maar eindelijk mag bewonen.
Vier Kleuren.
8 juni 2026
De woonkamer is weer omgebouwd tot atelier. De kleuren en de droedel zijn op het doek gezet en nu maar kijken wat mijn handen gaan creëren.
Al weken voel ik vier kleuren in mijn geestesoog en ook het getal vier blijft zich aandienen. Dat is wat momenteel in mij leeft en daar ga ik dan ook mee aan de slag.
De kleurencombinatie is niet wat ik van mezelf gewend ben. Het moest een 3D-doek worden van 80 cm x 120 cm, dat gelukkig nog in huis stond.
De kleuren bordeaux, crème, babyblauw en appeltjesgroen openen een nieuw perspectief, een nieuw gevoel. Zodra de droedel met deze vier kleuren op het doek verschijnt, begrijp ik ineens waarom deze combinatie mij zo tevreden maakt. Het maakt me gelukkig.
Het babyblauw geeft lucht en zachtheid. Het groen laat levenskracht en groei zien. Het crème brengt rust, adem en de stilte die verbindt. En dat bordeaux-roze houdt alles aards, lichamelijk en warm.
Tijdens deze eerste stappen valt mij ineens op waarom het getal vier zo belangrijk voelt voor dit schilderij.
Het Engelengetal is 4.
Zie je vaak de reeks 444, dan is dit volgens de engelenleer een teken dat je beschermengelen dicht bij je zijn. Een bevestiging dat je op de goede weg bent en dat je inspanningen beloond zullen worden.
Zoals ik wel vaker verteld heb, praat ik met mijn engelen. Misschien is het denkbeeldig of zelfs onzin, maar het voelt voor mij goed om dat te doen en daar ook vertrouwen uit te halen.
Wanneer ik schilder, heb ik altijd het gevoel dat de kleuren en dat wat op het doek verschijnt mij iets proberen te vertellen. Net zoals mijn dromen dat doen. Ik weet natuurlijk niet altijd wat het precies betekent, maar de gedachten die tijdens het proces binnenkomen neem ik wel serieus.
Vier hadden ook de elementen kunnen zijn, de windstreken of de seizoenen. Maar dat was niet wat binnensloop. Het waren de engelen.
Dat is kennelijk de sfeer waarin ik me nu begeef.
Soms kan een schilderij jaren later ineens op een totaal andere manier tot mij spreken. Het beweegt als het ware mee met wie ik ben en met het moment waarin ik leef.
Het blijft een avontuur om te zien wat er ontstaat. Welke symbolen langzaam naar binnen sluipen. Wat ze nú voor mij betekenen.
Niet alleen het kleurgebruik is nieuw, ook mijn aanpak verandert.
Vandaag heb ik ongeveer acht uur geschilderd, maar rond tien uur vanavond ben ik bewust gestopt. Niet meer obsessief dag en nacht doorgaan in een flow om uiteindelijk een mooie creatie over te houden én een gesloopt lichaam.
Annette gaat daar vanaf nu verstandiger mee om.
Misschien is ouder worden niet het verliezen van vuur,
maar leren hoe je het kunt dragen zonder eraan op te branden.
Alsof creativiteit langzaam niet meer vraagt om uitputting,
maar om ritme, adem en vertrouwen dat het morgen nog steeds op me wacht.
Heerlijk lui
7 juni 2026
Wat kan het toch lekker zijn om ongegeneerd lui te zijn, gewoon omdat ik daar zin in heb.
Vandaag heb ik werkelijk helemaal niets gedaan. In plaats van series kijken, heb ik de hele dag kruiswoordpuzzels zitten maken. In totaal negenenvijftig stuks. Nu ben ik er wel klaar mee.
Tussendoor ben ik nog even bezig geweest met de voorbereidingen voor een nieuw schilderij. Het doek heb ik al gevonden en in de woonkamer heb ik alvast wat ruimte gemaakt voor een werkplek.
In mijn hoofd spelen kleuren en een eerste idee om te beginnen. Wat het precies gaat worden weet ik nog niet. Het is meestal niet meer dan een klein beginpunt dat ergens zachtjes in mijn hoofd aanwezig is. Gaandeweg openbaart het zich vanzelf aan mij wat het uiteindelijk wil worden.
Ton weet inmiddels hoe dat gaat. Dan ben ik een tijdlang min of meer niet aanwezig. Wel lichamelijk natuurlijk, maar volledig verzonken in mijn eigen wereld.
“Oh, dat komt mooi uit,” zei hij blij. “Want eind deze week begint het WK-voetbal.”
Hahaha… hij keek oprecht opgelucht. Een paar weken zonder schuldgevoel volledig in zijn eigen voetbalbubbel verdwijnen terwijl ik in mijn verf, kleuren en gedachten oplos.
Wel blijf ik trainen en iedere dag fietsen wanneer het weer redelijk tot goed is. Ook neem ik mezelf voor om op tijd naar bed te gaan en niet dag en nacht door te willen werken. Vertrouwen dat de flow blijft bestaan en vanzelf weer opgepakt kan worden zodra ik achter mijn doek zit.
Zoals vandaag valt er eigenlijk weinig te melden. Het maken van kruiswoordpuzzels gaf mijn gedachten geen ruimte om af te dwalen en in allerlei associaties terecht te komen.
Toch voel ik nu al dat dit een groot project gaat worden waar ik aan begin.
Het blijft dus een verrassing of er tijdens het creatieve proces genoeg gedachten zullen ontstaan om hier weer over te schrijven.
Maar meestal vindt mijn hoofd uiteindelijk toch wel weer ergens een verborgen deurtje.
Misschien begint creativiteit niet met weten, maar met ruimte maken. Een leeg doek. Een verschoven tafel. Een middag zonder schuldgevoel. Alsof iets diep vanbinnen eerst stilte nodig heeft voordat het zichtbaar durft te worden.
Maskers en verborgen kamers
6 juni 2026
Wanneer het tijdens de fitness stil is, werk ik meestal gefocust door terwijl ondertussen allerlei gedachten de revue passeren. Zo ook mijn droom van vannacht.
Vroeger waren er mensen met wie ik me bij voorbaat niet inliet. Dat kon om van alles gaan: te slordig, te netjes, te burgerlijk… noem maar op. Al jong ontdekte ik echter dat wat je aan de buitenkant ziet, totaal anders kan zijn aan de binnenkant. Dus leerde ik een boek niet te beoordelen op zijn kaft.
Ogenschijnlijk vrije geesten bleken soms zeer conservatief te zijn, terwijl juist heel nette, gesettelde gezinnen — huisje, boompje, beestje — een diepgang en zelfreflectie konden hebben waar ik versteld van stond.
Dat waren de wolken die tijdens het trainen door mijn hoofd dreven.
Goh… die droom opende toch weer herinneringen én een boodschap: eerst kennismaken voordat je iets afwijst. Ieder mens heeft verborgen kanten, talenten en visies, was uiteindelijk de conclusie van mijn mijmerende brein.
Thuis stond de televisie aan. Ik luisterde eigenlijk niet echt, omdat ik met andere dingen bezig was. Ineens hoorde ik iemand zeggen:
“Een mens zijn ware aard ligt in het licht van zijn geheimen.”
Nou ja… het thema hing kennelijk in de lucht.
En misschien zit daar best iets in. Dragen we niet allemaal verschillende maskers? Een masker om geliefd gevonden te worden? Of goed bevonden? Of sociaal geaccepteerd?
Zoveel redenen waarom mensen zich gedragen zoals ze doen.
Voor mij is het duidelijk dat ik bij Ton, familie, mijn kinderen, vrienden of de cassière in de supermarkt allemaal Annette ben, maar telkens in een iets andere rol. Een andere sociale benadering zal ik maar zeggen.
Ik denk niet eens dat dat bewust gebeurt. Pas wanneer je jezelf observeert en analyseert, zie je dat een mens dat blijkbaar doet.
Dus als ik dichter bij mijn ware aard wil komen, is kijken naar mijn geheimen misschien helemaal niet zo’n gek idee. Dat wat je niet deelt met de buitenwereld, maar wat diep vanbinnen beroering geeft, is vaak gevoelig en kwetsbaar.
Hmmm… er zit wel iets in die zin.
Misschien is het ook gewoon onzin hoor, maar interessant genoeg om even bij stil te staan.
Een uur later hoorde ik opnieuw een quote op televisie:
“Hij zou vooruit moeten kijken, niet terug.”
Tja… dat klinkt verstandig. Maar is dat eigenlijk wel zo?
In de eerste plaats geloof ik dat dit moment al genoeg beroering geeft. Maar wat dat eeuwige NU precies inhoudt, blijft moeilijk uit te leggen.
En okay, als we dan toch horizontaal denken: is vooruitkijken werkelijk beter dan terugkijken?
Volgens mij is weten waar je vandaan komt juist heel belangrijk. Weten waar je wortels liggen. Uit ervaring weet ik dat het niet echt kennen van je herkomst een soort missing link kan geven in je identiteit.
Door mijn CVA zijn er veel emoties uit het verleden vrijgekomen. Uiteindelijk heeft dat mij inzichten gegeven.
Wie wil ik nu zijn?
Wat kan ik loslaten?
Het verleden is als een legpuzzel die jou mede vormt tot wie je nu geworden bent. Ontbreken er stukken, dan draag je misschien iets met je mee dat je niet kunt benoemen, maar wel voelt.
En vooruitkijken? Is dat dan beter? Wordt daarmee bedoeld dat je doelen moet stellen?
Is de levensweg zelf niet het echte doel? Zien wat je onderweg tegenkomt? Niet alles vastleggen? Wel wensen mogen hebben, maar flexibel blijven?
Misschien is dat wel de beste manier van vooruitkijken.
“Wat een serieuze gedachten allemaal,” denk ik ineens.
Ik doe mijn oortjes in en ga op YouTube naar komieken kijken. Even lachen.
En dan gebeurt het weer.
Een wereldberoemde komiek zegt tegen een opkomend talent:
“Van alle komieken die ik ken, weet ik dat humor vaak uit een donkere plek komt. Jij hebt een zwarte bladzijde omgedraaid naar iets positiefs door er humor van te maken.”
Wow… die kwam even binnen.
Michel zei vroeger altijd dat hij nog nooit met iemand zoveel gelachen had als met mij. Volgens hem zei ik iedere dag wel iets grappigs of absurds.
Nu ik eraan terugdenk, besef ik ineens dat ik met humor vaak de spanning doorbrak die hij voortdurend met zich meedroeg.
Nu ik samen ben met Ton, ben ik lang niet meer zo humoristisch. Een tijdje geleden dacht ik zelfs dat ik saai of ernstiger geworden was.
Maar misschien is het iets heel anders.
Misschien heb ik het clownsmasker gewoon niet meer nodig.
Grapjes die ik nu maak, maak ik omdat ze grappig zijn — niet meer om spanning te maskeren.
OOOOh wow.
Misschien verdwijnen sommige maskers niet doordat we slechter worden,
maar juist doordat we veiliger worden.
Alsof het lichaam langzaam begrijpt dat het niet meer voortdurend hoeft te beschermen,
op te vrolijken of spanning weg te lachen.
Misschien blijft er onder al die rollen uiteindelijk iets heel eenvoudigs over:
een mens die gewoon mag zijn.
De absurditeit van het leven
5 juni 2026
Gisterenavond zat ik op bed televisie te kijken toen ik ineens een enorm kabaal hoorde. Mijn bed staat nog geen vijftig centimeter van een grote raampartij vandaan. Direct beneden mijn raam ligt een sloot en aan de overkant staat een rij enorme platanen. Bij wijze van spreken kan ik de bladerkroon bijna aanraken.
Een stuk of vijf kraaien maakten ruzie en vlogen bijna tegen het raam aan. Eén tikte zelfs het glas aan, maar schoot in volle vaart weer terug de kroon in. Ze probeerden een kauw te verjagen die vervolgens voor mijn raam bleef zitten en geluiden maakte alsof hij me riep. Mijn hondje Puck begon hard tegen hem te blaffen, maar daar leek hij totaal niet bang voor te zijn. Hij bleef naar me kijken alsof hij zich hier veilig voelde.
Een tijdje geleden waren diezelfde kraaien ook al zo ongezellig bezig tegen een kauw en toen heb ik me ermee bemoeid. Zou dit dezelfde kauw zijn die ik toen gered heb?
Ik wilde hem eigenlijk binnenlaten, maar Ton zag dat niet zo zitten. Dus heeft hij zeker een half uur voor mijn raam gezeten, al kletsend terwijl hij me bleef aankijken. Ik hoop dat hij nog eens op visite komt.
Ik werd wakker na een droom over bloedcellen. Een mens kan toch vreemde dromen hebben. Terwijl ik hem opschreef op mijn dromenpagina kwam ineens een verhaal van Michel naar boven. Hij vertelde ooit dat hij in zijn jonge jaren LSD gebruikt had en toen met vrienden van Dordrecht naar Amsterdam was gereden. Die ervaring was hem altijd levendig bijgebleven.
Achter het stuur sloeg de LSD ineens in. Langzaam veranderden de snelwegen in aderen. De auto’s werden witte en rode bloedcellen. Alles bewoog en ademde. De auto werd als het ware richting het hart gepompt. Het aquaduct bij Schiphol voelde als een hartklep.
Michel kon daar heel schilderachtig over vertellen. Hij zei dat hij tijdens die rit geen wegen, auto’s of omgeving meer zag, alleen nog maar aderen, bloedvaten, cellen en het hart. En toch… toen hij weer bijkwam, was hij gewoon in Amsterdam aangekomen.
Zelf heb ik nooit drugs gebruikt. Misschien ben ik daar te verantwoordelijk of te braaf voor geweest. Of leef ik van mezelf al genoeg in een fantasiewereld. Ik heb geen drugs nodig om te associëren, mijn hersenen hebben het bijna uitgevonden.
Dan belt mijn jongste zoon. Hij had een discussie met zijn vriendin over baby’s.
“Ojee,” denk ik dan meteen. “Word ik oma?”
Nee gelukkig, pfffft.
Hij wilde weten of wij vroeger weleens even naar de buren gingen of een boodschap deden terwijl we de babyfoon meenamen.
In de eerste plaats hadden wij helemaal geen babyfoon. De baby’s sliepen naast mij op de kamer en ik liet ze nooit alleen. Nog geen seconde. Pas toen ze een jaar of vijf waren gingen ze voor het eerst een nachtje naar mijn zus.
Mijn zoon had ook zijn oudste zus gebeld om te vragen hoe dat vroeger bij ons ging. Zij vertelde hem precies hetzelfde: dat wij de kinderen altijd overal mee naartoe namen.
“Okay,” zei hij tevreden. “Dat wilde ik even weten.”
Daarna hing hij op om zijn vriendin terug te bellen.
Door dat telefoontje kwamen natuurlijk allerlei herinneringen boven. Toen mijn oudste dochter nog maar een paar maanden oud was, hadden opa en oma een vijftigjarig huwelijksfeest met diner. Een tante en oom zouden een avond op haar passen.
Ik vond het verschrikkelijk.
Eenmaal in het restaurant zat ik na een paar minuten met dikke tranen te huilen omdat ik zo snel mogelijk terug naar mijn kindje wilde. Nee, vooral toen ze zo klein waren, was dat voor mij geen optie.
Van de herinnering alleen al schoten de tranen opnieuw in mijn ogen. Zo nuchter als ik soms kan zijn, ben ik kennelijk in gelijke mate ook een enorme watje.
Na het telefoontje keken we op de buienradar en besloten we een route te maken en te gaan fietsen. Heerlijk was het.
Alles is ineens zo vol gegroeid. Je kunt de sloten haast niet meer zien door de rijkdom aan oeverplanten. De borders staan vol wilde bloemen, opmerkelijk veel meer dan vorig jaar. Je merkt dat er bewust een ander beleid gevoerd wordt op dat gebied.
Geen regen, wel een blauwe lucht met witte, grijze en bijna zwarte wolken. Prachtig.
Halverwege gaan we altijd even op een bankje zitten om te genieten.
Dan hoor ik dichtbij: “Roekoe, roekoe.”
Ik moet lachen en vertel Ton dat ik vroeger een duif had die ik Roekie genoemd had.
Toen ik ooit op vakantie ging, zou mijn moeder voor haar zorgen. Na een week belde ik op om te vragen hoe het ging en natuurlijk vroeg ik meteen naar mijn duifje.
Mijn moeder antwoordde wat weifelend:
“Nou… het gaat niet zo best met haar.”
Ik schrok meteen.
“Wat heeft ze dan, mama?”
“Nee… ze is dood.”
Ik voelde direct die schrik en pijn in mijn hart.
“Hoe komt dat nou?”
En toen zei mijn moeder bloedserieus:
“Nou… ze is van haar stokkie gevallen.”
Echt waar. Dat zei ze letterlijk.
Het was zó absurd en slapstick-achtig dat ik in plaats van huilen enorm moest lachen.
Ton keek me aan met open mond en begon daarna ook hard te lachen.
Dromen kunnen absurd zijn. Drugs-trips kunnen absurd zijn. Gedrag kan absurd zijn. Ontmoetingen met dieren kunnen absurd zijn. Het leven zelf kan absurd zijn.
En misschien geeft juist die absurditeit een gevoel van vrijheid. Alsof alles mogelijk blijft. Alsof het leven zich niet volledig laat vastzetten in logica of regels.
Misschien is dat wel precies waarom het de moeite waard blijft om te leven.
Misschien zit vrijheid niet in het begrijpen van het leven, maar in het durven meebewegen met zijn vreemde kronkels. In het lachen tussen tranen door. In een kauw voor het raam, een herinnering onderweg, een moederzin die tegelijk pijnlijk en komisch is. Alsof het leven telkens opnieuw fluistert: kijk… alles beweegt, alles leeft.
Liedjes die blijven terugkomen
4 juni 2026
Liedjes. Gisteren had ik het over liedjes of songs die al mijn hele leven steeds terugkomen. Er zijn ook liedjes die jarenlang onderdeel waren van mijn actieve brein. Voor mij is het door ervaring in het leven duidelijk geworden dat er soms dingen gezegd worden die blijven hangen en vaak pas jaren later betekenis krijgen. Of ik zie iets dat in mijn geestesoog vast blijft zitten. Het verdwijnt meestal pas op het moment dat het zijn betekenis heeft kunnen blootleggen.
Toen ik jong was probeerde ik altijd direct op zoek te gaan naar die betekenis. Inmiddels weet ik dat het zo niet werkt. Tijd neemt zijn eigen tijd. Soms uren, soms dagen, soms jaren.
Tijdens mijn yoga-periode leerde ik dat geduld en discipline misschien wel de moeilijkste deugden zijn voor de mens. Shuni mudra: de duim tegen de top van je middelvinger, de handen rustend op je benen met de handpalmen naar boven gericht, ontvangend. In de filosofie wordt die vinger verbonden met de planeet Saturnus. Mijn sterrenbeeld is Steenbok, dus je zou kunnen zeggen dat ik een saturnaal mens ben. Veel geduld, uithoudingsvermogen en doorzettingskracht.
Maar daar staat vaak ook de andere kant tegenover. Wanneer ik niet goed in mijn vel zit, kan ik juist enorm ongeduldig worden en heel plotseling opgeven. Bijvoorbeeld van de ene op de andere seconde een relatie beëindigen. Dat heeft in het verleden voor grote, acute veranderingen gezorgd, met alle ellende van dien.
Mijn medaille is nu eenmaal -1000 tegenover +1000.
Eigenlijk besef ik nu, terwijl ik dit opschrijf, voor het eerst dat mijn plotselinge acties misschien niets anders zijn dan de andere kant van diezelfde medaille. Zo had ik het zelf nog nooit bekeken. Het opschrijven van mijn gevoelens en belevingen werkt werkelijk heilzaam wat betreft inzichten in mijn aangeleerde karakter en gedrag.
Hahaha… ik zit hier achter mijn laptop gewoon verbaasd te zijn. Echt top.
Terug naar een liedje.
Ik zing nog steeds op momenten....
“Telkens weer haal ik me in m'n hoofd. Dat ik die hemel krijg die me wordt beloofd. Telkens weer wordt alle blauw weer grauw. Sta ik teleurgesteld buiten in de kou. Maar weer denk ik, Er komt er één….Waar ik alleen voor leef, mijn hart aan geef. Bij wie ik vind dat wat ik nu ontbeer. Liefde voor altijd, telkens weer.”
Lang heb ik gezocht naar onvoorwaardelijke liefde, herkenning en erkenning. Mijn teleurstelling daarin was groot. Nu vind ik het nog steeds jammer dat dit blijkbaar zo moeilijk is, zelfs voor mensen die zeggen dat ze van je houden.
Maar toen kwam het lied van Whitney Houston: The Greatest Love of All.
Mijn kinderen hebben honderden keren achterin de auto gezeten terwijl ik dat nummer keihard aanzette en nog harder mee blèrde, met de tranen over mijn wangen stromend. Het besef dat ik de ware liefde uiteindelijk in mijzelf moest gaan vinden.
Iets dat makkelijker gezegd is dan gedaan.
Toch is dat vanaf dat moment een beweging geworden die ik langzaam in gang ben gaan zetten.
En nu pas bemerk ik dat ik voor het eerst echt liefdevol en zacht begin te worden voor mezelf.
En eerlijk?
Er is nog een hele weg af te leggen.
Misschien blijven sommige liedjes een leven lang terugkomen omdat ze iets raken wat nog niet volledig begrepen of doorleefd is.
Misschien vertelt wat een mens blijft zingen uiteindelijk meer over zijn verlangens dan duizend analyses ooit zouden kunnen doen.
En misschien begint echte liefde niet op het moment dat iemand anders ons volledig begrijpt, maar wanneer we langzaam zachter durven te worden voor onszelf.
Rode en zwarte ballonnen
3 juni 2026
De ene beroemde cabaretier zegt tegen de andere cabaretier:
“Jij doet eigenlijk hetzelfde als ik, alleen ik doe het met rode ballonnen en jij met zwarte ballonnen.”
“Ja,” dacht ik, “de een maakt humor over liefde, passie, feestvreugde en de simpele dingen die het leven mooi maken. De ander maakt humor over rouw, verdriet, worsteling en de simpele dingen die het leven zo moeilijk en ingewikkeld maken.”
Beide kunnen mij, goed uitgevoerd, enorm bekoren. Want uiteindelijk wordt er gelachen. En lachen werkt bevrijdend.
Zo is er een liedje dat in 1966 geschreven werd en dat ik als klein kind al zong, simpelweg omdat het mijn fantasie prikkelde. Later in mijn leven bleef het gewoon regelmatig door mijn hoofd gaan. Ik wil niet overdrijven, maar ik denk dat ik het minstens eens in de twee weken in gedachten zing. Of, als er niemand in de buurt is, gewoon hardop.
Het is een tragikomisch verhaal. Met rode en zwarte ballonnen, maar ook met rode en zwarte vlaggen. Een verhaal over liefde, verdriet, rouw, verraad, medeleven, oordeel, onschuld en totaal verschillende percepties.
Het lied werd geschreven én gezongen door iemand die zelf alcoholist was en uiteindelijk ook aan die verslaving ten onder ging.
Ik wil het hier plaatsen als onderdeel van mijn verhaal en mijn inmiddels bijna zestig jaar durende fascinatie ervoor. Misschien raakt het me al zo lang omdat het eigenlijk een universeel thema is, gebracht in een klein, bijna komisch verhaal.
Niemand ter aarde weet hoe het eigenlijk begon
Het droevige verhaal van de nozem en de non
Van de nozem en de non
Vroeg in het voorjaar ontmoetten ze elkaar
Ze keken elkaar aan en toen was de liefde daar
Ja, toen was de liefde daar
Sterk is de hartstocht, tijdelijk althans
De non vergat haar plichten en haar rozenkrans
Ze vergat haar rozenkrans
'T is wel te begrijpen, 't gebeurt toch elke dag
De nozem was verloren toen hij in haar ogen zag
Toen hij in haar ogen zag
Ze wandelden in het park in de prille lentezon
En honderdduizend kussen kreeg de nozem van de non
Kreeg de nozem van de non
Een zekere juffrouw Jansen gluurde door de ruit
Ze wist niet wat ze zag en haar ogen puilden uit
En haar ogen puilden uit
Een zekere heer Pieterman zat op zijn balkon
Hij stond stomverbaasd van de reacties van de non
Van de reacties van de non
"Leve de liefde", zei heer Pieterman galant
Maar juffrouw Jansen die belde naar de krant
Ja die belde naar de krant
Daar dachten allen, dat ze 't maar verzon
Dus belden ze de kapelaan en verklikten de non
En, verklikten ze de non
"Kijk", zei de kapelaan: "Da's nou echt weer duivelswerk"
Zo gauw ik er niet bij ben, beduveld hij de kerk
Dan beduveld hij de kerk
"In zulke dingen", zei hij: "Ben ik hard als beton"
Ik stuur de politie op het dak van de non
Van de nozem en de non
Dankzij juffrouw Jansen en de kapelaan
Maakte de politie er een einde aan
Ja, d'r kwam een einde aan
De non en de nozem gingen op de bon
Een schop kreeg de nozem, de zenuwen de non
Ja, de zenuwen de non
Want ze liepen namelijk zomaar in het gras
En de politie zei dat dat verboden was
Dat het gras verboden was
Niet om het één of ander, maar omdat het kon
Eindigde de liefde van de nozem en de non
Van de nozem en de non
Volgens Aristoteles weegt een zoen niet zwaar
Volgens de kapelaan is dat nou echt niet waar
Volgens mij... is 't nogal raar.
Of dit nu compleet nuchter geschreven is, of met roze olifanten erbij, maakt mij eigenlijk niet uit. Het vertelt op een humoristische manier hoe mensen zijn. In al hun goede bedoelingen.
Wat voor de één goed is, is voor de ander slecht.
En andersom.
Wij bewegen ons allemaal vanuit onze persoonlijke waarheid.
Misschien fascineerde dit lied mij als kind al omdat ik intuïtief voelde hoe ingewikkeld mensen eigenlijk zijn. Hoe liefde, oordeel, medeleven, bemoeizucht en moraal voortdurend door elkaar heen lopen.
Morgen wil ik verder onderzoeken waarom juist dit lied al bijna zestig jaar steeds terugkeert in mijn hoofd. Relativeer ik daarmee bepaalde situaties? Verzacht het iets in mij? Of herken ik ergens de absurditeit van het menselijk bestaan?
En er is nóg een liedje dat ik al mijn hele leven regelmatig zing of neurie.
Het dagelijks schrijven en terugkijken naar mijn eigen gedachten, herinneringen en associaties geeft mij opvallend veel rust en inzichten.
Die terugkerende liedjes vertellen waarschijnlijk óók een verhaal.
Misschien blijven sommige liedjes een leven lang bij een mens omdat ze iets aanraken wat nog ouder is dan woorden.
Misschien herkennen we onszelf soms niet in verklaringen, maar wel in ritmes, beelden en verhalen.
En misschien zegt wat een mens blijft zingen uiteindelijk veel over wat er diep vanbinnen gehoord wil blijven worden.
Dansen in de regen
2 juni 2026
De lucht was vanmorgen bewolkt, zelfs wat donker. Het regende licht, maar het voelde warm buiten. Terwijl ik naar mijn auto liep, dacht ik ineens aan de heftige zomerregens in Joegoslavië, waar ik als kind blij doorheen liep te dansen terwijl iedereen liever droog binnen bleef.
Op de fitness was het stil. Nog steeds wat benauwd ook. De airco blies ijskoude lucht in mijn nek, wat ik dan weer niet als prettig ervaar. Van de week hoorde ik op de radio dat de temperatuur op aarde gemiddeld met 0,2 graden per jaar stijgt en specifiek in Nederland zelfs met 0,4 graden. Terwijl ik aan de gewichten hing, begon ik verder te mijmeren.
Goh… zou dat betekenen dat de zomerregens hier uiteindelijk ook heftiger worden? En dat er steeds meer zware stormen ontstaan? Niet dat ik daar echt verstand van heb, maar ergens lijkt me dat logisch.
In de auto terug naar huis zien we donkere wolken aankomen. Het geluid van de radio dringt langzaam tot me door. Een gesprek met een meteoroloog. Heel Nederland krijgt code geel, er komt zware regenval aan en waarschijnlijk stevige windstoten. De interviewer vraagt of dit samenhangt met de opwarming van de aarde. Er volgt een heel verhaal over warmere lucht die meer vocht vasthoudt en daardoor ineens veel heftiger regen kan loslaten.
“Nogal logisch,” zeg ik tegen Ton. “Daar zat ik daarnet nog over te filosoferen.”
En zoals altijd begint mijn hoofd daarna weer verder te dwalen.
Klimaatverandering lijkt ook gepaard te gaan met gedragsverandering van de mens. Minder respect. Grotere verschillen die mensen niet meer lijken te willen of kunnen overbruggen. Vergrijzing. Nu zijn er nog veel mensen, maar over een generatie ziet de wereld er waarschijnlijk alweer heel anders uit.
We denken vaak in kleine afgesloten kaders, maar kunnen we ons leven niet zien als onderdeel van een veel groter geheel? Existentieel. Universeel. Waardoor mijn overdenkingen misschien niet slechts metaforen zijn, maar ook een richting aangeven?
Thuis stort ik weer volledig in. Zo moe ben ik van die benauwde lucht. Ik slaap ruim twee uur en word pas wakker wanneer het buiten letterlijk donkergrijs is geworden. De regen komt met bakken uit de hemel.
Heerlijk vind ik dat.
Ik zet het raam open en ruik de frisse natte lucht. Ik hoor het gekletter op het asfalt. De grote bomen vlak voor mijn raam zwiepen met hun felgroene bladeren heen en weer in de aanval van wind en stortregen.
Mijn zus belt en vertelt dat ze met haar scootmobiel is gevallen. Het enige waar ze op dat moment aan dacht was haar hondje, dat die zich geen pijn zou doen. Zelf heeft ze een grote wond op haar been en is ze bont en blauw. Voortaan zal ze in een bocht heuvelop waarschijnlijk iets minder hard rijden.
Ze is vandaag ook naar de crematie geweest van een vriend. Een man die altijd met enorm veel plezier salsa danste. Ze had gehoopt dat daar tijdens de uitvaart ook iets van terug zou komen, maar ze had het geheel als bevreemdend ervaren.
Tijdens zo’n gesprek schieten er allerlei verschillende uitvaarten door mijn hoofd.
Hoe wil iemand eigenlijk dat er gerouwd wordt?
Met tranen?
Met een lach?
Of allebei, omdat ze misschien onderdeel zijn van dezelfde medaille?
Wil je vooral het intense verdriet delen?
Of juist het leven van iemand vieren?
Het kan allemaal.
Voor mij ligt dansen in de regen het dichtst bij mijn gevoel van leven, liefde, rouw en dood.
Misschien probeert de natuur ons voortdurend te laten zien dat alles beweegt, verandert, verdwijnt en opnieuw begint.
Misschien zijn regen, verdriet, liefde en opluchting veel minder gescheiden van elkaar dan wij vaak denken.
En misschien lijkt dansen in de regen daarom zo op leven zelf — kwetsbaar, tijdelijk, nat, ongecontroleerd… en toch wonderlijk levend.
Namen in het landschap
1 juni 2026
Na weer een vreselijk pijnlijke nacht sta ik toch vrij monter op. Hoe dan ook heb ik zin in de dag. Op mijn fietsknooppunten-app heb ik een route van dertig kilometer door de bossen rond Ede gemaakt. Het is lekker weer, niet te warm en niet te koud. Perfect fietsweer zal ik maar zeggen.
We fietsen vrijwel alleen maar door bossen, heidevelden, gerstvelden en uienvelden. Heel opvallend zijn de paarse rododendrons die we werkelijk overal zien. In tuinen netjes gesnoeid, maar in het wild ook als enorme struiken van drie tot vier meter hoog. De huizen die we tegenkomen zijn gigantisch en opvallend veel land en bos blijkt privébezit te zijn.
Het enige dorp waar we echt doorheen fietsen is Lunteren. Tja… Lunteren. Dat is wel heel bekend voor mij. Maar waarvan? Schoolkamp? Of die psychiatrische kliniek midden in de bossen waar mijn broer ooit verbleef? Wat precies weet ik niet, maar Lunteren voelt vertrouwd.
Ik zie een autobedrijf genaamd Koudijs, met een enorm elektronisch bord waarop de datum en temperatuur worden aangegeven: 27 graden. Dat soort dingen ontgaan mij niet.
We komen langs een terras met een enorm Vrijheidsbeeld als trekpleister waar we even wat gaan drinken. Binnen worden we ontvangen door twee levensgrote beelden van de Blues Brothers. Dat brengt me direct terug naar mijn verkeringstijd met Michel. We hebben zó vaak samen gedanst op hun muziek. Binnen is alles ingericht in Amerikaanse jaren vijftig- en zestigstijl. Mijn gedachten dwalen daardoor weer af naar mijn tijd met de vader van mijn oudste dochter. Wij struinden vroeger overal rond om originele spullen uit die tijd te verzamelen.
Het gaat allemaal door me heen. Ik praat er niet over.
Na een heerlijke rit komen we uiteindelijk terug bij de bus om de fietsen in te laden. Maar dan… start de bus niet. Rustig wacht ik af terwijl Ton probeert dat ding weer aan de praat te krijgen. Het lukt uiteindelijk na een kwartiertje. Wonder boven wonder lukt het mij om die fijne sfeer van de ochtend vast te houden.
We besluiten terug naar huis te rijden en de TomTom op ‘snelwegen vermijden’ te zetten. Geweldig hoe je binnendoor via de Veluwe langzaam de Betuwe in rijdt en het landschap ziet veranderen.
We praten nog even over het stukje dat ik geschreven heb over Hans Dorrestijn. Ton verbaast zich er iedere keer weer over dat ik nog zoveel letterlijk onthoud.
“Nee,” zeg ik, “ik koppel aan heel veel woorden associaties, waardoor ze een soort meervoudige betekenis krijgen en dus makkelijker te onthouden zijn. Dat doe ik overigens niet bewust, het gebeurt gewoon zo in mijn brein.”
Ton beaamt dat hij dat weet, maar zegt tegelijkertijd dat hij er toch iedere keer weer versteld van staat.
Inmiddels is het al bijna half drie en mijn maag begint flink te knorren. Op mijn mobiel kijk ik op Maps, toets restaurants aan en zie dat we over driehonderd meter rechtsaf moeten. Ton luistert direct. Dat is op zulke momenten echt prettig. Binnen een paar minuten staan we bij een ontzettend leuke uitspanning aan een plas met strand en natuur eromheen: Woody’s Beachclub. Vriendelijke bediening en het gevoel alsof je aan zee zit midden in de Betuwe.
Daarna vervolgen we onze route en komen op een dijk terecht. Zo’n hoge steile dijk waar je elkaar langzaam moet passeren en allebei nét naast het asfalt wegzakt. Verschrikkelijk.
Normaal wil ik zelf rijden, maar dat kan niet met die bus. Ik moet me volledig overgeven aan de rijkunsten van Ton. Dat is voor mij niet echt makkelijk. Wanneer ik op vakantie ben, kan ik vaak niet naar de wc. Deze dagen dus ook niet. Mijn hartstreek trekt langzaam samen en ondertussen moet ik letterlijk mijn billen dichtknijpen van angst. Pfffft… gelukkig zijn we uiteindelijk van die dijk af.
Om mijn schreeuwende lichaam weer te kalmeren probeer ik langzaam en diep adem te halen en me volledig te focussen op wat ik buiten zie. Dan zie ik een windturbine met de naam ‘De Ranke Zwaan’. Daarna nog een: ‘De Witte Juffer’. En nog een: ‘Het Rode Hert’.
Dat is apart, denk ik dan.
Drie turbines naast elkaar met namen van een vogel, een juffer en een hert. Waar zit de overeenkomst? Waarom juist deze namen? Dat ga ik thuis uitzoeken.
Thuis breng ik eerst een bezoek aan het kleinste kamertje, zelfs zonder eerst de hondjes te begroeten. Zij begroeten mij overigens wél in dat kamertje. Daarna alle aandacht voor de hondjes en vervolgens ga ik op onderzoek uit.
Het blijken bekende turbines te zijn die zelfs in het nieuws geweest zijn. Twee staan stil vanwege technische problemen en veroudering. Alleen De Witte Juffer draait nog door. Maar daar ben ik nog niet tevreden mee.
Waarom juist dié namen?
De Ranke Zwaan verwijst naar het sierlijke uiterlijk van de turbine. De Witte Juffer blijkt zowel een oude technische benaming te zijn als een verwijzing naar een jonge vrouw. En Het Rode Hert verwijst naar de natuur en kracht van het landschap.
Goed… ik snap nu dat ze gezien worden als individuen en niet zomaar als drie windmolens naast elkaar.
Maar dat witte juffertje… daar blijf ik dan weer even over struikelen.
Mijn gedachten gaan weer hun eigen weg en komen uiteindelijk uit bij witte wieven, sagen en oude vrouwelijke geestverschijningen. En ineens denk ik aan Clara, Bianca en Alba uit Het huis van de geesten van Isabel Allende. Drie namen die allemaal verwijzen naar witheid, licht of zuiverheid.
Wat uiteindelijk ook besloten wordt over deze drie turbines van Culemborg… in mijn hoofd heten ze vanaf nu gewoon Clara, Bianca en Alba.
Zo zie je maar weer wat een druk bestaan ik heb terwijl ik vrijwel niets doe…..
Misschien is een landschap nooit alleen maar landschap, maar ook een verzameling herinneringen, associaties en gevoelens die onderweg vanzelf mee beginnen te bewegen.
Misschien zoekt mijn hoofd niet eens bewust naar betekenis, maar ontstaat die zodra iets mijn aandacht grijpt.
En misschien begint creativiteit precies op het moment dat gewone dingen ineens een eigen verhaal terug beginnen te vertellen.
Na de regen komt Dorrestijn
31 mei 2026
“Als je dood bent mis je niets.”
Dat was de binnenkomer van Hans Dorrestijn tijdens zijn laatste optreden waar wij vandaag bij aanwezig waren. De titel van de middag: Na de regen komt Dorrestijn.
De vraag die dan direct in mij opkomt is:
wil ik het leven eigenlijk missen?
Zijn zwartgallige humor en die bijzondere monotone, krakerige stem maken alles tegelijk absurd, grappig en ook een beetje waar. Hij beschrijft in liedjes en gedichten hoe ellendig het leven soms is, om er vervolgens toch weer een kwinkslag aan te geven. Het gaat daarbij niet eens altijd over grote drama’s, maar juist over heel gewone dingen. Zoals in de rij staan bij de PLUS-supermarkt.
Hij vertelde over zijn eerste confrontatie met de dood. De kuikentjes die hij als kind had gekregen waren per ongeluk vergiftigd. En na een dag lagen ze daar dood. Ja… en wanneer iets eenmaal dood is, komt het niet meer terug.
Dat definitieve.
Dat onherroepelijke.
Hij noemde allerlei collega’s en bekenden, voor ons bekende Nederlanders, die inmiddels allemaal overleden zijn. Hoe de dood eigenlijk zijn hele leven al een rol speelt. Zijn depressies en zelfmoordpogingen die uiteindelijk bij pogingen bleven omdat hij het toch niet echt durfde door te zetten.
Nu is hij vijfentachtig jaar en lijkt hij het leven inclusief de dood meer te accepteren.
Hij bezocht een natuurbegraafplaats en vond daar een plek bij een klein boompje waar precies op dat moment een boompieper neerstreek. Nog nooit had hij dat vogeltje van zo dichtbij kunnen bekijken. Even later kwam er nóg een boompieper bij zitten en toen wist hij:
onder deze boom wil ik begraven worden.
De dame die deze middag georganiseerd had is begrafenisonderneemster. Zij hoopt dat mensen tijdens hun leven meer over de dood en hun wensen praten. Zodat rouw niet als een rauwe schok uit de lucht komt vallen wanneer het eenmaal zover is.
De dood hoort volgens haar bij het leven en leeft nog veel te veel in een taboesfeer.
Zelfs humor mag daar onderdeel van zijn.
Hij vertelde ook over zijn boze stiefvader. Een vreselijke man waar hij vooral slechte herinneringen aan had. Op een dag vraagt die man op zijn sterfbed of Hans en zijn broer nog langs willen komen.
Dus zij denken:
“Misschien wil hij alsnog schoon schip maken.”
Ze gaan erheen…
…en vervolgens bleef hij daarna nóg vijftien jaar leven.
Daar schreef Hans Dorrestijn een liedje over dat werkelijk de hele zaal liet schaterlachen:
Ging ome Jan maar dood
Zijn onwil is heel groot
Dus, ome Jan die blijft bestaan
Al wordt hij geslacht als een kip of een haan
Al roosteren we hem in de koekepan
Daar wordt hij alleen maar levendiger van
Ging ome Jan maar dood
Ging ome Jan maar dood
Die lamstraal wordt wel honderd jaar
Al knippen we 'm open met een schaar
Al slaan we een moker op zijn kop
Daar knapt die ouwe lul van op
Ik hou van dit soort eerlijkheid. Van gevoelens die er gewoon mogen zijn zonder dat het zwaar of dramatisch hoeft te worden. Voor mij is dat levenskunst.
Niet jezelf heilig verklaren.
Niet doen alsof donkere gevoelens niet bestaan.
Maar ze onder ogen durven komen, erom kunnen lachen en ze omzetten in kunst.
Ik voelde me vandaag echt bevoorrecht aanwezig te mogen zijn bij deze laatste ontmoeting met een bijzonder mens.
Ik wens hem nog vele jaren.
Rust.
Natuur.
En nog heel veel boompiepers.
Misschien wordt de dood pas echt ondraaglijk wanneer mensen doen alsof hij niet bestaat.
Misschien helpt humor soms beter omgaan met het leven dan serieusheid ooit zal kunnen.
En misschien is levenskunst niet het vermijden van donkerte, maar het vermogen om er met open ogen én een glimlach naar te blijven kijken.
Beurs
30 mei 2026
Vanmorgen ben ik weer gaan trainen. In het begin viel het me zwaarder dan ik had verwacht. Thuis is het ondertussen wat rommelig geworden doordat ik met die hitte simpelweg geen puf had om iets te doen. Vandaag heb ik eindelijk weer een plan opgevat én uitgevoerd.
Voor het eerst sinds lange tijd merk ik dat er weer allerlei creatieve ideeën door mijn hoofd beginnen te bewegen. Nog niets concreets, maar er komt duidelijk weer iets op gang.
Morgen gaan we twee daagjes weg en mijn zoon komt op de hondjes passen. Dat is voor het eerst dat iemand hier in huis komt oppassen. Mijn kinderen hebben hier nooit gewoond, dus de gewoontes die wij hier hebben zijn voor hen onbekend.
Miss Organisatie is niet voor niets mijn tweede naam, dus heb ik natuurlijk een overzichtelijke lijst gemaakt met wat wel en niet te doen.
Waarschijnlijk kijkt hij er niet eens naar, maar voor mijn eigen gemoedstoestand werkt het prima.
Ondertussen merk ik ook dat ik het steeds beter los kan laten wanneer het huis er niet perfect opgeruimd en schoon uitziet zoals ik het eigenlijk het liefst zou willen. Zeker op momenten waarop het lichamelijk gewoon te veel is, leer ik steeds meer om niet te zeuren maar juist blij te zijn met alles wat Ton wél doet.
Want laten we eerlijk zijn: als mijn lichaam niet lekker aanvoelt, dan kan brommen soms best prettig zijn.
Het is ongelooflijk, maar ik word nog steeds iedere dag blauwer. Het begint nu echt flink door te zetten en voelt vooral beurs aan.
Dat is trouwens ook zoiets.
Ton vindt mijn uitleg over pijn vaak vreemd of moeilijk te volgen. Ik ervaar beurs namelijk niet direct als pijn, maar eerder alsof dat specifieke deel van mijn lichaam misselijk is. Hoe kan een been, rug of bil nu misselijk zijn?
En toch is dat precies de juiste omschrijving voor het nare gevoel dat mij daar beperkt.
De plek die echt gemeen pijn doet zit midden op mijn bil, precies waar ik gevallen ben. Daar is nauwelijks iets te zien, behalve een harde bobbel.
Wat dat betreft lijkt een lichaam eigenlijk op het leven zelf.
De echte oorzaak zit diep vanbinnen. Ingekapseld, verhard en vaak nauwelijks zichtbaar.
Op andere plekken laat het zich vervolgens wel zien.
Zoals Ton mijn gebrom over zich heen krijgt terwijl hij eigenlijk helemaal niet de oorzaak is. Hij is gewoon een belangrijk onderdeel van mijn bestaan geworden. Een soort verlengstuk van mezelf.
Dus ik blauw… en hij krijgt hem rauw.
Ach gossie… gelukkig begrijpen we allebei inmiddels wel dat oorzaak en gevolg lang niet altijd op dezelfde plek zichtbaar worden.
Nu kijken we uit naar onze mini-trip. Even allebei eruit. Even weg uit de malaise van de afgelopen weken. Letterlijk van omgeving veranderen helpt ook bij herstel.
En ik weet bijna zeker dat mijn brein onderweg alweer van alles oppikt om creatief te verwerken.
Het begint weer te kriebelen.
Ik denk dat ik binnenkort weer eens aan een nieuw project ga beginnen.
Misschien ontstaan creatieve impulsen juist op het moment dat een mens langzaam weer wat ruimte begint te voelen in zichzelf.
Misschien laten lichaam en emoties zich zelden precies zien op de plek waar de werkelijke oorzaak ligt.
En misschien is herstel niet alleen genezing van pijn, maar ook het moment waarop nieuwsgierigheid en levenslust langzaam weer beginnen terug te keren.
Een beetje geven en nemen
29 mei 2026
Vandaag ben ik naar de revalidatiearts geweest. Zij was blij verrast om te zien dat ik sneller beweeg en dat zij met slechts een klein tikje mijn lichaam alweer kon rechtzetten. Mijn blauwe rug en been zullen nog wel even nodig hebben om te herstellen, dat moet het lichaam nu eenmaal zelf oplossen. Maar verder was ze overwegend erg tevreden over mijn conditie en de manier waarop ik train.
Ze heeft mijn hele lichaam nagelopen en was met enkele correcties alweer klaar. Eigenlijk betekent dat dat mijn basisconditie en spieractivatie beter zijn dan vóór mijn trainingstraject. Anders zou zo’n harde val mijn lichaam veel langer en dieper hebben ontregeld.
En ja… ze zag ook duidelijk dat ik meer spieren heb opgebouwd.
Wat mijn gewicht betreft moest ik volgens haar vooral het boek van Liesbeth van Rossum lezen. Zij ziet de leefstijl-kliniek toch een beetje als een hype. In haar ogen reageert mijn lichaam juist goed op training en bouw ik daadwerkelijk functionele kracht op. Mijn lichaam zit volgens haar duidelijk niet alleen in achteruitgang of compensatie.
Ze had me al een half jaar niet gezien en was echt verbaasd dat ik zoveel soepeler en sneller beweeg.
Voor mij voelde dat als het grootste opsteker van deze week.
Zij is iemand die ik enorm respecteer, zowel als arts als mens.
Ze legde ook uit hoeveel invloed stress, slaap, hormonen, zenuwstelsel, medicatie, temperatuur, chronische belasting en lichamelijke aandoeningen kunnen hebben op gewicht en herstel. Ze maakte heel duidelijk dat het volgens haar niet simpelweg aan mijn leefstijl ligt.
Dat gaf me een gevoel van erkenning en herkenning.
De leefstijl-kliniek zelf heeft overigens nog steeds geen contact opgenomen, maar ik heb de cardioloog beloofd het programma toch te proberen. En wie weet word ik er inderdaad nog wijzer van… maar waarschijnlijk niet lichter, hahaha.
Thuis heb ik direct het boek van Liesbeth van Rossum besteld zodat ik het alvast op mijn laptop kan lezen.
Wat ik vandaag misschien nog wel het meest voelde, is dat ik steeds beter controle houd over mezelf én tegelijkertijd de artsen tegemoet kan komen in hun ideeën. Dat is eigenlijk een enorme verschuiving in mijzelf.
Een beetje geven en nemen maakt de relatie met artsen beter, maar uiteindelijk ook de relatie met mezelf denk ik.
Want hoe ik het ook draai of keer: ik heb artsen toch nodig, zeker nu ik wat ouder word. Na een leven zonder medicijnen en zonder artsen moet ik er nu toch langzaam aan geloven.
En eerlijk gezegd mag die innerlijke strijd daarover ook wel eens ophouden. Dat gevecht maakt alles alleen maar moeilijker.
Met vriendelijkheid verloopt communicatie beter. Mensen luisteren ook sneller wanneer ik ergens bezwaar tegen heb of iets niet wil. Dat wist ik ergens altijd al. Alleen zat er blijkbaar een dikke laag PTSS achter die mij direct strijdlustig maakte zodra ik een arts of specialist tegenover mij had.
Ben ik nu ouder en wijzer geworden?
Of is dat CVA van vorig jaar werkelijk een kantelpunt geweest?
Vandaag ben ik nog steeds bont en blauw. Maar tegelijkertijd ook een trots en tevreden mens.
Misschien betekent sterker worden niet alleen lichamelijk herstellen, maar ook zachter leren omgaan met jezelf en de mensen om je heen.
Misschien zit echte kracht niet in voortdurend vechten, maar juist in het vermogen om open te blijven zonder jezelf kwijt te raken.
En misschien ontstaat vertrouwen niet doordat alle angst verdwijnt, maar doordat een mens langzaam ontdekt dat samenwerking soms veiliger is dan strijd.
Door dik en dun
28 mei 2026
Een dag van afzien.
Zo vreemd dat ik nu pas steeds blauwer, groener en paarser word. Ook nu pas krijg ik echt het gevoel dat ik flink in elkaar geslagen ben. Totaal ongemakkelijk in mijn lichaam, met ergens op de achtergrond een lichte snik, besloot ik opnieuw maar niets te doen vandaag.
Mijn herstelscore op mijn Fitbit liet ook duidelijk zien dat rust waarschijnlijk de beste oplossing was.
Langzaam begon het weer warmer te worden en voordat ik het wist was ik overdag opnieuw in een diepe slaap gevallen. Toen ik wakker werd was ik werkelijk doodmoe. Ik moest alle zeilen bijzetten om bijvoorbeeld alleen al naar het toilet te kunnen lopen.
Van verschillende vrienden en kennissen zie ik ondertussen mooie beelden voorbij komen. Fijne vakanties, gezellige uitjes, terrasjes, wandelingen. Dan besef ik ineens dat dit soort dingen voor mij waarschijnlijk nooit meer vanzelfsprekend zullen zijn zodra het te warm wordt.
Alhoewel…
Ik heb inmiddels al bij een apotheek geïnformeerd naar een koelvest.
En…
We hebben voor dit weekend zelfs een hotelletje geboekt nadat we zagen dat het minder warm zou worden.
Hahaha… nu zie ik ondertussen dat er juist regen voorspeld wordt, dus dat is dan weer typisch pech.
Ondertussen heeft Ton een airco in mijn slaapkamer gezet, waardoor ik me gelukkig iets beter voel.
Mijn hondje ligt de hele dag naast me. Ze slaapt, reageert af en toe even op een geluid, om daarna weer rustig verder te slapen. Soms likt ze even aan mijn voeten en dut daarna weer door.
Wanneer ik even uit bed stap, loopt ze direct mee. En wanneer ik terugga, gaat zij ook weer mee terug.
Ze is er gewoon.
Door dik en dun.
Ooit heb ik haar gered uit een vervelende leefsituatie.
Maar ondertussen vraag ik me soms af:
wie redt nu eigenlijk wie?
Misschien zit echte trouw niet in grote woorden, maar juist in stil aanwezig blijven naast iemand.
Misschien leren dieren ons soms beter dan mensen wat onvoorwaardelijke nabijheid werkelijk betekent.
En misschien bestaat liefde uiteindelijk niet uit oplossingen, maar uit het simpele feit dat iemand — of iets — blijft wanneer het moeilijk wordt.
Lichaam Annette
27 mei 2026
Vandaag bezocht ik mijn broer in het ziekenhuis. Hij ligt daar alleen op een kamer. Geen uitzicht, behalve op een wc-pot. Een open wond aan zijn voet, een katheter, een drain en een lichaam dat zichtbaar onrustig geworden is door alles wat er gebeurt.
Mijn broer is altijd een gezonde man geweest. Sportief ook. Hij zat op turnen, voetbal en badminton. Altijd soepel, springerig en in balans. En nu ligt hij daar met Parkinson en een aandoening aan zijn voet die maar niet goed lijkt te komen. Zijn hele zenuwsysteem lijkt van streek.
Terwijl hij zo lag te trillen zei hij ineens:
“Ik ben niet zenuwachtig hoor.”
Ik moest daar even om lachen en zei direct dat ik dat begreep.
En toen vroeg ik hem:
“Snap je nu waarom ik Annette altijd heb losgekoppeld van lichaam Annette?”
Nu kon hij zich daar ineens wel iets bij voorstellen.
Onderweg naar huis bleef die zin in mijn hoofd hangen. Ik realiseerde me opnieuw hoe sterk veel mensen zich identificeren met hun lichaam en uiterlijk. Heel begrijpelijk natuurlijk. Zeker wanneer je lichaam altijd vanzelfsprekend heeft gefunctioneerd. Dan bén je dat sterke lichaam, die soepelheid, die gezondheid.
Bij mij is dat altijd anders geweest.
Vroeger ervaarde ik Annette en lichaam Annette echt als twee verschillende entiteiten. Niet vanuit afwijzing van mijn lichaam, maar omdat mijn lichaam nooit volledig deed wat ik innerlijk voelde of wilde. Daardoor ontstond er al jong een soort onderscheid tussen degene die waarneemt, voelt, denkt en leeft… en het lichaam dat dat allemaal moest uitvoeren.
Toch heb ik lichaam Annette altijd heel serieus genomen. Niet als vijand, maar als instrument. Een vertaler van wat er innerlijk leeft. Via mijn lichaam neem ik sfeer waar, spanning, emoties, pijn, liefde, authenticiteit en onrust. Mijn lichaam reageert vaak sneller dan mijn gedachten.
Misschien is dat ook waarom ik nooit volledig ben samengevallen met mijn lichamelijke functioneren of uiterlijk. Annette voelde voor mij altijd groter dan alleen het lichaam.
En toch leef ik wel volledig dóór dat lichaam heen.
Dat vind ik zelf eigenlijk ook bijzonder nu ik het zo opschrijf.
Want misschien heb ik lichaam Annette altijd gezien als een soort levenspartner. Soms werkte ze mee, soms niet. Soms luisterde ik goed, soms was ik boos of gefrustreerd. Maar altijd was er een samenwerking tussen die twee.
Nu ik mijn broer zie worstelen met een lichaam dat hij niet meer volledig begrijpt of kan vertrouwen, voel ik ook steeds meer empathie voor mensen die altijd gezond zijn geweest en ineens iets krijgen.
Vroeger dacht ik vaak:
“Nou, dan pas je je toch gewoon aan?”
Of:
“Dan zoek je toch een andere manier?”
Ik haalde daar vrij makkelijk mijn schouders over op.
Nu begin ik steeds beter te begrijpen hoe groot die innerlijke schok eigenlijk moet zijn wanneer een mens plotseling merkt dat zijn lichaam niet meer vanzelfsprekend functioneert.
Misschien word ik zachter.
Niet alleen naar andere mensen, maar ook naar mezelf.
Misschien bestaat een mens niet alleen uit een lichaam, maar ook uit degene die het lichaam waarneemt, probeert te begrijpen en ermee leert samenwerken.
Misschien ontstaat echte mildheid op het moment dat we beseffen hoe kwetsbaar én bijzonder die samenwerking eigenlijk is.
En misschien begint wijsheid niet bij het loslaten van het lichaam, maar juist bij het leren luisteren naar wat lichaam en bewustzijn elkaar proberen te vertellen.
Noodweer
26 mei 2026
Noodweer. Wanneer je dit woord opzoekt, staat het in de dagelijkse taal voor extreem zwaar weer zoals storm, onweer en zware regenval. Tja… ik ben iemand die tot op zekere hoogte juist geniet van noodweer. Lekker binnen luisteren naar het gekletter van regen of de wind die rond het huis giert. En daarna die frisse lucht, alsof het leven weer helder wordt.
Natuurlijk heb ik het dan niet over rampen zoals tornado’s of orkanen, die heel beangstigend kunnen zijn.
Als ik het over noodweer heb, dan heb ik het over hitte.
Zodra de temperatuur boven de vijfentwintig graden uitkomt, begint mijn lichaam het zwaar te krijgen. Aanvankelijk kan ik er net als iedereen nog wel een beetje van genieten, maar wanneer de nachten niet voldoende afkoelen, gaat bij mij langzaam het licht uit. Vandaag is de derde warme dag op rij, zelfs tweeëndertig graden buiten. Het appartement houdt de warmte van de afgelopen dagen vast. Gelukkig nog wel koeler dan buiten, maar mijn lichaam vertraagt merkbaar.
Dik veertig jaar geleden ben ik gestopt met specialisten bezoeken omdat ik me een proefkonijn voelde. Waarschijnlijk was dat destijds ook echt zo. Maar genoeg was genoeg. Ik ben zelf expert geworden op het gebied van mijn neurologische aandoening en vond steeds manieren om ermee om te gaan.
Vandaag bedacht ik me ineens dat er tegenwoordig misschien veel meer kennis bestaat over CMT en dat er online misschien nuttige informatie te vinden is.
Tegelijk dacht ik:
“Ja Netje… misschien is dit wel een nieuwe stap in acceptatie.”
Misschien dacht ik al die jaren dat ik mijn aandoening volledig had geaccepteerd, terwijl mijn weerstand tegen andere expertise misschien iets anders vertelde.
Er blijkt tegenwoordig zelfs een CMT-expertisecentrum te bestaan. Wow. Op de website staat dat je vragen kunt opsturen, alleen blokkeert uitgerekend het verplichte invulveld. Echt iets voor mij natuurlijk. Laat ik me hierdoor weer uit het veld slaan? Of zoek ik gewoon een andere manier om contact op te nemen?
Ik lees ook dat er voor MS-patiënten zoiets bestaat als een koelvest. Misschien is dat ook iets voor mij.
Een stukje tekst over warmte en CMT doet me opvallend goed. Bevestiging blijkt toch prettig te zijn.
Een hoge temperatuur kan bij CMT-patiënten leiden tot verslechtering van zenuwsignalen, met extra spierzwakte, vermoeidheid en oververhitting als gevolg. Omdat ook temperatuurgevoel en zweetregulatie vaak zijn aangetast, bestaat bovendien een groter risico op hitte-uitputting of zelfs onopgemerkte brandwonden.
De uitleg is nog veel uitgebreider, maar alleen al het herkennen van mijn klachten stelt me gerust.
Misschien voel ik me diep vanbinnen toch nog af en toe een zeurpiet. Dat bedoel ik eigenlijk met acceptatie.
Wanneer Ton me soms wat meelijwekkend aankijkt, ben ik niet bepaald vriendelijk en vlucht hij meestal snel richting woonkamer.
De zomer moet nog beginnen, dus hopelijk kan ik me daar fysiek én mentaal met een nieuwe spirit op voorbereiden.
Wie weet bestaan er tegenwoordig bruikbare tips waardoor ik actief kan blijven zonder volledig leeg te lopen. Misschien leer ik mijn humeur beter reguleren. Dat zou fijn zijn. Voor mezelf, maar ook voor mijn directe omgeving — Ton in dit geval.
Zo zie je maar: een mens is blijkbaar nooit te oud om te leren.
Ik ben drieënzestig jaar geworden voordat ik actief op zoek ging naar oplossingen om de zomer door te komen zonder als een zombie binnen in huis te zitten.
Nu ik dit zo opschrijf, voel ik eigenlijk vooral vertrouwen in mezelf.
Misschien betekent acceptatie niet dat een mens stopt met zoeken, maar juist dat er ruimte ontstaat om nieuwe hulp of inzichten toe te laten.
Misschien zit kracht niet alleen in zelfstandig doorgaan, maar soms ook in durven erkennen wat moeilijk blijft.
En misschien is vertrouwen niet het gevoel dat alles gemakkelijk zal gaan, maar het besef dat je jezelf onderweg steeds beter leert begrijpen.
Het verschil tussen leven en dood
25 mei 2026
Hans Dorrestijn: “Het verschil tussen leven en dood is mij te groot.”
Ton kwam deze uitspraak tegen in de krant. Hij vond het zó humoristisch dat hij direct het hele artikel verder ging lezen. Daarna vroeg hij hoe ik het zou vinden om volgende week naar een lezing en muzikale middag van Hans Dorrestijn te gaan.
Hartstikke leuk natuurlijk.
Hans Dorrestijn is tekstschrijver, cabaretier en ook vogelaar. Hij heeft zo’n heerlijke zwartgallige humor die hij met zijn bijzondere krakerige stem bijna monotoon brengt. Ik moet daar altijd om lachen. Hij heeft iets nuchters waar ik van hou. En de manier waarop hij naar onze gevleugelde vrienden kijkt vind ik werkelijk prachtig.
“Vroeger was ik leuk. Toen schreef ik over drank en dronkenschap, over mijn ongelukkige huwelijk, over seks en het gebrek daaraan”, schrijft Hans Dorrestijn in zijn Vogelgids. “Goddank hebben al die verschrikkingen plaatsgemaakt voor iets prettigs.”
Dat prettigs blijkt vogels kijken te zijn. En gelukkig voor ons: er ook over schrijven.
Dorrestijns Vogelgids is wat mij betreft één van de grappigste boeken over vogels die er bestaat. En nog leerzaam ook.
Ik herken dat gevoel ergens wel. Dat vroeger alles draaide om ellende, verdriet, depressieve gevoelens, ingewikkeldheden en worstelingen. En dat nu ik ouder word veel daarvan langzaam achter mij lijkt te liggen. Dat ik oprecht kan genieten van eenvoudige dingen: de hond die mij met trouwe ogen aankijkt, de natuur, de vogels, Ton die mij verrast met zo’n uitje.
Het leven mag steeds eenvoudiger worden.
Zelf heb ik vaak gedachten over leven en dood. Beiden blijven mij verwonderen. Ik wil het leven beleven in al zijn facetten, maar tegelijkertijd vraag ik me soms af waarom ik überhaupt leef.
Doodgaan vind ik misschien nog mysterieuzer.
Het ene moment ben je er nog. Je maakt je zorgen over iets of iemand. Je denkt, voelt, beweegt, praat, kijkt. En het volgende moment ben je er niet meer.
Waar is dat leven dan gebleven?
Ik voel ergens dat ik meer ben dan alleen dit lichaam. Maar wat maakt dan dat ik juist in dit lichaam leef? Staat het moment van mijn overgang al vast? Of is dat onzin? Ben ik eigenlijk bang voor de dood? Of juist helemaal niet? Wordt het idee van doodgaan zachter naarmate een mens ouder wordt?
Ik weet het niet.
Misschien maakt juist dat mysterie het leven zo bijzonder.
Voor nu ben ik vooral benieuwd hoe de middag met Hans Dorrestijn volgende week zal zijn.
Voor mij is er uiteindelijk maar één ding echt zeker in het leven: dat wij doodgaan.
Misschien maakt juist de eindigheid van het leven de kleine momenten zo waardevol.
Misschien wordt ouder worden niet per se lichter of makkelijker, maar wel eenvoudiger in wat werkelijk belangrijk voelt.
En misschien hoeft een mens het mysterie van leven en dood niet volledig te begrijpen om er toch met verwondering naar te kunnen blijven kijken.
Breuklijnen
24 mei 2026
Het is een mooie dag, maar na veel ongemak vannacht in mijn lichaam besloot ik vandaag niets te doen en thuis te blijven. Vandaag voelde ik me geen negentig jaar oud maar misschien tachtig. Een verbetering zou ik maar zeggen. Rust na een dagje fietsen blijkt toch heilzaam.
Mijn zoon belde en vertelde dat hij zijn schoonouders had ontmoet. Geboren en getogen in Marseille en eigenlijk nauwelijks wetend wat Nederland precies voor land is. Het valt hem op hoe weinig Fransen vaak weten over andere landen, laat staan over de rest van de wereld. Dat herken ik wel. Over de hele wereld blijven aardrijkskunde- en geschiedenislessen vaak beperkt tot een gekleurd wereldbeeld vanuit het eigen land. In feite wordt iedereen gevormd — of misschien wel gehersenspoeld — door de informatie die je meekrijgt via school, media en cultuur.
Ton zat ondertussen te kijken naar een programma over het slavernijverleden en hoe diep Nederland daarin verweven is geweest. Een afschuwelijk verleden natuurlijk. Toch voelde ik weerstand om daar op dat moment mee bezig te zijn. Waarom precies weet ik eigenlijk niet. Het gekke is dat mijn maag letterlijk omdraait wanneer ik eraan denk.
Voor mij werkt het kennelijk zo dat ik heel sterk in het nu wil leven. En juist nu gebeuren er op de wereld nog steeds dit soort verschrikkelijke dingen. Ondanks alles wat we via media zien, weet ik zeker dat wij nog maar een fractie kennen van wat er op dit moment aan onmenselijke dingen gebeurt op deze aarde.
Daar wil ik mijn aandacht op richten. Niet op boosheid richting het verleden.
Het is moeilijk uit te leggen zonder iemand te kwetsen.
Daarna kijk ik naar de documentaireserie Earth Storm. Daarin worden natuurrampen uitgelegd op geologisch en historisch niveau. Heel interessant hoe wetenschappers laten zien dat een aardbeving in Amerika rond het jaar 1700 invloed had op een tsunami in Japan in diezelfde periode. Hoe de breuklijnen van aardplaten wereldwijd met elkaar verbonden zijn. Ook zien ze patronen en intervallen tussen grote aardbevingen die kunnen variëren van vierhonderdtwintig tot twaalfhonderd jaar.
Het staat eigenlijk vast dat er opnieuw grote rampen zullen komen. Misschien morgen, misschien over honderd jaar, maar dát ze komen is zeker. Hetzelfde geldt voor vulkanen en de zes supervulkanen op aarde, waaronder Campi Flegrei in Italië.
Wetenschappers zeggen: zolang de aarde bestaat, bestaan deze krachten al.
Dus de vraag is niet óf het opnieuw gebeurt, maar wanneer.
Ik zie het leven van mensen eigenlijk als onderdeel van diezelfde natuur. Volgens mij doen mensen elkaar al kwaad zolang de mens bestaat. Vaak puur omdat iemand anders of onbekend is. Ik ben daar niet blij mee. Sterker nog, in deze tijd lijkt alles op alle vlakken uitvergroot te worden.
Het gesprek hierover met Ton maakte me ineens verdrietig. Volgens mij bedoelden we uiteindelijk hetzelfde, maar gebruikten we andere woorden waardoor we elkaar even niet meer begrepen.
En dat tussen twee mensen die elkaar liefhebben.
Misschien lopen er door mensen net zulke onzichtbare breuklijnen als door de aarde zelf.
Misschien ontstaan veel conflicten niet doordat mensen iets anders voelen, maar doordat ze een andere taal geven aan dezelfde angst, pijn of bezorgdheid.
En misschien begint begrip niet met gelijk krijgen, maar met het besef hoe kwetsbaar communicatie eigenlijk is — zelfs tussen mensen die van elkaar houden.
Een gedachte op Pinksteren
Misschien probeert de mens zijn natuur helemaal niet te overstijgen, maar juist bewust te worden van die natuur.
Want zolang de aarde bestaat, bestaan er stormen, breuklijnen, vulkanen en botsingen. En zolang de mens bestaat, bestaan er angst, liefde, strijd, verbondenheid, afwijzing en verlangen.
Toch lijkt er in mensen ook iets aanwezig dat wil kijken naar zichzelf. Iets dat niet alleen wil reageren vanuit instinct, maar wil begrijpen, voelen en bewust kiezen.
Misschien is dat wel wat bedoeld wordt met bewustzijn.
Of — op een dag als Pinksteren — met de uitstorting van de heilige geest.
Niet als iets bovennatuurlijks buiten de mens, maar als het moment waarop een mens zich bewust wordt van zijn eigen binnenwereld.
Van de breuklijnen.
Van de liefde.
Van de angst.
Van de verbondenheid met alles om zich heen.
Misschien zit ware groei niet in het ontkennen van onze natuur, maar in het leren dragen ervan met bewustzijn.
En misschien begint echte vrijheid pas op het moment dat een mens niet langer hoeft te vechten tegen zichzelf.
Onzichtbare draden
23 mei 2026
De eerste echte zomerse dag. Dertig graden, korte broek en half Nederland zit dit Pinksterweekend kennelijk op de fiets. Wij natuurlijk ook.
Een bloesje dat ik een paar jaar geleden heb gekocht, kon ik nu voor het eerst aan. Ik vond het destijds te leuk om terug te sturen en was er heilig van overtuigd dat ik niet eeuwig zo dik zou blijven. Wow… dat is toch wel even een opsteker aan het begin van de dag.
Zonneklep op, zonnebrand, luchtig gekleed gingen we op pad. Rustig aan. Het windje was precies goed genoeg om de hitte niet echt te voelen.
We fietsen boven op een dijk waar beneden die boomstronk staat met die enorme zwam die ik gisteren heb gefotografeerd. Van een afstandje leek hij nu ineens op een octopus. Een dier dat symbool staat voor aanpassingsvermogen, transformatie, emotionele intelligentie en het onderbewuste. Door zijn eigenschappen wordt dit dier gezien als een krachtig gidsdier dat je helpt om veerkrachtig door complexe of veranderende situaties heen te bewegen.
Ik fiets glimlachend verder omdat ik mezelf af en toe toch echt een maf mens vind met al die associatieve gedachten.
Het valt op dat we nu vooral velden vol boterbloemen zien met daartussen overal paarse klavers. Ook veel wilde margrieten. De schaapjes zoeken de schaduw van bomen op. Overal lopen hordes mensen met professionele bepakking: waterflessen, sportieve kleding en waarschijnlijk gezonde repen. Langs de route zie ik kleine rode plastic aanwijzingen hangen en het wordt me duidelijk dat er een wandelevenement bezig is.
Natuurlijk vraag ik ernaar wanneer ik langs wandelaars fiets. Inderdaad, vanuit allerlei wandelclubs lopen mensen vandaag een route van vijfentwintig kilometer. Ik wens ze succes en fiets vrolijk verder genietend van al het groen, de bloemen, schapen, vogels en het gezoem van insecten.
Dan zie ik een vrouw aankomen lopen met een hond. Ze kijkt boos of bezorgd, in ieder geval gespannen. Op het moment dat ik haar voorbij fiets voel ik ineens een lichte schok.
Dit is een zus van mij.
Ik ken haar wel, maar we zijn nooit echt aan elkaar voorgesteld. We herkennen elkaar alleen en weten van elkaars bestaan.
Het hield me zeker tien minuten bezig. Tot ik letterlijk mijn hoofd schudde en ineens besefte dat ik mijn omgeving al die tijd niet meer had opgenomen. Ik zag alleen nog haar gezicht voor me.
Ik vertel Ton dat die vrouw met die hond die we net gepasseerd zijn een zus van mij is. Ton weet daar niet goed op te reageren. Hij vindt het vooral bizar.
“Ja,” zeg ik, “ik heb nog vier zussen en een broer.”
Hij kijkt me aan alsof hij water ziet branden. En ik denk ineens: als ik thuis ben ga ik toch eens kijken of ik iets over ze kan vinden op internet.
Daarna fietsen we verder over een route die we nog nooit eerder hebben gereden. Tjongejongejonge… wat heeft Nederland toch mooie plekken.
Ondertussen begint mijn rechterbil ook pijn te doen. Op mijn linkerbil ben ik gevallen, dus het is duidelijk dat ik de rechterkant ongemerkt ben gaan overbelasten. Oei… gelukkig komen we onderweg langs een uitspanning waar we even stoppen zodat ik mijn benen en heup wat rust kunnen geven. Daarna probeer ik bewust weer evenwichtig op mijn zadel te zitten in plaats van alles te ontzien.
Thuis ben ik moe. Ik ga lekker op bed liggen met mijn laptop en koud water. Dan herinner ik me ineens weer die zus en ga toch zoeken op internet.
Ik vind ze alle vier.
Eén zus geeft yoga. Eén zus zit in de gemeentelijke politiek. Eén zus doet mee aan protesten voor een groener milieu. En één zus is enorm sportief en doet aan wielrennen en triatlons.
Van één zus zie ik een foto van haar man.
Ojeetje…
Die man is ooit bij ons thuis geweest om een schilderij van mij te kopen.
Hahaha… wat is de wereld soms toch klein.
Via Facebook ontdek ik ook dat al mijn zussen gezamenlijke vrienden met mij hebben. Ik weet niet of zij weten wie ik werkelijk ben. Ik denk wel dat ze van mijn bestaan afweten, maar niet echt wie ik ben als mens.
En toch ontdek ik nu iets bijzonders: ondanks alle geheimen waarin ik ben grootgebracht, blijken er stiekem toch allerlei draden gespannen te zijn.
Het is voor het eerst dat ik daadwerkelijk op internet naar ze gezocht heb. Eigenlijk was het verrassend simpel. Nu heb ik namen en gezichten.
Wat doe ik daarmee?
Niets.
Wil ik er iets mee?
Nee.
Het leven heeft het tot nu toe anders bepaald. Daar is niets mis mee.
Misschien heb ik vandaag gewoon een paar extra puzzelstukjes op hun plek zien vallen.
Misschien lopen er tussen mensen veel meer onzichtbare draden dan we zelf beseffen.
Misschien blijven levens elkaar raken, zelfs wanneer ze nooit echt samenkomen.
En misschien gaat begrijpen niet altijd over iets veranderen, maar soms gewoon over eindelijk kunnen zien hoe de puzzel werkelijk in elkaar zit.
Leven op dood hout
22 mei 2026
Na weer een slechte nacht, veel draaien, kreunen en steunen van de pijn, besloot ik toch te gaan fietsen. In ieder geval een paar noodzakelijke boodschappen doen en daarna wel zien of ik nog verder wilde gaan. Ineens voel je hoe je je billen beweegt op een zadel wanneer je een bocht maakt of een klein hellinkje op moet fietsen. Oh my God… dat was even een dingetje om zo pijnloos mogelijk te blijven bewegen. In het begin was het bijna misselijkmakend, maar uiteindelijk ging het toch wel. Alleen bij het afstappen werd ik iedere keer weer herinnerd aan die heftige blessure aan mijn bil.
In de winkel begon mijn bil als een gek te bonken. Ik ervaar dat als een plaatselijk spasme. Vroeger zou ik me in allerlei bochten hebben gewrongen uit angst dat iemand mijn billen zou zien bewegen. Nu was ik eigenlijk blij dat er iets gebeurde. Waarschijnlijk heeft het gewoon met herstel te maken. En wat maakt het uiteindelijk ook uit als iemand het zou zien?
Het was heerlijk zonnig weer, vijfentwintig graden, dus besloot ik toch verder te fietsen om te genieten van beweging, buitenlucht en zon. Ton zorgt er dan wel voor dat het geen enorme tocht wordt.
Door het slechte weer en de ziekte hebben we toch een paar weken nauwelijks gefietst. Ineens stonden de gele lissen langs de waterkant, klaprozen en dotters volop in bloei. Verrassend hoe snel dat dan ineens gaat. Zo gezellig ook om overal weer bloemen te zien verschijnen. Iedere zomer komen we langs een boerderij waar ze wilde bloemen uit hun eigen pluktuin verkopen. De eerste bosjes van dit jaar hebben we weer meegenomen.
Onderweg zag ik langs de weg een dood stuk boom staan met daarop een enorme glimmende, bijna levendig ogende zwam. Zo mooi om te zien hoe de natuur zichzelf opruimt en hoe er letterlijk nieuw leven ontstaat op iets wat dood is. De kringloop van leven, gewoon zichtbaar op flora-niveau.
Toch zag ik er ook direct een roofvogel in.
Mijn gedachten slaan dan meteen op hol. Wat zou de spirituele betekenis van een roofvogel zijn, vraag ik me dan af. In de spiritualiteit staat een roofvogel vaak voor helderziendheid, vrijheid en overzicht. Door hun scherpe blik en hoge vlucht worden ze gezien als boodschappers die je aansporen om situaties van een afstand te bekijken en trouw te blijven aan je eigen richting.
Ik kan het gewoon niet laten om overal vormen in te zien die direct iets in mij aanraken. In planten, bomen, wolken… noem maar op. Wanneer ik ergens meteen iets in herken, voelt het alsof het mij op dat moment iets vertelt. Eigenlijk doe ik met mijn omgeving hetzelfde als met mijn schilderijen: ik laat het als het ware met mij praten. In de natuur vind ik sowieso voortdurend associaties. Ook in cijfers en getallen trouwens, maar dat is nu even niet aan de orde.
Eenmaal thuis wilden we onze fietsen weer op hun plek zetten. Toen begon een onbekende man, die kennelijk ergens in het complex op visite was, behoorlijk onaardig te doen omdat wij onze fietsen daar neerzetten. Ik ben daar zeker een half uur van overstuur geweest. Ongemak in mijn lichaam maakt mij emotioneel minder stevig, merk ik. Dat is eigenlijk altijd al zo geweest, alleen ben ik mij daar tegenwoordig veel bewuster van.
Laat ik het zo zeggen: vroeger stuurde de emotie mij volledig aan op zo’n moment. Nu ben ik me bewust van zowel mijn lichaam als mijn emoties en lijk ik steeds sneller in staat om er als een soort buitenstaander naar te kijken en de emotie te sturen. Die buitenstaander is wat ik ‘het zelf’ noem.
Weer een beetje tot mezelf gekomen neem ik uiteindelijk mijn welverdiende rust. Toch best trots dat ik ondanks alles gewoon tweeënhalf uur heb gefietst.
Misschien laat de natuur voortdurend zien dat leven en verval geen tegenpolen zijn, maar onderdeel van dezelfde beweging.
Misschien vertellen vormen, kleuren en symbolen ons vooral iets over wat er vanbinnen al geraakt wil worden.
En misschien zit herstel niet alleen in sterker worden, maar ook in het steeds bewuster leren kijken naar wat er in jezelf gebeurt.
Zacht geworden
21 mei 2026
Waarschijnlijk ben ik door de pijn en het ongemak vandaag niet somber, maar wel snel geroerd.
Mijn ex-schoondochter heb ik gefeliciteerd met haar verjaardag. Al jaren heb ik haar niet meer gezien, maar zij was er in een roerige tijd waarin we binnen het gezin veel liefde en verdriet hebben ervaren. Er zijn exen van mijn kinderen waar ik nooit meer aan denk of een band mee voel, maar ook al zien we elkaar nooit meer, zij heeft en houdt een plekje in mijn hart.
Mijn heup en been voelden gisteren nog als een stijve plank, vandaag is dat gelukkig niet meer zo. Alleen de pijn is nog flink aanwezig en één bil voelt nog steeds zo hard als steen. Vanmorgen was ik vroeg wakker en probeerde ik voorzichtig een beetje door het huis te lopen. Dat lukte. Ook in mijn rolstoel op mijn rechterbil zitten ging redelijk. Na een uurtje wilde ik toch weer lekker gemakkelijk op bed zitten en een serietje kijken.
Dan gebeurt er iets wat ik eigenlijk niet van mezelf ken.
Ik wil mijn laptop openen, maar stort letterlijk en figuurlijk volledig in. Ton helpt me snel om weer zo comfortabel mogelijk in slaapstand te liggen en weg was ik. Pas een paar uur later werd ik weer wakker.
Doordat ik dagelijks train, merk ik dat mijn lichaam heel anders reageert op herstel. Dat de stijfheid grotendeels alweer verdwenen is, zo snel, dat is nieuw voor mij. En dan dat directe instorten in slaap, bam, gewoon niet tegen te houden, ook nieuw. Het klinkt misschien vervelend, maar ik zie er eigenlijk een verbetering in. Ik zal altijd af en toe blessures oplopen, dat is inmiddels wel duidelijk. Maar maandenlang herstellen lijkt door mijn nieuw opgebouwde fitheid misschien niet meer nodig.
Uiteindelijk voel ik me goed genoeg om op bed een simpele romcom te gaan kijken. Niet te ingewikkeld, gewoon even niets hoeven.
Daarin komt ineens een gedicht voorbij van E.E. Cummings:
“Ik draag jouw hart bij me (ik draag het in mijn hart)
ik ben er nooit zonder.
Waar ik ook ga, jij gaat mee, mijn liefste.
Ik vrees geen lot
(want jij bent mijn lot, mijn liefste)
ik wil geen wereld
(want jij bent mijn wereld, mijn ware zelf)
En jij bent alles wat een maan altijd heeft betekend
en wat de zon altijd zal bezingen, dat ben jij.
Dit is het diepste geheim dat niemand kent.
(hier is de wortel van de wortel en de knop van de knop
en de hemel van de hemel van een boom genaamd leven;
die hoger groeit dan de ziel kan hopen of de geest kan verbergen)
En dit is het wonder dat de sterren uit elkaar houdt.
Ik draag jouw hart
(ik draag het in mijn hart).”
Dikke tranen zit ik te huilen terwijl ik aan mijn kinderen denk, aan Michel en aan Ton. Niet te stoppen, zo diep raakt het mij ineens. Gewoon lekker janken in eenzaamheid met mijn hondje naast me.
Misschien maakt lichamelijke pijn een mens soms zachter en opener dan normaal.
Misschien dragen we sommige mensen ons hele leven met ons mee, ook wanneer de vorm van de relatie verandert.
En misschien zit echte liefde niet alleen in vasthouden, maar juist in het vermogen om geraakt te blijven.
Een rommelige dag
20 mei 2026
Het is een gekke dag. Ton is nog steeds niet goed genoeg om mee te gaan trainen, maar brengt mij wel weg en doet ondertussen even boodschappen. Zijn rijstijl is voor mij vaak wat stressvol. Zoals hij is, zo rijdt hij waarschijnlijk ook. Misschien geldt dat wel voor iedereen. Bij hem betekent het dat hij het allemaal niet zo nauw neemt en ervan uitgaat dat het uiteindelijk wel goed komt. De ene keer staat hij naar mijn gevoel eindeloos te wachten, vandaag reed hij juist vol gas op een rotonde af waarbij hij bijna een andere auto raakte. Vol op de rem. Mijn hart schoot zowat mijn lichaam uit.
Op de sportschool ontdek ik vervolgens dat ik mijn incheck-bandje vergeten ben. Gelukkig kennen ze mij inmiddels goed genoeg en krijg ik van de trainer een reservebandje. Ik wil op het eerste apparaat gaan zitten, zak door mijn linker enkel en val met mijn volle gewicht op mijn linker zitbeen. Geschrokken mensen om mij heen. Enorme pijn en onmogelijk om direct overeind te komen. Na een paar minuten klauter ik toch weer omhoog en besluit alsnog te gaan trainen. Gewoon invoelen wat wel en niet lukt.
Eigenlijk ging alles best goed, alleen zitten deed pijn. Tijdens de oefeningen probeerde ik mijn bil wat te ontlasten. Mijn spieren werden warm, de bloedsomloop kwam op gang, daar was ik uiteindelijk wel tevreden over. Eenmaal thuis begon alles toch flink te prikkelen. Mijn enkel en bil werden blauw en er ontstonden vochtophopingen. Op bed viel ik vrijwel direct in slaap. Uiteindelijk werd de hele linkerkant van mijn bil en bovenbeen helemaal stijf.
Later belt mijn zoon. Hij vraagt hoe ik het zou vinden als hij een Sahara met kamelen laat tatoeëren. Hij weet dat ik daar nooit echt gecharmeerd van ben geweest en wil weten of ik daar inmiddels anders over denk. Direct schieten de tranen in mijn ogen. Hij is volwassen en moet dat natuurlijk helemaal zelf weten. Waarom ik daar zo lichamelijk op reageer weet ik eigenlijk niet eens precies. Toch voel ik altijd een soort weerstand wanneer het over tatoeages gaat. Hij zegt dat mijn mening belangrijk voor hem is. Tja… wat betekent dat dan? Moet ik zeggen: “Joh, als jij dat mooi vindt, gewoon doen?” Of moet ik eerlijk zeggen wat ik werkelijk voel?
Daarna moet ik ineens aan mijn dochter denken en word ik verdrietig. Zij wil geen contact meer met mij. Wat haar betreft zijn haar ouders overleden. Het blijft pijnlijk. Waarschijnlijk zorgt die letterlijke blessure ervoor dat emoties sneller naar boven komen. Binnen ons gezin ligt veel pijn. Zij is iemand die letterlijk ruimte nodig heeft om daar haar eigen weg in te vinden. Mijn zus vertelde vandaag nog dat ze er goed uitziet en dat het een stuk beter met haar gaat. Daar ben ik oprecht blij om.
Wie weet gaat ze ooit zien dat liefde en kwetsing elkaar niet uitsluiten. Sterker nog: juist waar veel liefde zit, kunnen ook de diepste verwondingen ontstaan. Omdat daar verwachtingen, afhankelijkheid, verlangen naar erkenning en oude pijnlagen meespelen. Voor jonge mensen voelt het soms veiliger om alles zwart-wit te maken: goed of fout, veilig of onveilig, liefdevol of schadelijk, contact of geen contact. Dat geeft houvast wanneer emoties te complex of te pijnlijk zijn om tegelijkertijd vast te houden. Zeker binnen ouder-kindrelaties.
Uiteindelijk ben ik zelf ook jong geweest. Alleen had ik destijds niet de moed om mij zo rigoureus los te maken van mijn ouders. Dat heeft bij mij veel te lang geduurd. Hoe pijnlijk dit alles soms ook is, ik ben ergens ook trots op wie zij is.
Mensen zijn geen zuivere symbolen. Ouders niet. Kinderen niet. Partners niet. We botsen, projecteren, missen signalen, spreken vanuit eigen pijn, zeggen dingen op verkeerde momenten en dragen generaties mee waarvan we de inhoud soms zelf niet volledig begrijpen. En toch kan er onder dat alles een oprechte liefdeslaag aanwezig blijven.
Het betekent niet dat haar gevoel onjuist is.
Maar ook niet dat mijn liefde daarom niet echt is.
Al met al was het een rommelige, pijnlijke en tegelijk reflectieve dag.
Misschien raken lichamelijke en emotionele pijn elkaar soms veel dieper dan we beseffen.
Misschien probeert ieder mens, op zijn eigen manier, ruimte te maken voor oude pijn en verlangen naar liefde.
En misschien betekent liefde niet altijd dat mensen elkaar kunnen vasthouden, maar soms ook dat ze elkaar ondanks alles blijven meedragen.
Wie ben ik?
19 mei 2026
Wie ben ik? Die vraag wordt de laatste tijd steeds duidelijker.
Door mijn gedachten op te schrijven in plaats van ze alleen maar in mijn hoofd rond te laten cirkelen, begin ik te zien dat ik eigenlijk alles kan en mag zijn. Tegelijk denk ik wel dat wij geboren worden met een bepaalde constitutie. Nog niet volledig gevormd door situaties of conditioneringen, maar wel al heel dicht bij wie we wezenlijk zijn.
Door situaties, opvoeding, conditioneringen en veranderingen heb ik mij soms aangepast, en op andere momenten juist volledig mijn kont tegen de krib gegooid. Wanneer ik terugkijk op de thema’s waar ik steeds weer op uitkom, zie ik hoeveel verschillende maskers ik in mijn leven heb gedragen. Zodra je je bewust wordt van een buitenwereld — school, vrienden, familie — ga je jezelf denk ik voortdurend proberen in te passen.
Leeftijd speelt daar natuurlijk ook een rol in. En vaak ook de omgeving waarin je je bevindt. Binnen familieverband ben ik bijvoorbeeld een totaal andere persoon dan onder vrienden. In het ene gezelschap ben ik een clown, ergens anders een stille teruggetrokken vrouw, soms juist recalcitrant, of ineens een wijze, intelligente en goedgebekte dame.
Het is geen spel en ook niet onecht. Het gebeurt vanzelf, bijna onbewust.
Wel merk ik dat ik, nadat ik ergens ben geweest, in de stilte van mijn auto vaak weer terug kan voelen hoe ik me gedragen heb. Alsof ik pas alleen achter het stuur weer langzaam land bij de Annette die ik in wezen ben.
Hoe kwam ik eigenlijk op deze mijmering over wie ik ben?
Ik kwam een Zen-verhaaltje tegen dat ongeveer zo ging:
“Weet je wat de snelste manier is om je innerlijke rust te verstoren?
Het is niet je werk.
Het is niet je familie.
Het is zelfs niet je verleden.
Het is reageren op alles.
In Zen bestaat er een stilte-regel:
Je hoeft niet deel te nemen aan elke discussie waar je voor wordt uitgenodigd.
Niet elke opmerking verdient een reactie.
Niet elke belediging verdient je energie.
Niet elk misverstand hoeft rechtgezet te worden.
Op het moment dat je stopt met reageren, stop je met het voeden van het vuur.
En zonder brandstof doven de meeste conflicten vanzelf uit.
Drie dingen om te onthouden:
Neem een pauze. Adem in en uit.
Reageer alleen als het je innerlijke rust beschermt.
Stilte is geen zwakte. Het is bewustzijn.”
Toen ik dat las, moest ik ineens denken aan de kleine jonge Annette die meestal alleen stil op haar kamertje zat. Ik las boeken of was creatief bezig. Het liefst was ik alleen, gelukkig in mijn eigen wereld. Mijn ouders vergaten soms bijna dat ik er überhaupt was. Begrijpelijk ergens, want er gebeurde veel binnen het gezin, en ik had mij bijna letterlijk teruggetrokken in mijn kleine torenkamertje.
Misschien staat juist die stille Annette nog altijd het dichtst bij mijn wezenlijke constitutie.
Alleen werd niet reageren vroeger niet bepaald gewaardeerd. Dus ga je als kind vanzelf zoeken naar wat wél geaccepteerd of gewaardeerd wordt.
Ik hoop steeds meer terug te keren naar die Annette die niet overal op reageert. Die niet overal aan hoeft deel te nemen. Die stil durft te staan, te ademen en gewoon waar te nemen.
Het hardop opschrijven haalt nu al een laagje stress weg.
Misschien ben ik op die manier langzaam onderweg naar mijn innerlijke rust.
Misschien bestaat innerlijke rust niet uit het verdwijnen van alle prikkels, maar uit het steeds minder hoeven reageren op alles wat voorbij komt.
Misschien dragen we allemaal verschillende maskers zonder dat ze daarom onecht zijn.
En misschien staat juist die stille jonge Annette nog altijd het dichtst bij wie ik in wezen ben.
Licht dat het imperfecte omarmt
18 mei 2026
Een rustige dag waarin eigenlijk niet veel gebeurde. Trainen, Ton nog steeds niet helemaal beter. Hij heeft inmiddels een kuurtje gekregen. Het is regenachtig, dus wandelen of fietsen is niet echt aantrekkelijk.
Mijn vriendin is twee weken op vakantie naar Parijs. Echt leuk natuurlijk. Ik kom al van jongs af aan regelmatig in Parijs. Er zijn periodes geweest dat ik daar iedere maand een weekend was. Veel wandelen en genieten van de stad, ’s morgens ontbijten op een terrasje. Niet per se de toerist uithangen, maar er gewoon zijn.
Vroeger kon ik nog in een vrijwel lege Sacré-Cœur of Notre Dame zitten. Tegenwoordig lopen er hordes mensen door deze beroemde kerken. Midden in de nacht op de grond liggen en naar de sterren kijken op Place du Trocadéro? Tegenwoordig onmogelijk. Het wemelt daar nu dag en nacht van de mensen.
Ik kon uren in de Sacré-Cœur zitten. Daar ontdekte ik de vele eclectische verborgen tekens, de asymmetrie, de bedachte imperfectie. Ik begreep het en werd gegrepen door het licht van de roosvensters. Het was de eerste keer dat ik in een kerk geen afstand voelde, maar verbondenheid.
De Notre Dame vond ik vroeger van binnen minder prettig. Buiten kon ik wel wegdromen bij die eindeloze hoeveelheid beelden die in gotische stijl als het ware vastgeplakt zitten aan een op zichzelf vrij moderne romp. Maar binnen voelde het voor mij altijd donker en zwaar.
De plek achter de Notre Dame bezoek ik trouwens altijd: het Mémorial des Martyrs de la Déportation. Een verstilde gedenkplek waar nog steeds relatief weinig mensen komen. Misschien juist daarom raakt die plek mij zo diep.
Vlak na de brand in 2019 was ik toevallig in Parijs. Het was werkelijk schokkend om de Notre Dame er toen zo beschadigd bij te zien. Dat deed oprecht pijn.
Vorig jaar was ik samen met Ton in de gerestaureerde Notre Dame. En daar gebeurde iets bijzonders. Mijn hart ging letterlijk open. Zo licht. Zo toegankelijk qua gevoel. Opeens zag je het raamwerk, de bogen, de structuur van het gebouw veel duidelijker doordat het licht overal doorheen viel. En dan vooral het kleurgebruik achter in de kerk… werkelijk prachtig. De kleuren waren helder en tegelijk zacht, bijna poederachtig. Niet zwaar of overweldigend, maar juist uitnodigend. Voor mijn gevoel trok het me bijna een andere dimensie in. Zo knap gedaan in al zijn eenvoud.
Ik heb veel kerken gezien, vol pracht en praal, ook mooi natuurlijk. Maar dit voelde anders. Voor mij bestaat er op dit moment geen mooiere, vriendelijkere kerk dan de Notre Dame zoals zij nu is geworden. Ik zou bijna zeggen: kijk niet te veel naar de mensen om je heen, maar voel. Laat je meevoeren.
Voor mij zou een kerk een plek moeten zijn voor stilte en transcendentie. Dat kan ik alleen ervaren wanneer er ruimte en lichtheid is. Een licht waarin je als mens kunt meebewegen. Misschien raakte de Notre Dame mij daarom nu zo diep. Het licht viel niet neer op perfectie, maar juist op imperfectie. Alsof het imperfecte mens-zijn daar niet werd veroordeeld, maar liefdevol zichtbaar mocht worden.
Ik ontdekte daar eigenlijk iets heel eenvoudigs:
imperfectie hoort blijkbaar bij het leven hier op aarde. En juist het licht van de roosvensters voelde voor mij als iets verhevens, iets bijna ongrijpbaars, dat het imperfecte letterlijk in het licht zet. Niet om het af te keuren, maar om het warmte, zachtheid en betekenis te geven.
Ook die gedenkplek achter de Notre Dame werkt zo. De ruimte omhult je eerst met een soort bewegende stilte. Vervolgens vernauwt het zicht zich langzaam richting een klein venster waar licht doorheen mag vallen. Het is moeilijk uit te leggen, maar voor mij is dat geen puur visuele ervaring. Het is lichamelijk. Alsof architectuur direct iets doet met bewustzijn en gevoel.
Mijn vriendin stuurde later een appje:
“Mooie kathedraal (al hebben we indrukwekkendere gezien), maar de sfeer maakt veel goed.”
Tja… zo heeft natuurlijk iedereen zijn eigen smaak en manier van beleven. Toch voelde ik direct een band om mijn hart en werd ik onverwacht verdrietig. Best apart eigenlijk.
Misschien ligt daar toch iets veel diepers voor mij dan ik zelf altijd besef.
Misschien raken sommige plekken ons niet door hun grootheid, maar doordat ze iets openen wat we zelf nauwelijks onder woorden kunnen brengen.
Misschien verlangt een mens niet alleen naar schoonheid, maar naar ruimtes waarin het imperfecte even zacht mag bestaan in het licht.
En misschien is echte verstilling niet de afwezigheid van beweging, maar een vorm van innerlijke ruimte waarin lichaam, licht en bewustzijn heel even samenvallen.
Vrijheid
17 mei 2026
Vrijheid… wat is het eigenlijk? En is het voor iedereen hetzelfde?
Ik spreek de laatste tijd veel over vrijheid, mens-zijn en dualiteit. Het begon bij de gedachte dat absolute vrijheid misschien helemaal niet bestaat voor mensen. Anders dan dieren koppelen wij voortdurend herinneringen, emoties, angsten, schaamte en betekenis aan alles wat we meemaken. Zelfs dieren blijken uiteindelijk niet volledig vrij te zijn, omdat ook zij zich hechten en verbinden.
Van daaruit kwam de vraag op wat vrijheid dan eigenlijk wél is. Misschien niet het volledig los zijn van alles, maar eerder bewust aanwezig kunnen zijn binnen de beperkingen van het mens-zijn. Misschien bestaat er een vorm van persoonlijke vrijheid, gevormd door onze eigen ervaringen en conditioneringen. Dan betekent vrijheid voor ieder mens iets anders.
Maar daarnaast lijkt er ook zoiets te bestaan als een absolute of existentiële vrijheid. Dan denk ik aan het verlangen naar oplossen, naar terugkeer naar een soort bron — iets wat niemand werkelijk kent, maar wat veel mensen intuïtief lijken te voelen. Wanneer ik die gedachte verder doortrek, kom ik vanzelf uit bij transformatie en uiteindelijk de dood. Tegelijk blijven dat voor mij open vragen, geen absolute waarheden.
Dus begin ik steeds meer te zien dat vrijheid misschien helemaal niet bestaat. Bij dieren misschien meer dan bij mensen. Wij mensen koppelen overal herinneringen, emoties en betekenis aan. Het zogenaamde afpellen van een ui lijkt eindeloos door te gaan. Misschien zit de eenvoud uiteindelijk niet in volledig vrij worden, maar in verantwoordelijkheid nemen voor alles wat je voelt, denkt en doet, zonder voortdurend gevangen te raken in angst, schaamte, conditionering, zorgen of al die andere lagen die wij mensen eraan toevoegen.
Ik zei gisteren nog tegen Ton dat het schrijven over wat ik denk en meemaak steeds duidelijker maakt hoe complex ikzelf — en misschien de mens in het algemeen — het leven maakt.
Hoe meer ik ernaar kijk, hoe sterker ik voel dat het verlangen naar vrijheid verbonden lijkt met doodsangst. Een existentiële angst die misschien heel menselijk en zelfs gezond is. Mensen zoeken naar vrijheid, naar een gevoel dat gekoppeld lijkt aan iets ongrijpbaars.
Misschien zit vrijheid juist in het omarmen van dualiteit. Ook in ons persoonlijke leven manifesteert die dualiteit zich voortdurend. We willen zowel autonoom als verbonden zijn, zowel ontvangen als geven, zowel rust als uitdaging. Het herkennen van onze eigen innerlijke tegenstellingen is misschien wel de eerste stap naar een rijker leven.
Ook Nelson Mandela sprak volgens mij over dat soort innerlijke vrijheid. Hoe je gevangen kunt zijn en je tegelijkertijd vrij kunt voelen. Opnieuw dat dualisme tussen binnen en buiten. De omstandigheden aan de buitenkant kunnen gevangenschap zijn, terwijl de gedachten, de innerlijke beleving en de waardigheid van een mens vrij blijven.
Niet omdat een gevangenis daardoor ineens “niet erg” wordt — integendeel — maar omdat iemand je lichaam kan opsluiten zonder volledig bezit te krijgen over je geest of innerlijke houding.
Ja… het wordt voor mij steeds duidelijker dat vrijheid misschien vooral gaat over mijn innerlijke houding ten opzichte van de beperkingen die ik in het leven tegenkom. Of die beperkingen nu fysiek of mentaal zijn, maakt uiteindelijk weinig verschil.
Ik geef eerlijk toe dat mij dat niet altijd lukt. Soms voel ik me zielig, beperkt of onderdrukt. Toch kom ik daar uiteindelijk steeds weer uit. Niet doordat de situatie verandert, maar doordat mijn manier van kijken naar die situatie verandert.
Misschien blijf ik wel werken aan die vorm van vrijheid tot de dag waarop ik werkelijk transformeer.
En eerlijk gezegd ga ik ervan uit dat dat nog heel lang zal duren.
Misschien ligt vrijheid niet in het verdwijnen van alle beperkingen, maar in de manier waarop een mens zich ertoe verhoudt.
Misschien maakt juist het spanningsveld tussen verbondenheid en autonomie, angst en verlangen, het leven menselijk.
En misschien begint innerlijke vrijheid op het moment dat een mens ophoudt perfect vrij te willen zijn.
Wanneer pijn spreekt
16 mei 2026
Wanneer is pijn een signaal om te stoppen, en wanneer juist een teken van leven?
Tijdens de fitness begonnen twee dames tegen mij te praten. Het was hen opgevallen hoeveel verschil er zat tussen hoe ik er een half jaar geleden fysiek uitzag en nu. Ook vonden ze mij behoorlijk fanatiek. Nadat de trainer had gezegd dat ik best een apparaat kon overslaan wanneer ik pijn voelde, haakten de dames daar goedbedoeld op in.
“Ja, naar je lichaam luisteren moet je ook leren,” zeiden ze.
Eerst glimlachte ik vriendelijk, maar ze bleven — eveneens vriendelijk — uitleggen wat luisteren naar je lichaam volgens hen betekende.
Toen vertelde ik dat ik een vorm van MS heb — dat herkennen de meeste mensen tenminste — en dat ik anderhalf jaar geleden een herseninfarct heb gehad, dat bovendien vrij laat werd vastgesteld. Ik vertelde dat ik eerst een jaar had gerevalideerd, maar dat het naar mijn gevoel nauwelijks vooruitging. Sinds ik naar de fitness ga, voel ik vanaf de eerste dag verschil. Alleen moet ik dit wel vrijwel dagelijks doen, want zodra ik stilval, bijvoorbeeld door een griepje, merk ik hoe snel ik weer achteruitga. En misschien nog belangrijker: luisteren naar mijn lichaam is voor mij allang een tweede natuur. Alleen niet altijd volgens het boekje.
Dat begrepen ze. De dame die het dichtst bij me zat, vertelde vervolgens dat haar moeder drie jaar geleden ook een CVA had gehad. Aanvankelijk was zij eveneens verlamd geraakt aan de rechterkant van haar lichaam. Ze had zich hevig verzet tegen de revalidatie. Toch leek het eerst goed te gaan. Ze krabbelde weer wat op. Totdat ze opnieuw ziek werd, iets griepachtigs. Vanaf dat moment ging het snel achteruit. Nu is ze zichtbaar gehandicapt en kan ze zelfs haar pasgeboren kleinkind niet meer vasthouden.
Een triest verhaal natuurlijk.
Ik vroeg hoe oud haar moeder was, denkend aan iemand van tachtig of ouder. Blijkt ze gewoon even oud als ik te zijn. Wow. Zowel die vrouw als ik schrokken zichtbaar van dat besef.
Ze zei: “Jammer dat ze het niet heeft opgepakt zoals u.”
Direct daarna verontschuldigde ze zich haast, omdat oefenen voor haar moeder ook pijn deed.
“Tja,” dacht ik.
Ik moest even opletten dat ik niets zou zeggen wat haar pijn kon doen of beledigend zou overkomen. Toen hoorde ik mezelf zeggen:
“Pijn kan ook een teken van leven zijn. Niets voelen bij een verlamming lijkt mij veel enger.”
Tijdens de revalidatie zag ik ook mensen voor wie het soms meer leek op een sociale bijeenkomst waar over mankementen werd gesproken. Wat is dan het verschil tussen mij en die mensen? Misschien is het verschil dat wanneer je vóór een CVA altijd gezond bent geweest, het voelt alsof je hele vanzelfsprekende wereld instort.
Misschien heb ik, juist door mijn handicap, een leven lang pijn en het voortdurend zoeken naar manieren om dóór te gaan, ergens ook geluk gehad. Niet omdat pijn of moeilijkheden iets moois zijn, of mensen beter maken dan anderen, maar omdat ik nooit anders heb gekend dan blijven zoeken naar manieren om met beperkingen te leven. Misschien ontwikkel je daardoor ongemerkt bepaalde overlevingsmechanismen of een vorm van weerbaarheid.
Later vertelde ik Ton over het gesprek op de sportschool.
“Wat is dat toch,” vroeg ik, “dat zo’n relatief jonge vrouw zichzelf min of meer laat afglijden naar een bestaan als gehandicapte?”
Ton antwoordde direct:
“Depressie.”
Is dat zo?
Natuurlijk raakt iemand na een ingrijpende gebeurtenis zoals een CVA acuut depressief of ontregeld. Maar blijvend depressief? Waren er daarvoor misschien al signalen van ontevredenheid, somberheid of innerlijke uitputting aanwezig?
Denken fysiotherapeuten eigenlijk automatisch dat pijn betekent dat iemand moet stoppen? Wordt er ook gedacht: zenuwen die herstellen kunnen juist pijn geven — ga voorzichtig door?
Ik weet nog hoe oncontroleerbaar mijn emoties waren na mijn CVA. Waarom worden mensen daarna niet langer begeleid? Niet alleen met een telefoontje, maar iemand die daadwerkelijk eens in de paar weken langskomt. Iemand die zowel de fysieke als mentale gevolgen van een CVA begrijpt. Niet om mensen te dwingen, maar om hen langzaam weerbaarder te maken nadat hun leven plotseling volledig veranderd is.
Het maakt me verdrietig dat deze moeder blijkbaar geen mogelijkheden meer ziet om zelfstandig verder te leven.
Misschien een vreemde vergelijking, maar het deed me denken aan mijn schoonvader. Hij overleefde zes concentratiekampen, waaronder Auschwitz-Birkenau. Hij had een strenge jeugd gehad, met een vader die makkelijk een pak slaag gaf. Hij vertelde ooit dat hij mensen letterlijk in één nacht spierwit had zien worden van angst.
Hoe vreemd het ook klinkt: het feit dat hij als kind al geleerd had te overleven, hielp hem uiteindelijk in die extreme omstandigheden. Dat betekent natuurlijk niet dat pijn, mishandeling of trauma iets goeds zijn. Maar mensen ontwikkelen soms onder moeilijke omstandigheden een bepaalde mentale weerbaarheid. Veel mensen die een veilig en beschermd leven hadden gehad, bezweken volgens hem al voordat ze werden afgevoerd.
Later in zijn leven sprak mijn schoonvader zelfs met een bepaalde dankbaarheid over zijn jeugd. En gek genoeg begrijp ik dat ergens.
Hoe kun je dankbaar zijn voor pijn en moeilijkheden?
Dat zijn de vragen en gedachten die in mij omhoogkomen na zo’n ogenschijnlijk eenvoudig, goedbedoeld gesprek.
Misschien is pijn niet altijd alleen een waarschuwing, maar soms ook een teken dat iets nog leeft, beweegt of terug probeert te keren.
Misschien bepaalt niet alleen wat een mens meemaakt hoe hij verder leeft, maar ook welke innerlijke houding al vóór die gebeurtenis aanwezig was.
En misschien schuilt echte veerkracht niet in het verheerlijken van pijn, maar in het blijven zoeken naar beweging, zelfs wanneer het leven plotseling van vorm verandert.
Schaduwen
15 mei 2026
In de boekhandel kwam ik het boek Het meisje in de witte kimono tegen van Ana Johns. Het fascineerde mij direct, het beeld en het verhaal op de omslag. Thuis besloot ik het als e-book aan te schaffen, zodat ik het kon lezen op mijn laptop. Tijdens het lezen kan je makkelijk stukken markeren die voor mij opvallend zijn.
Het verhaal speelt zich deels af in het naoorlogse Japan en gaat over een jonge Japanse vrouw die verliefd wordt op een Amerikaanse soldaat, terwijl dat cultureel en familiair vrijwel onacceptabel is. Het boek is geïnspireerd op echte gebeurtenissen rond kinderen van Japans-Amerikaanse relaties die na de oorlog vaak verstoten of verborgen werden.
Ook al is het een verhaal over Japan, het raakt aan zoveel thema’s die ook in mijn eigen leven hebben gespeeld. Verborgen familiegeschiedenissen, verlies en loyaliteit, stilte tussen mensen. Maatschappelijke maskers en verwachtingen. Liefde die niet binnen systemen past, de gevolgen van keuzes die generaties doorwerken, en vooral: de onderlaag van wat níét gezegd mocht worden.
Ik kon meevoelen met de personages, maar met afstand. Kennelijk zit mijn angel niet meer bij mijn opvoeding en familiegeschiedenis. Daar zag ik bij mezelf een verschuiving. Momenteel zit die veel meer bij de medische wereld en mijn omgang daarmee.
Er kwam een passage voorbij die mij direct terugbracht naar een verhaal dat Michel vertelde over zijn jeugd in Amsterdam. Destijds had ik het idee dat hij het misschien wat dramatisch bracht. Later ging ik ervaren en zien dat het inderdaad geweest moet zijn zoals hij vertelde. En nu kom ik bijna letterlijk hetzelfde verhaal tegen.
‘Met een zucht leun ik achterover, en ik kijk naar de moeder en dochter tegenover me. Iedereen zit dicht op elkaar in de volle wagon, maar zij hebben een hele bank voor zich alleen. De overige passagiers houden de schijn op van onverschilligheid, maar hun weerzin blijkt uit de afstand die ze bewaren.’
Pffft… wat is de mensheid toch vaak wreed geweest. Vanuit traditie, eer, oorlog, haat. Maar vooral vanuit diepgewortelde angst. Ik wist van de Stolen Generation in Australië, van kindsoldaten in Afrika, van het éénkindbeleid in China en de ellende daar omheen. En nu lees ik hoe in Japan halfbloed baby’s bij de geboorte werden vermoord uit schaamte, eer of angst voor gezichtsverlies. Historische verhalen en overleveringen die eigenlijk nog steeds in het nu bestaan.
Angst, schaamte, groepsdruk, overleving, eer, ideologie, religie, gehoorzaamheid. “Zo hoort het.” Het zijn allemaal dingen die een mens kunnen vastzetten, gevoelens die je van vrijheid beroven. Dat maakt het soms nog confronterender. Gewone mensen kunnen binnen zulke systemen dingen doen die individueel misschien ondenkbaar zouden lijken.
Terwijl ik lees voel ik het. De eenzaamheid van de mens.
Ik loop naar de kamer en Ton vertelt dat hem gevraagd is niets te zeggen over een probleem. Voor hem voelt dat als verraad, als liegen. Het vreet aan hem. Hoe doe je dat? Aan de ene kant wil je iemands vertrouwen niet beschamen en aan de andere kant voel je je door een geheim bijna medeplichtig. Ik luister alleen maar, want hij lost zulke dingen anders op dan ik. Maar uiteindelijk denk ik dat de meeste mensen niet slecht zijn. Angst, status, schaamte en loyaliteit zorgen voor gedrag dat varieert van lichtgrijs tot zwart, zal ik maar zeggen.
Ik denk dat het bijna onmenselijk is om altijd en overal volledig zuiver te zijn in wat je doet, zegt of wat je intenties zijn.
Het was een mooi, pijnlijk verhaal. Herkenbaar en vlot te lezen. En uiteindelijk bleef er eigenlijk maar één gedachte over:
Misschien verandert de wereld nooit ineens.
Misschien gebeurt verandering alleen in kleine bewegingen.
In het moment waarop een mens eerlijk naar zichzelf durft te kijken.
En misschien begint iedere vorm van vrede daar.
Getuigen
14 mei 2026
Weer komt er een tekst voorbij in een RomCom die ik toch even terugdraai.
“Waarom denk je dat mensen trouwen?”
“Passie?”
“Nee. Interessant, want ik zie je als een romanticus. Waarom dan?”
“We hebben een getuige nodig van ons leven. Wat maakt één leven uit op een miljard mensen? Maar in een huwelijk beloof je er voor alles te zijn. Goede dingen, slechte dingen, vreselijke dingen, gewone dingen. Alles, altijd, elke dag. Je zegt: ‘Je leven gaat niet ongemerkt voorbij, want ik zie het. Je leven gaat niet ongezien voorbij, want ik ben je getuige.’”
Wow. Is dat zo? Zo kun je er natuurlijk ook naar kijken.
Voor mij is trouwen altijd meer een traditioneel ritueel geweest. Een ritueel is een reeks handelingen die met zorg, aandacht en in een vaste volgorde worden uitgevoerd, vaak met een symbolische betekenis. Het helpt om structuur aan te brengen, emoties te uiten, overgangen te markeren en verbinding te versterken. Rituelen kunnen religieus, cultureel of persoonlijk zijn. Mensen hebben kennelijk houvast nodig.
Misschien is loslaten of werkelijk vrij zijn wel het moeilijkste voor een mens, begin ik zo langzamerhand te denken.
Ik ben drie keer getrouwd.
De eerste keer deed ik dat uit conditionering. Ik was jong en wilde voldoen aan het beeld dat mijn ouders voor ogen hadden. Een feest waarbij ik me diep ongemakkelijk voelde.
De tweede keer trouwde ik voor mijn man, om te laten zien dat er iemand waarde hechtte aan zijn bestaan. Ook praktisch, met het oog op kinderen. Geen feest, alleen naar het stadhuis. Daarna een koffietafel met onze ouders, die elkaar daar voor het eerst ontmoetten.
De derde keer trouwde ik opnieuw voor mijn man. Hij vond het belangrijk. Uit liefde doe je soms iets voor elkaar. Een klein feestje met alleen naasten was voor mij alweer een hel. Ik heb vrijwel geen herinneringen aan die dag, zo schakel ik mezelf uit om erdoorheen te komen.
Erg romantisch klinkt dit niet hè?
Heb ik een getuige nodig voor mijn leven? Ik weet het niet. Ben ik zelf niet getuige van mijn eigen leven?
Trouwen voelt voor mij ergens ook als een economisch systeem. Het idee dat je je aan iemand bindt. Dat blijft voor mij een benauwend idee. Getrouwd zijn zelf vind ik niet erg. Ik voel dat eigenlijk nauwelijks. Maar zo’n dag waarop je elkaar het JA-woord geeft, voelt voor mij wel confronterend. Waarschijnlijk is dat de reden dat ik daar nooit echt plezier aan beleefd heb.
Bij een rechtszaak kunnen getuigen optreden. Zij hebben iets gezien of gehoord. Als je lid bent van een religieuze gemeenschap noemt men dat volgens mij ook getuigen.
Getuigen betekent uiteindelijk bewijzen, denk ik.
Zo kwam er vandaag een e-mail binnen van het CBR dat de gezondheidsverklaring van een onafhankelijk neuroloog was ontvangen.
Direct loopt de spanning in mij op. Iedere keer weer gekeurd worden. Om dit. Om dat. Alsof ik zelf niet capabel ben om te beoordelen of ik nog kan autorijden of niet. Al veertig jaar moet ik na onderzoeken opnieuw een rijtest afleggen. Terwijl ik beter kan rijden dan lopen. Mijn auto is mijn beste maatje.
In feite was de neuroloog ook een getuige.
Na eerst nog even een snauw en een grauw richting mijn liefste te hebben gegooid, ontdekte ik dat het CBR voor het eerst in exact vijfenveertig jaar heeft besloten dat ik géén rijtest meer hoef af te leggen na beoordeling van de specialist.
Pfffft…
Niet dat ik bang ben voor zo’n test. Ik rijd graag. Het zit hem meer in het idee van regels, moeten, afhankelijkheid, controle, angst… noem maar op.
Rituelen zijn mooi, maar vaak ook vastgeroest. Getuigen lijkt op bewijzen, wat vervolgens weer snel kan veranderen in een oordeel.
De rebel in mij voelt zulke ketenen direct.
Misschien verlangt een mens tegelijk naar verbinding én naar vrijheid.
Misschien schuilt precies daar de spanning van het bestaan:
gezien willen worden zonder vastgezet te worden.
En misschien is liefde op haar mooist wanneer iemand getuige durft te zijn van jouw leven, zonder er bezit van te maken.
Voorbij de woorden
13 mei 2026
Soms kom je een paar zinnen tegen die blijven haken. Niet omdat je het er direct mee eens bent, maar juist omdat iets in jezelf begint te bewegen. Vandaag gebeurde dat bij een tekst van Robert Anton Wilson.
“Om te eten moet je hongerig zijn.
Om te leren moet je onwetend zijn.
Onwetendheid is een onderdeel van leren.
Pijn is een onderdeel van gezondheid.
Passie is een onderdeel van denken.
Dood is een onderdeel van leven.”
Mijn eerste reactie was vreemd verdeeld. Bij sommige zinnen voelde ik direct: ja. Bij andere: nee… wacht eens even. En toen weer: misschien toch. Alsof mijn systeem niet zozeer reageerde op de woorden zelf, maar op de lagen eronder.
Vooral bij de zin “Passie is een onderdeel van denken” bleef ik hangen. Is passie niet eerder een vorm van intensiteit? En is denken eigenlijk wel altijd bewust? Wanneer wordt denken voelen? Of verwerken? Of waarnemen?
Het gesprek dat daarna ontstond bracht me steeds verder weg van de oorspronkelijke tekst en tegelijk juist dichterbij de kern ervan. Want wat bedoelen wij eigenlijk wanneer we zeggen dat we “denken”?
De meeste mensen bedoelen daar woorden mee. Redeneren. Analyseren. Bewust conclusies trekken. Maar ik vraag me steeds vaker af of dat maar een heel klein deel is van wat er werkelijk gebeurt in een mens.
Ons lichaam verwerkt ook. Dromen verwerken. Stilte verwerkt soms iets. Kunst verwerkt. Soms begrijp je iets pas maanden later, terwijl het allang onderweg was in jezelf zonder woorden.
En misschien gebeurt daar ook precies het misverstand tussen mensen.
Wij gebruiken dezelfde taal, maar verstaan vaak totaal verschillende dingen. Twee mensen kunnen exact dezelfde zin horen en toch ieder een andere werkelijkheid ervaren. De één hoort veiligheid waar de ander controle hoort. De één hoort vrijheid waar de ander verlatenheid voelt. En omdat de woorden hetzelfde zijn, denken we dat we elkaar begrijpen.
Misschien is “verstaan” daarom wel een bijzonder woord. Ver -staan. Alsof we soms juist op afstand van elkaar staan in betekenis.
Ik merk dat ik daar snel moe van kan worden. Vooral wanneer ik naar gesprekken luister waarin veel woorden worden gebruikt, veel wordt uitgewisseld, maar ik tegelijk voel dat beide mensen eigenlijk in totaal verschillende gesprekken zitten. Dan denk ik weleens: ze hadden net zo goed Chinees en Russisch kunnen praten. Niet omdat ze dom zijn, maar omdat ieder vanuit een andere innerlijke wereld luistert.
Mijn jongste zoon leerde mij daar vroeger enorm veel over. Hij nam taal letterlijk. Spreekwoorden of dubbelzinnigheden werkten bij hem niet vanzelf. Soms kon hij helemaal overstuur raken wanneer iets anders bedoeld bleek dan letterlijk gezegd werd.
Later zei hij dan:
“Maar mama, dat heb je toch gezegd?”
En als Michel en ik dan teruggingen naar het gesprek, bleek vaak dat hij technisch gezien gelijk had. Wij bedoelden iets anders, maar hadden dat niet daadwerkelijk uitgesproken. Het maakte ons veel bewuster van hoe slordig gewone communicatie soms eigenlijk is. Hoeveel mensen impliciet verwachten dat de ander wel “tussen de regels door” leest.
Misschien heeft mijn zoon mij daardoor geleerd om beter te luisteren naar taal. Niet alleen naar woorden, maar naar betekenis, intentie en interpretatie.
En misschien begon dat hele inzicht vandaag gewoon met een klein gedichtje op internet.
Misschien zijn woorden geen vaste vormen,
maar tijdelijke bruggen tussen innerlijke werelden.
En misschien verstaan we elkaar niet werkelijk
wanneer we dezelfde woorden gebruiken,
maar pas wanneer twee werkelijkheden elkaar heel even raken.
Dansen met mijn eigen ritme
12 mei 2026
Nu is Ton ziek. Ondanks dat er bij mij, buiten koorts en algehele malaise, niets specifieks te vinden leek, heeft hij toch een virus te pakken gekregen. Keelpijn, schorheid, dikke ogen, vuurrode wangen en koorts.
Ik ben vandaag pas om 12.30 uur gaan trainen, nadat ik eerst naar de bloedbank was geweest. Het voelde wat onwennig, maar eigenlijk voelde ik me best goed. En het mooiste: er was helemaal niemand op de sportschool. Geen sporters, zelfs geen trainers. IDEAAL.
In plaats van drie rondjes heb ik er rustig vijf gedaan. Niet op volle kracht, geen enorme inspanning, maar precies genoeg. Ik voelde me daarna beter dan toen ik binnenkwam. De afname van kracht viel mee, al merkte ik wel dat ik dieper moest ademhalen om mijn hartslag stabiel te houden.
Die lege sportschool voelde werkelijk als een cadeau voor mijn systeem. Ik merk heel sterk sfeer, prikkels en belasting op. Bij mij kost sociale en sensorische input óók energie, niet alleen de training zelf. Zo’n rustige ruimte maakt dan een enorm verschil.
Het is werkelijk een droom om zelf een ruimte te hebben met deze apparatuur. Iedere dag trainen in stilte, volledig gericht op mijn lichaam. Heel even heb ik kunnen ervaren hoe dat zou zijn. Een uur lang alleen in de fitness… dan ga je toch bijna geloven in voorzienigheid.
Doordat het zo rustig was, kon ik in plaats van drie rondjes zonder moeite vijf rondjes doen. Heel bewust zonder spanning of prestatiedrang. Gewoon beweging. Daarna voelde ik me echt goed, en dat gevoel bleef ook.
Kennelijk heb ik een modus gevonden tussen opbouw, afbraak en herstel.
Het zit hem blijkbaar niet in willen, moeten of bewijzen, maar in eerlijk afstemmen en voelen.
Nooit heb ik werkelijk beseft hoeveel druk ik altijd op mezelf gelegd heb om “gewoon” te kunnen functioneren. Achteraf zie ik dat ik eigenlijk voortdurend de strijd ben aangegaan met mijn lichaam. Vanuit conditioneringen, vanuit beeldvorming over mezelf, en vooral vanuit hoe ik dacht dat de buitenwereld mij zou zien.
Wat kan een mens zichzelf toch veel aandoen.
Ziek zijn of een handicap hebben betekent nu eenmaal dat je fysiek anders bent dan anderen. Dat is eigenlijk een vrij eenvoudig gegeven. Je zou denken dat het daardoor makkelijk te accepteren is. Helaas reageren mensen vaak anders op mensen die lichamelijk afwijken. Daar wringt bij mij waarschijnlijk de schoen.
Ik ben niet zielig. Integendeel zelfs, zou ik zeggen.
Juist doordat ik dingen mis, heb ik andere kanten sterker ontwikkeld. Het heeft me inventief gemaakt, zelfstandig en opmerkzaam. Ik verloor iets, maar kreeg daardoor ook de mogelijkheid om andere delen van mezelf verder te ontwikkelen. Dat maakt me niet minder mens, maar juist volledig mens.
Alleen… de maatschappij keurt lichamelijke afwijking vaak onbewust af. En dát schuurt.
Uiteindelijk komt het neer op één vraag: hoe ga ik met al die verschillende kanten om?
De wereld en de mensen om mij heen kan ik niet veranderen. Dat is waarschijnlijk ook niet de bedoeling. Misschien moet ik het leven meer leren zien als een ritmische dans. Met mijn mogelijkheden zal ik het ritme van de wereld en de mensen om mij heen moeten vinden.
Niet strak geleid als een ballroomdanser. Meer losjes. Mee bewegen. Op mijn manier.
Ja… dat vind ik eigenlijk wel een mooi beeld.
Nu ik me weer beter voel, dans ik weer mee op het ritme van de wereld om mij heen.
Misschien vraagt het leven niet altijd om vechten of overwinnen, maar om leren luisteren naar het eigen ritme onder alle ruis vandaan.
Misschien ontstaat echte kracht niet wanneer een mens zichzelf voortdurend overstemt, maar juist wanneer lichaam, gevoel en beweging eindelijk samen mogen vallen.
En misschien is vrijheid soms niets groters dan zonder schaamte durven bewegen zoals je werkelijk bent.
De veilige plek van boosheid
11 mei 2026
Ik heb twee huisartsen, twee dames die volgens mij allebei een halve baan hebben. Meestal krijg ik dezelfde, degene met wie het niet echt klikt. Vanochtend had ik een afspraak, om verschillende redenen. In eerste instantie om te achterhalen waar ik deze week zo acuut flink ziek van ben geworden. Daarnaast wil ik, na een moeizaam jaar, een zeer uitgebreid bloedonderzoek laten doen om te zien hoe het er nu werkelijk voor staat.
Thuis had ik mezelf al voorbereid. Ik zou vriendelijk blijven, maar wel duidelijk vertellen hoe ik haar als huisarts ervaar. Niet tegen Ton zeggen natuurlijk, want die gaat het meteen relativeren en zeggen dat ik het misschien anders moet bekijken.
Kom ik daar aan, licht opgefokt vanbinnen, krijg ik uitgerekend de leuke van de twee. Voor het eerst in mijn leven bereid ik me bewust voor om iemand min of meer de les te lezen… en dan gaat het niet door. Dat was echt even een innerlijke schakeling die ik moest maken. Op hetzelfde moment besefte ik ook dat het misschien beter is om een gesprek op een normale manier in te gaan, in plaats van direct al mijn frustraties en grieven op tafel te gooien.
Mijn huisarts luisterde goed. We konden lachen en eerlijk zijn. Er zijn onderzoeken die ik weiger, omdat ik nu al weet dat ik met bepaalde uitslagen toch niets zou doen qua behandeling. Ton zou alles willen weten, maar voor mij voelt dat soms zinloos. Dit keer begreep mijn huisarts dat eigenlijk wel. Ze vroeg alleen waar ik dan nog wél okay mee ben. Een terechte vraag.
Ze begrijpt mijn frustratie en gaf eerlijk toe dat ze niemand kent met CMT. Ze snapt ook dat specialisten deze ziekte vaak onvoldoende meenemen in hun afwegingen rond behandelingen, simpelweg omdat ze er nauwelijks ervaring mee hebben.
De voorlopige conclusie:
morgen bloed laten prikken en opnieuw uitgebreider urineonderzoek doen.
Eenmaal thuis sloeg de spanning er alsnog uit. Ik werd enorm obstinaat en gooide de meest vreselijke uitspraken richting Ton eruit. Dat ik al die mensen die denken slim te zijn wel voor hun kop kan schieten en dat, als niemand me serieus neemt, ik uiteindelijk zelf maar moet overleven en dan wel de last woman standing zal zijn.
NOU GAAT LEKKER MET MIJ HÈ?
Natuurlijk slaat het nergens op. Maar blijkbaar moest de frustratie er toch uit.
En misschien zegt dat ook iets belangrijks:
thuis, op een plek waar ik me veilig voel, bij iemand die veilig voelt, durf ik volledig los te laten wat ik normaal inhoud.
Want eerlijk?
Na een CVA, een zeldzame ziekte, jarenlang aanpassen, artsen die vaak weinig weten van CMT, lichamelijke signalen die ik zelf heel duidelijk voel, én nu opnieuw zo’n heftige lichamelijke ervaring… is het misschien helemaal niet vreemd dat er boosheid omhoogkomt.
Psychologisch wordt vaak gezegd dat wanneer iemand langer dan twee weken ziek is, ziekte óók een psychische laag krijgt. Dus wat doet drieënzestig jaar leven in een lichaam dat voortdurend aandacht vraagt met een mens?
Ik hou veel in. Ik ben vaak stoer in mijn gedrag. Maar vooral sinds mijn CVA heb ik steeds minder behoefte om compromissen te sluiten met mijn eigen gevoelens en frustraties hierover.
Die ruimte geef ik mezelf nu, met liefde.
Alleen… iets meer balans zou misschien beter zijn.
Voor mij.
En voor mijn omgeving.
In dit geval:
Ton.
Misschien is boosheid niet altijd het probleem,
maar de plek waar verdriet,
machteloosheid en uitputting eindelijk even mogen bestaan.
Misschien is veiligheid juist dát: ergens zo jezelf mogen zijn,
dat zelfs je lelijkste emoties geen einde maken aan de verbinding.
En misschien begint balans niet met het wegdrukken van gevoelens,
maar met leren hoe ze mogen bewegen zonder alles omver te trekken.
Vrij zijn
10 mei 2026
Vandaag is de derde dag dat ik min of meer in mijn bed doorbreng. Ik slaap veel, maar blijf gek genoeg moe. Morgen zal ik even langs de huisarts gaan. Misschien heb ik echt wat onder de leden, misschien word ik moe van simpelweg te lui te zijn nu. Morgen ga ik dat uitzoeken. Aan beide opties valt vast iets te doen.
Tussen mijn dutjes door heb ik tijd gehad om in te voelen wat relaxt zijn eigenlijk betekent voor mij. Ontspanning ligt bij mij bij niets hoeven, alles mag. Geen enkele dwang, verplichting, richting of wat dan ook.
Het lezen van De relaxte vrouw. Waarom is dat gaan schuren bij mij ?
Moderne ideeën lijken wel weer snel nieuwe regels te worden. Zelfs vrijheid kan ongemerkt weer een norm worden.
Vandaag wilde ik nog dieper kijken, meer existentieel. Want blijven we niet vastlopen als we alles maatschappelijk blijven bekijken ? Wat als we dat loslaten en kijken naar de mens an sich ?
Waarom vooral blijven kijken naar de vorm waarin ideeën verschijnen ? Zelfzorg, ontspanning, authenticiteit, vrouwelijkheid, prestatiecultuur. Daaronder voel ik een veel groter existentieel punt liggen: waarom blijft de mens überhaupt steeds nieuwe systemen bouwen ? Zelfs rond vrijheid ?
Misschien omdat een mens moeilijk kan verdragen dat er geen vaste handleiding is.
Dus maken we telkens opnieuw kaders. Vroeger religie, daarna discipline, nu authenticiteit, zelfzorg en bewust leven. Volgens mij zijn het allemaal pogingen om grip te krijgen op iets dat misschien helemaal niet grijpbaar is.
Het gaat er denk ik niet om wie gelijk heeft, maar eerder waarom de mens steeds weer een stroming, richting of nieuwe overtuiging nodig heeft.
Dan verschuift het van vrouw/man of ontspanning/prestatie naar iets veel fundamentelers: kan een mens eigenlijk leven zonder zichzelf voortdurend te definiëren ? Zonder ideaalbeeld ? Zonder nieuwe regels ? Zonder identiteit als houvast ?
Dit soort vragen komen bij mij op.
Dat is waarschijnlijk de reden dat het gebruik van de woorden ‘authentiek leven’ bij mij schuurt. Authenticiteit kan dan alsnog een prestatie worden. Een identiteit. Een moreel ideaal. Terwijl echt bestaan misschien veel beweeglijker, tegenstrijdiger en ongrijpbaarder is.
Zodra een gedachtegoed, hoe aannemelijk ook, te sluitend wordt, voel ik ergens ruimte verdwijnen.
Ik denk dat authenticiteit ruimte nodig heeft als voorwaarde. Vanuit de kwantumfysica weten we dat alles beweegt. Zelfs de meest vaste, dichte stof beweegt. Een mens die alle kanten op mag en kan bewegen leeft in vrijheid.
Dus voor mij is authenticiteit gekoppeld aan vrijheid. VRIJ ZIJN.
Misschien is een mens niet bedoeld om zichzelf definitief vast te leggen.
Misschien leven we juist in de beweging ertussenin.
Tussen weten en niet weten.
Tussen vorm en vrijheid. T
ussen houvast zoeken en het weer los durven laten.
Misschien begint vrijheid pas echt wanneer niets meer volledig hoeft te kloppen
— zelfs wijzelf niet.
Ontspannen moeten
9 mei 2026
Gisteren ben ik begonnen naar aanleiding van psychologe Nicola Jane Hobbs te kijken hoe een relaxte vrouw ik eigenlijk ben in haar ogen. Zij had volgens mij twaalf kaartjes verzonnen die je zouden helpen herinneren aan enige ontspanning. Het blijken er maar negen te zijn, dus de laatste drie bedenk ik zelf. Wat ontspant mij eigenlijk echt ?
De laatste suggesties van Hobbs.
Al uit het raam gestaard ?
Ik staar denk ik niet echt. Ik kan naar buiten kijken en in mijn geval de groene kruinen van de bomen bekijken, de vogels die in en uit de kruin vliegen. Maar staren zie ik meer als gedachteloos kijken en niet echt opmerken wat je ziet. Dat gebeurt bij mij zelden tot nooit. Ik neem eigenlijk altijd waar waar ik naar kijk. Of staren per se ontspannend is weet ik niet echt. Gevoelsmatig denk ik eerlijk gezegd juist niet.
Je bent al goed zoals je bent.
Dat is een heel ambivalent gevoel in mij. Aan de ene kant voel ik me heel onzeker, niet gezien. Aan de andere kant ben ik juist heel zeker. Ik weet wat ik kan, wat ik wel of niet wil. Ik laat me absoluut niet leiden door hoe men vindt dat het moet. Ik bewandel mijn eigen pad, mijn eigen visie, ook al is de hele wereld het er niet mee eens. Dus er leven twee extremen in mij.
Een ding tegelijk.
Meestal doe ik twee, het liefst drie dingen tegelijk. Hahaha. Als ik maar één ding doe, val ik vaak in slaap. Dat is dan wel de ultieme ontspanning natuurlijk. Maar is dat de ontspanning die bedoeld wordt ? Wat is ontspanning precies ? Fysiek ? Mentaal ? Allebei ?
Dit waren de suggesties van Hobbs, maar wat doe ik zelf om te ontspannen ?
Hou eens een pyjamadagje.
Vooral in de winter hou ik pyjamadagen voor mezelf en voorheen ook met de kinderen. Dan maakten we in de woonkamer een groot bed en bivakkeerden we dag en nacht op de grond. Tv kijken, spelletjes doen. Lekker in mijn eigen ruimte helemaal niets moeten, alles kan.
Fietsen in de natuur, zonder doel.
Voor mij pure ontspanning. Geen geluid van verkeer, maar van vogels en ritselende bladeren. Zoemen van insecten, kleuren, weer en wind.
Alleen zijn.
Ik vind het heerlijk om alleen te zijn. Niemand die iets zegt of vraagt. Mobiel uit, communicatie nihil maken. Stilte in en om me heen. Voor mij misschien wel het meest ontspannen moment.
Het klinkt misschien allemaal logisch, maar ik vraag me toch af of dit voor iedereen manieren zijn om te ontspannen.
Modern en hip, zo’n nieuw boek geschreven door een knappe vrouw. Moderne ideeën lijken wel weer snel nieuwe regels te worden. Ontspanning tegenover prestatie. Zachtheid tegenover kracht. Vrouw tegenover man. Hoe hip of nieuw is dat eigenlijk ? Ik weet het niet.
Tijdens mijn studie klinische psychologie merkte ik ooit al op dat het mooi was om te lezen, maar uiteindelijk allemaal wel heel plausibel werd. Het klinkt aannemelijk, logisch zelfs, maar toch kwam ik innerlijk in de knoei. Waarom ? Daar wil ik morgen over schrijven. Het heeft te maken met wat Hobbs ‘authentiek leven’ noemt. Diep van binnen gaat het bij mij dan toch schuren.
Misschien ontspant een mens pas echt wanneer niets meer hoeft.
Zelfs ontspanning niet.
Misschien begint authenticiteit niet bij een nieuw ideaalbeeld,
maar juist bij het moment waarop je merkt dat iets van binnen zacht begint tegen te stribbelen.
Niet uit verzet, maar omdat iets in jou zegt :
wacht even… klopt dit eigenlijk wel voor mij ?
Hoe relaxt ben ik eigenlijk?
8 mei 2026
Ik lees een stukje van Nicola Jane Hobbs, een psychologe die zich realiseerde dat ze eigenlijk geen ontspannen vrouwen kende. Vrouwen zorgen, cijferen zichzelf weg, en ondertussen wordt er ook nog ambitie van hen verwacht. Ze ging daarom op zoek naar manieren om authentieker te leven.
Dat maakt me meteen nieuwsgierig. Wat is eigenlijk relaxt? Wanneer wordt zorg een vorm van stress? Wat doet wegcijferen met een mens? En waarom lijkt ambitie nog steeds iets wat eerder bij mannen hoort dan bij vrouwen?
Maar de grootste vraag vind ik misschien wel:
wanneer ben je authentiek?
Ze bedacht kaartjes met korte quotes om in je tas te stoppen of achter je telefoon te plakken. Kleine reminders op plekken waar je vaak kijkt. Hoe gooi je eigenlijk je interne to-do-lijst de deur uit?
Ik vind het in ieder geval interessant om de twaalf kaartjes te bekijken en te voelen hoe ik daar zelf mee omga.
“Nuttig zijn wordt overschat.”
Ja… ik denk dat de meesten van ons zo zijn opgevoed. Ik zeker. Vrij streng zelfs, vergeleken met mijn omgeving. Langzaam lukt het me beter om dat los te laten, simpelweg omdat ik besef dat rust ook goed is voor mijn gezondheid.
En toch voel ik me vaak trots als ik nuttig ben geweest. Alsof ik dan iets goed heb gedaan.
“Met een rommelig huis is niets mis.”
Hahaha… vanochtend schreeuwde ik nog tegen Ton dat de vlekken op de keukenkastjes echt niet konden. Het is maar vuil, je kunt het schoonmaken. “Ja, direct!”, denk ik dan.
Rommel maakt me onrustig. Vroeger moest letterlijk alles op de millimeter goed staan. Als ik thuiskwam, ging ik eerst alles rechtzetten. Een pleegdochter heeft het daar nog steeds over.
Dat extreme heb ik inmiddels losgelaten, maar makkelijk vind ik het nog steeds niet. En als ik het even wél los kan laten, ben ik trots op mezelf. Helaas hou ik dat meestal niet heel lang vol.
“Al een ommetje gemaakt?”
Die is makkelijk. Ja. Ik probeer iedere dag een rondje te fietsen. Even naar buiten, de lucht voelen, de wind, de temperatuur. Dat is iets waar ik bewust zorg voor draag.
“Wees zo lui als je kunt.”
Toevallig ben ik momenteel ziek en lig ik vandaag in bed. Ik voel me alweer veel beter, maar uit respect voor mijn lichaam blijf ik toch nog rustig liggen. Met de televisie aan, een boek erbij en mijn laptop op schoot.
Het bijzondere is misschien nog wel dat ik me daar niet meer schuldig over voel.
Ik ben opgegroeid met:
“Luiheid is des duivels oorkussen.”
Dat dat schuldgevoel langzaam verdwijnt, daar ben ik eigenlijk heel blij mee.
“Neem je tijd, het komt goed.”
Dat is misschien juist weer één van mijn talenten. Dingen die ik niet direct kan veranderen, kan ik vaak uiteindelijk ook loslaten. Dan vertrouw ik erop dat er vanzelf een oplossing, richting of nieuw moment ontstaat.
En als ik eenmaal in beweging kom, dan gaat het meestal snel.
“Vandaag hoef je helemaal niets.”
Zo begin ik mijn dag tegenwoordig soms bewust. Opvallend genoeg doe ik uiteindelijk vaak alsnog van alles. Alleen voelt het anders wanneer het niet moet.
Geen plicht. Geen opgelegd schema. Geen verantwoordelijkheid die op mijn schouders hangt.
Alles mag.
En dat voelt eigenlijk best ontspannen.
Aangezien ik dit weekend thuis blijf om goed te herstellen, ga ik morgen verder met de andere zes kaarten.
Ik ben benieuwd hoe relaxt ik uiteindelijk werkelijk ben.
Wanneer doe je iets
omdat het moet—
en wanneer omdat het klopt?
En hoeveel rust ontstaat er
wanneer niets meer bewezen hoeft te worden?
Misschien is ontspannen niet niets doen,
maar jezelf iets minder strak vasthouden.
De stilte van herstel
7 mei 2026
Gisteren leek het alsof mijn lichaam ineens besloot dat het genoeg was geweest.
Nog geen dag eerder stond ik gewoon te trainen. Zweten, bewegen, kracht zetten. Niet perfect, wel stabiel. Tot dat moment in de sportschool waarop een vrouw vlak naast mij hard zat te hoesten. Ik weet nog dat ik dacht: dit voelt niet goed. Daarna verdween het weer uit mijn aandacht.
Pas later begon het.
Eerst het suizen in mijn hoofd. Een vreemd gevoel van instabiliteit. Alsof mijn systeem ineens geen grip meer kreeg op zichzelf. In een paar uur tijd veranderde alles. Koorts. Spierpijn. Pijn in iedere cel van mijn lichaam. Het gevoel alsof letterlijk het licht uitging. Niet dramatisch bedoeld, maar echt fysiek zo ervaren. Ik kon niets meer. Geen concentratie, geen helderheid, alleen nog liggen.
Ton gaf me om de paar uur paracetamol. Verder herinner ik me eigenlijk vooral flarden. Het vreemde is dat mijn Fitbit later liet zien dat ik nauwelijks had geslapen, terwijl ik gevoelsmatig bijna buiten bewustzijn ben geweest. Misschien is dat maar goed ook. Wanneer een lichaam zó ziek is, neemt het blijkbaar tijdelijk de regie over. Denken verdwijnt dan naar de achtergrond. Er blijft alleen nog overleven en herstellen over.
Vandaag werd ik wakker met nog wat koorts, maar het echte ziek-zijn leek verdwenen. Alsof de storm alweer verder trok. Ik bleef wel de hele dag in bed. Niet omdat het moest van iemand anders, maar omdat ik voor het eerst voelde dat herstel niet hetzelfde is als direct weer doorgaan.
Dat is misschien nog wel de grootste verandering.
Vroeger ging ik weer bewegen zodra ik me iets beter voelde. Doorzetten. Niet zeuren. Terug naar normaal. Maar steeds vaker begin ik te begrijpen dat gezondheid niet alleen zit in kracht opbouwen, maar ook in het behouden ervan. In rust toelaten wanneer het lichaam daarom vraagt.
Niet stoer. Niet bewijzen. Niet vechten tegen een grens.
Gewoon luisteren.
En misschien is dat uiteindelijk óók een vorm van kracht.
Misschien verandert herstel pas echt wanneer je niet langer probeert het lichaam te overwinnen,
maar langzaam leert er mee samen te werken.
Niet iedere stap vooruit hoeft bevochten te worden.
Soms ontstaat vooruitgang juist in het stil durven blijven liggen
tot het leven vanzelf weer terugkeert in het lichaam.
Wie ben ik?
6 mei 2026
Wie ben jij? Wie ben ik? Een vraag voor een essay om toegelaten te worden tot een universiteit. Of tijdens een sollicitatiegesprek. Een vraag van iemand op een feestje die serieus en geïnteresseerd wil lijken.
Vroeger zou ik daar uitgebreid antwoord op hebben gegeven. Maar zelfs toen zou ik niet hebben gezegd: “Ik ben Annette Groen en ik ben doktersassistente, yogalerares of schilderes.” Nee, zelfs toen zei ik eerder: “Mijn naam is Annette Groen en tegenwoordig houd ik me bezig met…”
Nu zou mijn antwoord waarschijnlijk zijn: ik weet niet wie ik ben.
Wat vraagt iemand eigenlijk wanneer die vraag gesteld wordt?
Ik weet wie mijn ouders zijn — al was zelfs dat soms ingewikkeld. Ik weet wat ik doe en waar ik van hou. Maar ook dat verandert door de jaren heen.
Er zijn zoveel versies van Annette geweest. Teruggetrokken. Vol in de aandacht. Bijna onzichtbaar. Niet over het hoofd te zien. Met harde meningen. Nuchter. Vriendelijk. Empathisch.
Ook mijn partners waren totaal verschillende types. Bij iedere relatie ontwikkelde ik weer een andere kant van mezelf. Angsten die ooit richting gaven verdwenen later weer, waardoor mijn leven opnieuw een andere kant op kon bewegen.
Geboren worden met een handicap gaf mij een duidelijk zichtbaar kenmerk — maar de kleur van mijn ogen doet dat ook. Gekleurde lenzen kunnen dat veranderen. En zelfs de manier waarop ik met mijn handicap omga staat niet vast.
Slachtoffer zijn. Soms ook de beul. Ga zo maar door.
Wie ben ik?
Kies maar uit. Ik ben het allemaal.
Voor de mensen die je ontmoet, ben je vaak degene die ze op dát moment hebben leren kennen. Was ik de losbol, dan blijf ik dat in hun herinnering. Was ik de serieuze filosoof, dan blijft dat beeld hangen.
Bij familie werkt het anders. Zij verbinden mijn gedrag aan een stuk van zichzelf. Ik ben hun spiegel, en iedereen houdt een andere spiegel voor. Andersom werkt het natuurlijk precies zo.
Toch hoop ik dat ik de mens — wie het ook is — blijf zien als iemand met oneindig veel gezichten en mogelijkheden. Dat is eerlijk gezegd niet altijd makkelijk.
Een etiket plakken is simpel. Maar misschien mis ik dan iets. Iets wat ik nog niet heb kunnen zien.
Wie ben je— zonder je rollen, je verleden, je overtuigingen?
En hoeveel gezichten draagt een mens zonder het zelf te beseffen?
Misschien zijn we niet één verhaal,
maar een beweging die steeds iets nieuws laat zien.
Waar licht en schaduw elkaar raken
5 mei 2026
In Nederland is het vandaag officieel Bevrijdingsdag. Gisteren was het 4 mei, dodenherdenking. Gelukkig is die herdenking inmiddels breder geworden dan alleen de Tweede Wereldoorlog. Stap voor stap zijn ook andere groepen en latere militaire slachtoffers daarin opgenomen. Het is goed dat dit benoemd wordt, zodat mensen zich niet vergeten voelen.
Dit jaar heb ik er bewust voor gekozen om niet naar televisie te kijken. Alleen rond acht uur heb ik even naar de herdenking op de Dam gekeken. Meer niet. De confrontatie maakt dat ik huil — en blijf huilen.
In een klein kapelletje, ergens onderweg tijdens het fietsen gisteren, heb ik iets geschreven. Ter nagedachtenis aan Michel, zijn familie — en daarmee ook de familie van mijn kinderen.
Als ik denk aan de pijn van toen, en hoe die doorwerkt in volgende generaties, vraag ik me soms af: zijn er nog mensen zonder trauma? We dragen allemaal iets mee. Vanuit ons eigen leven, of vanuit wat ons is doorgegeven.
Ik weet inmiddels dat zulke ervaringen zelfs in het DNA worden vastgelegd en doorgegeven.
Misschien is niemand vrij van die schaduwkanten.
Het is goed om daar af en toe bij stil te staan. Om het te voelen. Die Weltschmerz, die wereldpijn. Als land samen een moment van verbinding te hebben — ook in dat.
Oorlog is niet te rechtvaardigen. Dat voelt voor mij heel duidelijk. En tegelijk zie ik het ook als een schaduwkant van de mensheid. Iets wat er is, zolang er mensen zijn.
Wanneer ik zie dat iemand pijn is aangedaan, voel ik mee. Natuurlijk. Dat is geen vraag.
Maar het wordt benauwend wanneer iemand denkt de enige te zijn met die pijn. Alsof het los staat van alles en iedereen. Want wie draagt het niet in zich, op de een of andere manier?
Dat maakt het niet kleiner. Het maakt het misschien juist draaglijker.
Ik bagatelliseer het niet. Maar ik zie het ook als een onvermijdelijke schaduwkant van de mensheid.
Dan denk ik aan kintsugi, de Japanse techniek die ik soms in mijn schilderijen gebruik. De gouden breuken benadrukken de barsten als onderdeel van de geschiedenis. Niet iets wat verborgen moet worden, maar iets wat het object juist sterker en unieker maakt.
Zou dat ook voor de mens gelden?
Worden we door alles wat we meemaken — zelfs oorlog en verlies — misschien ook sterker?
Vandaag heb ik besloten na mijn ochtendtraining rust te nemen. Zoals zo vaak zit ik op bed, met de televisie aan, mijn laptop op schoot en mijn mobiel in de hand.
In een Argentijnse serie hoor ik iemand zeggen:
“In Japan zien ze schaduw als schoonheid.”
Ja, denk ik dan. Dat klopt.
Komorebi noemen ze dat — het spel van licht en schaduw. Schaduw is daar geen gebrek aan licht, maar een ruimte voor rust en contemplatie.
Voor mij is het belangrijk om niet in de pijn te blijven hangen, maar haar mee te nemen. Als een schaduw die er mag zijn.
En als die schaduw mag dansen met het licht…
dan ontstaat er misschien iets wat lijkt op heling.
Hoe draag je wat donker is—
zonder erin te verdwijnen?
En wat gebeurt er
als je het niet probeert weg te nemen,
maar het laat bewegen naast het licht?
Is heling dan iets wat je doet—
of iets wat ontstaat?
Wat verbrandt — en wat terugkomt
4 mei 2026
Ondanks een vreemde droom — eigenlijk meer een zin waar ik van schrok — heb ik goed geslapen. De hondjes hebben zich voorbeeldig gedragen in het hotel. Onze kleding was zo goed als droog.
We ruimen op, laden mijn auto vol en rijden naar de bus om de fietsen eruit te halen. Het is warm, een beetje benauwd. De lucht donker en dreigend.
Om elf uur zitten we op de fiets, om de omgeving van Noord-Brabant verder te verkennen via ANWB-routes. Zo makkelijk, mijn telefoon op het stuur. Ik krijg het idee dat fietspaden per regio worden aangelegd — afhankelijk van hoeveel er geïnvesteerd wordt.
Langs de B-wegen, van dorp naar dorp, ligt vaak een breed fietspad voor twee richtingen. Maar zodra je het bos in gaat of langs weilanden fietst, worden het smalle, halfverharde paden van misschien een meter breed. Officiële routes, maar duidelijk met minder aandacht aangelegd.
In het bos lijken het soms meer mountainbikepaden: heuvelachtig, kronkelend en eigenlijk te smal voor mijn bakfiets. En dan nog tweerichtingsverkeer ook — iemand moet het struikgewas in als je elkaar passeert.
Ik vind het geweldig.
Het maakt het avontuurlijk. Ton moet lachen dat ik juist dat leuk vind. Voor iedere uitdaging vind ik wel een oplossing. Het is zwaarder dan strakke fietspaden, maar dat voelt dan weer als training.
Ik kijk altijd om me heen. Zie elk bloemetje, elk detail dat afwijkt. De bomen hier zijn opvallend oud, de grond hobbelig. Heuvelachtig is misschien te veel gezegd, maar er zijn wel hoogteverschillen van drie à vier meter. Veel heide, plassen en meren.
Ik fiets zo’n 18 kilometer per uur. Niet snel, maar ik neem alles in me op — bloemen om later op te zoeken, vogeltjes, kleine bewegingen.
Dan zie ik iets vreemds. Op de heide ligt een brandslang, zeker honderd meter verderop. Dat voelt niet logisch, zo midden in de natuur.
Even later zie ik donkere vlekken, als een panorama dat zich voor me ontvouwt.
Ik stop.
En ineens begrijp ik het.
Dit is de heide die een paar dagen geleden in brand heeft gestaan. Een militair oefenterrein — die bordjes had ik al gezien. Het was op het journaal.
Ik vertel het Ton en vraag hem een foto te maken. Van het zwarte landschap. En van de slang, als stille getuige.
Hij snapt niet hoe ik die slang zo snel en van zo’n afstand heb gezien. Maar hij weet inmiddels dat ik alles zie.
Ik moet denken aan Zuid-Afrika, waar ik ooit een gebied zag dat nog smeulde na een brand. Alles zwart. Daar zijn planten die juist ontbranden om hun zaad vrij te geven.
De sfeer was toen naargeestig.
Twee dagen later ging ik terug met mijn dochter om het haar te laten zien. Tot mijn verbazing was er al jong groen. Zelfs bloemen. In zo’n korte tijd had de natuur zich hersteld.
Hier zie ik hetzelfde. Zwarte stukken, ja. Maar ook het besef dat het zich weer herstelt.
Natuurlijk, het ene verhaal is natuur, het andere menselijk handelen.
De gebeurtenis lijkt hetzelfde. De omstandigheden zijn anders. Maar de uitkomst… misschien niet.
En dan vraag ik me af:
hoe zwaar moet je dat wegen?
Of maak ik het mezelf te makkelijk?
Wat zie je—
als je voorbij de gebeurtenis kijkt?
Is verwoesting een einde,
of een begin dat nog niet zichtbaar is?
En hoeveel van wat je voelt
wordt bepaald door wat je weet—
of door hoe je kijkt?
Tussen traditie en beweging
3 mei 2026
Tradities. Wat vind ik daarvan?
Het zijn gebruiken die generaties lang in stand worden gehouden. Koningsdag (vroeger Koninginnedag), Sinterklaas, Luilakken in het noorden, carnaval in het zuiden. Of bijeenkomsten bij geboorte, overlijden en huwelijken. Ze brengen mensen bij elkaar, los van alles wat hen ook weer kan verdelen.
Vandaag vielen we met onze neus in de boter. In het dorp waar we verblijven was het Gildedag. Achtenveertig gilden liepen mee in een optocht. Zo’n 1200 tot 1500 gildebroeders en -zusters. Keizers, koningen, standaardrijders, vendeliers en tamboers — alles kwam voorbij.
Opvallend hoe het hele dorp hiervoor uitloopt, en hoe vanzelfsprekend het is.
Voor mij was het de eerste keer dat ik dit zo zag. Al die mensen, serieus gekleed in middeleeuwse kledij. Natuurlijk heb ik daar respect voor. En tegelijk voel ik ook een lichte weerstand.
Hoe ver verbind je je identiteit aan een eeuwenoude traditie?
Is er ook ruimte voor verandering?
De dag begon met een mis in de kerk. Dan merk ik dat ik huiver voor starheid. Net zoals Sinterklaas voor mij niet meer helemaal van deze tijd is, voel ik dat ik ervan hou wanneer dingen meebewegen.
Beroepsverenigingen kunnen zich ook op andere, misschien creatievere manieren verbinden en laten zien wie ze zijn.
Ton wilde graag naar het veld waar na de optocht de ceremonie van de gilden zou plaatsvinden. Voor mij was het kijken naar de optocht genoeg. Zoveel mensen bij elkaar, en een sfeer waarvan ik niet goed wist hoe die voor mij zou voelen.
In plaats daarvan hebben we vier uur gefietst door de bossen en dorpen in de omgeving. In de stromende regen. Ondanks regenkleding waren we uiteindelijk tot op ons ondergoed doorweekt.
En toch… ik vond het leuk.
Thuis zou ik het niet in mijn hoofd halen om met dit weer te gaan fietsen of wandelen. Maar nu we weg zijn, doen we het gewoon. Het voelt sportief, verfrissend en gezond.
De hondjes zaten in de bakfiets, onder het zeil, lekker in hun mandjes. Af en toe kwam er een koppie naar buiten om te kijken — superschattig.
Een laadpaal vinden die het doet blijkt nog niet zo makkelijk. Dat stuk hebben we duidelijk nog niet onder de knie.
Op de hotelkamer trekken we snel onze natte kleren uit en zakken neer. We voelen dat een paar uur buiten zijn op deze manier toch vermoeiend is.
Ik ben benieuwd hoe de omgeving er morgen uitziet.
Het was weer een fijne dag.
Wat houd je vast—
en wat mag veranderen?
En hoe beweeg je
tussen wat blijft
en wat verschuift?
GILDEDAG 2026
De regen voorblijven
2 mei 2026
Weerberichten. De hele week zou het mooi weer zijn. Vandaag hebben we een hotel geboekt voor twee dagen, om van daaruit te gaan fietsen. Eerst naar de verjaardag van onze kleindochter, een uurtje fietsen door een bosrijke omgeving. Helemaal leuk.
Helaas geven de weerberichten ineens hevige stortbuien en onweer aan. Vanaf de middag, de hele avond en morgen ook. Mijn dochter appt zelfs om te vragen of we nog wel op de fiets komen.
Tegen Ton zeg ik dat we zo vaak slecht weer voorspeld krijgen als we weggaan, maar dat het uiteindelijk altijd meevalt. We besluiten met twee auto’s te gaan. Ton met de bus en de fietsen, ik met mijn eigen auto en de hondjes. In het hotel kijk ik nog een keer naar de buienradar en beslissen we wat we doen: toch fietsen of met de auto verder.
Het weerbericht verandert. Pas rond tien uur ’s avonds regen. We stappen dus toch op de fiets.
Hahaha, ik ga er eigenlijk altijd van uit dat het weer wel meewerkt. En anders hebben we regenkleding.
Normaal rijd ik rechtstreeks naar het huis van mijn dochter. Nu fietsen we eerst een uur door de omgeving waar ze woont. Het geeft me meteen een ander beeld van haar leven. Alleen al daarom ben ik blij dat we deze keuze hebben gemaakt. Nu al geen spijt van dit weekendje weg.
Op verjaardagsvisite gaan is niet mijn favoriete bezigheid. Eigenlijk heb ik er een hekel aan. In de zomer, als we buiten kunnen zitten, gaat het nog. Maar binnen word ik er vaak onrustig van. Nu we erheen fietsen, merk ik dat ik veel frisser en vitaler aankom.
Gelukkig zitten we buiten in de tuin. De hondjes zijn lief, dicht bij ons is genoeg voor ze.
De terugweg naar het hotel wordt een avontuur. De fiets-TomTom stuurt ons via bospaden, onverhard, door mul zand. Met de bakfiets is dat zwaar. Regelmatig moet ik afstappen en duwen. Soms neemt Ton het even over. Het zand is zo los en hobbelig dat mijn enkels als luciferhoutjes buigen en ik in het zand val.
Het zweet loopt langs mijn lichaam.
Het enige wat ik denk: ik heb vanmorgen niet getraind — dit is mijn training.
Ik zeg lachend tegen Ton dat ik het eigenlijk wel fijn vind om even af te zien.
We fietsen richting de ondergaande zon, een blauw-rode lucht voor ons. Achter ons pakken de wolken zich donker samen. We voelen een paar druppels, maar blijven de bui voor.
Een enerverende dag. Met de bus, de fietsen en de hondjes op pad.
Wel leuk.
Ik heb zin in morgen.
Hoe vaak laat je je leiden
door wat er misschien komt?
En wat gebeurt er
als je toch gewoon gaat—
en onderweg ontdekt
dat het precies goed is?
Wat blijft — en wat verdwijnt
1 mei 2026
Geheugen… hoe werkt dat eigenlijk?
Ik merk dat het bij mij heel selectief is. Dingen die indruk hebben gemaakt — emotioneel, pijnlijk of juist een hoogtepunt — zijn me bijgebleven. Woorden, zinnen, beelden. Maar juist de interactie met mensen vaak niet.
Vooral als ik een gezamenlijk verleden deel met iemand, blijkt dat de ander heel andere herinneringen heeft vastgehouden. Dat merk ik bij mijn zus, mijn kinderen, en vandaag ook bij mijn pleegdochter. Ze haalde herinneringen op die voor haar veel betekenden. Ik kon me de situatie wel voorstellen, maar me er niets meer van herinneren.
Ervaarde ik vroeger veel dingen als neutraal?
Heeft mijn geheugen ze daarom losgelaten?
Ik merk bij mezelf veel verschuivingen — in hoe ik ooit was en wie ik nu ben. Soms voelt het zelfs alsof ik gespeeld heb met mijn karakter. Stil, onzichtbaar, assertief, brutaal, uitdagend, speels, aanwezig, onzeker, afstandelijk — ik ben het allemaal geweest, in verschillende periodes.
Veel mensen zijn passanten geweest in mijn leven. Anderen zijn altijd gebleven.
Spanning en stress had ik lange tijd nodig om in beweging te komen. De rust die ik nu ervaar is daardoor wennen. Soms verwarrend. Soms zelfs een beetje saai.
Maar die rust geeft ook ruimte. Ruimte om innerlijk te bewegen. Ik zie het, ik voel het, maar het is nog een vrij onontgonnen pad. En dat maakt het dan weer spannend.
Vanmiddag ging het gesprek ook over een gezamenlijke vriendin van vroeger, die ik al vijftien jaar niet heb gezien. Ze stuurde me een e-mail met veel bijlagen — bijna een boekwerk. De intensiteit die ik me van haar herinner, kwam daarin duidelijk naar voren.
Mijn eigen houding is veranderd. Ik wil existentiële vragen open laten. Mijn ideeën zijn precies dat: ideeën. Overtuigingen die ik vroeger had, zijn vervaagd tot een misschien. Het willen weten, of het aangaan van discussies, heeft daardoor voor mij minder zin.
Mijn pleegdochter vertelde over haar leven en stelde vragen over hoe ik het nu zie en beleef. Volgens mij gaf het haar rust om te horen dat ik niet alles wil verklaren.
Dat ik eigenlijk nog maar één vraag heb:
Hoe ga ik ermee om?
Of… hoe reageer ik?
Wat onthoud je—
en wat laat je los?
En hoeveel van wie je was
blijft werkelijk bestaan?
Misschien ligt het antwoord niet in het weten,
maar in hoe je beweegt
met wat zich aandient.
Hulp geven, hulp vragen
30 april 2026
We gaan een lang weekend weg. Een hotel geboekt in Noord-Brabant. Van daaruit kunnen we drie dagen fietsen in de bossen. Zaterdag gaan we op de fiets naar de verjaardag van mijn kleindochter.
Vandaag zijn we bij de ANWB fietstassen gaan kopen en hebben we koffers uit de opslag gehaald. Onderweg op een terrasje gegeten. Voorpret van een vakantie, kort of lang, blijft altijd leuk.
Misschien vreemd, maar ik kan zo gelukkig zijn met een zonnige dag, wat boodschappen doen en voorbereidingen treffen.
Thuis is het schoon. Ik verzorg de planten.
Een vriendin, die vorig jaar weduwe is geworden, vraagt of ik haar kan helpen met de belastingaangifte. Het grappige is dat ik zelf een hekel heb aan dit soort dingen. Toch doe ik het voor haar.
Ik heb ooit de nalatenschap van mijn schoonzus geregeld. Voor deze vriendin heb ik me ook opgeworpen als executeur testamentair. Wat is dat toch? Dat ik voor dit soort zaken voor mezelf bijna een blokkade voel, maar het voor anderen gewoon oppak?
Wil ik aardig gevonden worden?
Kan ik het niet aanzien dat iemand er zoveel moeite mee heeft?
Ik ken inmiddels de klappen van de zweep, dus in feite is het voor mij een eenvoudig kunstje.
In de omgang ben ik niet per se de vriendelijkste of de charmantste, maar daar waar ik kan, bied ik hulp.
Zou ik zelf iemand zijn die graag hulp had gekregen?
Ik zal het nooit en te nimmer vragen.
Is het dan wel een vriendelijke daad, als er misschien een psychologische verklaring onder zit?
Ben ik dan nog wel authentiek?
Ik weet het niet.
Het blijft een vraag.
En toch… houd ik er een goed gevoel aan over.
En ben ik blij dat het geregeld is voor haar.
Wanneer geef je echt—
zonder reden, zonder bedoeling?
Bestaat er zoiets als zuivere hulp,
of zit er altijd iets van jezelf in?
En maakt dat het minder echt…
of juist menselijk?
Van kracht naar vertrouwen
29 april 2026
Vandaag begon met een krachtmeting. Altijd een beetje spannend, want daar wordt zichtbaar wat er in stilte is opgebouwd. Daarna volgde de zwaarste sessie tot nu toe. Geen lange opbouw, maar kort, krachtig en direct. Eerst een opwarming, dan rust. En daarna de pilaren. Steeds weer. Een snelle, krachtige duw of trek, tien seconden rust, en opnieuw. Drie rondes lang.
Ik voelde het meteen. Dit was anders. Geen “even trainen”, maar mijn lichaam echt aanspreken. Niet over de grens, maar er precies tegenaan. Mijn spieren moesten schakelen, mijn adem moest mee, mijn hele systeem organiseerde zich rondom die korte explosies van kracht.
En ergens daarin zit iets bijzonders. Want een jaar geleden was mijn lichaam vooral moe. Zwaar. Onvoorspelbaar. Nu is het een gesprek geworden. Ik vraag iets, mijn lichaam antwoordt. Soms aarzelend, soms verrassend krachtig — maar het antwoord komt.
Misschien raakt me dat nog wel het meest. Het gaat niet alleen om kracht, maar om vertrouwen. Vertrouwen dat mijn lichaam dit kan leren. Dat het zich aanpast. Dat het onthoudt.
Ik zie het terug in de cijfers. In stappen die zich opstapelen zonder dat ik er krampachtig mee bezig ben. In gewichten die langzaam omhoog kruipen. In de koppeling met mijn Fitbit, waardoor mijn dag één geheel wordt. Niet meer losse momenten van inspanning, maar een doorlopende beweging. Dichter bij wie ik nu ben, dichter bij mijn ritme. Niet obsessief, maar ondersteunend. Alsof ik na al dat dokteren heb besloten: dit neem ik zelf weer in handen.
En toch voelt het niet als forceren. Eerder als meebewegen met iets dat al gaande is.
Misschien zit ik op een plateau. Of zoals het voor mij beter voelt: een rustpunt. Een plek waar alles zich opnieuw organiseert. Waar spieren, zenuwen en vertrouwen elkaar vinden. Waar mijn lichaam zegt: wacht even, dit moet ik eerst eigen maken.
En dat doe ik dan ook. Wachten. Niet stilstaand, maar verdiepend. Want onder de oppervlakte beweegt het gewoon door.
Na de training ga ik lunchen met een vriend. In de zon, tegen de harde wind in. Een soulmate. Iemand met een vergelijkbare jeugd, vergelijkbare lagen. We spreken dezelfde taal. Over verantwoordelijkheid voor wat je voelt. Over hoe alles wat zich buiten afspeelt, iets van binnen raakt. Maar dat wat geraakt wordt, is van mij. Niet van de situatie. De wereld gebeurt buiten mij, maar mijn beleving ontstaat van binnen. In alles leer je jezelf kennen.
Hij werkt als coach en counselor en neemt mensen stap voor stap mee naar een groter waarnemen:
-
Deelnemen
-
Waarnemen
-
Observeren
-
Compassie
-
Transformatie
Het is altijd fijn om elkaar te spreken. Herkenning doet goed.
Thuis is mijn jongste zoon er. Het blijft bijzonder hoe zo’n grote man bij zijn moeder weer even dat kleine jongetje wordt. Naast me op bed kruipen, kroelen met de honden, en iets lekkers uit de kast pakken.
Later word ik gebeld door het bedrijf waar ik mijn kleurrijke wandelstokken heb gekocht. Een vrolijk gesprek met de eigenaar, die het leuk vindt dat ik ze allemaal wil hebben en er elke maand één koop. Passend bij mijn kleding kies ik er dagelijks een uit. Voor mij zijn het accessoires, waardoor ik het niet als hulpmiddelen ervaar.
Hij vraagt of ik er iets over wil schrijven en eventueel een foto wil sturen. Door mijn verhaal krijg ik voortaan korting.
Ik sluit mijn review af met de zin:
Ik maak het liefst van een nood een deugd.
Wanneer wordt kracht vertrouwen—
niet omdat het bewezen is,
maar omdat het gevoeld wordt?
En hoeveel groeit er in stilte,
terwijl jij denkt dat je stilstaat?
Een generatie verder, een gevoel dichterbij
28 april 2026
Mijn kleindochter is jarig. Ze werd geboren vier dagen nadat we ontdekten dat Michel ziek was. Hij had op school een opa-dag geregeld om iedere woensdag in Maastricht op te passen. Dat heeft hij nooit kunnen meemaken. Haar geboorte wel. Hij heeft haar nog voorgelezen — iets wat hij zo belangrijk vond.
Ik mocht destijds mee naar de OK. Ik was letterlijk bij haar eerste ademteug. De eerste keer oma worden is bijzonder. Op een andere manier aanwezig. Meer bewust.
Ik hou van mijn kinderen, zielsveel. Ik ben gescheiden, daarna kreeg ik een samengesteld gezin: een dochter van mij en een dochter van Michel. Het was gecompliceerd. We maakten fouten, en die hebben hun sporen nagelaten. Later kregen we samen nog twee kinderen, en na Michels overlijden nam ik nog een puber in huis. Mijn hart was altijd groot genoeg om mensen op te nemen en ze deel te laten zijn van ons gezin.
Als ouder wil je perfect zijn. Maar dat lukt niet. Mijn vijf kinderen dragen allemaal hun eigen herinneringen — mooie, moeilijke, en alles daartussenin. Ze zijn nu volwassen en leven hun eigen leven. Ze wonen niet om de hoek. We bellen vooral als er echt iets te melden is.
We hebben onze auto aan de tweede dochter gegeven. Ze kwam hem samen met haar ex-vrouw ophalen. Fijn om ze even te zien. De volgende dag ging de oudste zoon van Ton met zijn dochter langs bij mijn jongste zoon in het restaurant waar hij werkt. We kregen een foto op WhatsApp. Zo’n klein moment, maar het doet me goed.
Vandaag zie ik een foto van mijn kleindochter die met haar gescheiden ouders is gaan lunchen. Wat is het fijn om te zien dat dat kan.
Een dochter heeft bijna een jaar geleden afstand van mij genomen. Sindsdien heb ik niets meer van haar gehoord. We zijn niet allemaal hetzelfde. Zij heeft deze ruimte nodig — ver weg van mij. Rigoureus, maar blijkbaar nodig voor haar.
Ton ziet op Instagram een foto waarop zij met twee vrienden staat. Hij laat het me zien. Ik ben blij om haar te zien lachen. Ze ziet er goed uit. Na lange tijd is dit een klein kruimeltje van leven.
Mijn aangenomen zoon reageert bijna altijd als eerste op de familie-app. Die is er. Altijd in verbinding.
En mijn kleinkind… daar kan ik voluit van houden. Ik ben de gekke, lieve oma die altijd blij is om haar te zien. Zij is een lichtje in mijn hart.
Een generatie verder,
maar een gevoel dichterbij.
Hoe beweegt liefde
wanneer afstand ontstaat?
Verdwijnt ze—
of verandert ze van vorm?
En hoeveel blijft er aanwezig
in de kleine momenten die er wél zijn?
De meute laten voor wat het is
27 april 2026
Koningsdag. Het is altijd bijzonder om te zien hoe de koninklijke familie een stad bezoekt. Ben ik zo koningsgezind? Geloof ik in sprookjes? Ben ik een dromer? Of zegt mijn nationaliteit iets? De romantica komt in mij in ieder geval wel boven.
Al mijn hele leven kijk ik naar deze dag op tv. Ooit het defilé, later de bezoeken aan steden. Een huwelijk, een kroning — ik kijk. Met het gezin liepen we over de vrijmarkten. Soms stonden we er zelf. De laatste jaren fietsen we erlangs.
Vandaag was het zó druk in het centrum van ons dorp en in de stad aan de overkant van de rivier. Van podium naar podium, overal kabaal, mensen als haringen in een ton. Geen ruimte, alleen de lucht boven me.
Als automatisme gaat er iets in mij uit. Waar ik normaal alles zie en opmerk, komt er nu niets meer binnen. Er is alleen focus: een gaatje vinden om uit de menigte te komen.
Gelukkig lukt dat. Buiten het centrum is het ineens stil. De straten zijn leeg. Toch duurt het even voordat mijn lichaam weer ontspant, voordat ik uit die innerlijke vluchtstand kom.
We fietsen nog langs vrienden, die rustig in de tuin zitten met een drankje. Daar kan ik me langzaam weer openen.
Op de terugweg naar huis fietsen we door een groot natuurgebied.
Thuis merk ik hoe moe ik ben geworden. Ik val in slaap, totaal leeg.
Misschien een harde conclusie, maar voor mij is hij duidelijk:
dit doe ik niet meer.
Ik heb het gezien, meegemaakt, er op mijn manier zelfs van genoten. Maar het hoeft niet meer.
Vanaf volgend jaar zoeken we de stilte op
en laten we de meute de meute.
Wanneer weet je dat iets niet meer bij je past—
niet omdat het verkeerd is,
maar omdat jij veranderd bent?
En hoeveel rust ontstaat er
als je niet meer mee hoeft?
De aard van het beestje
26 april 2026
Zolang ik me kan herinneren, heb ik dingen bijna obsessief gedaan.
Als kind nam ik boekenseries mee op vakantie. Het liefst zat ik dan buiten op het gras, dagenlang te lezen, net zolang tot alle boeken uit waren. Bleek dat er nog een deel ontbrak, dan deed ik er alles aan om dat zo snel mogelijk te bemachtigen. Mijn moeder werd daar soms boos om, ik moest mee naar het strand. Ik zocht dan een plekje in de schaduw en las gewoon verder, totaal onbewust van alles om me heen.
Later, als jong volwassene, verzamelde ik bouquetreeksboekjes. In afwachting van een soort manie. En dan ineens begon het: tientallen boeken achter elkaar lezen. Net zo abrupt als het begon, stopte het ook weer.
Toen de videorecorder kwam, ging ik films huren. Het liefst een hele rij. Series zoals The West Wing, alle seizoenen, alle afleveringen. Michel vond dat ook leuk. Uiteindelijk hebben we bijna alles gezien wat Videoland verhuurde.
Met het gezin maakten we van de woonkamer een groot bed door matrassen tegen elkaar te leggen. We huurden dan bijvoorbeeld alle Harry Potter-films of In de ban van de Ring, en lagen het hele weekend in pyjama op de grond films te kijken. De kinderen vonden dat geweldig.
Tegenwoordig zit ik ’s avonds op bed met de tv aan, mijn laptop op schoot om te schrijven en speel ik spelletjes op mijn telefoon. Nog steeds kijk ik series, aflevering na aflevering. Het heeft inmiddels een naam: bingewatchen.
Waarschijnlijk ongezond. Vast met allerlei consequenties. Ik geloof het wel. Maar binge lezen, bingewatchen, binge schilderen… het hoort denk ik gewoon bij de aard van dit beestje.
In alles waar mijn interesse naar uitgaat, duik ik erin. Volledig. En net zo makkelijk kom ik er weer uit.
Was ik een pionier?
Of gewoon een beetje obsessief?
Past het bij hoe mijn brein werkt?
Er zijn tegenwoordig zoveel theorieën over wat goed is en wat niet. Over hoe we consumeren, mentaal en fysiek. Misschien eigenwijs, maar zolang ik me er goed bij voel, is het goed. Zolang het me niet belemmert in functioneren.
Na Michels overlijden, toen ook de kinderen het huis uit waren, heb ik de tv jarenlang niet aangezet. Totdat Ton weer in mijn leven kwam. Blijkbaar kan ik ook zonder.
Deze dame heeft wat afgebinged in haar leven.
Ik schaam me er niet meer voor.
Ik beweeg gewoon mee met de flow waarin ik leef.
Wanneer wordt iets “te veel”…
en wanneer is het gewoon wie je bent?
En hoeveel hoeft er eigenlijk veranderd te worden,
als het je draagt
in plaats van tegenhoudt?
Is het genoeg ?
25 april 2026
Vannacht kon ik niet slapen. Waarom dat weet ik niet precies, normaal heeft dat te maken met te veel pijn. Nu was het iets anders, geen voelbare stress. Gewoon geen slaap, denk ik dan maar. Pas rond een uur of zes viel ik in slaap. De training heb ik deze ochtend dus maar overgeslagen, mijn lichaam was duidelijk niet uitgerust.
Ik kreeg een berichtje van mijn zus dat mijn broer inmiddels was geopereerd aan zijn voet. Wel pijnlijk geweest, nog een ingreep te gaan. Praktisch. Feitelijk. Zoals het vaak gaat bij ons.
En toch… onder die woorden gebeurt er iets anders.
Ik merk dat ik reageer. Vrij direct ook. Niet eens boos, eerder moe. Ik hoor mezelf zeggen dat het allemaal van één kant komt en dat ik me afvraag waarom ik eigenlijk nog moeite doe. Dat is geen nieuwe gedachte, maar hij komt wel steeds vaker en helderder terug. Mijn broers vragen nooit hoe het met mij gaat, zelfs niet als ze weten dat ik in het ziekenhuis lig. En toch fiets ik bij hen langs, drink een kop koffie, blijf in beweging. Alsof ik iets in stand probeer te houden waarvan ik me ondertussen afvraag of het er eigenlijk wel echt is.
Mijn zus zegt dat zij dat ook niet heeft, dat zij degene is die vraagt. Dat het bij ons gewoon zo gaat. En ze zegt ook dat er wel liefde is, maar dat het er niet uitkomt. Dat geloof ik ook wel. Echt. En als we bij elkaar zijn is het vaak ook gewoon gezellig. We lachen, er is contact. Alleen… het blijft ergens aan de oppervlakte. Hun leven is anders, hun belangstelling ook. Dat begrijp ik, maar vraag ik me af of het vasthouden van dit contact niet juist een desillusie wordt.
En dan kom ik vanzelf weer bij mezelf uit. Want daar zit het uiteindelijk. Niet bij hen.
Is het genoeg?
Ik merk dat ik me al los beweeg. Ik verwacht minder, laat het meer bij hen, forceer niets meer. En toch zit er nog iets. Want als het me niets meer zou doen, zou ik deze vraag niet stellen. Blijkbaar is het nog niet helemaal vrij.
Mijn zus zegt dat ik naar mijn gevoel moet luisteren, maar dat dat ook weer kan ombuigen. En dat klopt ook. Vandaag kijk ik wat somber de wereld in. Ik heb slecht geslapen en dat kleurt alles. Ik herken dat bij mezelf, dat dingen kunnen verschuiven, dat het morgen weer anders kan voelen. Maar ergens weet ik ook dat dit niet alleen van vandaag is.
Het is geen grote pijn meer. Geen boosheid. Eerder iets zachts dat blijft terugkomen. Een soort stil weten dat de beweging maar van één kant komt. En de vraag die daaronder ligt wordt daardoor eigenlijk steeds eenvoudiger, maar niet per se makkelijker:
Hoe lang wil ik dit nog zo houden?
Niet uit boosheid of afwijzing, maar omdat ik me afvraag wat nog klopt. Wat echt is, en wat misschien alleen nog een idee is dat ik zelf vasthoud.
Misschien is dit zo’n fase waarin er nog niets besloten hoeft te worden. Waarin het voldoende is om het te zien zoals het is. Dat er liefde kan zijn die niet zichtbaar wordt. Dat contact kan bestaan zonder echte ontmoeting. En dat ik daarin mijn eigen grens langzaam begin te voelen.
Het wordt me wel duidelijk dat als ik wat minder in mijn vel zit, het gezin waar ik uit kom me altijd een eenzaam gevoel geeft.
Dan zit er maar één ding op, en dat is in dit mooie weer gaan fietsen. De natuur in en mezelf vullen met zon, licht en de liefde van het leven zelf.
Thuis denk ik nu even terug aan het gesprek met mijn zus. Ik zet de tv aan en hoor precies wat ik eigenlijk al wist:
“Hoop komt wanneer je het minst verwacht. Je zult het vinden, of het zal jou vinden.”
Misschien is liefde niet altijd zichtbaar in wat gedeeld wordt,
maar voelbaar in wat ontbreekt.
En misschien is de vraag niet of het er is,
maar of ik kan leven met de vorm waarin het zich laat zien.
Wanneer wordt aanvaarden vrijheid…
en wanneer vraagt het leven mij om zachter los te laten?
Wat mij raakt zonder reden
24 april 2026
Ontroering. Waarom raakt iets me zo intens? Ik ontdek bij mezelf geen duidelijk mechanisme. Er kunnen heftige dingen gebeuren of verteld worden, en dan blijf ik opvallend nuchter. Maar soms zie of hoor ik iets — op tv of ergens anders — en hop, de tranen springen in mijn ogen.
Inmiddels heb ik geleerd dat het altijd iets met mij te maken heeft. Soms uit ervaring, soms vanuit iets dat ik pas veel later in mijn leven zal tegenkomen. Dat laatste vind ik misschien nog wel het meest bijzonder: alsof je onbewust al weet wat er voor je ligt.
Wanneer het zo raakt, weet ik dat inmiddels wel. Bij Soldaat van Oranje was het duidelijk dat het te maken had met mijn familie, die de oorlog op allerlei manieren heeft meegemaakt. Maar wanneer het niet duidelijk is, ga ik niet meer zoeken. Ik weet dat het zich ooit vanzelf zal laten zien.
Misschien is het vanuit deze ervaringen dat ik ben gaan voelen dat tijd niet horizontaal is, maar verticaal. Niet iets wat zich lineair ontvouwt, maar iets dat tegelijkertijd aanwezig kan zijn. Er is geen vooruitzien of toekomst voorspellen — het kan nu al gevoeld worden.
Het is moeilijk uit te leggen wat ik bedoel.
Ik kijk naar een documentaire over de terugkeer van tempelwachters. Beeldend kunstenaar Jikke van Loon zet zich in voor de symbolische terugkeer van twee Japanse tempelwachters, Agyo en Ungyo. Imposante houten beelden uit de veertiende eeuw, die sinds 2007 deel uitmaken van de collectie van het Rijksmuseum.
Ooit bewaakten ze de toegangspoort van een tempel in de buurt van Hiroshima. Nu staan ze tegen een muur. Hun functie kwijt. Ontheemd.
Jikke voelde dat. Die ontworteling. Het leidde tot haar project Issho-ni / Tomo-ni — samen. Een poging om de verbinding te herstellen, niet door de beelden simpelweg terug te brengen, maar door een dialoog te openen over hun betekenis, hun plek, hun geschiedenis.
Je ziet wat de tempel betekende voor de mensen uit het dorp. Hoe de afstand is ontstaan. En hoe, via dit project, iets weer open gaat. Niet alleen letterlijk, maar ook in gevoel.
Het zijn “maar” beelden. En toch raakt het me diep. De tranen lopen over mijn wangen. Het gaat over cultureel erfgoed, over betekenis, over verbondenheid met een plek. En ik voel dat in mijn hele lichaam.
Uiteindelijk brengt Jikke van Loon de beelden niet fysiek terug. Ze maakt interpretaties — onder andere in Delfts blauw — als symbool voor de verbinding tussen Nederland en Japan. Het hele dorp werkt eraan mee.
Ik kan niet precies beschrijven hoe. Maar het komt binnen.
Zo mooi om te zien hoe verbinding kan werken.
Wat raakt mij werkelijk
als ik niet weet waarom ?
Is het herinnering—
of iets dat nog moet komen?
En hoeveel ligt er al in mij besloten,
zonder dat ik het hoef te begrijpen?
In beweging komen
23 april 2026
Afgelopen dinsdag ging de ketting van mijn bakfiets stuk. Gelukkig vrij dicht bij huis, zodat Ton kon doorfietsen. Hij haalde me op met de bus en we reden meteen door naar de fietsenmaker. Ik had al gebeld dat ik pech had en vroeg of ik de fiets kon brengen.
Daar aangekomen snelde de fietsenmaker op me af, zichtbaar in paniek. Hij had het zo druk, zei hij, en geen tijd meer. Zaterdag gaat hij op vakantie en hij wist niet hoe hij alles nog af moest krijgen. Misschien zou een collega ernaar kijken, maar waarschijnlijk werd het pas maandag. Duizendmaal excuses.
Ik stelde hem gerust. Het is jammer als ik niet kan fietsen, maar het is geen ramp.
Gisteren, tijdens de pauze van Soldaat van Oranje, keek Ton op zijn telefoon. Een berichtje: mijn fiets was al klaar.
Na het trainen reden we naar de loods om hem op te halen. De fietsenmaker was nu veel rustiger en bood opnieuw zijn excuses aan. Hij had zoveel stress gehad dat hij het overzicht kwijt was. Dinsdag en woensdag had hij zelfs tot vier uur ’s nachts doorgewerkt.
“Jôh,” zei ik, “ik had helemaal niet verwacht dat je dit zou doen. Laat staan dat je hem ook nog een beurt zou geven.”
Nieuwe banden, remmen… alles was gedaan.
Terwijl hij nog wat olie op de ketting spoot, zei hij:
“U bent net een koningin op die fiets, zo gelukkig. Ik vind het zo mooi om te zien dat iemand zoveel plezier haalt uit fietsen. U heeft al 6500 kilometer op de teller, geweldig. Daarom wilde ik hem voor deze mooie dagen in perfecte staat afleveren.”
Misschien is het gek wat ik nu zeg, maar nu ik me mentaal en fysiek beter voel, lijkt er meer positiviteit op me af te komen. Op een rustige, natuurlijke manier.
Na een mooie fietstocht langs de Lek komen we thuis. Ik ben me zo bewust van hoe goed ik me voel en vergelijk het met een jaar geleden. Ik zoek mijn blog van 24 april 2025 op.
Terwijl ik het teruglees, voel ik hoe groot het verschil is. Niet zozeer in wat er gebeurt, maar in hoe ik het beleef.
Een jaar geleden zat ik veel meer in mijn hoofd. Ik probeerde te begrijpen wat er met me gebeurde. Waarom ik zo moe was. Waarom dingen zo binnenkwamen. Alsof ik van een afstandje naar mezelf keek en er woorden aan probeerde te geven. Kwetsbaarheid voelde als iets wat ik nog moest leren.
Nu is dat anders.
Niet omdat alles opgelost is, maar omdat ik er middenin sta. Ik hoef minder te begrijpen, ik voel meer. Dingen mogen er zijn zonder dat ik ze direct hoef te duiden. Waar ik toen nog streng was voor mezelf, merk ik nu dat er zachtheid is. Minder “ik moet niet zeuren”, meer: dit is hoe het is.
Ook mijn lichaam voelt anders. Toen was het zwaar, moe, beperkt. Nu beweegt het. Soms nog zoekend, soms met haperingen, maar het beweegt. Ik werk ermee samen in plaats van ertegenin. Ik luister, stel bij, ga door. Niet voluit, maar in lijn met wat er kan.
En dat geeft een rust die ik toen nog niet kende.
Het is alsof er in dat jaar iets verschoven is van buiten naar binnen. Minder kijken naar hoe het zou moeten, meer voelen wat er al is. En juist daardoor lijkt er ook van buitenaf iets mee te bewegen. Of misschien zie ik het nu gewoon anders.
Ik lees mijn tekst van toen terug met begrip. Zonder oordeel. Het was precies waar ik was.
Maar ik voel ook dat ik daar niet meer sta.
Dat ik ergens anders ben aangekomen.
Zonder dat ik precies kan aanwijzen waar dat punt lag.
En misschien hoeft dat ook niet.
Wanneer merk je dat je verder bent gegaan…
niet omdat alles anders is,
maar omdat jij anders kijkt?
En hoeveel hoeft er eigenlijk te veranderen,
om iets totaal anders te ervaren?
Wat kan niet — en toch doen
22 april 2026
Op tv wordt de kijker steeds gewezen op het feit dat de musical Soldaat van Oranje nu echt gaat stoppen. Ik ben geen fan van musicals, dus mijn interesse was er niet. Toch hebben een paar miljoen mensen deze voorstelling gezien en zijn er zeer positief over. Ton en ik besloten daarom, op de valreep en uit nieuwsgierigheid, toch te gaan kijken.
En eerlijk? Het hele concept is bijzonder. De zaal draait voortdurend van de ene naar de andere set. We zaten op de eerste rij, met onze neus bijna op het toneel. We konden de acteurs bijna ruiken, in ieder geval hun emoties goed zien. Het half zingen, half praten — waar we normaal allebei een hekel aan hebben — viel eigenlijk weg door de manier waarop de hele productie is opgezet.
Een paar keer was ik zo geraakt dat de tranen over mijn wangen liepen. Waar dat precies door kwam, weet ik niet. Het thema? Oorlog, vriendschap? Of de eerlijkheid waarmee er gespeeld werd? Iets raakte.
In de pauze bleken Ton en ik allebei een beetje zeeziek te zijn geworden van het draaien van de zaal. Na de pauze was ik erop voorbereid en gelukkig ging het toen beter.
Op de muur van het restaurant staat een tekst:
“In het leven van ieder mens komen ogenblikken voor waarop hij tot zichzelf zegt: ‘Tja, dat kan niet.’ En dan doet hij iets. De kwaliteit van je leven hangt niet af van wat er met je gebeurt, maar hoe je erop reageert. Aan het eerste kun je niet zoveel doen, aan het tweede alles.”
Ik zit er recht tegenover en denk: ja, dat is waar. Het gaat niet per se om voorkomen of genezen, maar om hoe je ermee omgaat. Misschien is dat wel de sleutel.
In de ontvangsthal staat een bar met honderden oranjebitters. Helaas niet te koop, anders hadden we er één meegenomen als aandenken. Op de terugweg rijden we via Wassenaar, stapvoets door de file. Even niets hoeven. De concentratie loslaten.
En ineens denk ik terug aan Koninginnedag op de school van mijn oudste dochter. Het drinken van talloze oranjebitters met andere moeders. Eén van hen, een beetje teut, keek naar mijn bloesje en vroeg: “Zijn die echt?”
“Hahaha, natuurlijk zijn die echt,” zei ik.
“Ik wil ze ook. Ik laat ze maken.”
Ze is later gescheiden, hertrouwd en in Wassenaar gaan wonen. Glimlachend denk ik eraan terug terwijl we stilstaan in de file.
Het is ook een manier om je situatie te veranderen. Soms letterlijk, soms figuurlijk.
Ik vertel Ton wat anekdotes over die Koninginnedagen. Ondertussen komen er meer herinneringen naar boven. Die houd ik voor mezelf. Ik hoef ze niet te benoemen. Het is een bekende weg, vol oude lagen.
Ik kies er op dat moment voor om het voorbij te laten gaan.
En dat lukt.
Zelfs nu ik het opschrijf, voelt het als iets wat er was —
en er niet meer is.
Wat maakt dat iets “niet kan”…
en we het toch doen?
En wanneer wordt het verleden iets
dat niet meer trekt—
maar alleen nog even langskomt?
Leven in lagen
21 april 2026
De afgelopen maanden heb ik veel geschilderd. Niet eens om iets af te maken, maar om te kijken. Te schuiven. Te voelen wat klopt en wat nog niet. Soms leg ik iets neer en laat ik het weken liggen. Dan loop ik erlangs, kijk opnieuw en zie het ineens anders. Iets verschuift. Niet alleen in het schilderij, maar ook in mij. Ik noem dat wel eens “dweilen”. Kijken tot het terugkijkt.
En ineens zie ik dat ik hetzelfde ben gaan doen met mijn lichaam. Waar ik vroeger wilde corrigeren, oplossen, verbeteren, ben ik nu gaan kijken. Voelen. Aanpassen. Niet meer van alles naar niets, maar bewegen binnen een marge. De afgelopen weken gebeurde er van alles. Een val, een pijnlijke voet, een knie die even niet meedeed. Vroeger betekende dat stilstand, terugval, frustratie. Nu niet. Nu is het onderdeel van het geheel. Een verstoring in de laag, geen breuk.
Vandaag koppelde ik mijn Fitbit aan de EGYM-app. Een klein technisch moment, maar het voelde als iets groters. Niet omdat ik cijfers nodig heb om te weten hoe het met me gaat, maar omdat ik ineens een breder beeld zie. Niet alleen dat ene moment van trainen, maar de hele dag. Mijn hartslag, mijn beweging, mijn herstel. Minder geflatteerd misschien, dichter bij mijn werkelijke leeftijd, maar juist daardoor werkbaarder. Na al dat dokteren, al die adviezen en protocollen, heb ik ergens besloten dit stuk zelf weer in de hand te nemen. Niet obsessief, niet controlerend, maar als een extra laag van kijken. Dicht bij mezelf, en steeds verder weg van wat voor mij niet klopt.
Ik train nog steeds, maar niet meer om te bewijzen dat ik sterker ben. Ik train om in beweging te blijven. Soms halveer ik, soms ga ik door. Soms voelt het zwaar en soms… ineens licht. Alsof mijn lichaam iets begint te herkennen. Niet bewust, maar ergens dieper. Alsof spieren en zenuwen elkaar opnieuw leren verstaan.
Ik dacht even dat ik een plafond had bereikt. Maar dat klopt niet. Het voelt meer als een plateau. Een plek waar niets zichtbaar groeit, maar waar onder de oppervlakte alles zich ordent. Spieren. Zenuwen. Vertrouwen. Volgens sommigen is wat ik doe niet mogelijk, maar mijn lichaam lijkt daar geen boodschap aan te hebben. Het zoekt, leert en herstelt. Niet omdat ik het dwing, maar omdat ik het de ruimte geef.
Net als in mijn schilderijen. Ik leg iets neer, kijk, verschuif, wacht. En op een dag klopt het. Misschien is dat wat leven is. Niet iets maken dat perfect is, maar iets laten ontstaan dat waar is.
Wat vraagt er vandaag om beweging,
en wat mag gewoon even liggen tot het zichzelf laat zien?
Het licht en een woord dat blijft hangen
20 april 2026
Het weerbericht had ons iets mooier weer beloofd. De gevoelstemperatuur viel mee, dus besloten we te gaan fietsen, daar waar de wolken enigszins wit leken. De donkere wolken — letterlijk en figuurlijk — achter ons laten.
We reden weg terwijl het nog zachtjes regende. De zwarte lucht achter ons en het witte wolkendek voor ons gaven het geheel een bijna feeërieke sfeer. Het geel van het koolzaad werd bijna fluorescerend. Ton en ik bleven erover praten hoe bijzonder het geel, paars en roze van de bloemen door dit licht een nieuw leven kregen. Door de verwondering van dat licht voelde ik de motregen en koude wind nauwelijks meer.
We zien zwanen, ganzen, meerkoeten en waterhoentjes broeden op hun nesten. Langzaamaan zullen we ook weer kuikens gaan zien. Ik word er zo blij van!
Zoveel fietspaden, door het platteland, langs watertjes en rivieren, door dorpen. Prachtige huizen, boerderijen, villa’s met enorme tuinen en weidse uitzichten. Landwinkels, B&B’s, schoonheidsspecialistes aan huis — perfecte banen voor vrouwen aan huis.
Bij een boerderij aan de rand van de weg zie ik een strak vormgegeven bord: Epicurean coaching. Het valt op. Zoals dat bij mij werkt, struikel ik mentaal over zo’n woord.
Op een gegeven moment krijg ik wat stijve kuiten en zeg tegen Ton dat we bij het eerste de beste bankje even afstappen om te rusten en te genieten van het uitzicht. Het duurt even, maar dan vinden we aan het water een tafel met twee banken. Er zit al een man. We vragen of we erbij kunnen zitten. Dat vindt hij prima en hij begint meteen te praten over hoe mooi en rustig het hier is. Hij vertelt waar hij het in Europa ook mooi vindt en dat hij best in Luxemburg zou willen wonen.
“Maar ja,” zegt hij, “mijn vrouw is hier begraven, dus ik kan hier niet meer weg.”
Ton en ik luisteren vriendelijk en glimlachen. We voelen allebei niet echt de behoefte om het gesprek verder te voeren. We groeten hem en laten hem achter met zijn mijmeringen. Wij praten niet zoveel tijdens het fietsen, we kijken vooral.
Na tien minuten zeg ik toch:
“‘Ik kan niet weg want mijn vrouw is hier begraven.’”
Ton lacht. Hij weet dat dit zo’n zin is waar ik op blijf hangen.
Ik ga verder:
“Zo zie je hoe verschillend zo’n zin kan leven. De één zet zichzelf vast, en de ander is juist vrij om een andere kant op te bewegen.”
Meer zeg ik er niet over. Het was fijn dat Ton dit ook hoorde.
Thuis ga ik achter mijn laptop zitten. In de zijbalk verschijnt een advertentie: Epicurean snijplank.
Wat…?! Daar is dat woord weer. Dit moet ik even opzoeken.
Epicurean verwijst enerzijds naar het epicurisme — een filosofie gericht op gematigd genot en innerlijke rust — en anderzijds naar een merk van duurzame snijplanken en keukengerei van geperst houtvezel.
Ik moet lachen.
Dat is dus eigenlijk dat gezegde:
“Alles waar ‘te’ voor staat is niet goed, behalve tevreden.”
Mijn vader zei dat zo vaak.
Waarschijnlijk komt dat gedachtegoed van Epicurus en blijft het op die manier in de overlevering hangen. Kennelijk is het nu opnieuw tot leven gekomen — in de vorm van Epicurean snijplanken en Epicurean coaching.
Wat maakt dat iets ineens blijft hangen—
een zin, een woord, een moment in het licht?
Is het toeval dat het terugkomt,
of begint het pas te spreken
op het moment dat ik het hoor?
Levensbeweging — wat liefde mij leerde
19 april 2026
Ik heb in mijn leven twee heel verschillende relaties gekend.
En allebei waren ze echt.
De ene relatie was intens.
Alles ging diep.
Voelen, zoeken, raken — niets bleef aan de oppervlakte.
Het was een verbinding die me meenam, die me openbrak, die me dingen liet zien die ik anders misschien nooit had aangekeken.
De andere relatie is rustiger.
Meer in het dagelijks leven.
Samen eten, praten, plannen maken.
Minder groot, minder meeslepend misschien — maar wel aanwezig, stabiel.
Vroeger zou ik gedacht hebben dat het één beter was dan het ander.
Dat diepte zat in intensiteit.
Nu zie ik dat anders.
Beide relaties hebben iets anders in mij aangesproken.
In de ene werd ik geconfronteerd met mijn diepte, mijn overgave, mijn vermogen om alles te voelen.
In de andere leer ik iets anders.
Blijven. Aanwezig zijn. Niet verdwijnen in het grote, maar juist blijven in het gewone.
En eerlijk… dat laatste vind ik soms moeilijker.
Want het leven is niet altijd intens.
Het is vaak gewoon.
Gesprekken die nergens heen gaan, dagen die zich herhalen.
En toch gebeurt juist daar iets.
Ik merk dat ik niet meer weg hoef.
Dat ik niet meer op zoek hoef naar iets groters om te voelen dat het klopt.
De diepte is er nog steeds, maar hoeft zich niet meer te bewijzen.
Toen ik nog lesgaf, zei ik vaak:
je kunt in principe met iedereen een relatie aangaan.
Niet omdat iedereen hetzelfde is, maar omdat elke relatie iets anders in je aanspreekt.
Dat zie ik nu pas echt terug in mijn eigen leven.
De ene relatie liet me zien hoe diep ik kan gaan.
De andere leert me hoe ik kan blijven.
En misschien is dat wel waar het om gaat.
Niet kiezen welke beter is,
maar zien wat ze je laten ontwikkelen.
Misschien is liefde niet één vorm.
Maar een weg waarin je steeds een andere kant van jezelf tegenkomt.
Hemel
18 april 2026
“Wat is dat, de hemel?” vraagt een kind aan zijn moeder. Opa is er niet meer, maar is naar de hemel.
Eigenlijk is dat best bijzonder. Dat we kinderen dingen uitleggen waarvan we zelf niet precies weten of het zo is.
Sinterklaas, de kerstman, de paashaas, engelen, Jezus, Mohammed, God, Arjuna, elfjes, kabouters, de hemel, de hel… het is nog maar een begin van alles waarin we geloven, of waar we iets bij voelen. Geloof, sagen, mythen, sprookjes of misschien feiten. Voor mij mag het er allemaal zijn. Niets wil ik uitsluiten.
Alles wat we zien, horen, ruiken, voelen, proeven of geloven — alles wat is — heeft bestaansrecht. Ieder mens haalt eruit wat hij of zij nodig heeft om de wereld en zichzelf te begrijpen. En daarin is iedereen uniek.
De vraag wat de hemel is, brengt mij terug naar mijn jongste zoon.
Mijn vader lag opgebaard in onze woonkamer. Op een soort brancard met koeling eronder, met een gordijn eromheen. Op de dag van de crematie waren alle kinderen en kleinkinderen aanwezig. Ook mijn kinderen. Mijn zoon was toen drie jaar.
Jaren later, tijdens een groepsgesprek op school, kwam diezelfde vraag voorbij: wat is de hemel?
Hij vertelde vol overtuiging dat je daar naartoe gaat op wielen. Niet achter een stuur, maar liggend.
Iemand had destijds gezegd dat opa naar de hemel ging. En hij had gezien hoe de begrafenisondernemers het gordijn weghaalden, de brancard naar buiten rolden, en mijn vader zo meenamen.
Dat beeld was blijven hangen.
Zelf ben ik altijd vrij direct geweest in mijn antwoorden. Toen mijn kinderen vroegen wat er met opa was gebeurd, zei ik: hij was ziek en is overleden.
“Wat is dat?”
Dat is moeilijk uit te leggen. Iemand leeft niet meer, alleen het lichaam blijft over.
“Waar is die persoon dan?”
Dat weet ik niet precies. Dat is een mysterie. Er zijn veel ideeën over.
Als hij dacht dat opa op wielen naar de hemel was gegaan… dan vond ik dat een mooi beeld.
En nog jaren later wist hij zich dat precies zo te herinneren.
Voor mij is de hemel letterlijk de lucht. De wolken, de blauwe ruimte, de dampkring, de sterrenhemel. Maar figuurlijk is het iets anders. Een gevoel van vrijheid en geluk dat in mij leeft.
Voor mij begint de hemel op aarde.
Ik ervaar het tijdens het creëren. In de natuur. In momenten van rust en ruimte.
En als ik er ooit niet meer ben…
dan kun je mij misschien terugvinden in mijn schilderijen.
Of buiten, in de natuur.
Dan ben je even op bezoek in mijn hemel.
Bestaat de hemel ergens ver weg…
of leeft hij al in ons?
En als een beeld blijft hangen,
wie bepaalt dan…
wat waar is?
Jong van binnen
17 april 2026
Vandaag hadden we afgesproken met vrienden van mij. Ze zijn allebei tachtig. Het is bijzonder om met hen te praten zoals we dat altijd hebben gedaan. Niets lijkt veranderd.
Ze hebben net weer een grote camper gekocht en zijn er twee maanden mee naar Spanje geweest. Binnenkort vertrekken ze naar Zweden, op bezoek bij hun dochter. Ze lachen er zelf om — zo’n enorm gevaarte, op hun leeftijd. Ze weten dat anderen hen misschien voor gek verklaren. Maar wat maakt het uit? Zolang zij er samen plezier en vrijheid in vinden.
Ik ken ze al lang. Twintig jaar geleden kochten ze een huis in Spanje. Hij rijdt nog steeds motor. Ton keek er met verwondering naar — hoe ondernemend ze nog zijn.
Hoe ouder ik word, hoe meer mijn ideeën verschuiven. Ook over leeftijd. Wat kan, wat niet kan. Wat past, wat ongepast zou zijn.
Voor mij zijn zij een voorbeeld. Doorgaan met leven, met doen, met ontdekken — zolang het gaat. En als het lichaam op een dag zegt: “nu is het genoeg,” dan zie je wel verder.
Ik merk dat leeftijd weinig zegt. De één is met zeventig al oud, de ander blijft tot ver in de negentig vitaal. Het is zo persoonlijk. Misschien heeft het te maken met aanleg, met hoe je leeft. Bewegen, gezond eten, sociaal blijven, jezelf blijven uitdagen. Misschien ook gewoon geluk… of pech.
Voor mij is één ding duidelijk.
Ik word misschien ouder in jaren, maar vanbinnen blijf ik jong.
Mijn meningen vervagen. Ze lossen langzaam op. Het maakt me milder. Vriendelijker. Misschien ook wijzer — al weet ik dat ik me daarin zomaar kan vergissen. Elke dag leer ik nog. Van wat ik zie, hoor en voel.
Ik geniet meer van het ouder worden dan ik ooit van mijn jonge jaren heb gedaan.
Ik voel me een gezegend mens.
Wordt een mens ouder in jaren…
of jonger van binnen?
En wat blijft er over
als alles wat zeker leek…
langzaam verzacht?
Betekenis
16 april 2026
Ja, daar is er weer één. Zo’n zin die ik hoor en die blijft hangen.
Er is geen motief, dus geen betekenis. Dat denkt u alleen omdat u betekenis zoekt. Maar betekenis kunt u niet vinden, betekenis geef je.
Vandaag moest ik voor mijn rijbewijskeuring naar een onafhankelijk neuroloog. Vanwege mijn handicap rijd ik in een aangepaste auto. Vroeger moest ik elke twee jaar gekeurd worden. Dat gaf veel stress en was ook kostbaar. Alleen al het woord keuren roept weerstand op. Waarom moet ik steeds gekeurd worden? Alsof een handicap automatisch betekent dat je niet competent bent.
Vijf jaar geleden heb ik dat uitgesproken. Hoe vernederend ik het vond. Dat je telkens opnieuw moet bewijzen dat je in staat bent om mee te doen. De neuroloog begreep mijn frustratie en zorgde ervoor dat ik pas na vijf jaar weer terug hoefde te komen.
Vandaag was het zover.
Vanmorgen vroeg Ton iets en ik snauwde hem direct af. Dat zegt genoeg. Voor mij betekent keuren stress. En stress betekent een kort lontje.
Dat is niet wie ik wil zijn. Dus ik heb bewust even stilgestaan, diep ademgehaald, en geprobeerd zonder vooroordeel naar het ziekenhuis te gaan.
We gingen met de bus, zodat we daarna meteen naar het bos konden om te fietsen. Het zonnetje scheen. Alleen dat vooruitzicht gaf al rust.
De neuroloog bleek een jonge, toegankelijke vrouw. Haar vragen voelden oprecht, niet als een protocol. Het onderzoek bevestigde wat ik al weet: mijn romp functioneert goed, mijn ledematen volgen via mijn visuele aansturing. En doordat ik mijn lichaam onderhoud, is het nog krachtig. Mijn spraak is minder, maar daar hoef ik geen auto mee te rijden.
Het gesprek verliep soepel.
En ik liep vrolijk het ziekenhuis weer uit.
Had ik deze keuring minder betekenis gegeven?
Is geen betekenis geven misschien een vorm van loslaten?
Het rijbewijs zelf is belangrijk voor mij. Maar de spanning zat niet in het rijden — die zat in wat ik aan de keuring had gekoppeld. Door dat los te laten, bleef er iets eenvoudigs over. Een formaliteit. Een ontmoeting tussen twee mensen.
En ineens… was er ontspanning.
Even later zat ik, vrij van stress, op mijn fiets.
Thuis, met een rode blos op mijn wangen, zet ik de tv aan.
En precies op dat moment hoor ik weer die zin over betekenis.
Zoek ik naar betekenis,
of leg ik haar zelf overal neer?
En wat blijft er over
als ik dat even niet doe…
De druppel
15 april 2026
Mijn man leest de krant en kijkt naar het nieuws. Hij maakt zich druk over wat er in de wereld gebeurt. Ooit deed ik dat ook. Ik hield mezelf goed op de hoogte, als een vorm van algemene kennis. Sinds Michel is overleden, heb ik heel bewust de tv uitgezet en de krant opgezegd. Ik heb afstand genomen van alle ellende die via de media binnenkomt. Dat betekent niet dat ik niets meer meekrijg — er bereikt mij nog genoeg.
Vroeger had ik meningen. Over politiek, oorlogen, misstanden. Nu probeer ik daar ver van te blijven. Ik heb het gevoel dat niets is wat het lijkt, dat er altijd meerdere perspectieven zijn dan wat ons wordt getoond. Als je kijkt vanuit de geschiedenis zie je dat niets zich in een rechte lijn ontwikkelt. Op alle niveaus — micro, meso en macro — bewegen de lijnen van vrede, oorlog en bewustwording op en neer.
Ik hou me vast aan een eenvoudig cliché: verander de wereld, begin bij jezelf. Volgens mij is dat ook het enige waar ik werkelijk invloed op heb. Ik geloof in de ene druppel van de oceaan.
In de auto begint Ton over wat ik vind dat de koning en zijn vrouw zouden moeten doen. Wel of niet naar president Trump. Ik moet lachen. Dat weet ik natuurlijk niet. Ik zie het als een diplomatieke taak. Dus ik zeg alleen:
“Houd je vrienden dichtbij, maar je vijanden nog dichterbij.”
Ton kijkt me verbaasd aan. Soms gaat het niet om een mening, maar om communicatie. Misschien werkt het ook zo.
Mijn hart doet pijn als ik zie wat er gebeurt in Gaza, in Iran, in die hele regio. Ik denk dan aan Mesopotamië, aan Sumer — de oudste beschavingen. Als puber hield ik me daar al mee bezig. Dat daar zoveel oorsprong ligt voor ons allemaal. En nu… mensen die elkaar en hun omgeving kapotmaken omwille van macht. Het is niet te bevatten. En toch lijkt het een wet van Meden en Perzen dat de mensheid hier steeds weer in vervalt.
Wat kan ik daarin betekenen? Wie kan ik veranderen? Wie kan ik ter verantwoording roepen?
Alleen mezelf.
Ik denk aan een verhaal uit de Mahabharata. Een klein vogeltje legt haar eieren op het strand. Een vloedgolf neemt ze mee de oceaan in. Het vogeltje begint druppel voor druppel de oceaan leeg te drinken om haar eieren terug te vinden. Onmogelijk, zou je zeggen. Maar het vogeltje gelooft dat het zal lukken, zolang ze doorgaat.
Arjuna ziet het en vraagt wat ze doet. Hij wijst op de onmogelijkheid. Maar het vogeltje blijft. Geduldig. Liefdevol. Vastberaden.
Uiteindelijk, na lange tijd, besluit Arjuna de oceaan in één keer leeg te drinken. Het vogeltje vindt haar eieren terug.
Ik geloof in dat wonder van eenvoud.
Ikzelf… als één druppel in die oceaan.
Is de wereld te groot om te veranderen,
of ben ik te klein om het te proberen?
En wat gebeurt er
als één druppel…
gewoon blijft bewegen?
Het Woord
14 april 2026
Er zijn woorden, zinnen en situaties die als beeld in mijn geheugen gegrift staan. Op het eerste gezicht soms niets bijzonders. Het feit dat ze steeds iets bij me oproepen, betekent voor mij dat ze betekenis hebben. In ieder geval voor mij. Ik besef heel goed dat dat voor een ander anders kan zijn. Het is de manier waarop ik in het leven sta. Nieuwsgierig, maar niet zoekend. Ik laat binnenkomen wat komt. Vasthouden is niet nodig — het verschijnt vanzelf weer, op het moment dat het ertoe doet.
Ik ben niet per se religieus, maar wel opgevoed in een christelijke traditie. Ik noem mezelf eclectisch spiritueel. Wat resoneert, mag er zijn en helpt mij betekenis te geven aan het leven.
Als kind was ik gefascineerd door de bijbel. Ik ging op in de verhalen. Al jong zag ik er meer metaforen in dan dat ik ze letterlijk aannam.
“In den beginne was het Woord.”
Die zin resoneert al mijn hele leven in mij. Wat de betekenis ook is, het Woord heeft voor mij gewicht. Ik luister heel verfijnd naar wat mensen zeggen — en hoe ze het zeggen. Soms lijkt iets vriendelijk, maar hoor ik er iets heel anders in.
Misschien paranoia… het zou kunnen. Maar zo werkt het voor mij.
Vandaag gingen we met de bus — fietsen en hondjes mee — naar de Betuwe. Het was zonnig, en overal geel van het koolzaad, de paardenbloemen en boterbloemen laag aan de grond. Bomen vol rode, roze en witte bloesem. De zachte, zoete geur — het voelde als een droomtocht. Wat is Nederland mooi.
We fietsen over paden zonder verkeer, alleen de natuur om ons heen. Dan weer door kleine dorpjes, waar de tijd lijkt stil te staan. Goed verzorgd, met zichtbaar liefde voor de plek. We kijken onze ogen uit. In eigen land is nog zoveel te ontdekken. Het plan is om Nederland op de fiets te verkennen.
Alsof ik even terug in de tijd stapte. Vanmiddag fietste ik door een dorp dat 1025 jaar bestaat. De festiviteiten worden al aangekondigd.
Over de kinderkopjes hobbel ik met mijn bakfiets door het dorp. In mijn ooghoek zie ik een tekst op de muur van een kleine kerk.
Bam.
Honderd meter verderop zeg ik tegen Ton: “Wil je even een foto maken van dat kerkje?”
Er staat:
“Uw Woord is een lamp voor mijnen voet en een licht op mijn pad.”
Prachtig.
Ik begrijp dat hiermee het woord van God wordt bedoeld. Dat kan. Maar ik lees iets anders:
“Het Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad.”
Een klein verschil…
maar voor mij gaat het diep.
Ik ga niet op zoek.
Het komt gewoon binnen, via mijn ooghoeken.
Zoek ik betekenis…
of vindt betekenis mij?
En hoeveel van wat mij raakt,
was er al…
lang voordat ik het zag?
De rode draad
13 april 2026
De geschiedenis herhaalt zich. Het klinkt als een cliché, maar binnen families en gezinnen zie je het steeds weer gebeuren. Ik noem het een rode draad die zich in allerlei situaties laat zien — soms duidelijk, soms subtiel.
We willen allemaal uniek zijn. In ieder geval had ik dat vroeger heel sterk. Vergeleken worden met iemand anders voelde als een belediging. Toen ik zelf kinderen kreeg, zag ik iets anders. Ze zijn uniek, en toch nemen ze eigenschappen over die ook bij mij horen.
Ze zijn nu volwassen, en af en toe zie ik ze wegen bewandelen die ik ook heb gelopen.
Op de verjaardag van mijn oudste kleindochter, die nu zestien is, sprak ik met haar andere oma. Ze lijkt sprekend op haar moeder. Je ziet de familiebanden duidelijk terug. Ik vertelde haar dat ik ooit in de binnenstad boodschappen deed, toen er een man naast me stond die me heel intens aankeek. Ik vroeg waarom. Hij zei dat ik sprekend leek op een leerling van hem. Dat bleek mijn oudste dochter te zijn. Zelf zie je die gelijkenis niet altijd, maar voor een buitenstaander is die er meteen.
Mijn dochter heeft inmiddels zelf een samengesteld gezin. Net zoals ik dat ooit had. Tegenwoordig is dat heel normaal, maar de dynamiek die erbij hoort kan complex zijn. Ik zie daarin dingen terug die ik herken.
Ze belt me om advies.
Ook al was ze jong, ze herinnert zich nog hoe moeilijk het soms kon zijn. Het doet me goed om te zien hoe ze nadenkt over haar reacties. Hoe ze probeert zichzelf niet weg te cijferen, zoals ik dat destijds wel deed.
Haar eerste neiging is ook om zich op te offeren. Maar ze ziet inmiddels dat dat niet altijd gezien of gewaardeerd wordt. Dus waarom zou je verantwoordelijkheid nemen die eigenlijk niet van jou is?
Ik kan haar met rust en overtuiging zeggen dat ik, met de wijsheid die ik nu heb, andere keuzes zou maken. Mijn advies hoeft ze niet te volgen. Ze gaat haar eigen weg, met haar eigen lessen. Misschien neemt ze iets over, misschien niet. Dat zal de tijd laten zien.
Vroeger kon ze vragen:
“Mam, moet ik het rode, blauwe of groene truitje aan?”
Als ik zei: “Het rode,” dan zei ze: “Nee, het gaat tussen het blauwe en groene truitje.”
“Oké, dan de groene.”
En uiteindelijk kwam ze naar beneden in het blauwe truitje.
Vanbinnen moest ik dan zo lachen.
De appel valt niet ver van de boom…
Ik ben trots op mijn kinderen. Ze bewegen zich over hobbelige levenswegen, en het lijkt erop dat ze soms sneller leren dan ik.
Misschien werkt het zo door de generaties heen.
De rode draad blijft…
maar verandert zachtjes van kleur.
Herhalen we het verleden,
of schrijven we het langzaam opnieuw?
En hoeveel van wat doorgegeven wordt,
verandert…
zonder dat we het doorhebben?
Een plek zonder naam
12 april 2026
Dit keer wil ik iets gevoeligs delen. Het brengt veel in mij naar boven.
Het begon gisteravond. Een vriendin die ik een tijd niet had gezien kwam langs. Gezellig, en fijn om haar weer te zien. Ze heeft een moeilijk jaar achter de rug na het overlijden van haar moeder. Het lukte haar lange tijd niet om contact te houden met vrienden. Dat begrijp ik — rouw kan alles stilleggen.
En toch gebeurt er bij mij iets.
Ik hoor haar verhaal, en ook dat van anderen die hun moeder hebben verloren. Hoe zwaar het is. Hoe groot het gemis. En ik merk dat ik het niet herken. Niet een beetje… maar helemaal niet.
Als ik zeg dat ik geen rouw heb gevoeld, krijg ik vaak te horen dat ik het verdring. Maar dat voelt voor mij niet waar. Het is geen verdringing. Het is eerder een leegte. Of misschien nog beter: een ontbrekende verbinding. Ik mis niets, omdat er niets is om te missen. En juist dat is moeilijk uit te leggen.
Als anderen vertellen over hun verdriet, voel ik dat er in mij iets niet kan aanhaken. Alsof er een schakel ontbreekt. Het is geen probleem. Maar het is er wel.
Vanmorgen word ik vroeg wakker en blijf nog even in bed. Ik zet Netflix aan en begin aan Trust Me: The False Prophet. Het verhaal grijpt me aan. Ik zie hoe mensen opgroeien in een wereld waarin waarheid en leugen door elkaar lopen. Hoe overtuigingen verschuiven en hoe moraal beïnvloed wordt.
In de laatste aflevering zegt een vrouw: “My whole life, I was raised with lies.” Die zin komt binnen als een messteek.
Het is niet hetzelfde, maar het raakt iets wat ik herken. Opgroeien met leugens. Niet als gebeurtenis, maar als onderlaag. Iets wat je vormt, zonder dat je precies weet waar het zit.
Ik vertel het aan Ton. En terwijl ik praat, wordt iets me duidelijk. Een gezin, een systeem, een plek waarin iets fundamenteels niet klopt… heelt misschien nooit helemaal. Je kunt het begrijpen met je hoofd, maar er blijft een plek die je voelt — en niet kunt vinden.
Misschien is dat de plek waar mijn gemis had kunnen zitten.
En misschien raakt dat ook aan iets anders.
Dat ik me soms afvraag of ik in mijn eigen rol, in mijn leven, iets heb gemist. Iets wat ik niet heb kunnen doorgeven. Het moeilijke is dat ik iets voel… maar niet weet wat.
Vandaag brengt dat inzicht me niet in verwarring, maar juist dichter bij mezelf.
Is iets missen alleen mogelijk
als het er ooit echt is geweest?
En wat gebeurt er met een gevoel
dat nooit heeft kunnen ontstaan…
maar wel voelbaar blijft?
Niets moet
11 april 2026
Gisteren heb ik niet geschreven. Waarom niet? Heel eenvoudig: ik had geen zin. De hele dag onderweg geweest om onze nieuwe bus op te halen. Binnendoor, achter Ton aangereden. Het was al met al een enerverende dag. Vermoeid maar voldaan wilde ik daarna alleen nog maar chillen.
Het overslaan van mijn blog is letterlijk uit mijn comfortzone stappen. Want als ik me iets voorneem, dan wijk ik daar normaal niet van af. Zeker niet uit luiheid. Want dat was het… toch?
Vanmorgen voelde mijn lichaam nog steeds vermoeid. Ik besloot niet te gaan trainen. Gisteren had ik al een ronde minder gedaan. Vandaag zeg ik het gewoon af.
Wat is er met mij aan de hand?
Ik ben iemand die met hoge koorts gewoon doorgaat. Iemand die blijft functioneren ondanks pijn of tegenslag. Iemand die na een heftig CVA na een paar dagen alweer met vriendinnen uit eten gaat, alsof er niets aan de hand is.
Ben ik verstandiger geworden? Waar zit deze verschuiving? Was het gewoonte? Mijn manier van zijn? Mijn comfortzone? Of zat er iets onder — onzekerheid, angst, de behoefte aan bevestiging? Bang dat alles wat ik opbouw weer kan verdwijnen?
Eerlijk? Ik weet het niet precies. Misschien van alles een beetje.
Wat ik nu wel zie, is dat ik luister naar hoe ik me voel. Dat ik minder streng ben voor mezelf. Niets moet, alles mag. Wie weet kan ik over een poosje zeggen dat er veel zelfopgelegde stressfactoren zijn verdwenen.
Ik ben benieuwd of ik dat, van binnen en van buiten, ga terugzien.
Over gisteren en vandaag kan ik alleen maar zeggen dat ik — voor mijn doen — iets heel nieuws aan het doen ben.
Is dit gewoon langzaam wijs worden?
Of ben ik stiekem gewoon grijs?
Samen plannen maken
9 april 2026
Het was niet echt druk op de fitness vanmorgen, maar de mensen die er waren hadden het naar hun zin. Er werd gelachen. Het zonnetje en het mooie weer maken iedereen een beetje dartel. Ja, dat is het juiste woord. Mensen lijken vol energie, levenslustig en speels.
Ton en ik hadden het plan opgevat om met de fiets naar onze opslag te gaan. In de wintermaanden heeft hij spullen naar deze container gebracht, ik had het nog niet gezien. Een tocht met een doel is altijd fijn. Onderweg brunchen we bij een café-restaurant waar we vorig jaar regelmatig kwamen. Op het terras is nog maar één tafeltje vrij. Het lijkt alsof het op ons wacht.
De serveerster begroet ons enthousiast. Ze vindt het leuk ons weer te zien. Dat doet me goed. In het zonnetje maken Ton en ik plannen voor wat we allemaal gaan doen als we het busje hebben.
Dit keer begint Ton.
Dat vind ik zo fijn… ik kan mijn geluk bijna niet op. En tegelijk verbaast het me. Waarom raakt dit me zo?
Ik ben gewend dat ik degene ben met de plannen en ideeën. Michel volgde mij daarin eigenlijk altijd. Ton heeft tijd nodig. Zijn eerste reactie is vaak eerder terughoudend, alsof hij eerst wil voelen of het wel klopt.
Drieënzestig jaar heb ik mijn eigen plannen gevolgd. Maar samen plannen maken, samen ideeën laten ontstaan door erover te praten… dat is zoveel leuker.
Leuker dan het voortouw nemen en gevolgd worden.
Leuker dan ergens voor moeten strijden.
Hier word ik gelukkig van: samen dromen, samen plannen maken.
Met Michel hadden we een druk leven, met gezin en werk. Ik herinner me dat ik soms hardop droomde over hoe het zou zijn als we samen zouden zijn nadat hij met pensioen zou gaan. Hij wilde daar niet over nadenken. Alsof hij zich er geen voorstelling van kon maken. Ik voelde dat het idee hem tegenstond. We hebben dat samen nooit kunnen meemaken.
Nu, met Ton, leven we samen — en toch ook nog ieder op onze eigen manier. Zo voelt het voor mij. Ik besef dat op latere leeftijd bij elkaar komen en samen iets opbouwen tijd vraagt. We houden van elkaar, we delen ons leven, maar het groeit stap voor stap.
Het fietsen is ooit mijn initiatief geweest. Inmiddels doen we het al drie jaar samen zodra het mooi weer is. En we genieten daar allebei van.
Maar dat Ton nu begint over plannen…
dat geeft iets nieuws.
Het lijkt misschien klein, maar voor mij verschuift er iets.
Er komt verdieping.
En op een dag als vandaag besef ik hoe belangrijk dat voor me is.
Is samen zijn hetzelfde als samen bewegen,
of begint het pas wanneer je samen vooruitkijkt?
En wat ontstaat er,
als twee levens elkaar niet alleen raken…
maar langzaam in elkaar gaan groeien?
Een droom die verschuift
8 april 2026
Wat is dat toch als je ouder wordt? Een zielige film of een triest verhaal maakt me steeds sneller sentimenteel en huilerig.
Vandaag was het warm buiten, echt weer om er op uit te gaan met de fiets. Ton en ik praten al een tijd over hoe geweldig het zou zijn om een busje te hebben. Eén waar mijn bakfiets, Ton zijn fiets en de hondjes in kunnen. Het zou onze actieradius enorm vergroten. We dromen ervan, maar zien het eigenlijk niet als iets wat binnen ons bereik ligt.
En toch… dat oude gevoel van beperking door mijn aandoening komt dan altijd even boven. Niet op een gewone fiets kunnen fietsen betekent ook dat een simpele fietsendrager geen optie is.
Na mijn training ben ik thuis en zoek ik, zoals zo vaak, op internet naar een bus. Net zoals ik ook altijd naar huizen kijk. Hou ik mezelf voor de gek? Misschien. Raak ik gefrustreerd? Nee. Ik doe dit al zolang als ik me kan herinneren. Wat is er mis met een droom hebben? Wat is er mis met blijven zoeken, ook als het misschien niet realistisch lijkt?
Vandaag zie ik een advertentie van een elektrische bus. Ik laat het aan Ton zien en vraag of we kunnen gaan kijken. Normaal wil hij dat niet, als hij denkt dat iets toch onbereikbaar is. Maar nu belt hij. We mogen langskomen. In Utrecht.
We besluiten binnendoor te rijden. Iedere keer weer geniet ik van de weiden, de bomen, de natuur en de dorpen in Nederland. We wonen echt in een mooi land.
We mogen een ritje maken in het busje. Al snel rijden we een smalle weg op, langs een kronkelend stroompje. Ik denk nog: dit lijkt meer op een fietspad dan op een weg. En daar gaan we… zigzaggend met die bus, zonder einde in zicht. Hahaha, dat was wel even zweten.
Terug bij de garage nemen we een besluit.
We kopen de bus.
In de auto is het stil. Om de files te vermijden rijden we weer binnendoor terug. Ik voel me vreemd. Alsof ik geschrokken ben. Zelfs een beetje huilerig. Je zou denken dat ik juist blij en opgetogen zou zijn.
Ik zeg het tegen Ton.
Hij kijkt me aan en voelt precies hetzelfde. Hij is normaal al wat emotioneler dan ik, maar nu voelen we het allebei. Sterk. Verbonden.
Er is iets verschoven.
We hebben een droom werkelijkheid laten worden.
En terwijl we rijden, zien we de mogelijkheden al voor ons.
Het maakt ons stil…
en tegelijkertijd hebben we zin in wat er komt.
Is het de vervulling van een droom die raakt,
of het moment waarop iets ineens mogelijk blijkt?
En wat gebeurt er vanbinnen,
als wat ver weg leek…
ineens dichtbij komt?
Hetzelfde, in een ander licht
7 april 2026
Iedere ochtend check ik mijn e-mail. Meestal kan ik de berichten zonder te openen gedachteloos verwijderen. Dit keer zie ik een bijzondere voornaam. Mijn oog blijft hangen en mijn vinger stopt. Ik lees het bericht. Ik heb een DIY-Award gewonnen met mijn laatste creatie Power of Stillness. Ze hebben alleen mijn e-mailadres, geen huisadres. Wat een geluk dat de afzender zo’n bijzondere naam heeft.
Direct stuur ik berichtjes naar iedereen waarvan ik weet dat ze op mij gestemd hebben. Een stroom lieve reacties volgt. Wat een fijne manier om de dag te beginnen.
We fietsen door een deel van de Biesbosch en besluiten te kijken of familie thuis is. Daarvoor moeten we even terug naar de bewoonde wereld. In de laan waar we fietsen staat de zon recht op mijn gezicht. De strak gesnoeide bomen tekenen zwart af tegen een felblauwe lucht. Het voelt alsof ik een sprookje in fiets. Ik stop. Dit wil ik in me opnemen. Dit is een onbedoelde vorm van kunst. Ik maak twee foto’s: één tegen het zonlicht in — want dat maakt het beeld bijzonder — en één met het licht mee, om te helpen herinneren wat ik nu eigenlijk écht heb gezien.
Mijn neef en zijn gezin zijn thuis. Moeder en dochter achter de naaimachine, mijn neef staat te strijken, zijn zoon zit buiten in het zonnetje een boek te lezen. Gezellig en huiselijk. Zoals altijd gastvrij. Naast de verkennende gesprekken ontstaan er ook echte gesprekken.
Hoe ga je om met lelijke gedachten? Ga je daar de strijd mee aan? Kan dat, mag dat?
De zoon is religieus en worstelt met die vraag. Ik vertel hem dat ik soms hele bloeddorstige beelden heb. Dat ik ze hardop uitspreek tegen Ton, maar dat ik er niet tegen vecht. Ik laat ze passeren. Ik weet dat ik een goed mens ben en niet in staat tot dat soort handelingen. Voor mij hoort alles bij de mens — van wit naar zwart en alles daartussenin. We leven in een wereld van tegenstellingen, van begin tot eind. Misschien leren we eerst, en verdiepen we daarna alleen nog wat we al met ons meedragen. Die gedachte geeft mij rust.
We fietsen weer terug naar huis. Opnieuw zie ik de bomen, maar nu in een ander licht. Het beeld is totaal anders. En toch staan ze daar hetzelfde. Perfect. Onveranderd.
Verandert wat ik zie,
of verandert het licht waarin ik kijk?
En als alles hetzelfde blijft staan,
wat beweegt er dan werkelijk?
Wanneer kleur verschijnt
6 april 2026
Tweede Paasdag. Een zonnige dag om er op de fiets op uit te gaan. Wij waren duidelijk niet de enigen — heel Nederland leek zichzelf op de fiets of in de auto te hebben gezet om ergens van te genieten.
Ik zie ieder grassprietje, bloemetje, elke verandering in de natuur. Twee weken geleden hebben we dit stuk ook gefietst. We vinden het leuk om regelmatig dezelfde route te rijden, zodat we de groei en bloei kunnen volgen.
Maar vandaag viel me iets anders op.
Een auto. In een mooie kaki groene metallic kleur.
Het viel me op omdat ik die kleur eigenlijk nooit zie bij auto’s. Ik zeg altijd tegen Ton dat zwart en alle donkere kleuren verboden zouden moeten worden. Als er dan toch zoveel auto’s zijn, laat ze dan allemaal kleur hebben. Het straatbeeld zou er meteen vrolijker en lichter van worden.
Maar wat gebeurt er tot mijn grote verbazing?
We komen zes verschillende auto’s tegen in precies die kleur.
Thuis zoek ik het natuurlijk op — nieuwsgierig als ik ben.
En wat blijkt? Groen is op dit moment een hype in autokleuren.
Wie weet kiezen mensen in maatschappelijk donkere tijden onbewust meer voor kleur. Om hun omgeving toch wat lichter, wat vrolijker te maken.
Voor mij was het in ieder geval opvallend.
Thuis zat Ton kennelijk mijn website te lezen. Op de homepage staat:
Weduwe, Empty nest en Grootmoeder — samen vormden ze het woord WEG.
Een woord dat zowel afwezigheid als beweging in zich draagt.
Het viel hem op dat de naam van mijn website, Colours in eMotion, eigenlijk dezelfde boodschap draagt.
Colours in eMotion — kleuren in beweging door gevoelens.
Of…
colour sine motion — kleur zonder beweging.
Sine is het Latijnse woord voor zonder.
WOW!!!
In de eerste plaats vind ik het geweldig dat Ton, net als ik, gaat associëren en verbinden. We weten van elkaar dat we planken tellen, strepen zien, tegels volgen. Hij haalt overal taalfouten uit — maar dit is nieuw. Zo zie je dat je als stel altijd een beetje met elkaar meekleurt.
In de tweede plaats komt er een herinnering boven.
De website is weliswaar na het overlijden van Michel ontstaan, maar het gevoel van afwezigheid in beweging was er toen al. De naam Colours in eMotion heb ik puur intuïtief gekozen.
Net zoals ik bij mijn schilderijen vaak de betekenis of de diepte pas later leer kennen. Schilderijen spreken tot me — dat noem ik dweilen.
En nu merk ik dat ik tijdens het schrijven in eenzelfde bubbel zit als tijdens het schilderen.
Misschien gaan de woorden mij ook meer vertellen…
dan dat ik in aanvang bedenk.
Is het toeval dat iets je ineens opvalt,
of begint het pas te bestaan op het moment dat je het ziet?
Beweegt de wereld…
of beweegt er iets in mij mee?
Pasen
5 april 2026
Vandaag is het de eerste paasdag. Het is stil in huis. Ooit was dit een belangrijke dag voor mijn gezin, vaak samen met het gezin van mijn vriendin. We maakten een uitgebreide paasbrunch en verstopten eieren in de tuin voor de kinderen.
Tijden veranderen. Mijn vriendin is overleden, mijn kinderen zijn uitgevlogen en hebben zich losgemaakt van de gezinstraditie, waarschijnlijk om daar hun eigen invulling aan te geven. Eerlijk gezegd voelt het wel een beetje leeg.
De dagen die vroeger gevuld waren met mensen, eten en gezelligheid zijn binnen mijn gezin tot een einde gekomen. Geen paasfeest, geen Hemelvaartweekend, geen kerstfeest, geen oud en nieuw. Ook vier ik mijn verjaardag al jaren niet meer. Aan de ene kant vind ik oprecht dat mijn kinderen geen verplichtingen hoeven te hebben. De dwang van ‘het moeten’ uit mijn jeugd — en ook later — is iets wat ik ze niet wil meegeven. De drukte in ons appartement zie ik zelf ook niet zitten. Dat ik het aan de andere kant soms mis, is dus ook begrijpelijk.
Het geeft ruimte om zelf invulling te geven aan dit soort dagen. Het ongebonden zijn dat ik mijn kinderen gun, is iets wat ik zelf ook mag omarmen.
Vandaag kon ik eens op onderzoek uit wat Pasen nu eigenlijk betekent. Op de typisch Annette-manier ben ik daarover gaan filosoferen. Het christelijke paasverhaal gaat over de wederopstanding van Jezus. Tja… opstaan na de dood. Is dat mogelijk? Vertelt dit verhaal letterlijk dat de zoon van God sterft en weer tot leven komt? Of is de bijbel — en dus ook dit verhaal — een metafoor?
Dan denk ik aan cruciale gebeurtenissen in het leven die maken dat je ineens anders in het leven staat. Een radicale ommekeer. Dat kan van alles zijn. Als ik denk aan dood en wederopstanding, denk ik ook aan de natuur. De constante cyclus van het leven. Planten sterven, maar laten zaden en sporen na. Dieren en mensen sterven, maar laten nieuwe generaties achter. Zolang iets niet is uitgestorven, blijft het onderdeel van deze cyclus.
Hahaha… ik moet ook weer denken aan het liedje Op enen boom een koekoek, simsalabim sala doe saladim. Die koekoek die ieder jaar weer terugkomt — hij hing afgelopen week al in de lucht.
Puur kijkend naar het woord ‘wederopstanding’… weder: opnieuw, nogmaals, terug. Opstanding: opstaan. Dat kan van alles betekenen: verrijzen, opkomen, zich vertonen, opkrabbelen — maar ook rebelleren. Al deze betekenissen zijn onderdeel van niet alleen mijn leven, maar van ieders leven, denk ik. Misschien maken we allemaal één of meerdere keren een figuurlijke dood mee — en staan we weer op.
Dan schieten mijn gedachten naar sprookjes. Ook daar komt het vaak voor. Denk aan Sneeuwwitje, Doornroosje en De Kikkerkoning — altijd symbolisch voor een transformatie ten goede.
Maar dan… de paashaas en het eieren zoeken. Dat moest ik echt even opzoeken, want wat heeft dat nu met Pasen te maken? Van oorsprong stond een haas of konijn in heidense culturen voor vruchtbaarheid — een symbool voor de lente en nieuw leven. Over de paashaas wordt pas eind 17e eeuw geschreven. Van oorsprong Duits, waarin de paashaas eieren bracht aan kinderen. Een beetje zoals het Sinterklaasverhaal bij ons. Ook in de Griekse mythologie komt de haas voor. In een legende verandert de lentegodin Ostara een vogel in een haas, die zijn oorsprong niet vergeet en dus eieren legt. Germanen offerden aan het begin van de lente eieren aan deze godin.
Al met al zijn er vanuit allerlei overleveringen — religieus, spiritueel en verhalend — tradities ontstaan rond deze periode, die we nu de paasdagen noemen. Iedereen viert dit vanuit zijn of haar overtuiging.
Terwijl ik in mijn atelier sta om iets uit te printen, valt mijn oog op een titel van een boek: The Illusion of Life. Ja, denk ik dan… dat is voor mij precies wat het is. Wie ben ik om te weten wat het allemaal mag betekenen?
Is leegte het einde van wat was,
of het begin van wat nog geen vorm heeft?
Is opstaan iets dat gebeurt na een val,
of iets dat zich telkens opnieuw aandient — zonder begin of einde?
En als alles blijft bewegen,
wat betekent het dan… om te zijn?
Licht zien
4 april 2026
Blij ben ik dat het weer fietsweer is. De lente, het ontwaken van de natuur. Dit beleven en zien is een waarlijke hobby geworden van Ton en mij.
Wat nu vooral opvalt is dat het gras, de paardenbloemen en het koolzaad er bijna fosforescerend uitzien. Alsof er licht in zit. De kleuren zijn jong en vers en daardoor lijken ze te stralen.
De enige keer dat ik de kleuren zo intens heb gezien, was tijdens het duiken op de Malediven. Toen dacht ik dat zulke kleuren boven water niet te evenaren waren. Vandaag dringt het tot me door dat wanneer de natuur ontwaakt, diezelfde vibratie hier ook zichtbaar kan zijn.
Blijkbaar kan een aanname uit het verleden zomaar verschuiven. Komt het doordat ik anders ben gaan kijken? Of doordat mijn beleving verandert? Of doordat ik mijn dagen, mijn observaties en mijn gedachten woorden geef?
Vanavond keken Ton en ik naar Wie is de Mol, dit jaar in Tanzania. We liggen op bed, de honden erbij, iets te drinken binnen handbereik. Op het scherm verschijnen de savannes en de dieren. Olifanten, giraffen, springbokken.
Toevallig vertelde ik afgelopen week nog aan Ton dat dieren in het wild er anders uitzien dan in een dierentuin. Niet alleen vrijer, maar alsof ze licht dragen.
Dat heb ik heel sterk ervaren in Zuid-Afrika. Dieren in hun eigen habitat hebben een uitstraling die ik nergens anders zo heb gezien. Het is moeilijk onder woorden te brengen, maar het is er wel. Een soort licht, een aanwezigheid die voelbaar is.
Terwijl ik kijk, herken ik het meteen. Hetzelfde licht dat ik vandaag buiten zag. Misschien ligt het aan mijzelf. Wat ik zie, zit niet alleen in de wereld om mij heen, maar ook in hoe ik kijk, hoe ik me voel, hoe ik aanwezig ben in dat moment.
Door de natuur zo te zien — lichtgevend, levend, bijna vibrerend — verandert er iets in mij. En wij… wij maken daar gewoon deel van uit.
Hoe dicht kan een mens bij geluk komen door dit te zien?
Misschien gebeurt er niet elke dag iets groots,
maar kan ik wel elke dag groots kijken.
Nieuw perspectief
3 april 2026
Op enen boom een koekoek, sim sala dim, bam bas, sala doe, sala dim… Dat is het eerste wat in me opkomt als ik iemand over de koekoek hoor praten.
De koekoek die zijn eitjes in het nest van een ander legt. Meesterbedrieger. Zijn eitjes passen zich aan aan de kleur van het nest. En zodra het jong uitkomt, worden de andere eitjes eruit gewerkt. Zo klein, en al zo gericht op overleven.
Dan schiet ook One Flew Over the Cuckoo’s Nest door me heen. Koekoek als symbool voor het gekkenhuis.
En dan opeens denk ik aan mijn moeder.
Ik heb eerder geschreven dat zij een narcistische persoonlijkheidsstoornis had. Opgroeien in zo’n gezin tekent je. Er gebeurden onwaarschijnlijke dingen. Pijnlijk, zwaar, maar soms ook absurd en bijna lachwekkend.
Ik hoor haar nog zeggen, met dat mysterieuze, argwanende stemgeluid:
“Tjaaa, dat noemen ze kindje stelen.”
Ze bedoelde daarmee dat vrouwen zwanger werden zonder medeweten van hun partner, om hem zo aan zich te binden. Pas veel later begreep ik dat het spreekwoord zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten hier misschien beter op zijn plaats was.
Vandaag zie ik voor het eerst een andere metafoor. Niet Narcissus, maar de koekoek.
Wij kinderen… uit verschillende nesten, maar van dezelfde moeder.
Als ik dat beeld verder volg, word ik nieuwsgierig. Hoe wordt er eigenlijk naar de koekoek gekeken? In Europa wordt hij geassocieerd met de lente, maar ook met overspel. Dat klopt dus ergens wel.
Maar wat doet de koekoek in de natuur?
Hij eet harige rupsen die andere vogels laten liggen, zelfs giftige soorten. Door zijn broedgedrag dwingt hij andere vogels alerter te zijn, zich te beschermen. Als trekvogel verbindt hij verschillende ecosystemen. Hij is zelfs een indicator van een gezonde leefomgeving.
Dat verrast me.
Zoals in de natuur ieder nadeel ook een functie heeft, zo geldt dat misschien ook voor de mens.
De donkere kanten van mijn moeder heb ik geleefd en doorvoeld. Maar er waren ook andere kanten.
En misschien is dit het moment.
Dat ik in het laatste trimester van mijn leven mijn blik richt op het licht.
Niet om het donkere te ontkennen, maar om het geheel te kunnen zien.
Want uiteindelijk is dat wat het is……..
Mijn verhaal.
Misschien kwam ik niet uit één nest,
maar wel uit één verhaal.
Wat ik zag verandert niet,
maar hoe ik kijk wel.
En daarin verschuift alles.
Een andere moraal
2 april 2026
Momenteel lees ik Mongoolse sprookjes. Het is interessant om te merken hoe dat bij mij fysiek binnenkomt. Schrik. Zelfs een gevoel van geschokt zijn door de bruutheid van de verhalen. Veel moord en doodslag.
Als ik met iets meer afstand kijk, zie ik ook iets anders. Het opkomen voor het gewone volk, voor de underdog. Respect voor de natuur, en een scherp oog voor het gedrag van dieren. Het zijn eigenlijk fabels. Korte verhalen waarin dieren menselijk gedrag vertonen. Een ode aan het gewone volk en tegelijk een vorm van satire op machthebbers. Na elke vertelling blijft er iets hangen. Een levensles, zonder dat die uitgesproken wordt.
“En ze leefden nog lang en gelukkig” ben ik nog niet tegengekomen. Ook geen herdersjongen of kikker die verandert in een prins.
Door sprookjes uit andere culturen te lezen, leer je iets van hun wereld. Hun omgeving, hun manier van leven. Waar jagen voor ons iets uit een ver verleden is, kan het voor nomadische volken nog veel dichterbij staan.
En dan ineens een moment. In het verhaal van de slimme tovervogel slaat een man zijn trouwe hond dood met een knuppel. Mijn hart slaat een slag over. Echt. Is dit een sprookje?
Daar merk ik iets bij mezelf. Om deze verhalen te kunnen lezen en verstaan, moet ik mijn eigen moraal even loslaten.
Misschien is dat wel de bedoeling van lezen. Dat je de wereld van de schrijver binnenstapt, zonder die direct te beoordelen.
En andersom werkt het ook zo. Als ik schrijf, stap ik zelf in een soort magie. De woorden komen, en achteraf denk ik vaak: heb ik dat geschreven? Alsof ik mijn eigen wereld al schrijvend ontdek.
Lezen is nooit echt mijn hobby geweest, maar misschien leer ik nu via de woorden van anderen hun wereld te betreden.
Ik neem op wat bij mij past.
De rest laat ik weer gaan.
Wat blijft,
blijft vanzelf.
Verloren dag?
1 april 2026
’s Morgens kijk ik meestal even op mijn WhatsApp. Dit keer heeft iemand mij een cartoon gestuurd. Zij: “Schat, ik ben vreemd gegaan.” Hij: “Ik ook.” Zij: “1 april.” Hij: “12 juni.” Mijn eerste reactie is nuchter. Oké, grappig. Tijdens het tandenpoetsen besef ik ineens: o ja, 1 april. Iets waar ik eigenlijk al jaren niets meer mee heb.
We zijn wat sloom en besluiten later naar de fitness te gaan. De sportschool is bijna leeg — gelukkig geen grap, we kunnen gewoon trainen. Thuis kijken we elkaar aan. “Ik ga nog even een uurtje slapen,” zegt Ton. “Goed plan, ik ook.” Het weer is eigenlijk te mooi om binnen te blijven, dus ik denk nog: straks ga ik fietsen.
We gaan liggen en vallen allebei meteen in slaap. Om zes uur ’s avonds word ik wakker. We kijken elkaar aan en beginnen te lachen. Wat is hier gebeurd vandaag? Was ik echt zo moe? Ik heb het helemaal niet zo gevoeld. Ik dacht: even rusten en dan verder met de dag.
Wat me wel opvalt, is dat ik hetzelfde heb gedroomd als vannacht. Alsof de nacht gewoon doorging in de dag. Een herhaling, maar dan bewuster.
Is dit dan wat ze noemen een verloren dag? Bestaat dat eigenlijk wel? Of is het gewoon rust die zich aandient? Ik neem aan dat het nodig was. Mijn lichaam heeft zichzelf blijkbaar gegeven wat het nodig had, zonder dat ik het bedacht of stuurde. Normaal zeg ik altijd dat ik overdag niet ga slapen. Dat doen oude mensen, niet ik. Maar deze keer voelde ik die weerstand niet eens.
Misschien zit daar wel iets in. Dat ik het niet meer hoef te benoemen als verloren, maar als gegeven. Rust.
Niets verloren vandaag,
de nacht liep alleen even door.
Zichtbaar worden
31 maart 2026
Voor mijn schilderij Power of Stillness had ik plexiglas besteld bij een kunststofplatenshop. Ik had er beelden bij, maar vond het spannend, omdat ik daar nog nooit mee had gewerkt. Op YouTube keek ik hoe ik moest boren en hoe ik het materiaal kon behandelen zonder het te beschadigen. Goed voorbereid ging ik aan de slag. Bij iedere cirkel was ik nat van het zweet, zo geconcentreerd was ik bezig om geen scheurtjes te maken. Maar het is gelukt, en het eindresultaat maakt me blij.
Toen kreeg ik een mail van het bedrijf of ik mee wilde doen aan een DIY-Award. Dat voelde vreemd. Voor mij is creëren geen wedstrijd, maar een manier om mezelf te leren kennen en te begrijpen. Alles wat ik maak is een stukje van mij, en dat rijmt niet met winnen of verliezen. Maar toen ik ging kijken naar eerdere inzendingen, werd het me duidelijk dat het niet gaat om het mooiste werk, maar om hoe je het materiaal gebruikt. Wat je ermee doet, hoe je het aanpakt, welke keuzes je maakt. Een uitwisseling van ideeën, waar anderen iets aan kunnen hebben. Dat voelde anders.
Daarna kwam de volgende stap: mensen konden stemmen. Dat betekende delen. Met familie, vrienden en kennissen. Ik stuurde het via WhatsApp, Facebook en Instagram. Met spanning, en toch ook met een gevoel van schaamte dat eigenlijk nergens op slaat, maar er wel is. En toen stroomden de reacties binnen. Zo positief, zo warm. Een opluchting. Waarom maak ik me toch steeds zo druk?
Als ik terugkijk, zie ik de stappen. Door Ton begon ik met mijn website, stap één. Een paar keer meedoen aan een expositie, maar wel mijn werk ophangen en daarna snel weer weg, geen fysieke presentatie van mijzelf, stap twee. Na mijn CVA consequent gaan schrijven op mijn website, stap drie. En nu dit, mensen vragen om te stemmen, stap vier. Er werd zelfs gevraagd om een foto van het project met mij erop. Dat vond ik moeilijk. Zichtbaar zijn blijft spannend.
En ineens zie ik het ook terug in mijn werk. Het plexiglas dat ik gebruik is soms helder, soms gekleurd, soms mat. Alles is zichtbaar, maar steeds op een andere manier. Soms volledig transparant, soms gekleurd door een laag, soms verzacht en diffuus.
Misschien is dat ook mijn weg.
Niet alles hoeft in één keer helder te zijn.
Niet alles hoeft zichtbaar zonder filter.
Maar stap voor stap, laag voor laag,
mag het wel verschijnen.
Maar vandaag overheerst iets anders. Dankbaarheid. Voor de reacties, voor de stappen die ik zet, en misschien ook voor het feit dat ik, heel voorzichtig, steeds een beetje meer zichtbaar word.
Niet in één keer,
maar precies zoals het bij mij past.
Vijftig jaar later
30 maart 2026
Al vijftig jaar zijn we vriendinnen. Letterlijk en figuurlijk door berg en dal gegaan. Dicht bij elkaar, ver van elkaar en soms helemaal los van elkaar. Samen geschiedenis hebben is toch wel bijzonder. We schrikken er allebei van dat het al zo lang is, want de jaren voelen we niet echt. Misschien alleen als we in de spiegel kijken.
Allebei meerdere relaties gehad. Allebei gescheiden. En nu allebei met een man die veertien jaar ouder is. Hoezo synchroniciteit?
Ton is even boodschappen doen. Ze vraagt of ik zelf koffie kan zetten. Nee, dat is nog steeds een probleem. Ze stroopt lachend haar mouwen op om het dan maar zelf te doen. En precies op dat moment komt Ton binnen. We moeten allebei lachen — de maestro neemt het direct over.
Ze staat stil bij mijn schilderij Power of Stillness. Het raakt me hoe mensen daarop reageren, en nu zij ook weer.
De sfeer is ontspannen. We praten over haar kind, dat inmiddels voor de vierde keer zijn voornaam heeft veranderd. Ze vertelt hoe ze daar deze keer even moeite mee had en doet overdreven voor hoe ze reageerde. We schieten in de lach. Tegelijk denk ik even aan hoe onze kinderen vaak blijven hangen in onze eerste reactie. Wat daaronder zit, zien ze niet altijd.
Ze geeft me een boekje met citaten van Paulo Coelho. Het slaat open:
Lach om je zorgen en onzekerheden.
Bekijk je angsten met humor.
Het zal in het begin moeilijk zijn,
maar je zult er geleidelijk aan wennen.
Terwijl we nog lachen, voel ik hoe treffend dit is. Ik zeg het niet hardop, maar neem het mee.
Even later komt haar man ook binnen. Ik vertel over een deuntje dat maar in mijn hoofd blijft hangen:
“En hij verdween nergens heen, het was op een maandag, de noorderzon scheen.”
Ton zoekt het op en laat het horen. Na twee coupletten is het ons duidelijk, maar als we weer beginnen te praten zegt hij ineens: “Sssst!”
We schieten in de slappe lach. We zien onszelf al zitten in een bejaardentehuis, vermaakt met oude Hollandse liedjes.
Dan vraagt haar man waarom de ene hond nog haar riem om heeft en de andere niet.
“Zo kun je het verschil zien,” zegt mijn vriendin.
“Ja,” zeg ik, “ik heb mijn bril afgedaan, anders zie je het verschil tussen ons ook niet.”
We gieren het uit.
Zo heerlijk melig.
En misschien ook precies goed.
Vijftig jaar later,
lachen we nog steeds om niets.
En juist daarin zit alles.
Wat ik eindelijk zag
29 maart 2026
Met mijn omgeving praat ik niet vaak over mijn voorkeur voor films en series. Zelfs met mijn beste vriendinnen heb ik die connectie niet. Soms snap ik zelf ook niet waarom bepaalde films of series zo blijven hangen. Ik heb wel eens verteld dat ik graag naar anime en Aziatische series kijk, maar ook naar films waarvan vaak wordt gezegd dat vrouwen daar niet naar kijken. Alsof dat er niet bij hoort.
Blijkbaar ben ik daarin geen “typische” vrouw, want The Deer Hunter heeft enorme indruk op me gemaakt. Niet zozeer om de oorlog zelf, maar om de hechte vriendschappen en wat trauma met een mens doet. Die scène met Russisch roulette… de waanzin, en tegelijk de vraag: waar ligt jouw breekpunt? Weet je dat eigenlijk wel? Dat soort psychologische intensiteit houdt mij vast.
Ik merk dat ik in fases kijk. Soms romantische komedies, soms documentaires, dan weer tekenfilms of historische drama’s. En nu dus oorlogsfilms. Er ontstaat ineens een behoefte, en die is er volledig. En net zo plotseling is hij ook weer weg.
Begin jaren negentig keek ik de serie China Beach. Elke aflevering. Later nog een paar keer online. En de afgelopen weken bleef hij maar in mijn gedachten opduiken. Ik kon hem nergens meer vinden, dus heb ik de complete serie besteld. Gisteren lag hij op de mat. Vandaag is het regenachtig. Ton is weg, en ik begin opnieuw.
Iedere aflevering start met Reflections van The Supremes: Through the mirror of my mind, time after time… Alleen die eerste zin al.
En dan, na één aflevering, ineens dat moment. Eureka. Na zesendertig jaar weet ik wat mij hierin raakt.
Deze serie is geschreven vanuit een vrouwelijk perspectief. Niet als slachtoffer, maar als kracht. Vrouwen die dragen, verbinden, overeind blijven in een omgeving van oorlog. Verpleegsters, entertainers, maar ook de publieke dames — vrouwen die vaak worden veroordeeld, maar hier zichtbaar worden in hun menselijkheid en hun betekenis. Ook zij dragen, ook zij geven, ieder op hun eigen manier.
Ze staan niet aan de rand, maar midden in het verhaal.
Dat is wat met mij resoneert.
En nu besef ik dat pas.
Wat mij raakt,
was er al die tijd al.
Ik had het alleen nog niet gezien.
Taal die mij raakt
28 maart 2026
Toen ik jong was, had ik in mijn kamer Aziatische tekeningen. Minimalistisch, met bloemen, bamboe en vogels. Een wereld waarin ik kon wegdromen. Al vroeg ging ik naar Den Haag, naar een grote Aziatische winkel, om een kimono te kopen. Ik koos altijd een rode, met een geborduurd tafereel op de rug. Hij hing omgekeerd aan een hanger aan de kast, zodat ik er altijd naar kon kijken. Ik droeg hem dagelijks. Destijds dacht ik er niet over na, maar achteraf zie ik het als een rode draad in mijn leven. Kunst, kleding, voorwerpen, series, yoga, interesse in spirituele stromingen.
Van nature ben ik geen lezer. Een tekst moet me meteen meenemen, anders lukt het me niet om verder te gaan. Schrijven doe ik wel al mijn hele leven. Eerst in dagboeken, en sinds vorig jaar bijna dagelijks op mijn blog. Door mijn afwezigheid op school heb ik het grammaticale stuk grotendeels gemist. Mijn schrijven is dus niet literair gevormd, maar ik voel er wel iets bij. Een ritme, een afstemming.
Zo werd me duidelijk dat spreekwoorden en gezegden sterk cultureel bepaald zijn. Ze dragen de geschiedenis en waarden van een samenleving. Daarom zijn ze vaak moeilijk letterlijk te vertalen — en juist daardoor zo interessant. Van nature ben ik een nuchtere Hollander, maar de poëtische taal uit Aziatische culturen raakt mij diep. Vandaag hoorde ik in een Chinese serie een paar uitspraken die bleven hangen.
“Adding a dog’s tail to a sable coat.”
Letterlijk: het toevoegen van een hondenstaart aan een jas van sabelmarterbont. In het Nederlands zou je misschien zeggen: als een vlag op een modderschuit.
“If you won’t feed the wolf, you won’t catch the cub.”
Een beeld dat zegt: zonder investering geen resultaat.
Misschien overdreven, maar dit soort zinnen maken iets in mij warm. Alsof er meer wordt gezegd dan alleen de woorden. Nog één, puur om te delen:
“When storms darken the sky, the rooster still crows. Having seen the graceful one, how could I not rejoice?”
Laat je niet ontmoedigen door tegenslag. Blijf het licht zien. Dat is wat ik erin hoor. En ergens voelt het vertrouwd, alsof het al lang in mij aanwezig was.
Woorden dragen werelden,
en soms herken ik mezelf erin.
Als jij ook zo’n zin kent die je raakt, deel hem gerust met me.
De boom die mij vond
27 maart 2026
Vorig jaar is mijn vriendin getrouwd. Ik gaf haar een schilderij van een boom, met een tekst over groei, kracht en verbinding. Daarbij een bekende afbeelding: een cirkel waarin de kruin even groot is als de wortels. De levensboom. Symbool voor evenwicht tussen hemel en aarde, het bewuste en het onbewuste.
Ik hou van bossen. Bomen die er al honderd jaar of langer staan. Het voelt alsof ze iets te vertellen hebben. Mijn kinderen leerde ik respect te hebben voor de natuur. Geen takken afbreken, geen bast beschadigen. Laat bomen zijn wie ze zijn.
Als ik goed kijk, zie ik soms een soort gloed. Misschien verbeelding, maar voor mij voelt het als een energie. Gezonde bomen stralen iets uit. Het maakt me rustig.
Eind jaren negentig ontdekte men dat bomen via een ondergronds netwerk van schimmels met elkaar verbonden zijn — het zogenaamde Wood Wide Web. Ze waarschuwen elkaar voor gevaar, delen signalen over droogte of insecten. Bijzonder dat de wetenschap dit nog niet zo lang weet, terwijl het voor mij altijd al voelbaar was. Die verbinding. Soms zelfs de treurnis ervan.
Tijdens het kijken naar een Chinese serie zie ik ineens bomen die lijken op de levensboom. Wortels boven de grond, net zo aanwezig als de kruin. Het beeld blijft hangen. Dus ga ik zoeken.
Het blijken banyanbomen te zijn.
Een boom zonder duidelijke stam, opgebouwd uit wortels die tegelijk takken zijn. Dragend, groeiend, vertakkend. In Azië heeft deze boom een diepe spirituele betekenis.
En dan lees ik:
Boeddha bereikte verlichting onder een banyanboom.
Symbool van ontwaken. Van verzamelde energie. Van innerlijke transformatie.
En ik weet: dit is wat mij aantrok.
Banyan — levensboom, boom van wijsheid.
Sinds ik mezelf heb voorgenomen om bijna dagelijks te schrijven, valt me steeds meer op. Gedachten en beelden die blijven hangen, blijken geen toeval. Ze haken ergens aan.
Ik volg ze.
En telkens openen ze iets.
Alsof ik niet zoek,
maar gevonden word.
Struikelwoorden
26 maart 2026
Als mensen geïnterviewd worden over de situatie in de wereld, hoor je tegenwoordig vaak: “Het is ingewikkeld.”
Ton vertelt in de auto hoe hij zich eraan ergert. Voor hem voelt het niet oprecht, niet vriendelijk, niet authentiek. Hij hoort er wel degelijk een mening doorheen. Daar heeft hij geen probleem mee, maar wel met het verbergen ervan.
Zo hoorde hij een deskundige spreken over Gaza. Het woord genocide werd genoemd, maar zij noemde het “ingewikkeld”.
Ton vraagt zich af: hoe kun je over een feit een mening hebben? Waarom dat woord gebruiken? Eigenlijk, zegt hij, wordt er iets ingepakt wat niet hardop gezegd wil worden.
Ik hoor hem vaker over dat woord struikelen. Ingewikkeld lijkt een soort veilige plek geworden om niet uit te spreken wat je werkelijk denkt of voelt. Misschien is dat ook precies wat het woord doet: iets inwikkelen, verzachten, verbergen.
Ik herken dat. Ik had dat ooit met het woord verdriet. Voor mij zei dat niets. Het voelde als een deken over iets anders heen. Boosheid, angst, teleurstelling — daar zat het echte gevoel. Als dat niet wordt herkend, blijft alleen dat vage “verdriet” over.
Ik noem het struikelwoorden. Woorden die iets aanraken omdat er altijd meer onder zit.
Het is eigenlijk wel mooi om te zien dat Ton nu zijn eigen struikelwoorden heeft. Ik vraag me af of ik hem heb aangestoken met mijn gevoeligheid voor taal.
Waarom struikelen we over bepaalde woorden? Misschien omdat ze zo algemeen zijn dat iedereen er iets anders in hoort. De spreker bedoelt het ene, de luisteraar hoort iets anders — en neemt daarin zichzelf mee.
Ik weet van mezelf dat het woord diplomatie niet in mijn woordenboek voorkomt. Ton kan juist heel diplomatiek zijn, maar langzaam lijkt hij daarin een beetje naar mij te kleuren.
En dan zie ik het ineens voor me.
Twee bomen, stevig geworteld.
De een met gele bloesem, de ander met roze.
Ze staan naast elkaar, hun kruinen raken elkaar.
En waar het licht erop valt,
kleurt het overlappende deel
zacht oranje.
Misschien ontstaat daar iets nieuws,
niet door gelijk te worden,
maar door elkaar te raken.
De slingers van mijn lichaam
25 maart 2026
Een dag met weinig resonantie. Buiten de ene wolkbreuk na de andere. Op de training stil en rustig. Ton is de deur uit met zijn bezigheden.
Rust. Stilte.
Normaal zou ik wat lezen of een serie kijken, maar daar heb ik geen zin in. Dat niets willen, niets doen, niets ondernemen is voor mij geen verveling. Het is een soort lichte ruimte.
Vanmiddag naar de mondhygiëniste en daarna naar de tandarts. Ook daar rust. Ik word vrijwel direct geholpen. Opvallend hoe sterk mijn gebit is. Daar moet ik altijd om lachen. Er is in ieder geval één ding in mij dat het gewoon goed doet: mijn tanden.
Die nietsheid… het is een bekende plek. Geen leegte, maar een soort kruispunt. Zoals ik het leven zie, de beweging van het lemniscaat. Daar gebeurt van alles, zonder dat ik er iets voor hoef te doen.
En dan ineens: tanden.
De mond als poort naar…
Vanuit die stilte komt er beweging.
Als kind was ik een bijtertje. Ik liet mijn tanden zien. Ik stond bekend als iemand met haar op haar tanden. Als ik ergens voor ging, zette ik mijn tanden erin. En vaak kon er nog een tandje bij.
Maar dat had ook zijn prijs. Ik liep mezelf voorbij, ging op mijn tandvlees lopen.
De tand des tijds heeft daar verandering in gebracht. Meer rust. Meer luisteren naar mijn lichaam. Minder forceren.
En toch… die tanden zijn gebleven.
Sterk. Aanwezig.
Men zegt weleens dat je zelf de slingers moet ophangen in het leven.
Misschien zijn mijn tanden dat wel.
Ze dragen wat ik laat zien,
zonder dat ik iets hoef te doen.
Gewoon aanwezig,
als een stille glimlach van binnenuit.
De lucht is leeg
24 maart 2026
Ton leest ’s morgens altijd de krant. Vandaag vertelt hij over een stuk van een natuurwetenschapper.
“De lucht is leeg.”
Wat een zin. Bijna poëtisch.
Ze legt uit dat vroeger, rond deze tijd van het jaar, je auto na een rit vol zat met doodgereden insecten. Zwart op de voorruit, vastgekoekt op de nummerplaat. Dat beeld herken ik meteen. Tegenwoordig gebeurt dat nauwelijks meer. In dertig jaar tijd is ongeveer vijfenzeventig procent van de insecten verdwenen. Essentieel voor biodiversiteit en ons ecosysteem. Zorgwekkend.
En toch… blijft vooral die zin hangen.
De lucht is leeg.
Tijdens het fietsen herhaal ik hem in mezelf. Soms mompel ik hem zachtjes. Los van de betekenis voor de wetenschap, raakt hij iets anders in mij. Wat zou hij nog meer kunnen betekenen? Wat betekent hij voor mij?
Leeg… misschien afwezigheid, kaal, open, onbeschreven.
Lucht… iets vluchtigs, ongrijpbaars. Adem, ruimte, het hemeldak boven ons.
Samen zeggen die woorden ineens veel meer dan verwacht.
Spelen met taal is fascinerend. Misschien ook wel een kunstvorm.
In het voorjaar fiets ik graag steeds dezelfde routes. De natuur die langzaam ontwaakt, het is een helend proces. Ik kijk, ik neem op, ik maak foto’s van bloemen en dieren die ik niet ken. Thuis zoek ik ze op. Zo zit ik in elkaar. Nieuwsgierig. Lerend.
Als een kind kan ik blij worden van Canadese ganzen, of een kievit in de wei. De wilgen zijn geknot, takken liggen netjes gebundeld langs het pad. Pinksterbloemen verschijnen overal, zacht lila in de wind. Ik zit bijna kwispelend op mijn fiets.
En dan zie ik ze ineens overal: kleine lichtblauwe bloemetjes, laag bij de grond. Zacht en bescheiden. Ik maak een foto en zoek het thuis op. Veronica persica, grote ereprijs. Opvallend, want de bloemetjes zijn juist klein.
En hoe beter ik kijk, hoe meer ik ze zie.
Thuis, terwijl ik ernaar zoek, kom ik een zin tegen van Winnie de Poeh:
“Onkruiden zijn ook bloemen wanneer je ze beter leert kennen.”
Mijn dag is dan al goed.
Ik denk aan wat ik ooit schreef:
de zin van onzin versus de onzin van de zin.
En ergens daartussen…
krijgt alles betekenis.
Wat leeg lijkt,
blijkt vol te zitten,
zodra ik beter kijk.
Nog vóór woorden
23 maart 2026
Vaak zeg ik dat mijn lichaam mijn instrument is. Mijn ogen, oren, neus, tong en huid vangen alles op. Niet alleen zien, horen, ruiken, proeven en voelen, maar ook intentie, kleur, sfeer, authenticiteit.
Mijn lichaam denkt als het ware vóór mijn gedachten. Pas daarna komen de woorden.
Er is een voortdurende beweging van lichamelijk weten naar denken.
Ik reageer eerst op wat mijn lichaam al heeft opgepikt, en pas daarna volgt het begrijpen.
Mijn lichaam werkt anders dan dat van de meeste mensen. Mijn spieren reageren niet zoals ze zouden moeten en het gevoel in mijn lichaam wordt langzaam minder. Inmiddels is vooral mijn romp nog echt voelbaar.
En toch… juist dat lichaam vangt alles op. Intens.
Ik weet niet wat het is om een ‘normaal’ functionerend lichaam te hebben. Je zou het kunnen vergelijken met iemand die blind of doof geboren wordt. Voor een ander lijkt dat een enorme beperking, maar zelf weet je niet beter.
Voor mij is het geen probleem, meer een kenmerk. Zoals de kleur van mijn ogen of mijn haar.
Wel ben ik gefascineerd geraakt door het lichaam. Hoe het kan functioneren. Hoe mensen ermee omgaan.
En zelden kom ik mensen tegen die werkelijk in contact zijn met hun lichaam zoals ik dat ervaar.
Ik zie het niet per se bij yoga of sport. Daar zie ik vaak techniek en uithoudingsvermogen — indrukwekkend, absoluut.
Maar waar het mij om gaat, is iets anders.
Wanneer is iemand in sync met zijn lichaam?
Misschien wanneer iemand vanuit ontspanning kan bewegen. Wanneer er niets teveel wordt gedaan. Wanneer alleen datgene gebeurt wat nodig is — niet meer, niet minder.
Een soort loslaten, midden in de beweging.
Als ik dat zie, raakt het me diep.
De laatste tijd kijk ik veel naar dans. So You Think You Can Dance.
Je ziet dansers die perfect bewegen, maar bij wie het vanuit het hoofd lijkt te komen.
En je ziet dansers waarbij het lichaam zelf spreekt.
Dat verschil voel ik direct.
Bij die laatste groep gebeurt er iets. Dan rollen de tranen over mijn wangen. Zo diep komt dat binnen.
Alsof het lichaam niet meer beweegt, maar vertelt.
Misschien is dans wel de plek waar dat het meest zichtbaar wordt.
Waar het lichaam de taal wordt.
Omdat mijn eigen bestaan zo via mijn lichaam loopt, luister ik daar ook als eerste naar — niet alleen bij mezelf, maar ook bij de ander.
Nog vóór woorden.
Er zijn momenten waarop een lichaam iets zegt
zonder dat er een woord valt.
Een kleine verschuiving,
een adem die verandert,
een beweging die niet gemaakt wordt maar ontstaat.
Misschien spreken we al die taal ons hele leven.
Misschien zijn we alleen vergeten
hoe we moeten luisteren.
Voorjaarslicht met een randje
22 maart 2026
Na mijn dagje rust kan ik het, ondanks mijn wat brakke gevoel, niet laten om in dit voorjaarszonnetje te gaan fietsen. Absoluut geen spijt — het was heerlijk.
Roze en witte bloesem in de bomen, magnolia’s. Forsythia’s overal en dit jaar opvallend veel narcissen, stevig en groot. De kleuren maken me vrolijk. In de polders is het kaler dan ik gewend ben. Het riet is verwijderd, de oevers strak geschoren. De riviertjes, sloten en stroompjes liggen nu helemaal open.
Het toerisme rond Kinderdijk komt alweer op gang. Onder de brug van de Noord is een grote parkeerplaats aangelegd. Vorig jaar zagen we de bouw al en het is precies geworden wat ik verwachtte. Een logische plek, niemand die er last van heeft.
En dan… over last gesproken.
In Nieuw-Lekkerland zien we overal Nederlandse vlaggen halfstok hangen. We vragen ons af waarom. Ik spreek een vrouw aan, duidelijk een lokale bewoner.
Er staat een groot industrieel gebouw leeg en de gemeente wil het verbouwen tot een AZC, waar tweehonderd jonge mannen tijdelijk kunnen wonen. Aan de overkant van de dijk staat een bejaardentehuis. De vlaggen hangen als protest. Men wil het niet.
Ze vertelt het alsof het vanzelfsprekend is.
Ik bedank haar en fiets verder, met een bloedend hart. Gelukkig voelt Ton hetzelfde als ik. Maar even zie ik de bloesem niet meer.
Waar komt die angst vandaan? Het zijn vluchtelingen, geen criminelen. Jonge jongens, weg van familie en vaderland. Ik ken deze culturen van dichtbij. In mijn leven zijn mensen uit deze werelden aanwezig. Wat ik daar zie en ervaar, is vaak juist respect voor ouderen en kwetsbaren.
Waarom sluiten we ze op, zonder dat ze mogen werken of iets kunnen betekenen voor de plek waar ze terechtkomen? Waarom brengen we ze niet in contact met de mensen hier?
De hardheid. Het wij/zij-denken. Het draait mijn maag om.
Het was maar een moment,
maar het gaf een rauw randje aan een verder zonnige, bloemrijke dag.
De zon bleef schijnen,
de bloesem stond nog steeds in bloei,
maar iets in mij was even verschoven.
De onzichtbare buitenwereld in mij
21 maart 2026
Doordat ik mijn dromen ben gaan beschrijven, zoals ik ook verzamel op mijn dromenpagina, verandert mijn dagelijkse beleving. Eigenlijk ben ik ze gaan vangen. Soms is het een heel verhaal, soms alleen een beeld of een gevoel. Vandaag was het slechts een quote die bleef hangen.
In eerste instantie vind ik het vaak vreemd wat ik droom. Als ik wakker word, ben ik me bewust van een lange droom, maar eenmaal achter mijn laptop is veel alweer vervlogen. Zonder erover na te denken schrijf ik op wat ik me herinner, hoe vreemd het ook lijkt. Ik probeer er geen betekenis aan te geven. Tijdens het typen, of later op de dag, sluipt er vanzelf een inzicht binnen.
Vandaag bleef één zin hangen: napalmen is nawalmen. Het voelde eerst sinister. Napalm roept beelden op van oorlog en vernietiging. Ik wilde het eigenlijk niet eens opschrijven. Toch bleef het hangen. Tijdens het vertalen zocht ik niet naar een letterlijke betekenis, maar naar wat erachter lag. In een flits was het helder. In het Nederlands heeft het bijna iets poëtisch. Verbranding en rook.
Opeens besefte ik dat mijn reactie op dat ene verkeerde pilletje de verbranding is. Het napalmen. En wat ik nu ervaar — de zenuwpijnen — is het nawalmen. De rook die nog blijft hangen. Zoals ik gewend ben, ga ik vrij nuchter door. Maar ergens diep van binnen zit ook zorg over de heftigheid. De woorden uit mijn droom geven precies die heftigheid weer. Een soort herkenning van wat er werkelijk speelt. En dat geeft rust. Het is aan het nawalmen, en dus mag het ook uitdoven.
Thuisblijven en zo veel mogelijk rust nemen voelt als het enige juiste antwoord. In de woonkamer valt mijn oog op een boek: Brave New World. Ik pak het en blader erdoorheen. Ik kocht het twee jaar geleden in Museum de Fundatie in Zwolle, bij een tentoonstelling van Neo Matloga. Twee zinnen blijven hangen: Home is where you create your world. en Lives are shaped by the invisible outside world.
Ja, thuis is mijn wereld. Mijn kleuren, mijn schilderijen — zoals ook in Power of Stillness — alles ademt wie ik ben. De plek waar ik mij het best voel. Misschien wel de enige plek waar ik kan herstellen. En die onzichtbare buitenwereld… is dat de wereld buiten mij? Of de plek waar mijn bewustzijn zich beweegt als ik slaap? Dat beeld komt ineens op. Mijn dromen zijn onderdeel geworden van mijn leven. Ze kleuren mijn dagen, zonder dat ik ernaar zoek.
Ik vang mijn dromen niet om ze te begrijpen,
maar om ze ruimte te geven.
En ergens daartussen beweegt mijn leven mee.
Loflied aan mijn hondjes
20 maart 2026
Momenteel heb ik twee hondjes. Kiba is een kruising tussen een Bolognezer en een Chihuahua. Puck is een Shih Tzu. Kiba heb ik al vanaf dat ze een pup was. Ze heeft in huis een paar plekjes die ze heeft uitgekozen als van haar. Ze is onafhankelijk, bijna katachtig. De wereld en wij zijn van haar. Ze is altijd rustig, blaft vrijwel niet en ik heb haar nog nooit zien grommen. Het is ronduit een schatje.
Puck noem ik een corona-hondje. Ze is aangeschaft als pup door jonge mensen tijdens de coronaperiode. Daarna keken ze niet meer naar haar om. Er kwam een baby die alle aandacht kreeg. Via onze hondentrimster kregen wij een tip. Zij wist dat Fluffy overleden was en dacht dat Puck bij Ton en mij een beter huis zou krijgen.
Vanaf het begin is Puck niet bij mij weg te slaan. Ze loopt de hele dag achter mij aan en ligt het liefst tegen mij aan. Gelukkig kan ze samen met Kiba goed alleen thuis blijven. Geen geblaf, geen gehuil. Ze voelt zich veilig en zoekt duidelijk warmte en bescherming.
Mijn hele leven heb ik honden gehad, meestal twee. Er zijn weinig foto’s van mij als kind, maar als ze er zijn zit ik bijna altijd met een hondje te kroelen. Toen ik jong was zong Heintje het liedje “Mijn trouwe hond.” Ik zong het uit volle borst mee, met tranen die over mijn wangen liepen. Dat diepe gevoel van liefde voor een hond is altijd gebleven.
“Honden zijn niet ons hele leven, maar ze maken ons leven compleet.” – Roger Caras.
Inderdaad, mijn leven voelt niet compleet zonder hond.
“Een hond is het enige op aarde dat meer van je houdt dan van zichzelf.” – Josh Billings.
Misschien zit daar iets egoïstisch in, dat het zo fijn voelt om zo geliefd te worden. Maar als ik aan die liefde denk — en aan wat ik zelf voel — schieten de tranen me in de ogen.
“Hoe beter ik mensen leer kennen, hoe meer ik van honden ga houden.” – Charles de Gaulle.
Ik heb vaak beschreven hoeveel wantrouwen ik naar mensen heb gevoeld. Dat kan ik inmiddels relativeren. En toch… deze zin begrijp ik nog steeds.
De trouw van een hond staat voor mij buiten kijf. In een hond ervaar ik een vorm van onvoorwaardelijkheid die ik zelden bij mensen tegenkom. Geen oordeel, maar mijn ervaring.
Honden hebben een kort leven. Veel te kort. Maar dat weet je. Ik weet dat de pijn komt, dat ik mijn hond zal verliezen en dat er groot verdriet zal zijn. Juist daarom geniet ik voluit. In het moment. Van haar vreugde, haar nabijheid, haar onschuld.
Er zit iets moois in die eerlijkheid. Liefde geven en ontvangen, terwijl je weet wat het kost.
“Honden leven kort omdat ze al vanaf hun geboorte weten hoe ze moeten liefhebben.”
Die zin raakt me. Misschien romantiseer ik het, maar als ik naar mijn hondje kijk dat nu dicht tegen mij aan ligt te slapen, voel ik mijn hart zachter worden. Er stroomt letterlijk warmte door mijn lichaam.
Vandaag voelde het goed om dit op te schrijven. Een ode aan mijn hondjes, en aan de liefde die zij zo vanzelfsprekend met zich meebrengen.
Ze vragen niets,
ze zijn er gewoon.
En in die eenvoud
herken ik iets wat altijd klopt.
Pijn en referentiekader
19 maart 2026
Een tijdje geleden zag ik een tekst over pijn. Het fascineerde mij. Niet direct herkenning, maar wel de manier waarop ik denk dat het goed zou zijn om met pijn om te gaan.
Pijn is het bewijs van leven.
Pijn leeft in ons.
Ons leven eindigt met pijn.
Iemand naast je hebben om je pijn mee te delen, vermindert die pijn en geeft je de moed om haar te omarmen.
De pijn van een ander herkennen en delen — dat is misschien wel de meest wezenlijke vorm.
Inderdaad ervaar ik mijn pijnen als bewijs van leven. Voor mij hoort pijn, fysiek of mentaal, bij het bestaan. Het heeft een functie. Het helpt je omgaan met situaties, het helpt je relativeren.
Iemand naast je hebben om het te delen, is voor mij nog onontgonnen terrein. Ik geloof wel dat het kan verlichten, althans wanneer het geen medelijden is. Het gevoel een slachtoffer te zijn past mij niet. Of het mij meer moed zou geven om pijn te omarmen weet ik niet — dat doe ik eigenlijk al.
Dan blijft die laatste zin hangen: de pijn van een ander herkennen en delen.
Vandaag had ik een ontmoeting met twee vriendinnen die ik al mijn hele leven ken. Sinds een paar maanden zien we elkaar weer regelmatig. Het is fijn om die band opnieuw op te pakken, herinneringen op te halen en nieuwe te maken.
Het gesprek ging over lichamelijke ongemakken. We hebben alle drie, op onze eigen manier, ervaring met langdurige ziekte. Eén van mijn vriendinnen vertelde over haar gezonde schoonzus die vaak klaagt over kleine pijntjes. Regelmatig naar de huisarts, maar er komt niets uit. En dan ook nog boos zijn dat er niets gevonden wordt.
Mijn vriendin vindt dat moeilijk. Na veertig jaar kanker, operaties en een lichaam vol littekens, stelt zij eerder de vraag: wat is er nog wél goed? Klagen komt in haar woordenboek nauwelijks voor.
Ik herken dat. Dat gevoel heb ik ook gehad. Maar ik heb geleerd dat wanneer je gewend bent geraakt aan ziekte, je veerkracht zich anders vormt dan bij iemand die dat niet kent. Voor iemand die altijd gezond is geweest, kan een simpele griep al intens zijn.
Het gaat niet om meer of minder.
Het gaat om referentiekader.
Herkennen en delen is dan ineens minder vanzelfsprekend.
En terwijl ik daar zit, merk ik iets anders op. Dat ik zelf nog steeds niet makkelijk steun aanneem. Mijn man zorgt voor mij, maar op een manier die niet zwaar voelt. Zonder woorden, zonder dat het mij klein maakt. Dat is precies de vorm waarin ik steun kan ontvangen, zonder mijn waardigheid te verliezen.
Tegelijk ben ik milder geworden naar mensen die klagen over kleine lichamelijke ongemakken.
Zo zie je hoe een zin die je ergens oppikt, zich een weg baant door je leven. En hoe een gesprek, ogenschijnlijk toevallig, precies op diezelfde plek uitkomt.
Pijn verbindt niet doordat ze gelijk is,
maar doordat ze herkend wordt binnen ieders eigen wereld.
Van patiënt naar speler
18 maart 2026
Het is zo maf om te zien hoeveel uithoudingsvermogen ik gehad heb. De afgelopen jaren konden mijn lichamelijke tegenslagen mij niet uit het veld slaan. Moeizaam, zwaar, maar acceptabel.
Dan krijg ik, na al die jaren, weer vleugels. Vitaliteit. De vrijheid die ik daarbij voel is bijna bovenaards gelukzalig. En dan één pilletje… en het gaat weer helemaal mis. Weg vitaliteit, maar ook weg veerkracht.
Direct stop ik natuurlijk met dit medicijn. Nu, zes dagen verder, heeft mijn systeem deze ellende nog niet opgelost. Anders dan ik van mezelf gewend ben, zit ik met dikke tranen te janken. Het verlies van die herwonnen vitaliteit komt als een mokerslag aan.
Diep van binnen snap ik dat het lichamelijk is, pure biologie. Maar ik voelde eindelijk weer hoe het is om vrij te leven in plaats van te dragen. Het ging al dik zeven jaar niet goed met mij. En dan drie maanden eindelijk vooruitgang… en deze terugval lijkt me even te breken. Hoe maf is dat? Het is niet leuk, maar toch ook geen ramp.
Door stofjes waar mijn lichaam niet tegen kan, raakt het systeem overbelast. Ik ervaar het nu als zwakte, maar dat is het natuurlijk niet. Het moet herstellen, weer uit mijn systeem verdwijnen. En ik ontdek iets: het huilen, met grote snikken en dikke tranen, lost spanning op die zich blijkbaar had opgebouwd. Langzaam keert de rust weer terug in mij.
Dan gaat mijn mobiel. Mijn cardioloog. Ik had rosuvastatine gekregen en daarvoor al twee andere statines waar ik ook verkeerd op reageerde. Er zijn cholesterolverlagende middelen die gespoten moeten worden, maar de verzekering betaalt die pas als je eerst alle statines hebt geprobeerd én een ezetimibe.
Het is duidelijk dat ze mij gelooft. Vriendelijk zegt ze dat ik mijn lichaam eerst een week rust moet geven en daarna één keer ezetimibe moet proberen. Stop ik na één pil, dan is dat ook goed. Ze laat dan bloed prikken, zodat ze kan aantonen dat alles geprobeerd is en de injecties vergoed worden.
Dat klinkt ineens een stuk beter. Tegelijk zie ik hoe het werkt. Mijn cardioloog zit ook vast in protocollen. De verzekeraar kijkt naar vinkjes, niet naar wat mijn lichaam al die tijd heeft doorgemaakt.
Gisteren had ik het over een levend schaakspel. Eigenlijk zegt ze nu: we spelen dit spel even, zodat jij krijgt wat je nodig hebt. En ineens verandert er iets. Mijn arts en ik staan niet tegenover elkaar, maar naast elkaar. Niet om deze medicijnen te laten slagen, maar om een weg te vinden naar iets wat wel past.
Ik lig niet meer op het bord.
Ik zie het spel en beweeg mee.
Niet om te winnen of te verliezen,
maar om te blijven bij wat klopt.
Van daaruit ontstaat elke volgende zet.
Levend schaakspel
17 maart 2026
Waar ben ik vandaag mee bezig? Niets bijzonders. Trainen en weer naar huis. Door een nieuw medicijn heb ik alweer een paar dagen spierpijn. Het begon alsof mijn benen versteend waren, zo stijf, en op de derde dag ging alles weer flink zeer doen. Mijn hoofd voelt gevuld met watten, die ook zwaar aan gaan voelen. Een lichte hoofdpijn en wat wazig zicht.
De euforie van de afgelopen drie maanden verdween deze dagen als sneeuw voor de zon. Na een lange periode van lichamelijk ongemak voelde ik me eindelijk weer vol energie. Dat maakte me gelukkig. Die maanden heb ik echt als een bevrijding ervaren. En nu, na één pilletje, valt dat weer weg. Begrijp me goed, ik ben niet echt ziek, maar precies genoeg leegte om mezelf door de dag te slepen. Geen puf om iets te doen, alleen op bed een serietje kijken en zo af en toe in slaap dommelen.
De conclusie is voor mij eigenlijk direct helder: stoppen met deze medicijnen. De vraag om het toch nog even te proberen, als een soort experiment, is duidelijk een nee. Mijn bereidheid om me over te geven aan het medische circuit, aan onderzoeken en pillen, voelt alsof die ergens is geknapt.
Ietwat gefrustreerd lig ik op bed met de tv aan en hoor iemand zeggen: “Ik geef niet om rijkdom, meer om gezondheid. Als het spel over is, verdwijnen zowel de koning als de pion in de doos.” Daar kan ik meerdere betekenissen aan koppelen. De dualiteit van het leven, arm en rijk, en uiteindelijk de gelijkwaardigheid van ieder mens. Ik zeg het zelf altijd iets banaler: “Als de koning een wind laat, stinkt hij net zo hard als die van mij.” Hoe dan ook, ik dommel even weg en als ik wakker word hangt die zin nog steeds in mijn systeem.
Drie maanden heb ik me weer zo goed en vitaal gevoeld. Daar kan inderdaad geen geld tegenover staan. Voor mij is rijkdom simpelweg lekker in mijn vel zitten, een lichaam dat energie kan genereren. Ik heb een innerlijke acceptatie van mijn aangeboren aandoening en eigenlijk accepteer ik ook de veranderingen die bij het ouder worden horen. Maar verslechteren door toediening van medicijnen, dat gaat me echt een streep te ver.
Nu ben ik in afwachting van een telefoontje van mijn specialist. En eerlijk, ik ben wel benieuwd hoe ik ga reageren op wat ze te zeggen heeft. Is het verstandig om mijn rug toe te keren naar het medische circuit? Kan ik het erop wagen om zonder verdere hulp gezond te blijven? Ik ben hier nog niet helemaal uit. Het voelt alsof ik mezelf in een spel heb gezet waarin ik moet bepalen welke zet nog van mij is.
Een schaakspel wordt vaak vergeleken met het leven. Elke zet heeft gevolgen, soms onomkeerbaar. Je moet kiezen, afwegen, loslaten, doorgaan. Maar in mijn spel gaat het niet om winnen. Het gaat om mijn vitaliteit.
Hoe sta ik in dit spel?
Niet aanvallen, niet verdedigen, niet offeren — maar vertrouwen.
En ja, ik heb er vertrouwen in dat ik hier uit ga komen. Hoe, dat weet ik nog niet. Dat zal ik zeker nog delen.
Misschien zit de zet niet in het systeem, maar in mij.
Misschien ben ik geen schaakstuk,
maar het bord waarop alles mogelijk blijft.
Kennis loslaten
16 maart 2026
Michel vergaarde altijd veel kennis. Hij las alles wat los en vast zat, op soms voor mij het gênante af. Door zijn goede communicatieve vaardigheden en ook hier en daar bluf wist hij altijd een gesprek te voeren over de meest uiteenlopende onderwerpen. Ook kreeg je dan het gevoel dat hij er echt verstand van had.
Stiekem bewonderde ik hem daar wel voor. In die vijfentwintig jaar dat wij samen waren hebben wij altijd heel veel met elkaar gepraat. Het was wel ons ding, zou je kunnen zeggen. Ik kreeg ook het gevoel dat hij mij scherp hield.
Na zijn overlijden viel dit stuk weg. Langzaam leek het alsof ik steeds dommer werd. Het was alsof hij het mentale vuurtje bij mij aangestoken kon houden. Ik lees geen krant, ik kijk geen tv, ik heb geen sociaal leven. Hij bracht als het ware de kennis binnen. En hij wist mijn gedachtestromen te prikkelen, te bevragen, te toetsen. Het debatteren met hem maakte mij wijzer. Ik had de dialoog nodig om te ontdekken wat ik zelf weet en hoe ik over iets denk.
Buiten Michel heb ik nooit iemand ontmoet die dit kan met mij. Waarbij ik het gevoel krijg zelf te kunnen groeien en leren.
Misschien was het onderdeel van het rouwproces. Ik weet het niet, maar nu bedacht ik me pas van de week dat ik die persoon gevonden heb.
Die persoon ben ik namelijk zelf.
Door iedere dag te schrijven, mezelf af te vragen waarom ik iets doe. Mezelf toetsen, iedere dag weer. De ene dag een meer diepgaand thema, dan de andere. Ik heb dat stukje wat ik mis van hem in mijzelf gevonden.
Dat domme gevoel slaat natuurlijk helemaal nergens op. Geïntimideerd door kennis, waar ik eigenlijk niets mee heb, heeft me misschien wel weggehouden van het pad dat ik zelf wil bewandelen. Begrijp me goed, dat is geen aanklacht. Het is een fase in mijn leven die ik nodig had, daar ben ik van overtuigd.
Toch besef ik ook dat die jaren met Michel mij enorm verrijkt hebben. Al die gesprekken, al dat zoeken, al dat toetsen van gedachten — het heeft mij gevormd. Die manier van kijken naar de wereld neem ik mee de rest van mijn leven.
Dat ik op deze manier geen sparringpartner meer vind, is zoals ik het nu zie zelfs een zegen.
Zelf opdiepen hoe ik naar het leven kijk. Naar kennis, naar wijsheid, naar waarheid.
Voor mij moet ik de waarheid zelf ervaren. Ik moet het zelf zien. Op het moment dat ik jou mijn waarheid vertel, is die waarheid al een leugen en kan het geen waarheid meer zijn. Mijn waarheid was alleen voor mijn ogen bestemd, om voor mij inzicht te kunnen zijn.
Alles wat mij verteld wordt of dat wat ik lees, is geen waarheid maar letterlijk een aanname. Het wordt een weetje, een mening, geen dieper innerlijk weten. Ik heb het gehoord en als ik daar waarde aan hecht, is het al geen waarheid meer voor mij.
Het krijgt pas impact en inzicht als ik het zelf aan den lijve heb ervaren of met mijn eigen ogen heb gezien.
Deze week besef ik pas dat doordat de materiële relatie met Michel is gesloten, er een deur naar mijn innerlijke waarheden is geopend.
Ik ben dankbaar voor al die mooie jaren met hem, zelfs dankbaar voor de leegte die hij bij mij achterliet.
En o zo blij dat ik de nieuw geopende deur heb gevonden.
Misschien verzamelen we kennis met elkaar,
maar ontdekken we wijsheid uiteindelijk alleen.
En soms opent juist de leegte die iemand achterlaat
een deur naar iets wat al die tijd al in jezelf lag te wachten.
Troost
15 maart 2026
Een kennis stuurt mij een klein berichtje uit de krant.
Ikje — Troost —
Ik haal mijn vierjarig nichtje Yara op bij de buitenschoolse opvang. Zij ziet mij niet, want heeft alle aandacht bij een huilend jongetje dat zij wil troosten. Ik hoor haar zeggen: “Als je verdrietig bent moet je aan leuke dingen denken. Denk maar aan dat ik volgende week naar de Efteling ga.”
Dit is een verhaal uit het leven gegrepen. Het grijpt mij ook aan. Ik krijg een brok in mijn keel terwijl ik het stukje lees.
Kinderen hebben vaak geen filters. Het is ook grappig. Op vierjarige leeftijd beginnen ze met ego-ontwikkeling: ik wil dit en ik wil dat. Ze herkennen de emotie van een ander kind, maar spiegelen dat direct aan zichzelf.
Dit kind heeft kennelijk al troost leren kennen door een lichtpuntje te laten zien. Vervolgens doet ze dat bij haar vriendje.
Daar wordt het voor mij interessant.
Want de manier waarop dit kind het aanpakt is dus al binnen haar eigen ontwikkeling een stukje conditionering. Ze benadert het relativerend. Niet per se beschermend of warm in de zin van: ik ben bij je, je staat er niet alleen voor.
Het brengt mij terug naar hoe ik mijn kinderen heb opgevoed.
Ook relativerend. Niet met een arm om hen heen, niet op schoot kroelen en beschermen. Eerder: laten huilen, laten bang zijn, uitleggen wat er gebeurt.
Waarom zie ik nu pas dat het misschien wat warmer had mogen zijn?
Ik hou ontzettend veel van mijn kinderen, maar de warme, troostende moeder ben ik nooit geweest. Relativeren, een bijna klinische uitleg over de situatie — zo pakte ik het aan.
Wanneer ik iets uitleg, benader ik dat altijd vanuit mijzelf. Alles breng ik terug naar IK. Niet uit egoïsme, maar omdat dat voor mij de enige plek is van waaruit ik echt kan spreken. Alles buiten de eerste persoon is niet rechtstreeks uit mijn eigen ervaring en voelt daarom voor mij al snel als een aanname.
Zoals ik nu kijk naar mijn omgang met mijn kinderen, denk ik dat ik soms wat liefdevoller had kunnen zijn. Ik hoopte en dacht dat mijn liefde — die voor mijzelf duidelijk overheersend is — gevoeld zou worden en genoeg zou zijn.
Nu lees ik dat kleine stukje in de krant.
Het lijkt grappig, maar ik voel er een achtergrond in.
En ik denk ineens: wat jammer dat ik in die tijd niet wat zachter en milder was.
Tegelijkertijd merk ik ook dat ik al veel rust heb gevonden. Pijnlijke stukken uit mijn verleden zijn er nog wel, maar ze voelen niet meer hetzelfde. Wat nu nog overblijft, is misschien iets anders: vergeving voor mijn eigen gedrag van toen.
Ook dat mag nog bevrijd worden.
De eerste stap is dat ik het nu zo duidelijk kan zien.
Misschien is inzicht niet het veranderen van het verleden,
maar het moment waarop je het met zachtere ogen kunt bekijken.
En soms begint vergeving simpelweg met zien.
Manifesteren of afstemmen
14 maart 2026
In het Wereldmuseum begeleidt een vriendelijk meisje ons door het gebouw, omdat er liften uitgeschakeld zijn in verband met verbouwingen. Ze vertelt dat ze heel blij is dat ze in het museum werkt. Ze is afgestudeerd in die richting en dan vooral het organisatorische gedeelte. Nu zit ze achter de balie en helpt ze bezoekers zoals ik.
Het is natuurlijk niet waar ze van droomt, om een soort kassière te zijn bij een museum. Ze wil exposities organiseren. Ze staat lief te lachen terwijl ze dit vertelt. Haar schouders zijn wat naar voren gebogen, verlegen en weifelend.
“Ik weet niet wat ik moet doen,” zegt ze.
Plotseling schiet mij een interview te binnen van een jonge vrouw, 25 jaar oud. Ik vertel dit meisje hierover. Deze jonge vrouw is de jongste museumdirecteur van Nederland bij Villa Mondriaan in Winterswijk. Dit museum staat bekend om het opleiden van jong talent, waarbij stagiairs – vaak met een kunstachtergrond – de rol van junior-directeur vervullen. Hoewel gespecialiseerde ervaring belangrijk is, bleek hier dat passie en toewijding in deze organisaties ook de boventoon kunnen voeren.
“Ik snap dat je misschien achter de kassa bij de Albert Heijn meer zou kunnen verdienen, maar je bent hier op de juiste plek. Als dit je ware passie is, probeer dan in zo’n omgeving te blijven. Je wordt gelukkiger van het leven van je passie dan van het kijken naar wat je verdient.”
Het is altijd bijzonder om in een kort ontmoetingsmoment zo’n betekenisvol gesprek te hebben. Het voelt vervuld.
In de auto terug naar huis dacht ik ineens aan een magazine dat ik had zien liggen in de wachtkamer van de Hartkliniek. Grappig, dat was blijven hangen en gebruikte ik nu vier dagen later in gesprek met dit meisje.
Manifesteren in Flow – creëer het leven dat echt bij je past.
Zou het echt zo zijn dat je je eigen gedachten manifesteert? Dat je in die zin dus je eigen leven kunt creëren? Hoe werkt dat dan? Zou je, als je dit omdenkt, dan ook kunnen zeggen dat je je eigen ellende hebt gecreëerd? Dat klinkt wel heel kort door de bocht, toch?
Manifesteren klinkt bijna als een belofte.
Als je maar hard genoeg visualiseert, je intentie maar sterk genoeg is, dan komt alles wat je je maar wenst vanzelf naar je toe.
Ik denk zelf dat het niet met ‘willen’ te maken heeft, maar met afstemming.
Heb de moed om te voelen wat ten diepste jouw weg, jouw passie is.
Dat is natuurlijk makkelijker gezegd dan gedaan. Hoe doe je dat als je bijvoorbeeld een kunstenaar bent en graag brood op de plank hebt? Niet iedereen wordt beroemd of kan met haar of zijn kunst genoeg geld verdienen om van te leven. Hoe manifesteer je dan je passie, dat wat jou ten diepste beweegt?
Om iets te kunnen manifesteren, moet je denk ik kunnen loslaten. Niet duwen, trekken, willen, hebben of moeten, maar meer een zachte intentie. Een soort uitnodiging. Vertrouwen dat het leven die weg voor je plaveit.
Ik weet dat die weg hobbels heeft, gaten, afslagen waar je in kunt verdwalen. Maar het gaat om vertrouwen en jezelf leren kennen. Wat maakt mij het meest gelukkig?
Schrijf het op, zeg het hardop, gebruik de juiste woorden. Hoe het precies werkt weet ik niet, maar ik geloof wel dat het woord heel belangrijk is in het manifesteren van dat wat je gelukkig maakt.
Ik ben niet religieus, maar heb wel veel gedachtengoed geadopteerd uit de Bijbel. Althans, ik heb er zelf betekenis aan gegeven.
“In het begin was het Woord.”
Deze zin heeft mij altijd gegrepen, omdat ik voel hoe belangrijk dit is. Ik denk dus dat hier inderdaad het begin ligt van manifestatie.
Misschien is het zo dat je voor jezelf een weg kunt manifesteren, en dat wat de bedoeling is zich vanzelf aan je openbaart. Omdat die weg je laat zien wat wel klopt voor jou en wat niet.
Zoals ik het voor mezelf zie, bewandel ik die weg met vertrouwen, op mijn manier, met horten en stoten. Steeds komt er meer inzicht in wie ik ben en waar mijn eerlijke passie ligt.
Ik zou kunnen zeggen dat in iedere stap verder in mijn leven een stukje meer openbaring ligt.
Misschien is manifesteren niet het afdwingen van wat je wilt,
maar het langzaam zichtbaar worden van wat al bij je hoort.
Stap voor stap, woord voor woord,
openbaart de weg zich vanzelf.
In gesprek met mijn droom
13 maart 2026
Vanmorgen schreef ik mijn droom op. Dat doe ik vaker. Een droom opschrijven is voor mij een manier om de beelden vast te leggen voordat ze vervagen.
Maar vandaag gebeurde er iets anders.
De droom bleef niet op papier liggen. Hij bleef de hele dag met me meelopen. Terwijl ik erover nadacht en er vragen over stelde, begonnen er langzaam meer details zichtbaar te worden. Niet omdat ik een verklaring zocht, maar omdat ik merkte dat er in de droom meer structuur zat dan ik in eerste instantie had gezien.
Wat gek was en nu pas tot me doordringt, is dat het grote bijzondere gebouw aan de oever een gebouw is dat ik vaker in mijn dromen zie. Het bestaat niet echt, althans voor zover ik weet niet. In mijn droom had ik geregeld dat we met de hele groep het van binnen konden bezichtigen.
Eén van de eerste dingen die me opviel, was hoe de beweging door het gebouw begon.
In mijn herinnering liep iedereen eerst door één smalle donkere gang. Pas daarna verschenen er zijgangen. Mensen begonnen verschillende richtingen te kiezen, alsof de ruimte zich langzaam openvouwde.
Het gebouw zelf bleek geen gewoon gebouw te zijn. Het voelde meer als een grot. Geen rechte verdiepingen, maar hellingen en ruimtes die in elkaar overliepen. Gangen kruisten elkaar voortdurend, niveaus liepen door elkaar heen. Precies zoals in een echte grot waar water ooit zijn eigen weg heeft gevonden.
En toen begon er nog iets op te vallen.
Het licht verscheen niet ineens in de grote zaal. Het begon al eerder. Hier en daar verschenen organisch gevormde ramen. Door die ramen viel licht naar binnen dat door transparante kleuren ging. Dat licht projecteerde bewegende kleuren op de witte muren, plafonds en vloeren.
Ik realiseerde me dat ik in de droom eigenlijk door een schilderij van licht liep. Ik had geen idee waar ik heen liep. Het was spannend, maar ik was bovenal nieuwsgierig en werd door de schoonheid die ik ervaarde voortgetrokken.
In de grote zaal gebeurde vervolgens iets wat ik bijzonder vond. In deze vriendelijk zachte grot, met een enorme muur van gekleurd glas, scheen het licht als muziek door de ruimte. Het enige wat ik kon doen was ergens zacht tegen een heuveltje aan gaan liggen. Mensen in de ruimte volgden mijn voorbeeld. Niet omdat iemand dat zei, maar omdat de ruimte daar bijna om vroeg. Iedereen keek naar het licht dat door de enorme glaswand naar binnen viel.
Het licht was niet fel zoals zonlicht dat door een raam valt. Het had iets zachts, bijna levends. De kleuren bewogen langzaam over muren en plafond, alsof ze ademden. Even voelde het alsof de ruimte zelf licht was geworden.
Wat me achteraf opviel, was dat mijn aandacht eerst naar het licht ging, daarna naar de kunstwerken en pas daarna naar de mensen die daar lagen. Ik moest denken aan de hemel opent zich voor mij, dit zijn de engelen die muziek maken, dit wordt er dus mee bedoeld….
Misschien zegt dat iets over hoe ik kijk.
Later kwam er nog iets in mijn herinnering naar voren dat ik zelf mooi vond om te zien. In de droom kruisten gangen elkaar voortdurend. En kruisingen hebben voor mij altijd iets bijzonders. Het zijn geen eindpunten van een lijn, maar doorgangen.
In kruisingen voel ik vaak wat ik zelf “bewegende stilte” noem.
Een plek waar beweging heel even samenkomt voordat alles weer verder stroomt.
Misschien is dat ook waarom die grote zaal zo’n indruk maakte. Iedereen kwam vanuit een andere gang en had een eigen route genomen. En toch kwamen ze uiteindelijk in dezelfde ruimte terecht.
Toen we later weer buiten waren en iedereen het terrein ging verkennen, bleef ik nog even bij het water staan.
Vlakbij stond een klimconstructie van staal. Twee jonge mensen begonnen erin te klimmen: een jongen en een meisje.
Terwijl ik naar ze keek, gebeurde er iets vreemds. Ik zag ineens dat het meisje ikzelf was.
Ze had een spijkerbroek aan, een T-shirt, een kapsel zoals ik vroeger had. Ik zag haar bewegen zoals ik vroeger bewoog. Jong, licht, onbevangen.
Zoals het in een droom kan zijn, werd ik het meisje, Annette met Ton daar aan de waterkant, én toeschouwer van de film die mijn droom was.
Op dat moment was ik tegelijk degene die keek, degene die klom en degene die het geheel overzag.
Ik wachtte en bleef kijken tot ze weer beneden was, uit zorg voor de jonge Annette. Ik nam haar en haar vriend mee aan boord van het cruiseschip.
En daarna ging de reis gewoon weer verder in mijn droom, en kon ik weer in het hier en nu zijn.
Later die dag liep ik door het Wereldmuseum en zag ik een regel uit een gedicht:
Leven als een boom, alleen en vrij —
en als een bos in broederschap, dit verlangen is het onze.
Die zin bleef hangen.
Misschien laten dromen soms iets zien wat ik overdag ook herken: dat ieder mens zijn eigen weg loopt, maar dat er af en toe momenten zijn waarop al die verschillende wegen elkaar raken.
En misschien is zo’n zaal van licht precies zo’n moment.
Een plek waar verschillende gangen samenkomen,
waar beweging even stil wordt,
en waar je heel even het geheel kunt ervaren.
En daarna gaat iedereen weer verder.
De droom bleef de hele dag in mijn systeem en in het museum leek, vooral in de zaal van The Art of Poetry, het verhaal en mijn begrip ervan nog iets completer te worden.
De droom sprak niet in woorden.
De woorden kwamen pas later.
Het is de taal van mijn weten — niet de waarheid, maar hoe het voor mij klinkt.
Een droom die nergens op lijkt -
hoe symboliek zichtbaar wordt in dromen
12 maart 2026
Vanochtend werd ik wakker met een droom die ik in eerste instantie eigenlijk nauwelijks durfde op te schrijven.
Zo’n droom waarvan je meteen denkt: wat een idiote droom weer.
Het lijkt nergens op.
Geen logisch verhaal, geen nette volgorde, alleen maar vreemde beelden achter elkaar.
Toch ben ik hem gaan opschrijven.
En dat is altijd een bijzonder moment. Want zodra ik begin te schrijven, gebeurt er iets. De losse beelden — die eerst alleen maar vreemd en onsamenhangend lijken — beginnen zich langzaam te ordenen. Alsof de droom zich pas echt laat zien wanneer hij in woorden komt.
In mijn droom lag een groot schilderij op een tafel. Ongeveer één bij twee meter. Over dat schilderij lag een soort rasterhekwerk van tien centimeter hoog. Daardoor ontstonden tien bij twintig vakjes — in totaal tweehonderd hokjes. In elk hokje stond een figuurtje. Wanneer je zo’n figuurtje eruit haalt, blijft er een vorm achter.
Ik liet een jongen steeds een minuscuul stukje verharde lichaamsvloeistof zien, ongeveer een halve centimeter groot. Op basis daarvan moest hij een figuurtje uit het raster halen, zodat er een vorm zichtbaar werd die ongeveer twintig keer zo groot was.
En ergens in die droom dacht ik ineens:
ja natuurlijk, als je het figuur eruit haalt blijft de vorm over.
Dat zinnetje bleef hangen.
Want eigenlijk is dat precies hoe ik zelfrealisatie aan cursisten uitleg. Een vorm kan bijvoorbeeld jaloezie zijn. Maar die jaloezie verschijnt niet altijd op dezelfde manier. Soms grof en duidelijk, soms subtiel, soms bijna onzichtbaar. Het komt in ontelbare kleuren naar je toe. De ene keer als afgunst, de andere keer als kritiek, als terugtrekken, als ondermijning, als schijnbare onschuld. De verschijningsvormen verschillen, maar de ondertoon blijft dezelfde.
In mijn droom waren die uitingen geen verhalen of gedragingen, maar figuurtjes. Beeldjes bijna. Los van elkaar. Alsof ze niets met elkaar te maken hadden. Maar zodra je ze weghaalt, verschijnt de vorm die eronder ligt.
Dat vind ik achteraf misschien nog wel het meest bijzondere aan deze droom: dat hij iets laat zien wat ik in het dagelijks leven en in mijn werk al lang herken, maar nu in een bijna tastbaar beeld neerzet.
Wat me ook opvalt, is hoe sterk in deze droom het werken met vormen, maatverhoudingen en bijna wiskundige logica aanwezig is. Er zit iets meetbaars in. Een raster. Vakjes. Aantallen. Hoogtes. Verhoudingen. Een minuscuul fragment dat uitvergroot wordt naar iets veel groters. Alsof de droom speelt met de gedachte dat in het kleine al een blauwdruk van het grote aanwezig is.
Ook de getallen vallen me op.
Eén verwijst voor mij naar eenheid.
Twee naar dualiteit.
Dat het schilderij één geheel is, maar bestaat uit tien bij twintig vakjes, vind ik niet toevallig. Tien en twintig zijn geen willekeurige getallen in de beleving van zo’n droom. Tien heeft iets van volledigheid, van een afgeronde reeks. Twintig is verdubbeling, uitbreiding, een beweging naar meer. En samen worden het tweehonderd hokjes: een veelheid aan afzonderlijke vormen binnen één geheel.
Dus enerzijds zie ik een eenheid — het ene schilderij, het ene vlak.
Anderzijds zie ik de verdeeldheid of differentiatie — de veelheid aan vakjes, figuren, variaties.
Ook dat past bij hoe ik vaak naar de mens kijk. De kleuren, de uitingen, de verhalen, de gedragingen zijn eindeloos verschillend. Maar onder die verschillen liggen vaak herkenbare basisvormen.
Daarna verschuift de droom nog verder. Eerst werk ik op een formaat van één bij twee meter. Daarna gaan we naar buiten en doen we in wezen hetzelfde opnieuw, maar dan op een werk van tien bij twintig meter.
Ook dat vind ik opvallend. De droom beweegt van klein naar groot. Van het bijna microscopische naar het monumentale. Van een stukje van een halve centimeter naar vormen die twintig keer groter worden. Van een werk op tafel naar een werk buiten, in de open ruimte.
Alsof de droom zegt: wat je in het klein leert zien, geldt ook in het groot. Wat in een detail zichtbaar wordt, kan ook iets zeggen over het geheel. Wat zich aftekent in een minuscuul fragment, kan een grotere wetmatigheid of ondertoon verraden.
Dat raakt voor mij ook aan schilderen, aan kijken, aan kunst, maar net zo goed aan menselijk gedrag. Een klein detail kan soms de sleutel zijn tot een groter patroon.
In mijn werk noem ik dat wel eens kijken op micro-, meso- en macroniveau.
Het microniveau is het detail: een klein stukje gedrag, een opmerking, een reactie, een fragment van een situatie. Het mesoniveau laat zien hoe dat detail zich herhaalt in relaties en patronen tussen mensen. En op macroniveau zie je hoe dezelfde vorm zich zelfs kan aftekenen in grotere structuren, in groepen, organisaties of in de maatschappij.
In deze droom lijkt dat principe bijna letterlijk zichtbaar te worden. Een minuscuul fragment wordt uitvergroot tot een vorm. Een vorm op een schilderij wordt een patroon op een groot werk buiten. Wat eerst klein en onbeduidend lijkt, blijkt onderdeel van een groter geheel.
En dan doet de droom iets wat dromen vaker doen: ineens verandert alles.
Plots sta ik in een historische binnenstad aan een haven. Daar verschijnen vrienden die al twintig jaar gescheiden zijn, maar van wie ik nog steeds veel houd. Ze zijn mij als verrassing komen opzoeken. Ze hebben een baby bij zich. Op het moment dat ik werkelijk besef dat het Mats en Moni zijn, begin ik te huilen. Ze omhelzen me. En dan word ik wakker.
Ook dat deel van de droom vind ik mooi in zijn eigen logica.
Na al dat werken met vorm, raster, maat, verhouding en structuur komt er ineens iets heel menselijks binnen. Geen schema meer, geen bijna mathematisch beeld, maar ontmoeting. Herkenning. Liefde. Ontroering.
Maar ook het beeld van loslaten betekent geen einde, maar een nieuw begin. Als ik de symboliek bekijk van 2 gescheiden mensen met een baby.
Zoals het gezegde : Je sluit een deur en er gaan weer nieuwe deuren open.
En dan ook nog die baby.
Ook zonder daar direct een vaste betekenis aan te willen geven, valt natuurlijk wel op dat er na al dat kijken naar vormen en patronen opeens een beeld van nieuw leven verschijnt. Iets nieuws. Iets kwetsbaars. Iets dat nog niet is ingevuld, maar gedragen wordt. Dat juist dat aan het einde van de droom verschijnt, samen met mensen van wie ik veel houd, maakt het voor mij een opvallend warm slot.
Misschien is dat ook wat me raakt in deze droom: dat hij begint in iets wat bijna abstract is — vorm, patroon, verhouding — en eindigt in iets wat heel menselijk is: huilen, omhelzen, verrast worden, nieuw leven zien.
Het ene sluit het andere blijkbaar niet uit.
Integendeel.
Hoe langer ik naar deze droom kijk, hoe meer ik zie dat hij verschillende lagen naast elkaar laat bestaan. Iets technisch en iets gevoeligs. Iets bijna wiskundigs en iets heel menselijks. Iets kunstzinnigs en iets relationeels. Iets kleins en iets groots. Eenheid en veelheid. Structuur en ontroering.
Misschien is dat ook precies waarom ik dromen zo interessant vind.
Wanneer ik wakker word, denk ik vaak eerst: wat een onzin allemaal.
Maar zodra ik begin te schrijven, zie ik dat er wel degelijk symboliek en samenhang kan ontstaan. Niet omdat ik die er geforceerd in stop, maar omdat de droom zelf beelden aanreikt die ik zelf op deze manier niet bewust had kunnen verzinnen.
Dromen zijn voor mij soms bijna sprookjes die je niet zelf bedenkt, maar die zich aandienen.
Misschien is dat ook waarom zoveel oude verhalen hun oorsprong hebben in droombeelden. Omdat een droom niet spreekt in keurige redeneringen, maar in beelden die iets aanraken wat ouder is dan logica. Beelden die eerst absurd lijken, maar bij nader inzien toch een eigen orde blijken te hebben.
En misschien is dat ook waarom ik ze blijf opschrijven.
Omdat ik telkens opnieuw zie dat wat eerst nergens op lijkt, bij aandacht toch een vorm blijkt te hebben.
En misschien geldt dat niet alleen voor dromen.
Misschien geldt het ook voor het leven zelf:
de kleuren zijn eindeloos verschillend, de figuren lijken los van elkaar te staan, maar daaronder tekent zich soms een vorm af die verrassend herkenbaar is.
Misschien gebeurt dat niet alleen in dromen.
Misschien gebeurt het ook wanneer we naar het leven zelf kijken.
Eerst zien we losse figuren, gebeurtenissen, mensen, kleuren.
Pas later begint er iets zichtbaar te worden van de vorm eronder.
En soms — heel even — zien we hoe het kleine en het grote, het denken en het voelen,
het patroon en het menselijke elkaar raken.
Misschien is dat wel het moment waarop een droom langzaam wakker wordt.
Een boek dat zichzelf schrijft
11 maart 2026
Vandaag zat ik bijna de hele dag in gesprek. Zo’n gesprek dat nergens echt begint en ook nergens echt eindigt. Het ene onderwerp roept het andere op, zoals wanneer je een wandeling maakt en af en toe stil blijft staan omdat iets je aandacht trekt. Het begon met een eenvoudig idee. Misschien ga ik deze chat gebruiken voor sprookjes. Niet omdat ik al weet wat voor sprookjes dat moeten worden. Misschien oude verhalen uit andere culturen, misschien iets dat gewoon onderweg ontstaat. Ik weet het werkelijk nog niet. En misschien is dat juist een goede manier om te beginnen: niet weten.
Tijdens het praten kwam er ineens een beeld in mij op. Het beeld van een boek. Niet een boek dat je schrijft, maar een boek dat er al ligt. Je slaat het open en ontdekt dat het verhaal zich verder schrijft terwijl je leest. Misschien is het leven eigenlijk ook zo. Je denkt soms dat je het schrijft, maar misschien leef je vooral bladzijde voor bladzijde wat zich aandient.
Het gesprek ging over van alles vandaag. Over hoe mensen vaak zo krampachtig proberen chaos tegen te houden. Als je naar praatprogramma’s en politiek kijkt, zie je dat voortdurend. Het heeft soms iets angstigs, iets geforceerds. Terwijl de geschiedenis juist laat zien dat verandering vaak ontstaat na een periode van chaos. Het lijkt alsof de mensheid af en toe eerst moet struikelen voordat er weer iets nieuws kan groeien. Zelf kan ik me daar niet zo druk over maken. Ik leef nu. En ik ga verder met het leven zolang het er is, in de omstandigheden die zich aandienen.
Het gesprek kwam ook op de dood. Ik zei gisteren nog tegen mijn cardioloog dat ik niet bang ben om dood te gaan. Natuurlijk wil ik zolang ik leef de kwaliteit van mijn leven zo goed mogelijk houden. Maar die kwaliteit wordt voor mij niet alleen bepaald door wat je lichamelijk allemaal kunt. Ik zie genoeg mensen die lichamelijk kerngezond zijn en met wie ik niet zou willen ruilen. Voor mij zit de kwaliteit van leven ergens anders. Het is er eigenlijk altijd. Alleen als ik echt lui ben en nergens mee bezig ben, dan voelt het minder als kwaliteit. Verder ervaar ik eigenlijk altijd een zekere intensiteit van binnen. Ik ben misschien niet druk in mijn bewegingen, maar innerlijk gebeurt er altijd van alles.
Ik sprak ook over yoga. Voor mij is yoga nooit een oefening geweest die je een uurtje op een mat doet. Voor mij is yoga Leven, met een hoofdletter. Het is een manier om je lichaam als instrument te leren kennen. Door je lichaam te leren kennen leer je ook jezelf kennen. Je luistert naar wat er gebeurt, naar waarom je dingen doet zoals je ze doet. Yoga gaat voor mij niet over iets afleren of delen van jezelf weggooien. Je hebt alles nodig wat je bezit als mens. Ook dat ego. Het ego is geen vies ding dat je moet vernietigen. Je kunt het beter leren kennen, het soms omarmen en af en toe ook gewoon een beetje uitlachen.
Op een gegeven moment werd mij gevraagd wat mensen het moeilijkste moeten leren over zichzelf. Daar hoefde ik geen seconde over na te denken.
Geduld.
Bijna alles wat werkelijk groeit heeft tijd nodig. Je kunt het niet forceren. Niet in het lichaam, niet in het leven en niet in jezelf.
Ik sprak ook over een paar momenten uit mijn leven waarin ik ergens in de natuur zat en zo volledig keek en luisterde waardoor ik elk gevoel voor tijd verloor. Kikkers in het water, het licht op het gras, een roofvogel die boven de bomen cirkelt, het zonnetje op mijn gezicht. Ik zit daar en ineens blijkt dat er uren voorbij zijn. Niet omdat ik ergens anders was, maar omdat ik helemaal daar was.
Aan het eind van de dag kwam er nog een gedachte die eigenlijk heel eenvoudig is. Mensen praten vaak over spiritualiteit alsof het iets bijzonders is dat sommige mensen hebben en anderen niet. Maar volgens mij zijn alle mensen spiritueel. Iedereen probeert het leven te begrijpen, iedereen zoekt op zijn eigen manier naar betekenis.
En zo kwam ik weer terug bij dat beeld dat vandaag ineens bij me opkwam. Het boek. Misschien ligt er ergens een boek dat zich langzaam opent. Bladzijde voor bladzijde. Misschien schrijf ik het niet. Misschien leef ik het gewoon.
En misschien,
ergens tussen de regels van vandaag,
begon heel stil het eerste sprookje.
Michel, 73
10 maart 2026
Tien maart is voor mij een bijzondere dag.
Zoals een aantal dagen in het jaar voor mij een diepere betekenis hebben gekregen.
Precies vandaag had ik een afspraak in de hartkliniek. Een nieuwe cardioloog had een aantal voorstellen gedaan waar ik mij niet prettig bij voelde. Ze gaf mij — en zichzelf — zes weken bedenktijd om nog eens goed na te denken over haar plannen.
Ik merkte dat ik opstandig werd. Dan heb ik de neiging mijn hakken in het zand te zetten.
De afgelopen dagen was ik in gedachten al ruzie aan het maken met mijn cardioloog.
Hahaha.
Michel kon dat vroeger thuis ook. Hij kon in zijn hoofd al ruzie hebben met iemand voordat hij die persoon daadwerkelijk sprak. Ik vond dat altijd zo belachelijk.
Hij zei dan:
“Al het gif is eruit voordat ik hem of haar spreek, en dan gaat het altijd goed.”
Misschien zat daar toch wat in. En toen gebeurde er iets grappigs.
De afspraak viel precies op zijn verjaardag.
Dat bracht me op een idee.
Ik stond mezelf toe om het hele weekend in gedachten ruzie te maken, in de hoop vandaag rustig het gesprek aan te kunnen gaan. Wie weet kijkt Michel ergens vanaf een wolk met een glimlach en denkt hij: Zie je wel Netje… het werkt.
En inderdaad. Het werkte.
De cardioloog en ik waren allebei positief gestemd. We hebben in alle redelijkheid afspraken gemaakt. Een beetje geven en nemen van twee kanten.
Met goede uitleg, mensen die weten wat ze doen, wetenschappelijk bezig zijn en een oprechte nieuwsgierigheid hebben, ben ik bereid mee te werken.
Je zou zeggen: je doet toch gewoon wat een specialist zegt?
Nee.
Zo werkt dat voor mij niet. Maar vandaag ben ik content.
En dan terug naar Michel.
Vandaag zou hij drieënzeventig jaar geworden zijn.
Hij werd slechts tweeënzestig.
Michel was wiskundeleraar, dus daarom wil ik vandaag iets over het getal 73 opschrijven.
73 is een bijzonder getal.
Het is het 21e priemgetal.
Het spiegelbeeld, 37, is het 12e priemgetal.
En het spiegelbeeld daarvan, 21, is weer het product van zeven en drie.
In binaire vorm is 73 een palindroom:
1001001.
Van voren naar achteren precies hetzelfde.
In de Bijbelse numerologie symboliseert 73 goddelijk inzicht en spirituele wijsheid, en wijst het naar persoonlijke groei en innerlijke helderheid.
Psalm 73 is een dankgebed. Niet als reactie op een fysieke dreiging, maar op een persoonlijke crisis.
Michel was niet religieus, maar wel spiritueel ingesteld. En hij hield enorm van kennis.
Hij had dit stukje over het getal 73 vast prachtig gevonden — en er waarschijnlijk nog veel meer over verteld.
Ik glimlach als ik eraan denk hoe hij Bijbelteksten kon citeren en wiskundige weetjes wist te koppelen aan tarot of andere symboliek.
Vandaag voelt het goed om hem, na elf jaar, op deze manier te gedenken.
Blij dat hij onderdeel van mijn leven was.
Blij met deze dag.
Herinneringen verdwijnen niet.
Ze veranderen alleen langzaam van pijn
naar een stille glimlach.
Wie meer wil lezen over de periode na zijn overlijden, kan dat vinden in
Herstel
9 maart 2026
Vandaag heb ik volgens mij een keerpunt meegemaakt.
Een kantelpunt.
En ik kan niemand uitleggen hoe gelukkig ik daarmee ben.
Na een val onder de douche op 1 januari 2019 heb ik mijn heup — eigenlijk het heiligbeen — zo ernstig geblesseerd dat zitten, liggen en lopen nauwelijks mogelijk was. De pijn van toen zal ik nooit meer vergeten. Pijnstillers, half opiaten… daar bleek ik niet tegen te kunnen. Het duurde maanden voordat ik weer een beetje pijnloos kon bewegen.
Vanuit mijn aandoening heb ik sowieso 24 uur per dag pijn. Daar ben ik inmiddels aan gewend geraakt. Dat klinkt misschien vreemd, maar zo werkt het.
Na ongeveer een half jaar werd het weer wat normaler, maar er bleef een duidelijke instabiliteit. Bij een verkeerde draai of ongecontroleerde beweging kon ik weer weken of zelfs maanden teruggeworpen worden. Door die immobiliteit begon mijn gewicht langzaam toe te nemen, wat het geheel alleen maar verder in een neerwaartse spiraal bracht.
Afgelopen vrijdag viel ik opnieuw.
Tijdens het werken aan mijn schilderij ging ik plat achterover op de grond. Een harde klap. Meteen felle pijn in mijn knie, knieholte en enkel. En een soort verlamming waardoor lopen eigenlijk geen optie meer was.
Mijn training moest ik afzeggen. Daar baalde ik eerlijk gezegd behoorlijk van.
De twee dagen daarna bracht ik vooral door op bed. Lezen, schrijven, televisie kijken. Mentaal eigenlijk behoorlijk actief.
Na de eerste nacht voelde ik me al redelijk goed. Mijn been was stijf en buigen lukte nog niet, maar wat me vooral opviel was iets anders: ik was niet in een soort algehele malaise terechtgekomen. Dat was in het verleden bijna automatisch gebeurd.
Na de tweede nacht kon ik weer lopen. Nog voorzichtig, en buigen ging alleen stap voor stap tot aan de pijn. Maar het ging.
Vandaag besloot ik naar de E-Gym te gaan. Met een beetje zenuwen, dat wel.
Ik had mezelf voorgenomen dat ik me nergens druk over zou maken. Als het te zwaar of te pijnlijk zou zijn, dan zou ik gewoon doen wat mogelijk was en weer langzaam opbouwen.
Die instelling voelde echt.
Vandaag stond er ook weer een krachtmeting gepland. Ik was op van alles voorbereid, maar niet op wat er gebeurde. Het ging geweldig. Zonder pijn.
Dit is één van de grootste doorbraken sinds die val in 2019. Normaal gesproken zou ik na zo’n klap weer maanden teruggeworpen worden. Nu waren twee dagen rust blijkbaar genoeg.
En toen besefte ik het.
Mijn grootste winst is niet dat de kilo’s er nog aan zitten.
Mijn grootste winst is dat het herstelvermogen van mijn lichaam is veranderd.
Mijn lichaam herstelt.
Dit is het echte antwoord op mijn welbevinden.
En dit zeg ik niet snel, maar vandaag zeg ik het wel:
Ik ben ontzettend trots op mezelf.
Misschien is dit wat herstel werkelijk betekent.
Niet dat het lichaam nooit meer valt,
maar dat het leert weer op te staan.
God's Fool
8 maart 2026
Er was eens een clown. Die clown was ik.
Ik heb haar geschilderd: kleurig, transparant, grappig — maar met een grote traan op haar gezicht. Dat schilderij heb ik veertig jaar geleden weggegeven. Het was wie ik was. Een beeld van mezelf zoals ik mijzelf zag.
Het was een copingmechanisme: overal de humor van inzien. Met grappen en grollen mijn pijn verbergen. Het was een diep innerlijk en heel kwetsbaar stukje van mijzelf.
In vertrouwen vertelde ik dit aan iemand. Ik gaf letterlijk mijn ziel bloot.
Vervolgens vertelde deze persoon het publiekelijk aan een hele groep mensen, alsof zij zelf mij zo zag. Misschien gaf het haar een vrijbrief om er openlijk over te praten nadat ik haar in vertrouwen had genomen.
De schok om mijn eigen woorden door de mond van een ander terug te horen — alsof het haar woorden waren — ben ik nooit vergeten.
Voelde ik me verraden? Voelde ik schaamte? Hoe wordt er eigenlijk naar een clown gekeken?
Vandaag las ik een verhaal over Franciscus van Assisi. Vroeger had je aan het hof vaak een nar. Waarom, zou je denken?
Omdat er dingen zijn die de zogenaamde wijze mensen niet begrijpen. Hun slimheid en spitsvondigheid kunnen hun geest sluiten. Een dwaas of een nar kon en durfde alles te zeggen, omdat hij niet bang was voor de consequenties.
In de dwaas schuilt een wijze. En in de wijze schuilt een dwaas.
Ik weet niet of men toen al zulke psychologische gedachten had, maar het bracht wel balans.
Na zijn verlichting werd Franciscus van Assisi Saint Francis, en hij noemde zichzelf: “God’s Fool.”
Dat brengt mij bij de gedachte dat wanneer een mens serieus is en verantwoordelijkheid draagt, dat mooi is. Maar alleen wanneer diezelfde mens ook om zichzelf kan lachen, kan relativeren en een kinderlijke vrijheid en verwondering kan behouden.
Wanneer dat in jezelf naast elkaar kan bestaan, is dat misschien wel de weg naar bewustzijn.
Wanneer ik terugkijk naar die schok rond de clown in mij, zie ik een heel kwetsbaar kind. Ik werd diep gekwetst toen dat kind door een ander werd blootgesteld.
Maar nu kan eindelijk het ongedwongen kind — de dwaas die nergens bang voor is — een plek krijgen in mijn leven.
Vrijmoedig. Onbevangen. Frank en vrij. Meester worden van het leven.
Misschien is de dwaas niet degene die niets begrijpt.
Misschien is het degene die eindelijk durft te zijn wie hij is.
Power of Stillness 2
7 maart 2026
Dit werk is ontstaan na mijn CVA. Niet als plan, maar als proces.
Ik begon met goud.
Gewoon omdat dat de eerste laag moest zijn. Het goud dat alles in zich draagt — licht, levenskracht, iets wat blijft en er altijd is. Soms weet je het dat er is, en soms of zelfs vaak schijn je dit te vergeten.
Daaroverheen liet ik kleur stromen: lichtblauw, lila, magenta en wit. Het zijn specifiek voor mij de kleuren van bewustwording. De verf vond zijn eigen weg. Soms vormden zich clusters, bijna als cellen. Soms brak het open. Het goud begon door de lagen heen te eten en liet breuklijnen zien die ik niet gepland had.
Ik stuur dat niet. Ik kijk wat er gebeurt.
In die lijnen herkende ik iets van mijn eigen leven. De scheuren die ontstaan wanneer het leven breekt of kantelt. Het doet mij denken aan Kintsugi: niet repareren om te verbergen, maar laten zien waar het gebroken is — omdat juist daar een nieuwe schoonheid ontstaat.
Daarna kwam een volgende laag van denken en voelen. Cirkels. Een vorm die voor mij staat voor heelheid, eenheid, gelijkwaardigheid, natuurlijk, eerlijk.
Niet geschilderd, maar als een nieuwe dimensie boven het werk geplaatst. Transparant plexiglas dat licht vangt en verandert met de kijkhoek. Alsof je door een andere bril kijkt. Dezelfde werkelijkheid, maar verdiept.
Onderaan kwam iets aards. Ruwe wol. Van het schaap. Geverfd in dezelfde kleuren als het schilderij. Het zachte, het tastbare, het leven dat ook gewoon grond nodig heeft.
En toen kwam de vraag: kan dit doek het dragen?
Net als een mens soms een ruggengraat nodig heeft om verder te kunnen, moest ook het werk worden verstevigd. Aan de achterkant kreeg het meer kracht. Daarna begon het bouwen: boren, bevestigen, afstand maken tussen de lagen. Houten kralen werden kleine dragers van die ruimte, als planeten in ons melkwegstelsel, onderdeel van het universum net als jij en ik.
Het proces was technisch. Maar het was ook een metafoor.
Over hoe een mens groeit. Niet door iets nieuws toe te voegen, maar door dieper te worden in wat al aanwezig is. De vorm blijft, maar de kleuren veranderen.
Voor mij gaat dit werk over zachtheid. Eerst naar mezelf. En pas daarna naar de wereld.
In die verstilling zit kracht.
Power of Stillness
De vorm was er altijd al.
Alleen het licht veranderde.
En in dat nieuwe licht
werd zichtbaar
wat al die tijd
heel was.
Power of Stillness
6 maart 2026
De laatste loodjes wegen het zwaarst, zegt men. Helaas was dat vandaag wel het geval. Mijn schilderij is uiteindelijk af, maar het heeft wel wat teweeggebracht.
Door onoplettendheid ben ik heel hard gevallen. Mijn linkerknie verdraaid, een pimpelpaarse, dikke pijnlijke enkel. En plat achterover gevallen. Even afkloppen — gek genoeg voel ik mijn heupen nog niet, terwijl dat toch al jaren een zwakke plek voor mij is. Het was echt een enorme klap.
Nu zit ik op mijn bed dit stukje te schrijven, met veel pijn.
Toch kan ik me vergissen, maar heb ik het idee dat ik er niet zo slecht aan toe zal zijn als de afgelopen jaren. Door mijn dagelijkse training heb ik denk ik meer kracht in mijn lichaam gekregen om hier, net als een gezond mens, van te herstellen. Zo voelt het althans. Misschien is het wishful thinking. Maar er is toch iets anders in mij.
Mijn man vroeg mij daarnet of ik een wijntje wilde drinken als toast op het voltooien van mijn werkstuk.
Na twee wijntjes ben ik nu tipsy. Ik ben niet gewend om alcohol te drinken. Het is dus ook spannend hoe ik dit blogstukje verder afschrijf. Als er iets misgaat, komt dat doordat ik me laat meeslepen door mijn stemming, in plaats van aandacht te houden bij mijn eigen handelingen. Mijn helderheid lijkt op dit moment wat vertroebeld.
Mijn schilderij, mijn werkstuk, is af. Het is mijn eigen creatie. Het is het resultaat van jarenlang mezelf zijn, tot op dit moment. Er zijn veel dingen die ik heb gedaan, en ook veel waarvan ik denk dat ze beter hadden gekund. Maar ik kan en wil die controle niet behouden. Ik moet het loslaten.
Mijn geest is creatief. Creatief met gedachten.
Door mijzelf en mijn werk te observeren zie ik lichtblauw/lila licht — de kleuren van mijn spirituele ontwaken. Ik zie transparante en frostachtige cirkels die verfijnen of verzachten. Ik zie rust, stilte en beweging. Het goud dat tussen scheuren omhoogkomt. Het symboliseert de schoonheid van verlies, mislukking en pijn.
Het leven voelt soms als chaos, maar is in feite een bijna wiskundig patroon waarin wij bewegen en waarop we mogen vertrouwen. Ik denk dan aan kwantumfysica en ben ervan overtuigd dat zelfs dat nog een dimensie verder gaat.
Wat ik kan doen, is een kosmische beweging neerzetten met aardse precisie en inleving.
Het werken aan Power of Stillness haalt alle aspecten naar boven die ik op dit moment ben.
In de staart toch nog even over mijn grens — door te vallen, te gillen naar mijn man en me nu, na twee wijntjes, een beetje dronken te voelen.
Waarvan ben ik dronken?
Van het vrijlaten van mijn diepste bewegingen?
Van de flow die mij meer dan een week overnam?
Van het blootgeven van transparantie?
Of simpelweg van vermoeidheid?
Misschien is voltooiing altijd een beetje duizelig.
Omdat iets wat lang in je leefde,
nu eindelijk de wereld in mag.
Onderhoud en verlossend
4 maart 2026
Vanmorgen werd ik wakker met een woord dat was blijven hangen uit een nacht vol dromen: verlossend. Niet verlossing, maar verlossend. Dat verschil werd zelfs in de droom gecorrigeerd. “Nee,” werd er gezegd toen ik het woord verlossing dacht. Niet een eindpunt, maar een werking. Niet iets dat bereikt wordt, maar iets dat ruimte maakt terwijl het leven gewoon doorgaat.
De nacht ervoor was er ook al een woord gebleven: onderhoud. Ik had het niet opgeschreven. Ik was moe en ging vroeg naar bed. Maar toen ik er vanmorgen aan dacht, leek het alsof die twee woorden elkaar opvolgden. Eerst onderhoud, daarna iets verlossends. Alsof een systeem eerst zorg en aandacht vraagt voordat er weer beweging kan ontstaan.
Het voelde niet groots of spectaculair. Eerder als zachte nuchterheid. Rust. Bewegende stilte.
Bewegende stilte — zo voelt het eigenlijk het beste. Niet stilstand, maar ook geen onrust. Een stroom die beweegt zonder lawaai te maken.
En ergens in die rust kwam het woord ether voorbij. Niet als een gedachte waarover nagedacht moest worden, maar als een helder weten. Ruimte en verbinding tegelijk. Want ruimte ís verbinding. Zonder ruimte verstikt verbinding. Zonder verbinding wordt ruimte leeg.
Misschien is dat ook waarom mijn dromen de laatste tijd steeds minder beelden nodig hebben. Soms blijft er alleen een woord over. En dat is genoeg.
Ik werd klaarwakker, haalde mijn kralen los en begon aan de dag.
Misschien is dat wel wat verlossend betekent. Niet dat alles opgelost is, maar dat er genoeg ruimte ontstaat om weer te bewegen.
Dat was precies wat er ook gebeurde: bewegen.
Eerst trainen om daarna verder te gaan met mijn schilderij. Althans, dat was in eerste instantie mijn plan. Ton was met de auto naar de garage en ik begon alvast met het voorboren van de kralen die ik gemaakt had. Buiten was het zonnig. Ik ontdekte dat ik nog schroeven nodig had en bedacht dat ik die wel op de fiets kon halen bij een bouwmarkt tien kilometer verderop. Lekker buiten. Frisse lucht, wind, zon — perfect.
Het leek me een gezonde manier om even afstand te nemen van mijn creatie.
Na 26 kilometer fietsen kwamen we weer thuis, met schroeven, maar toch best vermoeid. Na een uurtje rusten begon ik verder te werken aan het schilderij. Het is leuk, spannend, maar ook een hele intensieve klus.
Op het moment dat ik mijn spieren weer begon te voelen, besloot ik dat er morgen ook weer een dag is. Ik kan gewoon stoppen.
Een verlossende gedachte.
En een beter onderhoud van mijzelf dan dat ik tot nu toe van mezelf gewend ben.
Ga ik het dan toch leren?
Deze verantwoordelijkheid, vrijheid en liefde voor mezelf?
Het zien is genoeg
3 maart 2026
“Hallo, we konden uw pakket niet afleveren op uw adres.
Nieuwe afleverlocatie: THE LORD SERVICE 2 OUDE VEER PAPENDRECHT, 3353 GS.”
Ik ben gewoon thuis. Niemand belt aan. En dan krijg ik deze mail. Dit gebeurt zo vaak. Daar heb ik me in het verleden echt kwaad over gemaakt. Klachten ingediend enzovoort. Ze hebben geen zin om langs te komen, maar gaan liever direct naar een afleverpunt. Dan heeft de chauffeur eerder vrij. Begrijpelijk, het is lekker weer.
Het afhaalpunt heeft, als ik pech heb, hetzelfde probleem: niet meteen verwerken, want men wil zo snel mogelijk op een terrasje zitten. Dus met een beetje geluk morgen.
Sa Ta Na Ma. Adem in, adem uit.
Ik voel irritatie — praktisch, want het is gewoon niet waar.
Maar ook een oude lading. Vroeger werd ik hier echt kwaad om. Nu niet meer. Ik zie het mechanisme. Ik relativeer het zelfs, omdat ik ook de menselijke kant zie.
Vroeger was dit zo’n moment waarop mijn rechtvaardigheidsgevoel vol aanging. Het onzichtbaar zijn. Niet serieus genomen worden. Niet aanbellen.
Dat raakt iets ouds bij mij.
Mijn zenuwstelsel blijft nu rustig.
In mijn zelfrealisatiecursus probeerde ik met mensen altijd de vorm te vinden — niet de kleur, maar dat ene containerbegrip dat hun leven min of meer bepaalt. Zodra ze dat ene woord hebben, gaan ze ook de duizenden kleuren herkennen waarin het verschijnt.
Wat er bij mij onder ligt, is dat ik allergisch ben voor iedere vorm van manipulatie.
Ook wat UPS nu doet, is een vorm van manipulatie.
De vorm heet manipulatie.
De kleur kan duizenden verschillende uitingen hebben.
In the end is het containerbegrip: MANIPULATIE.
Mijn jeugd stond er bol van.
Mijn lichaam herkent het onmiddellijk. Het gaat hier niet om het pakketje dat niet netjes wordt afgeleverd. De woorden in de mail kloppen niet met het gedrag. De waarheid wordt verschoven, waardoor verantwoordelijkheid wordt ontkend. Daarmee wordt mijn intuïtie ondermijnd.
Daar ben ik allergisch voor.
Mijn zenuwstelsel herkent het patroon nog vóór mijn hoofd het analyseert. Dat raakt me — merk ik steeds weer. Er wordt een werkelijkheid gecreëerd die niet klopt. En dat is precies wat manipulatie doet.
Het bijzondere is dat ik het nog steeds direct fysiek signaleer, maar er niet meer boos om word. Ik kan nu beter het onderscheid maken tussen hun gedrag en mijn werkelijkheid. Het zien is genoeg. Dat geeft al rust.
Door dit soort kleine gebeurtenissen — die wel het containerbegrip bevatten dat mijn leven tot nu toe mede heeft bepaald — kan ik een verschuiving waarnemen in mijn reactie.
De vorm zal altijd een thema blijven.
Steeds meer kleuren zal ik herkennen en erkennen.
Mijn reactie zal steeds meer tot rust en acceptatie komen.
Daar zit mijn innerlijke groei.
Wat niet klopt, herken ik.
Wat ik herken, hoef ik niet meer te bestrijden.
Zien is soms al bevrijding.
Millimeterwerk
2 maart 2026
Na twee dagen weer veel op mijn bed te hebben doorgebracht, kon ik vanmorgen vroeg weer gaan trainen. Uren achter elkaar schilderen was toch net te veel geweest. Minder dan normaal, omdat ik wel op tijd naar bed was gegaan. Toch moet ik meer rustpauzes nemen — al is het maar mijn timer ieder uur laten afgaan, zodat ik een kwartiertje rust neem.
Mijn langzame revalidatie na het CVA is me gelukt, dus deze afspraak vanaf nu vasthouden tijdens het werken is iets wat ik kan — en gewoon moet doen.
Voor mijn creatie had ik houten latten, schroeven, nieuwe boortjes en een werkplank nodig.
Ton kwam op het idee om bij de zagerij te vragen naar houtafval. Daar zou ik zelf niet aan denken, maar waarom niet? Bij de zagerij krijgt hij een plank mee die in de afvalbak ligt. Er wordt wel bij gezegd dat het eigenlijk niet mag.
Bij de kassa vertelt Ton eerlijk hoe hij aan die plank komt. De dame in kwestie, flink van formaat, gaat met haar benen wijd, handen in haar zij, borst en kin vooruit gestoken voor hem staan en zegt heel stuurs en bars:
“Dat mag niet! Breng die plank terug.”
Ton probeert nog op vriendelijke wijze iets te zeggen. Ze luistert niet, blijft in die aanvallende houding staan en herhaalt onverbiddelijk:
“Het mag niet!”
Ton loopt rustig terug naar de zagerij. Ik ga om een hoekje staan wachten. Een plek waar ik deze dame niet meer kan zien. Toch blijf ik dit onaardige gedrag in mijn lichaam voelen. Later zelfs in de auto is dat gevoel nog niet weg.
“Waarom blijf ik dit soort dingen toch altijd zo lang voelen?” zeg ik tegen Ton.
Ik snap niet waarom mensen zo doen. Ik hou er niet van.
Is dat wat ik me echt afvraag? Of ben ik gewoon boos?
Tja, ik weet het niet.
Met een onbestendig gevoel rijden we naar een andere bouwmarkt. Zodra we binnenkomen hoor ik een kassamedewerkster vrolijk praten. We lopen naar de zagerij achter in de winkel. Een medewerker zegt:
“O ja hoor, achterin staat een grote bak. Kijk maar of er iets bij zit.”
Zó vriendelijk.
De dame bij de kassa is blij voor ons dat we een geschikte plank hebben gevonden. Ik vertel haar dat haar vrolijke humeur en klantvriendelijkheid mijn dag weer goed hebben gemaakt.
Via de supermarkt gaan we naar huis. Voor de supermarkt zegt Ton: “Zet de auto maar even hier neer, ik ben zo terug.”
Terwijl ik daar sta, komt er een enorme vrachtwagen aan. Hij rijdt op mij af en zet me expres vast. Een jonge chauffeur zet zijn groot licht aan en blijft rustig zitten wachten. Ik moet vreemde manoeuvres maken om ertussenuit te komen. Millimeterwerk. Half over een hoge stoep.
Ik rijd een rondje en vind een ander plekje. Dan zie ik dat hij zijn vrachtwagen gewoon naar achter zet. Dus inderdaad: pesterij.
Gelukkig was de vrolijkheid van de kassamedewerkster blijven hangen en kon ik glimlachen om deze pesterij.
Thuisgekomen ben ik direct aan de slag gegaan met zagen en boren. Een uurtje — en toen verstandig gestopt.
Mijn plan om nog even langs mijn zus in het ziekenhuis te gaan, heb ik laten varen. Morgen is er weer een dag.
Normaal zou ik alles wat ik in gedachten heb direct uitvoeren zodra ik naast mijn bed sta. Nu moet ik keuzes maken en mijn energie verstandiger verdelen.
Het lukte vandaag.
Maar… nog veel te leren in dat opzicht.
Wat mij raakt, mag er zijn.
Wat mij uitput, mag wachten.
Wat ontstaat, mag er zijn
1 maart 2026
Ik weet nooit precies wat ik ga maken.
Ik begin.
Een eerste laag goud en zilver. Ik weet dat het acryl “opeet”. Hoe precies, dat weet ik niet. Dat heb ik ooit per ongeluk ontdekt. Vrijwel alles wat ik kan, heb ik zo geleerd — door te doen. Niet via handleidingen, maar via nieuwsgierigheid.
Als iets anders uitpakt dan ik verwacht, noem ik dat geen mislukking. Ik ga ermee verder. Ik heb nog nooit iets weggegooid omdat het “niet goed” was. Soms zet ik een werk weg in mijn atelier. Jaren later is het er ineens weer. Alsof het op mij heeft gewacht.
Dit schilderij begon te eten. Het goud kroop in de breuken, de bovenlaag trok open. Ik kon ernaar blijven kijken terwijl het droogde. Dat moment vind ik altijd magisch. Ik doe niets, en toch gebeurt er van alles. Het materiaal werkt door.
Ik werd er zó blij van. Echt blij. Niet trots in de zin van: kijk mij eens. Maar gelukkig. Tevreden. Iedere stap voelde goed. Alsof ik luisterde naar iets in mij dat precies wist wat er moest gebeuren.
Ik besef dat ik in het gewone leven misschien niet altijd genoeg zelfrespect heb gehad. Dat ik me aanpaste, inslikte, me inhield. Maar zodra ik creëer, gebeurt dat niet. Daar is geen twijfel. Daar is geen onderhandeling. Wat ontstaat, mag er zijn.
Ik vind nooit iets lelijk van wat ik zelf maak. Zelfs het wespennest niet. Omdat het altijd eerlijk is. Het is een stap in een proces. En iedere stap klopt op dat moment.
Nu zie ik al voor me wat de volgende toevoeging wordt. Het krijgt een extra dimensie. Licht én schaduw. Ik moet nog bellen met technici om te vragen hoe ik met het materiaal moet omgaan. In mijn hoofd is het beeld rond. Maar ik weet uit ervaring dat het tijdens het maken altijd verandert. En meestal wordt het beter dan wat ik vooraf kon bedenken.
Dat is misschien wel het mooiste van alles.
Ik ben gewoon blij en gelukkig met wat ik maak.
En dat is genoeg.
In het maken ben ik niet kleiner.
Daar is geen twijfel, geen oordeel, geen onderhandeling.
Daar luister ik.
En wat ik hoor, krijgt vorm.
Het toverstokje is niet nodig.
28 februari 2026
Er vroeg iemand aan mij:
“Als je nu met een toverspreuk direct genezen zou zijn, zou je dat willen?”
Die vraag had ik mezelf nog nooit gesteld. Het is wel interessant. Want op momenten dat ik het zwaar heb, denk ik vaak aan hoe het zou zijn om gewoon te lopen. Of hoe het leven zou voelen zonder pijn. Maar zo — point blank voor de keuze staan om ineens gezond te zijn?
Toen ik er dieper over nadacht, dacht ik: wat krijg ik ervoor terug?
Zou ik dan nog steeds zo’n doorzetter zijn?
Zou ik nog steeds op zoek gaan naar manieren om het leven meer leefbaar te maken?
Zou het mijn creativiteit ten goede komen?
Zou ik op mijn manier naar mensen blijven kijken?
Zou bij een gezonde Annette het HALO-effect in werking treden?
Is dat iets om blij mee te zijn?
Zou ik willen zijn zoals mijn gezonde vriendinnen?
Al die vragen vlogen door mijn hoofd.
Heeft mijn handicap mij niet gemaakt tot wie ik nu ben?
Heel sterk heb ik het gevoel dat ik tevreden kan en mag zijn met wie ik ben.
Sommige mensen lopen littekens op in het leven. Sommigen worden ermee geboren. Een enkeling lijkt een soort vrijbrief te hebben en komt weinig pijn of verdriet tegen.
Ik ben ook gezegend doordat de stormen die ik tegenkwam niet direct werden gevoeld als onoverkomelijke obstakels.
Door de vraag voelde ik me ineens licht als een vlinder.
Ik dacht aan een vlinder die uit haar cocon kruipt. Ze moet hard werken om eruit te komen, zodat ze daarna sterk genoeg is om te vliegen. Help je de vlinder sneller uit haar cocon, dan is ze niet krachtig genoeg. Ze vliegt misschien een rondje en daalt neer om direct te sterven.
In feite geldt dat ook voor mensen.
Misschien klinkt dit wat dramatisch, maar in die zin ben ik met geluk geboren. Geen gouden lepel, maar een krachtig begin — met de mogelijkheid mentaal sterk te worden om alle elementen aan te kunnen.
Kortom: het toverstokje is niet nodig.
De magie leeft in mij.
Geen toverspreuk.
Alleen leven.
Dat al magie blijkt te zijn
Blauwe plekken van gras
27 februari 2026
“Waar je aandacht aan besteedt, dat is je leven…” lees ik in een tijdschrift.
Jeetje. Dat is nogal een statement. In mijn geval betekent dat dat mijn leven veel kleurrijker is dan je op het eerste gezicht zou denken.
Wat men aan de buitenkant van mij kan zien:
Ik sta op, schrijf mijn droom op als ik die nog weet. Wassen, eten, trainen. Thuis zijn met slecht weer. Schrijven, schilderen. Met goed weer fietsen of wandelen met de hondjes. Zo nu en dan een bezoek aan een museum.
Aan de binnenkant:
Hoor en zie ik veel voorbijgaan. Mijn associatieve geheugen staat altijd in een soort overdrive. Ik kijk veel films en series. Iedere dag heb ik wel iets gehoord of gezien dat blijft hangen.
Het geeft mijn invulling van het leven veel kleur. Door mijn nieuwsgierigheid zoek ik ook veel op — om te begrijpen waar het echt over gaat of gewoon om meer te weten te komen.
Vanaf mijn vierentwintigste ben ik al 100% afgekeurd. Toch zijn mijn dagen altijd gevuld en verveel ik me werkelijk nooit. Gedrag van mensen, natuur, kunst, wetenschap — noem maar op. Je kunt het zo gek niet bedenken of het interesseert me.
Later op de dag kwam ik het gedicht van Jeong Ho-Seung tegen. Dat wil ik graag delen:
—
Ook gras heeft zijn blauwe plekken.
Bloemblaadjes hebben ook hun blauwe plekken.
Lopend over een veld waar ik vroeger met jou meeliep,
ga ik zitten en kijk naar de veranderende avondkleuren
terwijl grasbladeren, bezaaid met blauwe plekken, met hun handen zwaaien.
Het zijn de bloemblaadjes met veel blauwe plekken
die de zoetste geur hebben.
—
Wat een mooi beeld om de pijn en kwetsbaarheid van het leven zo te verwoorden. De schoonheid van de natuur — die ik zelf ook vaak als metafoor gebruik. De zoete geur die vrijkomt uit gekneusde blaadjes. De innerlijke rijkdom die je door tegenslag kunt vinden.
De grassprieten zwaaien in de wind, ondanks hun gekneusde toppen. Zo mooi hoe hier veerkracht en acceptatie worden beschreven. Het laat ook zien dat wij mensen allemaal pijnen en littekens met ons meedragen. Daarin kunnen we verbondenheid vinden door te communiceren. Ieder grassprietje is uniek en tegelijk een grassprietje als ieder ander.
De rust om gewoon een gekneusd grassprietje te zijn, brengt me dichter bij de essentie.
Voor mij is de essentie heel klein in zijn grootsheid.
Wat gekneusd is, ademt nog steeds.
En soms ruikt het zelfs zoeter.
Vriendschap
26 februari 2026
Op de radio hoor ik een interview met iemand die in het theater staat met een onderwerp van deze tijd.
Hij vertelt dat hij tijdens de coronaperiode online aan het gamen was. Daar ontmoette hij een jongen in Noorwegen met wie hij vervolgens intensief online contact kreeg. Hij ervaart dit als een echte vriendschap. Daarom heeft hij een theaterstuk geschreven rond dit thema.
Daarnaast heeft hij een vriend met wie hij één keer per week gaat squashen, daarna een biertje drinkt en bijpraat. Voor hem doet de ene vriendschap niet onder voor de andere. In beide gevallen is er verbinding. In beide gevallen is er uitwisseling van persoonlijke gedachten en gebeurtenissen.
Goh, denk ik. Dat is interessant.
Het brengt mij terug naar mijn moeder, die ooit brieven schreef naar mijn vader in Nederlands-Indië. Na zijn overlijden heeft ze die brieven vernietigd. Ze bevatten een intimiteit die alleen voor hen was en voor niemand anders.
Ik denk ook aan het verhaal van mijn zus, die lange tijd uitsluitend via brieven contact had met haar huidige man. Ze werden verliefd zonder fysiek contact. Hoe intiem zij die brieven moet hebben ervaren.
Waarom zou een online vriendschap niet binnen datzelfde kader geplaatst mogen worden?
Mag je spreken van online versus het echte leven?
Dat zou tekortdoen aan online communicatie, alsof die niet tot het echte leven behoort.
Misschien is het thema van dat theaterstuk inderdaad: online versus in persoon.
Wat zijn de verschillen?
In persoon — je ruikt iemand. Je ziet iemand. Niet alleen het uiterlijk, maar hoe iemand beweegt, hoe iemand aanwezig is.
Online — geen optische ruis. Meer focus. Misschien daardoor juist meer verdieping.
Zou het kunnen dat wanneer een zintuig wegvalt, een ander zintuig zich versterkt? Of zelfs iets als een zesde zintuig? Zoals je soms ziet bij mensen met een beperking, waar het ene gemis een ander vermogen verdiept.
Ik vind dit omdenken, zoals bij Loesje, verfrissend.
Met de energie van de training nog in mijn lijf en het gesprek op de radio in mijn hoofd, kan ik mijn dag met goede moed voortzetten.
Misschien bestaat echte nabijheid niet uit afstand of nabijheid,
maar uit aandacht.
Of je nu tegenover elkaar zit
of duizenden kilometers van elkaar verwijderd bent —
waar woorden landen
en stilte wordt gedeeld,
daar leeft vriendschap.
Bevrijdend zelfrespect
25 februari 2026
Mijn lichaam reageert op een zin die ik hoor:
Mannen vechten het hardst als ze verwaarloosd zijn door hun moeder.
Zo werkt het bij mij: ik zie iets en kan dat beeld altijd weer oproepen. Of ik hoor iets en het blijft dicht in mijn bewustzijn hangen. Soms kom ik het thema later in mijn leven weer tegen. Soms zegt het op het moment zelf iets. Het eerste wat ik doe, is het mezelf afvragen: waarom blijft dit hangen?
Komen er direct aanwijzingen? Kan ik er meteen iets mee? Blijven die uit, dan kan het geparkeerd worden. Het zal zich aandienen op het moment dat het nodig is. Dat kan variëren van een dag tot jaren. Uiteindelijk valt het vanzelf als een puzzelstukje op zijn plaats.
Deze zin brengt me direct bij mijn broers. Bij het gezin. Waar struikel ik over?
De stereotyperingen ervaar ik als problematisch omdat ze gedrag koppelen aan geslacht én één oorzaak aanwijzen. Menselijk gedrag is zelden mono-causaal. Hechting, temperament, cultuur, opvoedstijl, genetica, sociale positie — alles speelt mee. Deze quote is krachtig omdat hij beeldend is, niet omdat hij volledig is.
Verwaarlozing beïnvloedt toch ieder kind? De één gaat vechten, domineren, in competitie. De ander trekt zich terug, past zich aan, of wordt perfectionist. Weer een ander ontwikkelt hyperverantwoordelijkheid of empathische overgevoeligheid.
Wat gebeurt er met mensen die te veel liefde en bescherming ontvangen? Kan dat niet leiden tot angst om te falen of tot sterke afhankelijkheid? Of juist tot rebellie om zich autonoom te voelen? Is het niet zo dat te veel bescherming net zo beperkend kan zijn als te weinig zorg? Het is subtieler, denk ik.
Betekent het dat de twee uitersten ook tegengestelde karakters vormen? Of is het niet zo eenduidig als een gezegde doet suggereren?
Blijft de kernvraag voor iedereen niet gewoon: Ben ik veilig als ik mezelf ben?
Schuilt er niet altijd iets in een quote, een spreekwoord of een gezegde? Maar is het niet te kort door de bocht? Is het niet meer kijken door een lens dan kijken naar het hele landschap?
Wordt een quote niet soms gebruikt om je erachter te verschuilen? Om geen verantwoordelijkheid te hoeven nemen?
Mijn gedachten gaan naar mijn vader. Hij was bijna aan elkaar geplakt met spreekwoorden en gezegden. Waarschijnlijk zit daar mijn weerstand wanneer ik zo’n duiding hoor.
Mijn vader nam geen verantwoordelijkheid voor de misstanden van mijn moeder. Hij zag het wel, beaamde het zelfs, maar was niet van plan het te corrigeren, ertegen in opstand te komen of ons kinderen te helpen.
Ik voel geen verdriet, maar ik vind het wel jammer dat hij tijdens zijn leven daar niet meer uit heeft gehaald. Geen moed heeft opgevat. Dat is van hem, niet van mij.
Steeds meer begin ik mijn subtiele weerstanden te ontdekken. Dat is mooi.
Vanmorgen voelde ik op een andere manier dat ik niet altijd degene hoef te zijn die een stap zet in de richting van anderen om interesse in mij op te wekken. Wil iemand mijn dromen of blog lezen, dan kunnen ze mijn website in hun mobiel zetten. Ik stop met faciliteren. Ik stop met dragen. Ik stop met aanpassen.
Het voelt bevrijdend. Het heeft te maken met prioriteit. Hoeveel heb of voel ik die voor mezelf?
Dit is een kleine verschuiving met enorme innerlijke impact. Tranen springen in mijn ogen terwijl ik dit opschrijf. Niet uit verdriet, maar uit bevrijdend zelfrespect.
Wat ik niet meer draag,
valt niet uiteen.
Het valt terug waar het hoort.
Niets moet. Alles kan.
24 februari 2026
De afgelopen maanden was ik intens bezig met trainen, fitter worden, het schrijven van mijn dromen en mijn blog. Een aantal keren vlogen er ideeën door me heen om iets te gaan schilderen of maken. Maar ik zag bij mezelf geen antwoord of actie om dit ook daadwerkelijk tot uitdrukking te brengen.
Vandaag kwam daar verandering in. Hoe zal ik het zeggen? Het kriebelt. Maar de flow is er nog niet helemaal.
Voorheen sloot ik mezelf op in mijn atelier als de flow kwam. Dan ging ik als in een trance werken. Ik liet gebeuren wat er uit mij kwam en ging desnoods dag en nacht door. Het was prima als iemand wat eten of drinken bracht, maar ik raakte geïrriteerd als die persoon met me wilde praten.
Als ik klaar was, stortte ik meestal volledig in en moest ik vaak weken bijkomen van zo’n creatieve uitspatting.
Tot nu toe bestond mijn leven uit hollen of stilstaan. Op het moment dat ik me goed voelde, haalde ik er alles uit alsof het mijn laatste momenten in dit leven waren. Daarna volgde een totale breakdown — ziek in bed — om weer tot stilstand te komen.
Er is altijd een acceptatie geweest dat het voor mij zo ging. Zo wil ik leven, en de mensen om mij heen moeten dat ook accepteren. Immers, ik ben allang blij dat ik er nog ben.
Na mijn CVA — dat uiteindelijk haast meer impact heeft gehad op mij dan de neurologische aandoening die ik al mijn hele leven heb — ben ik hierin veranderd.
Door de revalidatie in het eerste half jaar kon ik niet met brute kracht en uithoudingsvermogen mezelf verbeteren. Deze weg vroeg om geduld, beleid en eerlijke afstemming. Geen doorzettingsvermogen, maar veerkracht. Geen verharding, maar zachtheid. Geen bestemming, maar afstemming.
Nooit eerder had ik het idee of de noodzaak om iets gereduceerd of langzaam aan te pakken. Nu moest het wel. En het bracht me tot een nieuw inzicht.
Wil ik oud worden? JA.
Dan zal ik mijn energie rustig moeten verdelen. Grenzen opzoeken is niet meer nodig. Is het te zwaar? Stoppen. Op een ander moment verder. Luisteren naar mijn lichaam — het geeft snel weerstand aan.
Dit doe ik nu al een jaar op die manier. Ik voel me rustig. Bevrijd van al het ‘moeten’. Van alle stress die ik mezelf heb opgelegd.
Tegenwoordig doe ik het anders. Ik werk niet meer in mijn atelier, maar in de woonkamer. Daar is veel licht en blijft mijn werk gevoelsmatig onderdeel van het leven. Het kan dan letterlijk tot mij blijven spreken. Nu probeer ik gewoon naar bed te gaan en erop te vertrouwen dat de flow niet verdwijnt. Op deze manier put ik mezelf niet meer uit.
De tafels staan in de woonkamer. Het canvas, foam, wol en verf wachten op me.
Niets moet. Alles kan.
Wat een heerlijk rustig gevoel.
Wat langzaam groeit, wortelt dieper.
Wat niet wordt geforceerd, blijft.
Showing Up in een mysterieus leven
23 februari 2026
Op Netflix keek ik naar The Last Words of Eric Dane. Een knappe, atletische acteur die afgelopen donderdag 19 februari is overleden aan ALS, drieënvijftig jaar oud.
Het mysterie van leven in een pure uiterlijke vorm. Waarom overkomt een gezond, succesvol mens dit? Zoals iedereen wel in zijn omgeving iets heeft meegemaakt of gezien. Een kind, een vitaal persoon, ineens ziek, verongelukt en overleden. Hoe is het mogelijk? Waarom? Wat is hiervan de bedoeling? Is er wel een bedoeling? Kortom, het leven is mysterieus.
Ik schrijf nu vanuit de herinnering aan het kijken naar dit interview. Zo wordt voor mij ook duidelijk wat ervan bij mij specifiek is blijven hangen.
Een aantal dingen zijn mij opgevallen…
-
Hij spreekt over de discrepantie tussen zijn innerlijke wereld en zijn uiterlijke wereld. Hoe hij een gevoelig, sensitief mens is met veel onzekerheden; hij heeft het gevoel nooit genoeg te zijn geweest. De buitenwereld ziet hem als deze knappe man, een mooie en succesvolle acteur. Dat heeft altijd geschuurd. Hij kijkt ook terug op een alcohol- en drugsprobleem.
-
Zijn vader heeft zelf een eind aan zijn leven gemaakt toen hij zeven jaar oud was. Zijn moeder was jong en kon de impact op haar zoon niet inschatten of invoelen. Hij werd opgevoed door zijn oma, van wie hij veel hield, maar die een paar maanden later ook overleed. Volgens Dane verdwijnt een trauma nooit helemaal, omdat het zich op cellulair niveau inkapselt. Je kunt ermee leren omgaan, dat is alles.
-
Hij heeft zich nooit echt kunnen openen naar mensen, maar deze ziekte heeft hem zachter, opener en meer beschikbaar gemaakt.
-
Al het uiterlijke en het meedoen wordt langzaam weggehaald. Het enige wat overblijft is de persoon die hij zelf is.
De interviewer reageert hierop door te zeggen:
Dus het is letterlijk gekanteld — van innerlijk dicht en buiten open, naar innerlijk open en buiten gesloten.
Mooi gezegd, want zo zie ik dit ook: een transformatie in de materie voordat de transformatie naar het onstoffelijke zich aandient.
Op de vraag wat een goede vader is, of een goed mens, zegt Dane: “Showing up.”
Wow. Dat is zo waar. Er zijn op momenten die belangrijk zijn voor je geliefden. Er zijn voor je vrienden, door gewoon te komen.
Het bracht mij even terug naar mijn ouders, die nooit kwamen kijken bij een sportwedstrijd, een uitvoering of iets anders wat wij als kinderen deden. Zij kwamen zelfs niet naar diploma-uitreikingen. Helemaal niets.
Als je mij vraagt of het een trauma is, moet ik eerlijk zeggen dat ik dat zo niet ervaren heb. Het was voor ons kinderen gewoon.
Ik vraag mij wel af of ik dit zelf genoeg heb gedaan bij mijn kinderen. Er zijn als het nodig is. Ik geloof wel dat ik naar uitvoeringen en diploma-uitreikingen ging, jazeker. Langsgaan bij vrienden doe ik weinig. Maar er zijn als het nodig is — dat wel.
In ieder geval vond ik “Showing up” een raak antwoord.
Na mijn CVA is er in mij ook veel veranderd. Ik ben er nog. En ik hoop nog lang op deze aardkloot te blijven rondhuppelen.
Waarom de één ziek wordt en de ander niet, weten we niet. Of daar een bedoeling in zit, blijft een open vraag. Maar ik zie wel dat ziek zijn iets kan kantelen. Dat het lagen wegneemt. Dat het iemand dichter bij zichzelf kan brengen.
Misschien is dat het enige wat we kunnen doen in de tijd die ons gegeven is — verschijnen.
Showing up.
Gewoon komen. Er zijn.
In dit onverklaarbare, mysterieuze leven.
Wat wordt afgenomen, legt soms bloot wat al aanwezig was.
Een mens zonder versiering.
Een hart dat eindelijk durft te verschijnen.
Mijn innerlijke architectuur
22 februari 2026
Mijn innerlijke architectuur gaat niet over muren en daken, maar over hoe ruimte, kleur en leven zich in mij vormen. Huizen kijken is voor mij geen afwijking, maar een manier van zijn.
Al zolang ik me kan herinneren kijk ik bij makelaars naar huizen. In Nederland, in het buitenland, aan bosranden, met grote ruimtes en diepe tuinen. Het liefst met een stukje eigen bosgrond. Ik weet vaak precies wat er te koop staat. Niet omdat ik ontevreden ben met waar ik woon. Integendeel. Ik ben altijd blij om thuis te zijn. Ik zeg het ook vaak hardop: “Wat een fijn huis hebben we toch.” Ton moet daar altijd om lachen. Hij weet hoe belangrijk mijn eigen ruimte voor me is. En hij is onderdeel van die ruimte.
Toch kijk ik. Nieuwsgierig. Hoopvol. Niet om te bezitten, maar om te voelen. Hoe valt het licht? Waar zou mijn werk hangen? Hoe zou de vloer lopen? Wat wil dit huis? Ik leg niets op, ik stem af. Eerst het huis, dan pas de bank. Eerst de ruimte, dan pas de kleur. Mijn huidige huis is turquoise en groen, met marmoleum Asian Tiger onder mijn voeten. Beschut. Als een plek in het bos midden in de chaos. Het draagt me. Het reguleert me. Ik heb geleerd elke plek waar ik leef van mij te maken, groot of klein. Opgeruimde rommel. Alles heeft een plek, maar je mag zien dat er geleefd wordt.
En toch vormt zich langzaam een ander beeld. Zachtgele muren. Licht. Een orangerie. Mijn schilderijen en teksten samen. Een muur waar bezoekers mogen schrijven of schilderen als ze dat willen. Het hoeft niet, het mag. Stevige trappen zodat je je positie kunt kiezen. Hoog, laag, dichtbij, op afstand. Geen galerie, maar een veld. Welkom. Rust. Bewegende stilte.
Ik merk dat mijn pad niet van vorm verandert, maar van kleur. Van bosgroen naar geel. Van beschutting naar openheid. Niet omdat mijn leven nu tekortschiet, maar omdat het rijpt. Ik droom zonder dat mijn huidige bestaan wordt afgewezen. Als het ooit werkelijkheid wordt, prachtig. Zo niet, dan blijf ik schilderen en schrijven zoals ik eet en slaap. Het is dagelijkse hygiëne van lichaam en geest.
Misschien is dat mijn innerlijke architectuur. Ik bouw geen muren om mezelf te beschermen, maar ruimtes waarin ik kan ademen. En als ik fiets en een huis zie, begint mijn fantasie al met inrichten. Niet uit gemis, maar uit levenslust. Sommige mensen lopen kledingzaken binnen. Ik loop makelaars binnen. Zij vragen: wat past mij? Ik vraag: waar pas ik?
Misschien zijn mijn dromen geen bedrog en geen letterlijke waarheid, maar richting. Een organisch beeld dat zich vormt zonder haast. Ik hoef niets te forceren. Ik luister. En als iets klopt, weet ik het. KLARO.
Welke kleur heeft jouw innerlijke architectuur? En leef je al in een beschutte plek — of ben je toe aan licht?
Wat bouw ik werkelijk wanneer ik naar huizen kijk?
Is het een droom van stenen — of van ruimte in mijzelf?
Wanneer wordt beschutting licht?
En durf ik te vertrouwen dat mijn innerlijke architectuur mij altijd thuis brengt?
Trix, een waterval en een stad vol dieren – Naturalis en Zootropolis 2
21 februari 2026
Gisteren bezochten we het Naturalis Biodiversity Center in Leiden met onze kleindochters. In de grote zaal stond Trix, de bijna complete Tyrannosaurus rex die daar geen ingewikkelde Latijnse naam draagt maar gewoon Trix heet. De meisjes waren eerst nog wat druk, maar zodra we binnenkwamen gebeurde er iets. Hoge plafonds, botten die groter waren dan hun hele lijf, tijd die ineens geen getal meer was maar een ruimte waar je onder kon staan.
“Dit is het meest indrukwekkend,” zeiden ze zonder overleg.
Ik vroeg waarom.
Omdat ze bijna helemaal compleet is.
Omdat je haar echt kunt zien.
En omdat ze een naam heeft.
Dat laatste bleef bij mij hangen. Een skelet is oud, ver weg, miljoenen jaren verdwenen. Maar geef het een naam en het wordt iemand. Iets waar je je toe kunt verhouden. Iets dat blijft.
Een stad vol dieren
Vandaag zaten we in de bioscoop bij Zootropolis 2. Een stad vol dieren die allemaal anders zijn. Groot, klein, roofdier, prooi, snel, voorzichtig. In de auto vroeg ik waar de film eigenlijk over ging. Ze zochten naar woorden. Ik hielp een beetje.
Over verschillen.
Over dat anders zijn niet betekent dat je gevaarlijk bent.
Dat je niet automatisch gelijk hebt omdat jij jij bent.
Dat een ander perspectief je wereld groter kan maken in plaats van kleiner.
Ze luisterden, keken uit het raam, in gedachten. Het was geen groot gesprek. Gewoon een rustig heen en weer bewegen van gedachten.
Een jungle met een waterval
Thuis gingen ze schilderen met mijn spullen. Verf op hun handen, kwasten in hun vingers, schorten die eigenlijk te groot zijn.
Eén noemde haar schilderij Mini Jungle. In het midden valt een waterval. Geen dun lijntje, maar een stevige lichte stroom die van boven naar beneden loopt. Je ziet de penseelstrepen als water. Aan weerszijden donkere wanden, onderaan felgroen gras. Een luipaard zit vooraan en kijkt. Een aap hangt, vogels vliegen. Alles leeft. De waterval verdeelt de jungle niet, hij stroomt erdoorheen.
De ander schilderde een Tropische zonsondergang. Een enorme gele zon die half in het water zakt, een lucht van paars en rood die niet voorzichtig is, vogels in de verte, een palm die zwart afsteekt tegen de kleur. Het is groot, bijna filmisch. Ze geven hun wereld een naam en daarmee wordt het van hen.
Terwijl ik daar zit en kijk, zie ik de lijn tussen gisteren en vandaag.
Trix kreeg een naam en werd iemand in plaats van een soort.
In de film leerden dieren elkaar niet te reduceren tot hokjes.
Aan mijn tafel mengen kleuren zich zonder angst.
En midden in een jungle valt water.
Beweging tussen donker en licht.
Ik hoef er niets van te maken. Het is genoeg om het te zien. Misschien is dat wat ik het liefst doorgeef: ruimte waarin verschillen mogen bestaan, waarin iets een naam krijgt en daardoor dichterbij komt, waarin een waterval gewoon mag stromen zonder dat iemand zegt dat hij de jungle in tweeën deelt.
Als ik eerlijk ben, voel ik daar iets warms bij. Geen grote trots, geen opvoedkundige overwinning. Gewoon dankbaarheid dat ik erbij mag zitten terwijl hun werelden ontstaan.
Trix kreeg een naam.
Een jungle kreeg een waterval.
Een zonsondergang kreeg kleur die niet bang was voor paars naast rood.
Misschien is dat alles wat we doen.
Elkaar niet kleiner maken dan we zijn.
Niet reduceren tot soort, rol of verschil.
Aan mijn tafel stroomt water door verf.
En ik zit erbij.
En kijk.
Balsem – Over Naturalis, fossielen en verwondering
20 februari 2026
Ton en ik bezochten met twee kleinkinderen Naturalis in Leiden. Het museumgebouw zelf is al een belevenis…Rood/oranje grove natuurstenen blokken, met een rand waarschijnlijk gegoten uit beton maar met mallen zoals je in kleding van Iris van Herpen tegenkomt. Golvend, reliëf, als van fossielen. Ramen in gelijkmatige organische vormen als een honingraat of een amandelvorm uit Mandelbrot. De parkeergarage met twee grote halve bollen als een facetoog van een insect.
Blij verrast ben ik nog voordat ik het museum van binnen heb gezien. Binnen in de hal blijken deze ramen een enorm atrium te vormen dat veel licht binnenlaat. Het is erg druk, veel ouders met kinderen. Duidelijk schoolvakantie. Toch ademt dit museum licht en ruimte.
In de eerste zaal ‘Leven’ kom je een grote verscheidenheid aan dieren tegen. Van zeedieren naar landdieren, vogels, insecten — biodiversiteit. In deze zaal kon ik al direct voelen dat ik van deze enorme verscheidenheid deel uitmaak. Ik voel dat ik onderdeel ben van dit organische systeem. Het maakt me direct nederig.
De volgende zaal ‘De Aarde’ laat je voelen hoe nietig wij eigenlijk zijn. De aarde is 4,6 miljard jaar oud en blijft in beweging. Krachten van vulkanen, aardbevingen, tektonische platen. Ja, ik voelde me oprecht ondergedompeld en meegenomen door dit museum.
Zalen gewijd aan de IJstijd, aan de verleiding (hoe dieren flirten, paren enz.), aan de vroege mens. Deze zaal bevatte slechts één oermens; de rest was ooit in de VOC-periode opgegraven in Indonesië en is teruggegeven aan het land van herkomst. Het doet me goed om dit zo duidelijk en groot beschreven te zien. Ook dat er daardoor een donkere zwarte zaal is ontstaan, als equivalent van de donkere periode die de gekoloniseerde landen hebben ervaren. Ik weet niet of iedereen dit zo zou vertalen, maar ik voelde dit op die manier.
Toen gingen we naar de ‘Dinotijd’-zaal. Oh my God, wat was dit indrukwekkend. De bekende T-Rex, de waanzinnig grote Triceratops en nog veel meer, 66 tot 240 miljoen jaar oud. Een schildpad van 145 miljoen jaar oud, zoals we die nu nog kennen. Ik zei tegen mijn kleindochter: “Wij moeten als mens toch wel heel veel respect hebben voor soorten die hier al zo ontzettend veel langer bewegen dan wij.” In deze zaal voelde ik ontzag en plaatsvervangende schaamte voor de arrogantie van de mensheid. Het gevoel dat we over de aarde en haar universum nog maar zo weinig echt afweten.
De laatste zaal die we bezochten was ‘De Dood’. In het ‘doolhof van de dood’ ontdek je hoe dood en leven uiteindelijk samenkomen. Mooi verwoord en in mijn ogen zo waar dat de dood letterlijk leven doet. Want in de kringloop van de natuur horen ze allebei thuis. Heel mooi dat er een zaal is over de dood in een museum over ál het leven.
Ton ging in de eerste plaats mee om een fijne opa te zijn, maar niet per se om naar dit museum te willen gaan. Hij was ook aangenaam verrast en onder de indruk van hoe mooi, interessant en goed samengesteld dit museum is.
Het was als balsem voor mijn ziel.
Te midden van botten, stenen en miljoenen jaren
vond ik geen zwaarte
maar ruimte.
Ik ben klein —
en precies daardoor
hoor ik erbij.
Vrijheid in Liefde
19 februari 2026
Vanavond bleef een zin uit een Koreaanse serie hangen:
Pain is the proof of life.
Pain lives inside us.
Having someone next to you to share your pain with, reduces your pain.
Ik dacht meteen: het leven begint met pijn. Geboorte is geen zachte entree. De eerste adem is een schok. De eerste beweging is scheiding. Misschien hoort pijn niet alleen bij het einde van het leven, maar ook bij het begin.
In die serie ging het over pijn delen. Over iemand naast je hebben. Over elkaars pijn herkennen. Ik merkte dat dat voor mij geen vanzelfsprekend terrein is. Getroost worden accepteer ik niet makkelijk. Iemand troosten vind ik ingewikkeld. Als het te veel wordt — te intens, te dichtbij — dan voelt het benauwend. Dan komt er afweer. Dan wil ik ruimte. Ik bepaal graag zelf mijn mogelijkheden.
Tijdens het eten vertelde ik Ton dat ik soms mijn vriendin mis, die bijna twee jaar geleden is overleden. Ik heb twee “besties”, nu nog één. Ik vertelde ook over mijn schoonmoeder, die haar drie beste vriendinnen verloor en daarna letterlijk zei niet meer te willen leven. Een paar maanden later was ze er niet meer. Misschien bereid ik me altijd voor op alleen zijn. Dat klinkt hard. Maar zo voelt het niet. Het is eerder een vorm van autonomie. Een manier om te blijven staan, wat er ook gebeurt.
In datzelfde gesprek werd me duidelijk wat mij werkelijk benauwt: niet liefde, maar paniek. Wanneer er iets met mij gebeurt en de ander raakt ontregeld, dan voel ik spanning. Ik wil naast iemand staan die blijft staan. Niet iemand die omvalt als ik kwetsbaar ben.
En toen gebeurde er iets bijzonders. Toen het woord Vrijheid in Liefde viel, kwam er plotseling een schilderij in mij terug. Veertig jaar oud. Ik weet niet waar het is — misschien in de berging. Maar het beeld was helder. Een zacht lichtblauwe achtergrond, bijna lila. Als kabbelende golfjes. Twee derde van het doek werd ingenomen door een kelk, transparant als glas of kristal. Uit die kelk kwamen gouden stralen als veren, en ook stralen in alle kleuren van de regenboog. In de kelk vielen drie tranen terug — twee kleine en één grote. Het was een zacht schilderij. Dat weet ik nog. Geen explosie. Geen drama. Geen muur. Een kelk.
Misschien wist ik toen al wat ik nu opnieuw ontdek: pijn hoort bij leven. Maar pijn hoeft niet tot ontregeling te leiden. De tranen vielen niet weg. Ze verdwenen niet in de grond. Ze werden opgenomen. Terug in de kelk. Misschien is dat voor mij liefde. Niet versmelting. Niet afhankelijkheid. Maar vrijheid in verbondenheid. Zacht kunnen zijn zonder jezelf te verliezen. Kwetsbaar kunnen zijn zonder dat de ander instort. Misschien is mijn weten altijd helder geweest. Maar weten heeft verdiepingen nodig. En mildheid. En misschien is zachter worden geen verlies van vrijheid, maar de diepste vorm ervan.
Misschien begint het leven met pijn.
Misschien eindigt het er ook mee.
Maar daartussenin
mag een kelk bestaan
die alles opvangt —
zonder te breken.
Bedding
18 februari 2026
Het zijn geen grote gebeurtenissen vandaag. Geen drama’s. Gewoon het alledaagse leven dat zich ontvouwt. En toch zit er van alles in.
Op de E-gym loopt een jongen van zestien stage. Sport- en Bewegingscoördinator in opleiding. Hij is vooral goed in praten — luid praten. Sommige mensen ergeren zich aan hem. Ik zie vooral een jong mens die nog moet leren hoe je je afstemt op een ruimte die niet alleen van jou is.
Vandaag verkondigt hij met een stevige stem zijn politieke mening. Klimaatdoelen zijn onzin. China en Amerika vervuilen het meest. Waarom zou hij veranderen als anderen dat niet doen? Hij noemt de Partij voor de Dieren “achterlijk”.
Ik vraag hem rustig of verantwoordelijkheid misschien niet begint bij jezelf. Niet bij wat anderen nalaten. Hij vuurt meteen nieuwe argumenten af. Tot je zeventigste werken — wanneer kan je dan genieten van je leven ?
“Misschien moet je daar niet op wachten,” zeg ik, “maar nu al beginnen met genieten.”
Hij kijkt me aan. “U denkt zeker: hij is nog jong.” Ik lach. “Dat denk ik inderdaad.”
Hij blijft achter me aan lopen. Waarschuwt me dat ik niet te veel moet doen. Dat het slecht voor me is. Zijn stem wordt harder. “Ik kan u verzekeren dat u niet goed bezig bent.”
Op dat moment komt een fysiotherapeut aangesneld. Ze kijkt bezorgd hoe ik reageer. “Ik ga dit nu niet uitleggen,” zeg ik vriendelijk. Ze knikt opgelucht.
Het blijft me bij hoe weinig het me raakt. Niet omdat ik het niet hoor, maar omdat ik het niet hoef te dragen.
Later belt mijn zoon. Verwarring over een verzekering. Frankrijk, Nederland, online werken, eisen van haar Franse werkgever. De irritatie sluipt tussen hem en zijn vriendin in. Ik stel vragen. Probeer de kern helder te krijgen. Het blijft onduidelijk. Ik geef hem het nummer van mijn verzekeraar. Even later belt hij terug — zelfs daar snappen ze het niet. We lachen. Ik hak de knoop door en zeg welke verzekering hij moet afsluiten. Opgelucht.
En Ton… al maanden in gesprek met de Belastingdienst voor zijn zoon. Brieven naar verschillende steden, telefoongesprekken met telkens andere uitkomsten. Ik hoor zijn stem stroever worden terwijl de dame aan de andere kant alleen herhaalt wat haar scherm zegt. Niet bereid verder te kijken dan het protocol.
Na het gesprek kijkt hij geagiteerd naar mij. “Heb je gehoord hoe dit ging?”
Ja. Ik heb het gehoord.
En wat ik vooral hoor, is hoe anders ik tegenwoordig reageer. De jongen met zijn stellige uitspraken. Mijn zoon in verwarring. Ton in frustratie. Het komt binnen, maar het slaat niet meer vast.
Misschien is dat wat ouder worden doet. Of wat doorleven doet. Ik hoef niet te corrigeren. Niet te overtuigen. Niet te winnen. Ik mag gewoon aanwezig zijn.
Wat een gezegend mens ben ik dan. Niet omdat het leven eenvoudig is — maar omdat ik niet meer mee hoef te kantelen met iedere beweging om mij heen.
Bedding is geen muur.
Het is ruimte waarin alles mag bewegen.
Zonder dat ik mezelf verlies.
En dat is genoeg.
Beeldvorming
17 februari 2026
Hoe ouder ik word, hoe vaker ik me afvraag hoe reëel mijn herinneringen eigenlijk zijn.
Een gesprek met mijn zoon over hoe hij mijn functioneren vroeger heeft ervaren, zette iets in beweging. Niet dramatisch. Wel eerlijk.
Mijn zus en ik hebben ons hele volwassen leven veel contact gehad. Toch blijken onze herinneringen soms totaal verschillend. Zij weet zich dingen te herinneren die bij mij verdwenen zijn. En andersom net zo.
Mijn jongste dochter wil voorlopig geen contact, omdat zij zich niet gezien voelt in haar pijn.
Ton — die ik al bijna vijftig jaar ken — ziet en beleeft sommige dingen anders dan ik.
En toch weet ik één ding zeker: we zijn allemaal mensen met de beste intenties.
Hoe kunnen herinneringen dan zo uiteenlopen?
Ik denk dat beeldvorming ontstaat uit een samenspel van bewuste en onbewuste processen. Situaties waarin je terechtkomt. Conditioneringen — zelfs binnen één gezin totaal verschillend. Ervaringen, meningen, media, tijdsgeest. Niemand maakt exact hetzelfde mee.
Onze unieke beeldvorming bepaalt hoe wij de werkelijkheid zien — en hoe wij ons gedragen. Soms kan iets niet landen omdat je er nog niet aan toe bent. Soms landt het juist diep bij de ander en laat het sporen na. Dat maakt niet dat de één liegt en de ander de waarheid spreekt. Het zijn verschillende waarheden, gevormd vanuit verschillende binnenwerelden.
Mijn onderliggende levensfilosofie is altijd hetzelfde gebleven. Volwassener geworden, maar constant in de kern.
Mijn gedrag niet altijd. Vanuit fysieke en mentale pijn kon ik scherp zijn. Hard in woorden. En in die scherpte heb ik mensen geraakt — soms te hard. Dat zie ik nu helderder. Het was nooit mijn intentie om pijn te doen. Maar intentie en impact zijn niet hetzelfde.
We zijn mensen. Geconditioneerd, geactiveerd, reagerend.
Voor mij verliep het proces in stappen.
- Eerst het begrijpen.
- Daarna het doorleven van de pijn — dat duurde het langst.
- En nu het integreren.
Niet meer als beeld dat mij definieert. Maar als kennis die ik draag. Dat is de fase waarin ik nu leef. En onder alles voel ik nog steeds dezelfde stroom: onvoorwaardelijke liefde voor de mensen om mij heen.
Niet perfect. Niet zonder fouten. Maar wel echt.
Misschien is waarheid geen vaststaand beeld,
maar een verzameling van binnenwerelden die elkaar raken.
Wat wij herinnering noemen, is vaak een lens.
En liefde begint waar we elkaars lens niet meer willen breken.
Bewegen
16 februari 2026
In een wereld die vecht tegen obesitas zie je aan de andere kant sportscholen als paddenstoelen uit de grond schieten. Beweging is gezond — niet alleen fysiek, ook mentaal werkt het door.
Voor mij is bewegen altijd zwaar geweest. Op zijn minst moeizaam. Mijn lichaam is ingeprent op energie sparen, zodat ik op cruciale momenten — boodschappen kan doen, een afspraak halen — überhaupt kan lopen. Zolang er geen extra aandoening tussendoor komt — griep, kneuzing, gebroken meniscus, tachycardie of CVA — blijft mijn gezondheid stabiel. Maar energie over om écht te bewegen was er niet. Met als gevolg: twintig kilo erbij.
Eind december 2025 verdwenen voor het eerst alle extra klachten. Er kwam ruimte. Sindsdien ga ik iedere ochtend — behalve zondag — naar de E-gym. Ik voel me fysiek en mentaal beter. De weegschaal stijgt eerst, omdat spieren zich ontwikkelen voordat vet verbrandt. Mijn lichaam wordt strakker, mijn figuur verandert zichtbaar. Mijn algemene welbevinden gaat van een 7 naar een 9. De wereld voelt rustiger.
Ik werk aan mijn lichaam zonder mezelf over de kop te werken. Het proces herken ik van veertig jaar geleden, toen ik begon met dagelijkse kundalini yoga. Zenuwen die prikken en sidderen door mijn lijf. Voor gezonde mensen een alarmsignaal. Voor mij een teken dat er iets tot leven probeert te komen. Niet bang zijn. Erdoorheen durven gaan.
Daarna komt het “elastiekgevoel”. Alsof je een slappe pop bent die als een plumpudding in elkaar kan zakken. Dat gebeurt niet, maar zo voelt het. Onwennig. Onveilig. Spieren die zich melden. Gezonde mensen voelen dat snel. Bij mij duurt het maanden van dagelijks trainen voordat ik merk dat er werkelijk iets veranderd is. Dan verdwijnt het slappe elastiek. Dan begint het echte werk — trainen alsof je een gezond lichaam hebt. Op dat punt ben ik nu. Zo blij.
Ton is ziek. Normaal doet hij de boodschappen. Nu stonden er een paar dingen op de lijst en ik ging ze zonder enige weerstand halen. Buiten breekt een stortbui los, hagelstenen kletteren naar beneden. Binnen seconden ben ik doorweekt.
En ik… ik ben dolgelukkig.
De vrijheid in mijn lichaam. De rust in mijn hoofd. Het voelt als hemel op aarde. Dat de elementen er een extra dimensie aan toevoegen, laat alleen maar zien hoe diep dit gevoel geworteld is.
Thuis slapen Ton, de hondjes en de kat. Ik zit in de stilte. En ik voel hoe alle cellen in mijn lichaam, en alle atomen om mij heen, zacht meebewegen.
In het leven bestaat stilte.
Maar geen stilstand.
Beweging is geen snelheid.
Het is toestemming om te leven.
Zelfs in hagel, zelfs in moeizaamheid.
En juist daar voel ik vrijheid.
Een dag die zichzelf regelde
15 februari 2026
Het voelde als een dag der dagen, al wist ik dat pas achteraf. Ik werd wakker in stilte. Behaaglijk. Ik keek op mijn horloge: 10.00 uur. Klokslag tien op een zondagochtend. Dat alleen al voelde als een kleine zegen. Meteen opstappen om mijn droom op te schrijven — want het was er één met lagen, veel lagen, dacht ik nog.
In de woonkamer zat Ton zijn temperatuur te meten. Verhoging. Rillerig. Zijn lip wat opgezet. We herkenden het. De afgelopen week had ik ook steeds lichte koorts gehad, zonder echt ziek te zijn. Op het nieuws noemen ze het griep. Mijn man noemt dit geen griep. Dat mag.
Ik ga achter mijn laptop zitten om mijn droom op te schrijven. Weg. Alles weg. Zo jammer.
We zeggen een afspraak bij vrienden af. Mijn warme bed lonkt nog steeds, dus ik ga nog even liggen. Misschien komt de droom terug. Nee. Na een uur sta ik toch maar op. Dan schrijf ik wel op wat ik nog weet. Laptop open. Zwart. Opstarten. Zwart. Oplader checken. Snoeren los. Nog eens proberen. Zwart. Oh my God. Gecrasht?
Ton zit tegenover me. Hij is niet fit, maar kijkt scherp naar mijn reactie. Begrijpelijk. Na een jaar van emotionele stormen is hij nog niet gewend aan mijn rust. Ik bel mijn dochter. Ze leest me stappen voor. Die heb ik al gedaan. “Misschien is hij leeg, mam. Laad hem op en kijk over een uurtje.” Dat klinkt logisch.
Terug naar bed. Hondjes erbij. Serietje aan. Geen onrust. Geen paniek. Geen gevoel van offline zijn. Het is opvallend hoe het letterlijk uit mijn systeem is. Ton kruipt ook in bed en slaapt meteen. Uren later appt mijn dochter of hij het alweer doet. Ik was het vergeten. Nog eens proberen. Nog steeds zwart.
“Gebruik dan de laptop van Ton,” zegt ze. Vroeger had ik alles in het werk gesteld om weer online te zijn. Nu denk ik: het is zondag. Morgen train ik eerst. Buiten wordt de wereld steeds witter. Het blijft sneeuwen. De tijd kiest zijn tijd.
’s Avonds probeer ik het nog één keer. En daar is hij. Alsof hij een dag afstand van mij nodig had. Twaalf uur stilte. En nu weer aan.
Was dit een dag der dagen? Ja. Niet omdat alles misging, maar omdat niets geforceerd hoefde te worden. Omdat ik niets hoefde te fixen. Omdat zelfs uitval zich mocht uitrusten.
Wat wegvalt, mag soms wegvallen.
Wat terugkomt, doet dat op zijn eigen moment.
Ik hoef niets vast te houden om verbonden te blijven.
Zelfs stilte werkt voor mij — niet tegen mij.
Vrijheid
14 februari 2026
Door de aannames die ik vaak hoor over mijn aandoening, dwalen mijn gedachten vanzelf naar filosofische overwegingen. Wat betekent iets eigenlijk? Voor mij — en voor een ander?
Het woord. Hoe wordt een woord gebruikt? Welk gewicht hang je eraan? Verandert dat de betekenis — of maakt het haar juist zwaarder?
Vandaag gaat het over één woord: vrijheid.
Als ik eraan denk, is mijn eerste associatie: vrij kunnen bewegen. Gezonde mensen staan daar zelden bij stil. Voor hen is bewegen vanzelfsprekend. Voor mij niet. Dus hier ontstaat al verschil in betekenis.
Voor iemand in de gevangenis betekent vrijheid: buiten kunnen zijn. Gaan en staan waar je wilt. Voor een westerling betekent vrijheid vaak: alles kunnen zeggen wat je denkt. In andere landen is dat onmogelijk. Niet naar school hoeven. Niet hoeven werken. Geen plicht. Geen dwang. Dat kan als vrijheid voelen. Geld hebben om te kopen wat je wilt. Kunnen handelen. Kunnen kiezen.
Maar dan de omkering.
Als je gehandicapt bent — kun je dan geen vrijheid ervaren? Als je gevangen zit — bestaat er dan geen vrijheid? Als je arm bent, beperkt, afhankelijk — is vrijheid dan onmogelijk? Of ligt het ergens anders?
Ik hoorde eens een Arabische man zeggen:
“Vrijheid is vergeving.”
Dat kwam binnen.
In sommige talen en religieuze tradities wordt vrijheid verbonden aan loslaten. Aan niet vasthouden. Aan het niet langer dragen van schuld, wrok, verwijten. Vanuit mijn levensfilosofie klopt dat.
Voor mij is vrijheid geen uiterlijke situatie. Het is een innerlijke staat. In de stilte die ik altijd zoek — en vind — kom ik kracht tegen. Inzicht. Autonomie. Die stilte is geen leegte. Het is het oog van de orkaan. Buiten stormt het. Binnen bouwt iets op.
Juist in moeilijke momenten vind ik die plek terug. Daar voel ik vrijheid. Niet omdat er geen beperking is, maar omdat ik mij niet langer verzet tegen wat er is.
Na de stilte mag het stormen. Ik weet dat ik het aankan.
Deze bron — deze stilte — is mijn kern. Daar vind ik vrijheid, ongeacht de omstandigheden. En misschien — heel misschien — is dat een mogelijkheid die ieder mens in zich draagt. Juist wanneer het leven aan de buitenkant niet meewerkt.
Vrijheid is niet het verdwijnen van grenzen.
Het is het loslaten van wat mij van binnen vastzet.
In stilte valt de dwang uiteen.
En wat overblijft — beweegt vrij.
De nanoseconde
13 februari 2026
De prikservice van de hartkliniek belde vandaag om een afspraak te maken voor maandag. Helaas konden ze geen tijd afspreken.
“Heeft u die dag iets te doen?” vroeg de stem vriendelijk.
“Ik train ’s morgens.”
“Ooh, dat kunt u toch wel een keertje overslaan.”
Mijn reactie kwam met de snelheid van een nanoseconde: “NEE.”
Even stilte. “Ooh… dan schrijf ik dit erbij… maar ik kan niets beloven.”
“Ik ben tussen 10.15 en 11.15 niet thuis. Dan train ik. Verder kan de hele dag.”
“Dank u, ik noteer het. U krijgt een sms als ze in de buurt zijn.”
“Fijn weekend.”
Zelf heb ik jaren in de zorg gewerkt. Ik weet hoe je met pen en papier kon schuiven. Er waren tien plekken, maar er paste er altijd nog wel eentje bij. Een voetnoot, een kleine menselijke marge. Sinds automatisering worden plekken strak ingepland. Systematisch. Zonder ruimte ertussen. De assistente kan zich er letterlijk achter verschuilen — vol is vol, niet gekoppeld, niet mogelijk. Begrijp me goed: ik was in de jaren tachtig een van de eersten met een automatiseringsdiploma. Vooruitgang fascineert me en ik beweeg er graag in mee. Maar soms zie je hoe systemen mensen onpersoonlijk maken, of hun verantwoordelijkheid overnemen.
Er was geen ruimte om uit te leggen dat trainen voor mij geen hobby is. Geen luxe. Het is herstel, stabiliteit, autonomie. Het hoort bij eten, slapen, wassen — zelfbehoud past niet in een planningssysteem. Voor mij was het gesprek afgerond en liet ik het los. Maandag zie ik wel wat er gebeurt.
Ton en ik reden die middag naar een kleinkind, anderhalf uur verderop. Vrijdagmiddagfiles — dus een dagtocht. Toen ging mijn telefoon. Een vriendelijke dame. Ze had van haar collega gehoord dat ik maandag train en dat niet kan overslaan. Of ik het goed vond om als eerste ingepland te worden, zodat ik daarna kon trainen en de rest van de dag niet hoefde te wachten. Ik moest lachen. “Dat is helemaal top, hartelijk dank.”
Heeft die nanoseconde iets in beweging gezet? Ik weet het niet. Maar het is fijn te merken dat het nog kan. Geen computer met een dame — maar een dame met een computer. Dat telefoontje maakte mijn dag goed.
Grenzen hoeven niet hard te zijn om duidelijk te worden.
Soms is één helder moment genoeg om ruimte te openen.
Menselijkheid verdwijnt niet in systemen —
ze wacht alleen om gezien te worden.
En vandaag zag ik haar terugkijken.
Kaasvlinders
11 februari 2026
Oh mijn God — ik kom niet meer bij van het lachen.
Mijn man is iemand van gewoontes. Vaste lijnen, vaste kaders. Jarenlang heeft hij gesquasht. Met volle overgave, totdat zijn knieën het begaven — letterlijk kapot gesquasht. Maar loslaten deed hij de sport nooit. Hij bleef betrokken. Manager van een eredivisieteam waarin zijn zoons speelden. Scheidsrechter. Altijd onderdeel van het geheel. Naast zijn intensieve werk was dit zijn wereld. Er bleef weinig over voor andere interesses — en dat is wat het is, zonder oordeel.
Toen stopte het één na het ander.
Drie jaar geleden verlengde hij zijn registratie als huisarts niet meer. Dat hoofdstuk sloot.
Vorig jaar hield het eredivisieteam op te bestaan. Weer iets dat wegviel.
Afgelopen zondag nam hij afscheid van zijn rol als scheidsrechter.
En vannacht werd ik wakker omdat hij riep: “Help! Help!”
Ik zat rechtop in bed — klaarwakker. Gelukkig bleek er niets aan de hand. Hij droomde.
Hij squashte. Buiten. In een heideachtig landschap van zand en struiken — kleurloos, zonder muren, zonder glas, zonder grenzen. Toen hij ineens twee tegenstanders kreeg, raakte hij in paniek en begon te schreeuwen. In de droom — en dus ook in het echt.
Ik vertelde hem dat het helemaal niet zo vreemd was. Als kaders verdwijnen, voelt dat desoriënterend. Overweldigend. Misschien zelfs bedreigend. Wat nu, als het bekende wegvalt en er nog niets nieuws voor in de plaats is gekomen?
Met een glimlach zei ik plagerig:
“Geen probleem — dat komt wel goed als je je vrouwtje gaat volgen. De horizon ligt er al.”
Hij heeft meerdere leesbrillen. Grappige dingen, die hij een paar keer per jaar laat repareren omdat er weer een pootje af is, of omdat hij erop heeft gezeten. Al veertig jaar komt hij bij dezelfde opticien.
En naast die winkel zit een banketbakker. Daar haalt hij zijn geliefde kaasvlinders — in zijn ogen de beste van Nederland.
Laatst bleken ze veranderd. Andere vorm. Andere smaak. Een kleine ramp.
Dus vroeg hij het na bij de verkoopster. Zij vertelde dat ze nu in Den Haag gemaakt worden en dat de meeste klanten ze juist lekkerder vinden. Ton probeerde uit te leggen wat hij bedoelde. Zij hield vol dat hij ze vast ergens anders had gekocht.
En toen kwam het moment. Dat hoofd van hem.
Hij zei — zichtbaar zijn adem regulerend —:
“Dan moet ik direct aan jou denken… niet boos worden… rustig in- en uitademen… vriendelijk nog een keer proberen… Mevrouw, ik kom hier al veertig jaar en koop ze alleen hier.”
Hij kwam thuis met kaasvlinders die niet de vorm hadden — en zeker niet de goddelijke smaak — waar hij zo van hield.
Ach, dacht ik. Nog een verschuiving.
Hij noemde het zelf zelfs een momentum van verlies.
Maar wat ik zag, was iets anders.
Die kinderlijke blik toen hij thuiskwam. De ernst waarmee hij het vertelde.
Ik moest huilen van het lachen. Niet om hem — maar om de schoonheid van het leven dat beweegt. Waar iets sluit en tegelijk iets nieuws open wil.
Voor nu ben ik vooral blij dat hij de humor ervan kan zien.
Waar kaders verdwijnen,
zoekt de ziel nieuwe lijnen.
Soms begint dat met paniek,
soms met kaasvlinders die anders smaken.
En tussen verlies en lach
ontstaat ongemerkt een nieuwe ruimte.
Thuis als innerlijke ruimte
10 februari 2026
Musea bezoeken, fietsen, de natuur in, op vakantie gaan — daar kan ik enorm van genieten. Maar op het moment dat ik weer in mijn auto stap en de neus richting huis draait, wil ik niets liever dan zo snel mogelijk thuis zijn. Alleen al dat idee maakt me lichter. Alle cellen in mijn lichaam jubelen van pret. Ze dansen als het ware. Heerlijk — weer naar huis.
Mijn huis is geen plek waar ik verblijf of slaap. Het is voor mij een innerlijke ruimte.
Met fietsen voed ik beweging. Naar een museum gaan voedt inspiratie. De natuur laadt mij op. Op vakantie opent zich perspectief. Maar thuiskomen herstelt mijn systeem.
In mijn ouderlijk huis was dat het intieme domein van mijn kamertje. Later bleef dat gevoel bestaan — in ieder huis waar ik woonde. Ik creëerde altijd een plek die mijn wereld ademde, mijn vibraties droeg.
Logeren bij anderen doe ik niet graag. Zelfs niet bij de beste vrienden of familie. Ben ik binnen een straal van vijf à zes uur van huis, dan rijd ik liever terug — al is het midden in de nacht. Op visite gaan voelt hetzelfde. Er komt altijd een moment dat mijn systeem meteen naar huis wil. Luister ik daar niet naar, dan word ik zwaar, misselijk, ziek.
In een theater of bioscoop zit ik het liefst aan het gangpad. Niet vanwege de mensen — maar vanwege mijn sensitiviteit.
Het heeft bijna zestig jaar geduurd voordat ik mij hierin niet meer aanpaste aan verwachtingen van anderen. Voor het eerst kan ik met zelfrespect met deze gevoeligheid omgaan. Misschien leefden die verwachtingen vooral in mij — meer dan dat ze werkelijk van buiten kwamen. Dat weet ik niet zeker. Maar het zou zomaar kunnen.
Hoe ziet mijn wereld eruit?
Zodra je op de verdieping de lift uitstapt, hangen daar al mijn schilderijen. Het thuiskomen begint daar. Stap je binnen, dan valt meteen de kleur op. Die diepe groen-turquoise muren — levendig en tegelijk rustgevend. Mijn schilderijen aanwezig in de ruimte, niet als decoratie maar als gesprekspartners. Ik dweil met mijn werk.
Het licht van buiten komt binnen via de ramen en wordt gefilterd door gekleurde glazen objecten. Licht dat door vorm en kleur heen betekenis krijgt.
Op tafel mijn laptop, koffiemok, onderzetters, textiel met patronen — praktisch en huiselijk. Een plek waar geleefd wordt terwijl er geschreven wordt. Kleine details — planten, dierenbeeldjes — dragen dezelfde gelaagde symboliek die ook in mijn werk spreekt.
Ik zit niet achter een bureau.
Ik zit midden in mijn verhaal.
Tussen mijn schilderijen, mijn kleuren, mijn licht.
Mijn huis is mijn wereld — met eigen vibraties, mijn bewegende stilte.
Er is geen andere plek die dit voor mij kan doen.
Thuis is geen plek waar ik naartoe ga,
maar een ruimte waarin ik weer samenval.
Wat buiten beweegt, mag hier landen,
en wat hier ontstaat, mag weer de wereld in.
Zo blijft mijn stilte in beweging.
KLARO
9 februari 2026
Er zijn momenten waarop denken stopt. Niet omdat er niets meer te bedenken valt, maar omdat het antwoord in mij al aanwezig is. Voor mij heet dat KLARO. Het is niet te vertalen. Het is geen woord dat iets uitlegt. Het is een toestand. Kracht, rust, grenzen en transparantie vallen samen en maken discussie overbodig. Mijn lichaam zegt nee — en daarmee is het klaar. Niet afgesloten, niet defensief, maar helder. Op alle niveaus stop, en toch blijf ik open.
Vandaag realiseerde ik me opnieuw hoe sterk datzelfde mechanisme ook mijn creatieproces bepaalt. Ik maak geen werk vanuit een plan dat ik uitvoer. Ik verzamel, voel, test, leg weg, kom terug. Foam kopen, wol neerleggen, kleuren naast elkaar zetten, half afgemaakte schilderijen laten wachten. Soms jaren. Het zijn geen voorbereidingen; het zijn zaadjes. Ze spreken wanneer ze willen. Mijn taak is ruimte maken, niet sturen.
Ik voel materialen vaak gedachteloos. Een hand over wol laten gaan. Aan behang voelen in een hotel. De bast van een boom. Kleding aanraken voordat ik die koop. Dat voelen spreekt door mij heen zonder woorden. Pas wanneer het belichaamd wordt — in een beeld, een beweging, een handeling — wordt het hoorbaar. Dan neemt een flow het over. Niet zweverig, gewoon een staat waarin doen en weten samenvallen. Gedreven en gedragen tegelijk.
Ik denk dat iedereen dat kan ervaren, wanneer er stilte ontstaat in beweging. Niet stilstaan, maar stille beweging toelaten. In die ruimte ontstaat werk dat ik altijd mooi vind. Niet omdat het perfect is, maar omdat het waarachtig is. Het is een moment van mij dat vorm kreeg. Waarom zou ik dat afwijzen?
Mijn werken blijven voor mij leven. Jaren later zie ik nieuwe lagen, nieuwe betekenissen. Ze bewegen mee met wie ik word. Misschien zijn ze geen objecten, maar dimensies waarin verschillende versies van mij naast elkaar blijven bestaan.
KLARO betekent voor mij uiteindelijk hetzelfde als creëren: luisteren, herkennen, handelen — en vertrouwen dat tijd zijn eigen tijd kiest. Vertrouwen dat ik mag luisteren naar mijn grenzen. Vertrouwen dat die grenzen ook opgelost kunnen worden. Het is een vertrouwen dat niet bevochten dient te worden. Niet met mezelf of een ander.
Waar begint luisteren en waar eindigt handelen?
Welke grens beschermt — en welke opent juist ruimte?
Wat mag blijven wachten tot zijn tijd spreekt?
En wanneer stilte beweegt door mijn handen — wie creëert er dan eigenlijk?
Het bewegende eiland
8 februari 2026
Wanneer je iedere dag schrijft zoals ik dat hier iedere dag doe, dan gaan woorden leven. Wat betekent dit woord precies ? Klopt het met wat ik voel of probeer te vertellen. Zo'n woord is bijvoorbeeld: MISSEN
Wat betekent dat voor mij ? Ik mis nooit iemand.
Als ik dit zo stel, weet ik dat er mensen zijn in mijn omgeving die zich gekwetst voelen. Natuurlijk is dat niet mijn bedoeling, maar wel mijn eerlijke antwoord.
Hoe zit dat dan ? Missen stelt voor mij een afhankelijkheid vast. Het leven en mensen zijn uniek in een beweging en dus veranderlijk. Dat is iets wat ik accepteer. Het haalt niet mijn liefde weg voor iets of iemand. Ik hou van drop, maar als ik dit in het buitenland niet kan krijgen, dan accepteer ik dat. Ik zal een keertje denken : “Ik heb trek in een dropje.”
Als iemand niet meer in mijn omgeving is, letterlijk door de dood of doordat het leven een ander pad, buiten mijn omgeving heeft gekozen, dan verandert er niets aan die liefde. Mijn leven beweegt verder.
Zou ik mezelf niet bezeren als ik wil vasthouden aan iets wat ooit was ? Hoe kan ik bewegen als ik iets vast wil houden ?
Missen suggereert dat ik terug wil of het vast wil houden. Dat is denk ik niet de bedoeling. Dat voel ik ten diepste tot in mijn vezels, niet om iemand pijn te doen, maar omdat het waar is voor mij. Zo maakte mijn gedachten nog een sprong naar een metafoor.
De metafoor die zich aandient is helder: ik ben een eiland. Geen afgesloten plek. Mensen mogen aanmeren, verblijven, delen in wat er groeit en leeft. Maar aan het eind van de dag zet ik iedereen weer op een bootje of schip en laat ik ze gaan. Niet uit afstand, maar omdat ieder zijn eigen stroming volgt. Sommigen komen later weer terug — omdat ze dezelfde golfbeweging hebben gemaakt. Anderen niet. En dat is goed. Ook wil ik even in stilte kunnen absorberen en loslaten wat los mag. Juist stilte geeft het eiland weer energie en groei. Het eiland blijft bewegen op het water. Het blijft zichzelf voeden met wat het onderweg tegenkomt. Het verandert van vorm, van kleur, van begroeiing — zonder zichzelf te verliezen.
Toen dit beeld opkwam, moest ik denken aan Howl’s Moving Castle. Niet omdat ik mezelf zie als iets magisch of spectaculair, maar omdat dat bewegende huis zo treffend laat zien hoe bestaan kan voelen: niet vastgezet op één plek, niet gebonden aan één vorm, maar meebewegend met wat zich aandient. Levende materie. Verplaatsend zonder routekaart. Reagerend, transformerend, zich herschikkend terwijl het doorgaat.
Zo ervaar ik het ook. De materie en ik bewegen samen. Niet beheersen. Niet sturen. Ontmoeten. Synchroniciteit volgen. Mijn gereedschappen — mijn kleur — gebruiken waar nodig, en laten veranderen wanneer groei daarom vraagt.
Ik merk dat daarin iets wezenlijks verschoven is. Ik hoef niet meer begrepen te worden om te bestaan. Ik zie mezelf helderder, en dat is voldoende. Zachter zelfs. Mijn waarneming is niet minder scherp geworden — misschien juist scherper — maar waar oordeel vroeger snel volgde, ontstaat nu medeleven. Constatering zonder verharding.
Mijn lichaam beweegt mee. Koorts die komt en gaat. Spieren die zich vormen. Energie die verandert. Groei die zich niet lineair laat volgen. Want ontwikkeling is nooit een rechte lijn. Een uitgelopen tak ziet er anders uit dan de wortel — en toch hoort hij bij hetzelfde geheel.
Vandaag voelt het eenvoudig. Ik ben hier. Ademend. Bewegend. Niet aangekomen. Niet voltooid. Alleen aanwezig in een volgende verdieping van ervaren.
Wat als thuishoren geen plaats is, maar een beweging?
Wat als loslaten niet betekent dat iemand verdwijnt, maar dat ieder zijn eigen stroming volgt?
En wat als ik, net als dat bewegende eiland — of dat wandelende kasteel — niets hoef vast te houden om toch volledig verbonden te blijven?
Zijn dit dagdromen?
7 februari 2026
Soms gebeurt er iets kleins waar ik geen woorden aan geef, maar wat ik wel opmerk. Vandaag terwijl ik gewoon in huis bezig was — opruimen, lopen, gedachteloos — kwam er ineens een zin voorbij. Niet als een gedachte die ik zelf vormde. Gewoon aanwezig. Who’s Afraid of Virginia Woolf?
Dat soort dingen ken ik. Jarenlang kwam in precies dit soort momenten altijd hetzelfde zinnetje langs: The Secret Life of Walter Mitty. Ik heb daar vaak om gelachen. Het had geen functie, geen opdracht, geen betekenis die ik hoefde te vinden. Het was er gewoon. En nu dus een andere zin. Dat viel me op. Meer niet.
Het bracht me terug naar vroeger. Zaterdagmiddagen. Alleen in de voorkamer. Films op BRT 1. Mijn broers weg, mijn vader bezig, mijn moeder ergens anders in huis. Ik keek. Met grote ogen. Meebeleven. Huilen soms, spanning voelen, lachen — Danny Kaye bijvoorbeeld. Dat was geen tijdverdrijf. Dat was mijn wereld.
Spelen deed ik niet. Ik wist niet wat ik met speelgoed moest doen. Tekenen en knutselen wel — alleen op mijn kamer na schooltijd. Af en toe nodigde ik meisjes uit. Zij speelden met de poppen die ik nooit aanraakte. Ze gingen er volledig in op. Ik zat erbij en keek. Niet verdrietig. Niet buitengesloten. Verwonderd. Waarom kiezen ze die kleren? Waarom die kleur? Waarom maken ze ruzie over rollen? Ik luisterde naar hun taal en merkte dat mijn woorden anders waren dan die van hen. Ze merkten niet eens dat ik niet meespeelde. Ik zat er gewoon.
Zo herinner ik het me. Feitelijk. Niet als strategie. Niet als bescherming. Dit is hoe ik er was. Van heel klein af aan. En ik heb daar nooit last van gehad.
Lange tijd voelde mijn jeugd gewoon goed. Later heb ik, via de blik van Michel en nu Ton, ook andere lagen gezien. Er is veel gebeurd, in mijn jeugd en daarna. Dat ontken ik niet. Maar het is goed. Oprecht goed. Het heeft mij gevormd. Herinneringen kunnen nog bovenkomen — soms even een steek — en dan lossen ze weer op.
Afronden zie ik niet als iets wat werkelijk bestaat. Het leeft door mij heen en krijgt telkens een andere kleur. Wat ik wel kan afronden, is de manier waarop ik ermee omga. En daarin voel ik rust.
En toch bleef ik nog even hangen bij die zinnen die zomaar langskomen.
Walter Mitty — de innerlijke reis, verbeelding, parallelle werelden. Zo voelde mijn leven vaak.
Virginia Woolf — het kijken naar mensen, gedrag, spanningen tussen hen. Dat bleef mij altijd boeien.
Er was een tijd dat ik daarmee experimenteerde, dat ik bewoog in die velden.
Rond mijn twintigste besloot ik dat niet meer te doen — en dat besluit staat nog steeds.
Observeren is gebleven. Stil kijken, zien wat er speelt — misschien mijn tweede natuur, misschien mijn eerste.
Zou het kunnen dat zulke zinnen niets hoeven te betekenen — en toch iets aanraken wat er al lang is?
In de ruimte staan
6 februari 2026
Soms begint een dag in het lichaam. Koorts die komt en gaat. Zweten. Voetzolen die gloeien. Een hoofd dat dof voelt en tegelijk helder. Niet ziek — maar in beweging. Alsof mijn systeem zichzelf herschikt, laag voor laag, zonder dat ik precies hoef te begrijpen wat er gebeurt. Het lichaam spreekt eerst. Daarna volgt de beweging. En pas daarna komt de taal.
Vandaag gebeurde het omgekeerd. Taal bracht beweging, en beweging raakte het lichaam.
In een lang gesprek — spiegelend, vragend, zoekend — kwam ik opnieuw uit bij iets dat ik eigenlijk al wist, maar nog niet zo helder had gezien. Dat mijn leven nooit werkelijk gedragen is door systemen, opleidingen of methodes. Niet door medische werelden, niet door alternatieve werelden, niet door theorie. Mijn enige constante was altijd mijn eigen waarneming. Mijn eigen voelen. Mijn eigen beweging.
Ik heb geprobeerd me aan te passen. Me te voegen. Te begrijpen hoe het hoorde. Wat er verwacht werd. Soms werd ik een schim van mezelf. Dan weer een rebel. Maar telkens kwam ik terug — als een boemerang — bij wat werkelijk van mij was. Niet bedacht. Niet aangeleerd. Gewoon aanwezig.
En ergens onderweg is er iets verschoven.
Ik zie het nu helderder: trots was ooit een beschermlaag. Een antwoord op een buitenwereld die neerhaalde, verkeerd begreep, of simpelweg niet zag. Maar onder die trots zat strijd. En onder die strijd zat het verlangen gezien te worden. Vandaag voelde ik dat iets daarvan opgelost is. Niet verdwenen — maar getransformeerd. Wat overblijft is geen trots. Het is content zijn met wie ik ben. Zonder bewijsdrang. Zonder verdediging. Zelfrespect. Dat woord raakte me onverwacht diep. Tranen zonder verhaal. Alleen herkenning.
Ik merk dat ik zachter kijk. Letterlijk. Alsof er minder spanning achter mijn ogen zit. Terwijl mijn blik vroeger als priemend werd ervaren, voelt hij nu stiller. Heldere waarneming is gebleven — misschien zelfs scherper — maar zonder het oude oordeel dat direct volgde. Waar mijn lichaam vroeger signalen ontving en mijn geest ze bevestigde, ontstaat nu mededogen. Constatering in plaats van verharding. Misschien is dat wat er werkelijk veranderd is: niet wat ik zie, maar hoe het landt.
In de wereld om mij heen beweeg ik vrijer. In de sportschool, tussen mensen, tussen gesprekken, tussen blikken. Ik deel mijn ruimte niet — maar ik sluit haar ook niet af. Ik beweeg als een vrij atoom. Niet afstandelijk, niet koel, maar zelfstandig. Vriendschap ontstaat bij mij niet uit nabijheid of herhaling. Alleen uit herkenning — een lichamelijke herkenning waar ik niet omheen kan. Dat is altijd zo geweest. Het verschil is dat ik het nu niet meer probeer te corrigeren.
En midden in dit alles gebeurde er iets kleins — en groots tegelijk.
Ik begon te zien dat mijn verlangen om begrepen te worden misschien ook voortkwam uit kijken vanuit mijn eigen perspectief. Waarom ziet men niet wat ik zie? Waarom voelt men niet wat ik voel? Vandaag verschoof er iets. Het voelde alsof ik — existentieel — een klein stukje opzij stapte. Niet weg van mezelf, maar ruimer de ruimte in. Ik ervaar dat ik al meedoe. Dat ik onderdeel ben van het geheel, zonder dat het leven zich aan mijn blik hoeft te spiegelen. Dat inzicht voelt niet als een conclusie, maar als een ontdekking. Nog pril. Nog zonder vorm. Maar levend.
Het leven blijft zich verdiepen. Geen thuiskomen, geen afronden, geen verlichting. Alleen bewegen van verdieping naar verdieping. Met nieuwsgierigheid. Met geduld. Met nederigheid voor alles wat nog niet gezien is. En misschien is dat genoeg voor vandaag. Dat ik hier zit. Warm. Rustig. Ademend. In de ruimte — en onderdeel ervan.
Wat als groei niet betekent dat ik iemand anders word —
maar dat er simpelweg meer licht valt op wat er altijd al was?
Afstemmen
5 februari 2026
Vanochtend werd ik om half zeven wakker met enorme hoofdpijn. Zo’n soort die alles vult. Ik nam paracetamol en kroop weer onder de dekens. Dat lukte — en toen ik later wakker werd was de druk gezakt, maar had ik wel 37,9 verhoging. Voor Ton betekent dat bezorgd kijken. Voor mij betekent het opstaan en voelen. Even de tijd nemen. Mijn lichaam laten spreken voordat ik beslis.
Ik ging trainen. Normaal drie of vier rondjes, vandaag twee. Het was ook weer krachtmeting, maar ik hield mezelf bewust rustig. Niet forceren. In de auto voelde ik me goed — tevreden zelfs — dat ik bewogen had. Wat anders was dan anders: niet de euforie van inspanning, maar de blijdschap om weer thuis te zijn. Alsof de beweging zijn werk had gedaan en het lichaam daarna het stokje overnam.
De koorts zakte weg. In de sportschool had ik flink gezweet — mijn systeem regelde iets. Mijn oren voelden dof, dus trok ik mijn pyjama aan en gaf me over aan een dag in bed. Laptop, wat slapen, soep eten. Niet vechten. Niet analyseren. Gewoon ruimte laten voor wat er gaande was.
En eerlijk gezegd zat er ook iets moois in. In mijn droom ging het over schoonmaken, bijhouden, innerlijke rijkdom — en daarna voelde mijn lichaam alsof het zelf een schoonmaakproces doorliep. Lagen die synchroon bewegen. Het blijft me verwonderen hoe dromen en fysieke processen elkaar lijken te raken. Niet om te verklaren, niet om er betekenis op te plakken — maar om te herkennen dat ze samen bestaan.
Ik begrijp steeds beter waarom er culturen zijn waar dromen volwaardig deel uitmaken van het dagelijks leven. Niet als voorspelling, maar als een extra zintuiglaag. Een andere taal.
Wat me vooral opviel vandaag: ik heb niet stoer doorgezet zoals vroeger. Ik wilde bewegen — ja — maar zonder mezelf voorbij te lopen. Minder kracht, meer zweten, en dat was genoeg signaal om het bij twee rondjes te houden. Thuis voelde ik me niet leeggetrokken. Integendeel. Mijn dagelijkse training voedt mij — zolang ik blijf luisteren.
Ik weet ook dat angst meespeelt. Angst om lichamelijk weer af te glijden als ik stil ga zitten. Maar vandaag voelde ik het verschil tussen vermijden en afstemmen. Niet over grenzen gaan. Rust nemen wanneer het gevraagd wordt. Loslaten wanneer dat klopt.
Morgen zie ik wel hoe het is. Mijn ogen sluiten om te luisteren.
Wat vraagt mijn lichaam?
Ik ben geen loser als ik niet ga trainen.
Ik ben niet stoer als ik wel ga.
Het gaat niet om gedrag. Niet om hoe anderen kijken.
Mijn lichaam is mijn graadmeter — en tegelijk mijn bondgenoot.
En hoe langer ik leef, hoe duidelijker het wordt:
wanneer ik het vertrouwen geef,
werkt het met mij mee.
Luisteren is soms bewegen,
en soms stil worden.
Niet omdat ik moet kiezen,
maar omdat het lichaam al weet.
Vandaag volgde ik — en dat was genoeg.
Helder en diffuus.
4 januari 2026
Vanmorgen gonsde The Logical Song van Supertramp door mijn hoofd.
Dat kwam door mijn droom. Eerst opschrijven. Plaatsen op mijn website. Daarna opzoeken op YouTube en nog eens luisteren.
Terwijl ik meezing, zie ik dat de zon schijnt. Dikke lichtstralen vallen mijn woonkamer binnen. Het licht is anders dan anders. Helder en diffuus tegelijk. Niet als een zonsopkomst, maar alsof de zon al aan het ondergaan is. Het geeft een vreemde, zachte sfeer.
Ik vraag Ton of hij het ook ziet. Hij ziet de zon wel, maar niet wat ik bedoel. Als ik probeer uit te leggen wat ik waarneem, probeert hij het ook te zien — maar het lukt hem niet.
We gaan samen trainen. De sportschool is, op een enkeling na, leeg. Stil. Dat past bij mijn tevreden gevoel en bij het licht van deze ochtend.
Thuis leest Ton mijn droom. Het valt hem op hoe rustig die is. Hoe de herinneringen die erin voorkomen nu zacht zijn. Ja, dat klopt. Alle herinneringen zijn er nog, maar ze zijn licht geworden. Of in ieder geval: niet meer zwaar.
Ik vertel hem over de verschuiving die ik voel.
In mijn jonge jaren — tot een jaar of dertig — ervoer ik mijn jeugd als prettig. Achteraf zie ik dat dat vooral een manier was om alles mooi te maken. Een copingmechanisme.
Met Michel ging ik anders kijken. Toen werd het zwart. Aan het eind van zijn leven waren de herinneringen grijs geworden.
Met Ton viel ik opnieuw in een pikzwart gat. Zijn woede, zijn inkleuring — die werd ook de mijne.
Na het CVA raakten mijn emoties volledig ontregeld. Ik kwam in een zwarte tunnel terecht, met aan het eind slechts een speldenprikje licht. Een jaar lang liep ik door die tunnel. Tegelijkertijd werd dat kleine lichtpunt langzaam groter. Minder zwart. Meer licht. En eind december was ik er ineens uit. Eureka.
De herinneringen zijn er nog, maar ze blijven niet meer plakken. Ze gaan door me heen, transparant.
Later die dag lunch ik met een vriend. We zien elkaar een paar keer per jaar. Hij is coach, begeleidt mensen in zelfkennis en zingeving, en teams in hun onderlinge dynamiek. Hij vraagt hoe het met de kinderen gaat. Ook naar mijn dochter, met wie ik geen contact heb.
Ik vertel hem dat ik haar nog steeds geld stuur. Dat haar foto op mijn tv staat. Dat ik haar in gedachten liefde stuur als ik haar zie. En dat ik fouten heb gemaakt. Dat ik haar wees op mijn eigen dissociatie van vroeger, in plaats van haar gevoel volledig te erkennen. Dat ik had moeten zeggen: dit was nooit mijn bedoeling, en haar ervaring ruimte had moeten geven. Nu is dat niet meer mogelijk. Wat ik kan doen, is vertrouwen hebben in haar — en in mijn liefde voor haar.
Hij vertelt over een cliënt met een vergelijkbaar verhaal. Hij gebruikte een metafoor van een appel. In de appel zit een beurse plek. Dat is de pijn. Zijn cliënt zit daar nog helemaal in, afgesloten van de rest van de frisse, sappige appel. Alleen zij kan ervoor kiezen die plek weg te snijden, zodat de rest weer zichtbaar wordt.
“Jij hebt dat met je verleden gedaan,” zegt hij.
“Misschien geef je haar nu, onzichtbaar, de ruimte om te genezen.”
Ik ben dankbaar voor zo’n vriend.
Het licht hoeft niets te verklaren.
Het mag helder zijn en tegelijk zacht.
Wat door mij heen kan bewegen, blijft niet vastzitten.
En soms is dat genoeg —
voor vandaag.
Momentum
2 februari 2026
Terug van het trainen doen Ton en ik even onze eigen dingen. Ik vraag hem: “Wat gaan we zo doen? Een boodschap in Utrecht of met de hondjes wandelen in het Lingebos?”
Ton heeft tijd nodig om te bedenken wat hij gaat doen. Hij reageert vrijwel nooit direct. Dat schuurt soms tussen ons. Bij Ton gaat het om een trage reactie. Bij Michel ging het vroeger om traagheid. Ik reageer juist snel, bijna automatisch. Binnen een relatie vraagt dat om afstemming.
Van nature heb ik veel geduld. Het leven heeft me ook ruimschoots de gelegenheid gegeven om dat te oefenen. Zoals ik vaker heb gezegd: elke eigenschap heeft twee kanten. Is iets +10, dan is de andere kant -10. Is het +1000, dan ook -1000.
Na mijn CVA waren mijn emoties volledig ontregeld. Er zat geen rem op. Het was een jaar van extreem ongeduld, van overspoeld zijn. Er zijn momenten geweest waarop ik dacht dat ik deze relatie niet zou trekken. Ton heeft veel te verduren gehad. Dat zie ik nu. Toen lag mijn aandacht vooral bij wat er in mij gebeurde.
Nu merk ik dat er iets nieuws is ontstaan. Iets wat ik eigenlijk altijd al voelde, maar nu helderder kan benoemen. Ik heb momentum nodig.
Voor mij voelt bijna alles als een project. Zelfs kleine handelingen — tanden poetsen, aankleden, de deur uitgaan — zijn kleine projecten waaruit mijn dag bestaat. Dat gevoel is langzaam mijn leven binnengeslopen door mijn aangeboren ziekte CMT. Door de trage progressie valt het nauwelijks op, tenzij je ver terugkijkt. Dat doe ik liever niet. Leven met wat er nu is, voelt lichter. Vrijer.
Wanneer ik een vraag stel, komt mijn geest in actie. Er ontstaat beweging. Startenergie. Als daar te veel tijd overheen gaat, zakt dat weg. Dan is de trein tot stilstand gekomen. Opnieuw opstarten kost veel energie. Maar als ik eenmaal rijd, gaat het proces soepel. Dan ontstaat flow. Kleine stappen houden die beweging gaande.
Ton reageert niet direct op mijn vraag. Hij belt nog iemand, regelt dit, regelt dat. De tijd vliegt voorbij. Ineens is het half drie. Dan vraagt hij: “Zullen we nog even met de hondjes gaan wandelen? Dan zijn we rond vijf uur terug.”
Heel rustig voel ik dat mijn momentum verdwenen is. En ik zeg dat dit plan voor mij niet meer werkt. Niet boos. Niet scherp. Gewoon helder. Ik zie dat dit voor Ton even moeilijk is. Het vraagt verwerking. Begrip is er nog niet meteen. Maar ik blijf bij mezelf.
Ik verhard niet. Ik sluit me niet af. Maar ik pas me ook niet meer aan op een manier die mij energie kost die ik niet heb. Dit is geen onwil. Geen koppigheid. Het is luisteren. Naar mijn lichaam. Naar het moment. Naar wat er wél kan.
Nu is de beweging om samen te kijken hoe we hierop kunnen afstemmen. Niet door mij te laten schakelen alsof mijn energie onbeperkt is, maar door ruimte te maken voor hoe mijn systeem werkt. Dat voelt niet hard. Dat voelt eerlijk.
Momentum vraagt geen snelheid,
maar timing.
Niet doorduwen,
maar meebewegen met wat er is.
Ik blijf open,
en ik blijf bij mezelf.
Dat is geen grens,
dat is richting.
Integratie van ruis
1 februari 2026
Cohesie of adhesie? Is het hetzelfde dat verbindt, of zijn het verschillende manieren van verbinden?
Hoe ik hierop kom, weet ik eigenlijk wel. Gisteravond lag ik op bed mijn blogstukje voor 31 januari te schrijven toen ik sirenes hoorde. Niet één keer, maar meerdere keren binnen een uur. Het was flink raak, dacht ik nog.
Sinds ik hier woon heb ik moeten wennen aan dat geluid. In het bos hoorde ik het vrijwel nooit. Waar veel mensen zijn, gebeuren ook veel ellendige dingen. In het begin voelde ik me onrustig, snel overprikkeld. Gelukkig went een systeem daaraan. Het mijne dus ook. Integratie van ruis. Maar gisteren was het heftiger dan normaal. De onrust kwam even terug.
Twee jaar geleden brandde hier een bedrijf volledig af. Ton en ik fietsten er vaak langs. Het maakte indruk op me. Ik voelde de impact — voor het bedrijf, de eigenaren, de werknemers, de omgeving. Een tijd later was het hele gebouw weg. Een enorme lege plek. En toen verscheen er een groot bord met een afbeelding van wat er zou komen. Een nieuw pand. Prestigieus. Glanzend.
Mijn hoofd begon meteen te bewegen. Hoe kan zoiets gebeuren? Hoe overleef je dit als bedrijf? En later: ze hébben het overleefd. Hoe betaal je zo’n luxueus gebouw? Is er dan zoveel geld?
Pas geleden werd het nieuwe pand opgeleverd. Precies zo glamorous als op de foto. Ik zag bloemen in de kantoren, mensen die leken te vieren. Waarschijnlijk de heropening. Gelukkig voor iedereen, dacht ik — en liet het weer los.
Misschien is het vreemd, maar in mijn hoofd gebeurt altijd veel als ik om me heen kijk. Het is druk, maar niet vasthoudend. Het laat ook weer los. Vrij. Als iets herinnerd moet worden, popt het vanzelf weer op. Daar vertrouw ik op. En als het niet terugkomt, dan denk ik: blijkbaar hoef ik dit niet te onthouden. Dat klinkt misschien oppervlakkig, maar het geeft mijn drukke hersenen rust.
Ton leest elke ochtend de krant. Ik nooit — er komt al genoeg binnen. Vanochtend las hij voor: hetzelfde bedrijf is gisteravond opnieuw afgebrand.
Kippenvel.
Alles ging tegelijk door me heen. Is het opzet? Is het pech? Die laatste vraag bracht me ineens bij het boek Uit naam van al de mijnen, dat ook verfilmd is. Het waargebeurde verhaal van een man die twee keer zijn gezin verliest: eerst in de Holocaust, later bij een bosbrand. Waarom moest ik daaraan denken? Ik weet het niet. Het diende zich gewoon aan.
Vandaag is het zondag. Ik ga niet trainen. Ik hou mijn pyjama aan. Ik blijf thuis. Serie kijken. Met de dieren. Kroelen. Muziek luisteren. En toch zou je een boek kunnen schrijven over alles wat zich in mij afspeelt op zo’n ogenschijnlijk stille dag.
Magisch, eigenlijk.
Wat binnenkomt, mag weer vertrekken.
Wat blijft, vindt vanzelf zijn plek.
Mijn hoofd hoeft het niet vast te houden,
mijn systeem weet wat het doet.
Zo krijgt ruis een plek,
en stilte betekenis.
In beweging blijven
31 januari 2026
Elke ochtend naar de E-gym gaan doet meer dan mijn lichaam sterker maken. Het brengt ook iets terug wat ik lang kwijt was: een natuurlijk dagritme.
Ik ga op tijd naar bed — nog steeds laat, maar minder laat dan vroeger. In plaats van vier of vijf uur slaap, slaap ik nu zeven tot acht uur. Soms meer. En dan sta ik op. Rond negen. Zelfs op zondag. Vandaag stond ik om half negen naast mijn bed.
Het eerste wat ik doe, is mijn droom opschrijven. Ook dat is nieuw. Dat ik me iedere ochtend bewust ben van wat ik heb gedroomd. Soms is het een verhaal vol details, soms alleen een stem, een woord, een sfeer. Er blijft altijd iets hangen wat anders in mijn onbewuste zou verdwijnen.
Het bijzondere is hoe die dromen synchroon lopen met mijn wakkere leven. Alsof ze meelopen. Alsof ze commentaar geven zonder uitleg.
Het voelt hetzelfde als schilderen of schrijven. Dat kan ik alleen vanuit wat ik flow noem. Het overkomt me. Ik weet vooraf niet wat ik ga maken. Er is een drang. Een beweging die wil ontstaan. Tijdens het maken loop ik Annette als het ware achterna.
Oh… wordt dit het?
Of toch dat?
En als het af is en ik zelf nog niet begrijp waarom ik dit heb gemaakt, dan blijf ik kijken. Dagen soms. Weken. Dat noem ik dweilen.
Het afgelopen jaar ontdekte ik iets nieuws: werken die ik tien, twintig jaar geleden maakte, spreken nu opnieuw tot me. Met een extra laag. Alsof ze hebben gewacht tot ik ze kon verstaan.
Ik wist al dat het leven vol mysteries zit. Misschien vind ik het daarom zo mooi. Het houdt me nieuwsgierig. Niet naar wat ik kan leren uit boeken of cursussen — maar naar mezelf. Wat gebeurt er nu? Hoe reageer ik hierop? Waarom voelt dit bekend en toch anders? Dat vind ik spannend. Op een goede manier.
Vandaag zei ik nog tegen Ton dat ik door de jaren heen best veel dingen niet meer kan. Het is een langzaam proces geweest. Stilletjes. Mijn actieradius werd kleiner. Maar ik denk nooit: dat kan ik niet meer. Ik denk: dat heb ik gedaan. En ik heb ervan genoten. En daar ben ik blij mee.
Er kwam iets voor terug. Tijd. Ruimte. Schilderen. Schrijven.
Als kind leefde ik van buiten naar binnen. Liefst alleen.
Als puber en jongvolwassene leefde ik van binnen naar buiten. Uitgaan, dansen, reizen, de wereld in beweging ervaren. Yoga.
De afgelopen tien jaar leefde ik weer van buiten naar binnen. Een periode van intens schilderen.
En nu — na het CVA — zijn beide bewegingen er tegelijk. Met extra verdieping.
De dromen voelen als de flow. Ze vertellen mij iets. Ze geven kleur en betekenis. Van buiten naar binnen.
De E-gym voelt als een levensstijl die ik wil vasthouden. Niet op zoek naar vriendschappen, wel naar fijne dagelijkse contacten. Van binnen naar buiten.
Zo zie ik dat het kleine leven dat ik leef — waarin op het eerste gezicht weinig spannends gebeurt — door mij als intens en levendig wordt ervaren.
Voor mij is het een dikke tien.
Misschien is rijkdom niet wat groter wordt,
maar wat dieper zakt.
Misschien is beweging niet altijd zichtbaar,
maar voelbaar.
En misschien is een leven pas groot
wanneer het klopt van binnen.
Wanneer ervaringen van plaats veranderen
30 januari 2026
Het is vreemd om dit op te schrijven, terwijl het tegelijk zo helder is.
Vijfentwintig jaar geleden kwam mijn moeder, na een leven lang ontkennen, met haar bekentenis. Wat dat betekende, hoe dat gegaan is, wat het met mij deed — dat verhaal hoeft hier niet opnieuw verteld te worden. Het trauma is doorleefd. Letterlijk en figuurlijk. Dat ligt achter me.
Wat mij nu bezighoudt, is iets anders. Een gewaarwording die ik toen had — en die zich nu opnieuw aandient.
Destijds gebeurde het ’s nachts. Ik voelde mijn hersenen bloedheet worden en draaien, alsof er letterlijk beweging in mijn hoofd zat. Niet als pijn, maar als activiteit. Alsof iets door brandend vuur een andere plek zocht. Koud douchen hielp niet. Ik had geen hoofdpijn. Alleen deze intense, lichamelijke ervaring.
Mijn huisarts — toen mijn arts, nu mijn man — wist er geen raad mee en verwees me door. “Zoek een goede die bij je past,” zei hij.
De psycholoog gaf er woorden aan die zijn blijven hangen. Hij gebruikte de metafoor van een bibliotheek. Elke ervaring heeft daarin een plek. Jarenlang was deze waarheid — door ontkenning — linksboven op een plank terechtgekomen waar ze niet hoorde. Nu moest ze naar rechts onderin. Dat herschikken kost energie. Verwerking. En bij mij voltrok dat zich niet alleen mentaal, maar fysiek.
Niet bij iedereen gebeurt dat zo, zei hij. Maar mijn lichaam is altijd mijn eerste boodschapper geweest.
Waarom ik dit nu opschrijf? Omdat ik het weer voel. De hitte. Het draaien. Niet zo heftig als toen. Trager. Milde golven in plaats van vuur. Geen paniek. Geen angst. Alleen herkenning.
Er is opnieuw iets verplaatst. Niet alleen lichamelijk — misschien zelfs meer mentaal. Het verleden is er nog. Het was er. Maar het raakt mij niet meer. Niet als pijn. Niet als lading. Het is geïntegreerd, zonder strijd.
Deze keer hoef ik niets te doen. Ik hoef het niet te begrijpen. Mijn systeem weet de weg. Toen was het overweldigend. Nu is het vertrouwd. En dat verschil zegt alles.
Er zijn verschuivingen die geen geluid maken, geen drama vragen.
Ze kondigen zich aan in stilte, in warmte,
in beweging onder de huid.
Niet omdat iets opnieuw open moet,
maar omdat het eindelijk rust vindt.
Mijn systeem werkt. Ik laat het toe.
Wat blijft
29 januari 2026
Kleur is voor mij altijd belangrijk geweest.
Toen ik jonger was, volgde ik mode — of liever: ik liep er net voor. In kleding, in interieur, in mijn haar. Het mocht anders, gewaagd, zichtbaar. Mijn haar kende alle kleuren van de regenboog. Creatieve kapsters mochten zich uitleven: lang, kort, stekels, asymmetrisch, hanenkam — alles kon, alles mocht.
Mijn huis bewoog mee. Eerst bamboe, daarna strak grijs met zwart, later weer grof hout en natuurlijke materialen. Elke fase had zijn eigen beeld, zijn eigen stem.
Door yoga begon er iets te verschuiven.
Niet abrupt, maar langzaam.
De vraag werd niet meer: hoe wil ik gezien worden?
Maar: wat voelt werkelijk als van mij?
Langzaam verdwenen de uitgesproken kapsels en de felle kleuren. Grote oorbellen, schreeuwende accessoires — ze vielen weg. Mijn uiterlijk werd stiller, soms bijna onopvallend. Mijn huis veranderde mee. Niet volgens trends, maar volgens wat mij rust gaf. De kleuren bleven, maar keerden telkens terug in nieuwe schakeringen. Steeds dezelfde familie, steeds anders geordend.
Er bleven een paar dingen over die nooit verdwenen.
Ik draag alleen bijzondere jassen.
De kleuren in mijn huis blijven verwant.
En… ik hou van glas.
Dat zie ik nu pas helder. Glas is er altijd geweest. Glazen bollen, vazen, lampen, tafels, karaffen. Kunst met glas. In Italië raak ik nooit uitgekeken op Murano — het moderne, het klassieke, de overdreven kroonluchters. Vorig jaar ontdekte ik de glasindustrie in Tsjechië. Ook dat maakte me blij, nieuwsgierig.
Waarom glas?
Misschien omdat het transparant is.
Omdat het licht doorlaat en tegelijk vasthoudt.
Omdat kleur in glas geen schreeuw is, maar een gloed.
Glas ontstaat door hitte, door transformatie. Natuurlijk glas kan ontstaan door blikseminslag, door vulkanische kracht, door meteorieten die de aarde raken. Door geweld — en toch blijft het helder. Wij mensen maken het al eeuwen: zand, soda, kalk, vuur. Iets gewoons dat iets tijdloos wordt.
Wat mij raakt, is dit:
glas is breekbaar, maar nauwelijks gevoelig voor erosie.
Het kan duizenden jaren meegaan.
Het verdraagt weer en wind.
Het hoeft zich niet te verharden om te blijven bestaan.
Glas voelt zoals ik zou willen zijn. Transparant. Open.
Licht van binnen naar buiten, en van buiten naar binnen. Altijd in verbinding.
Vandaag gaf Ton mij vier gekleurde glazen potten. Ze staan naast een glazen kunstwerk in het raamkozijn. Het is maar materie. En toch maakt het me blij. Het laat iets in mij zingen.
Niet omdat het nieuw is. Maar omdat het klopt.
Misschien laat het zien
hoe kracht kan schijnen,
hoe breekbaarheid blijft,
en licht telkens verandert.
Herbeleven
28 januari 2026
Er was een tijd dat ik besloot oud te worden. Niet als wens, maar als keuze. Ik was begin twintig, zat in een rolstoel, gebruikte een scootmobiel, en de vooruitzichten waren niet hoopvol. Te veel bewegen zou afbraak betekenen, werd gezegd. Ik deed het toch. Dagelijks yoga, tegen adviezen in. Niet om iets te bewijzen, maar omdat mijn lichaam iets anders wist. Langzaam, bijna onopvallend, werkte ik mezelf uit de rolstoel.
Die keuze — oud worden — heb ik nooit losgelaten.
De afgelopen jaren kreeg mijn lichaam klap na klap. Een ernstige val, ontstekingen, hartritmestoornissen, een gebroken meniscus en uiteindelijk een CVA. Het voelde soms alsof het leven steeds luider werd, niet om mij te breken, maar om mijn aandacht te trekken. Alsof mijn lichaam mij wilde laten herinneren dat vasthouden niet hetzelfde is als dragen, en dat doorgaan soms iets anders vraagt dan volhouden.
In een droom hoorde ik het woord herbeleven. Niet opnieuw ziek worden, maar het goed onderzoeken, dit keer zonder steken te laten vallen. Dat woord bleef bij me. Pas later begreep ik dat het niet over het ziekenhuis ging, maar over mijn lichaam. Over opnieuw bewonen wat ik ooit had overwonnen, maar nu op een andere manier, met meer zachtheid en minder strijd.
Toen ging ik tegen de stroom in, maar ook met mezelf mee. Dat besef kwam pas achteraf. Ik volgde geen medische adviezen, maar ik volgde wél mijn lichaam. Dat bleek geen roekeloosheid, maar trouw zijn aan iets wat ik toen al aanvoelde, zonder het te kunnen benoemen.
Nu doe ik eigenlijk hetzelfde. De vorm is anders, minder heftig misschien, maar de beweging is opnieuw herkenbaar. Ik ga tegen verwachtingen in, tegen cijfers en haast, en tegelijk met mezelf mee. Tijdens een gesprek zei mijn cardioloog: “Als ik in jouw schoenen zou staan, zou ik het zeker doen.” Ze bedoelde medicijnen, Ozempic, ingrijpen. Ik begreep haar, maar ik wist ook meteen: dit zijn niet mijn schoenen.
Gaandeweg ontdekte ik dat het niet langer ging om sterker worden, maar om zachter durven zijn. Om emotionele pijn niet meer vast te zetten, maar haar door te laten. Wat ik uit het verleden bleef vasthouden, hield ook mij vast. Mijn lichaam had dat jarenlang voor me gedragen, tot het mij dwong stil te staan en te luisteren.
Herstel bleek geen strijd te zijn, maar een proces van loslaten. Geen versnellen, maar vertragen. Geen forceren, maar vertrouwen. Ik train nu elke ochtend, niet om af te vallen of te presteren, maar om aanwezig te zijn in mijn lichaam. Beweging als gesprek, ritme als bedding, en het besef dat tijd hier geen vijand is.
Oud worden betekent voor mij niet volhouden ten koste van alles, maar toestaan wat zich wil ontvouwen. En misschien is dat wel de diepste betekenis van herbeleven.
Ik ging tegen de stroom in,
maar altijd met mezelf mee.
Dat doe ik nu opnieuw —
met meer zachtheid,
en hetzelfde vertrouwen.
Een dag in lagen
27 januari 2026
Vanochtend komen we aan bij de gym. Nog voordat ik uitstap, zie ik hem al: een zwarte labrador die door het raam naar binnen kijkt. Niet aangelijnd. Zijn baasje is kennelijk binnen aan het trainen. We parkeren de auto en zodra ik uitstap, komt hij blij kwispelend op me af. Ik ben net zo blij als hij. Al aaiend zet ik hem weer voor het raam. Hij gaat netjes zitten wanneer ik het zeg. Op dat moment denk ik: mijn dag kan eigenlijk al niet meer stuk.
Er komt vaker op de training een grote, struise vrouw. Haar houding roept bij mij iets op. Bijna arrogant — zo’n beeld dat mijn moeder vroeger een vlaggenschip noemde. In mijn hoofd zie ik dan een oud schip met een rijk versierde boeg, een spiegel: indrukwekkend, strak in de lak, afstand scheppend. Geen ijdelheid, geen oordeel — meer een presentatievorm. Een voorkant die zegt: hier sta ik, dit is mijn boeg, zo wil ik gezien worden.
Op nieuwjaarsdag droeg ze een zilverkleurig nep-kroontje met Happy New Year. Wat me toen al opviel, was hoe die ludieke, vrolijke uiting niet synchroon liep met haar uitstraling. Vandaag loopt ze een toestel vóór mij. Ze kijkt niet om, haar houding is gesloten. Vroeger had ik me hierdoor geïntimideerd gevoeld, of het bij mezelf gezocht. Nu zei ik in de auto tegen Ton:
“Volgens mij is iemand die zich zo presenteert eigenlijk heel onzeker.”
De volgende keer kijk ik met die gedachte naar haar. Ik vraag me af of dat iets zal veranderen — misschien vooral in mij.
Het was ook de dag dat ik weer een afspraak had bij de hartkliniek. Al sinds 3 juli vorig jaar zijn we bezig met onderzoeken naar mijn hart en het ritme. De hartfilmpjes zijn inmiddels ontelbaar. Dit keer liep het wachten veertig minuten uit. We werden naar een kamertje gebracht met de mededeling dat ik me alvast kon uitkleden, zodat er nog snel een hartfilmpje gemaakt kon worden voordat ik naar de cardioloog ging.
Ton en ik zeiden tegelijk: “Dat dacht ik niet.”
“Maar dat is protocol,” zei de assistente.
“Helaas,” antwoordde ik, “ik ben klaar met protocollen.”
We kregen een gesprek met weer een nieuwe cardioloog. Ze gaf mildere opties om over na te denken. Over zes weken komen we terug, zodat we er in rust over kunnen nadenken. Dat voelde goed.
Het was voor mij ook een dag van synchroniciteit. Niet als verklaring, niet als toeval, maar als een manier om dingen te onthouden. Eerst had Ton een afspraak voor de hondjes gemaakt op 3 maart — de verjaardag van een goede vriendin. Later maakte hij voor zichzelf een afspraak bij de praktijkondersteuner op 21 juli — de verjaardag van mijn tante, de enige zus van mijn moeder. En in de hartkliniek werd mijn vervolgafspraak gepland op 10 maart. De geboortedag van mijn overleden man Michel.
Ik gebruik zulke data als ezelsbruggetjes. Vandaag waren ze opvallend aanwezig.
Op de terugweg naar huis voelde ik me verdrietig. Zonder duidelijke reden. Misschien is Weltschmerz het juiste woord. Nu ik dit aan het eind van de dag opschrijf, is dat gevoel weer weg. Het mocht er even zijn. Dat was genoeg.
Misschien zijn sommige dagen geen verhaal,
maar een verzameling lagen.
Een hond die vertrouwt.
Een façade die ik anders leer zien.
Een grens die ik rustig trek.
Een datum die blijft hangen.
En een gevoel dat komt en weer gaat.
Vandaag hoefde niets opgelost te worden.
Ik was er gewoon.
Mijn zon gaat op, ik zag zijn vrijheid
26 januari 2026
Gisteren was het de geboortedag van mijn schoonvader. Ik werd eraan herinnerd door een bericht dat een neef op Facebook plaatste.
Wanneer ik aan hem denk, gebeurt er vrijwel altijd hetzelfde: mijn zon gaat van binnen op. Niet als herinnering die pijn doet, maar als iets wat vanzelf aanwezig is. Hij was voor mij een bijzonder mens. Ik hield van hem. Zijn aanwezigheid raakte me zoals weinig mensen dat ooit hebben gedaan. Ik ben dankbaar dat ik hem via mijn man Michel heb leren kennen.
Het is moeilijk uit te leggen wat ik precies voel. Het is geen gemis. Geen verdriet. Het is een verbinding die ik tot op de dag van vandaag met niemand anders zo heb ervaren. Er zijn geen juiste woorden voor, en misschien hoeven die er ook niet te zijn.
Toen ik hem leerde kennen, viel me meteen op hoeveel Michel op zijn vader leek. In zijn stem, zijn gezicht, zijn handen, zijn mimiek. En toch was er een verschil. In de ogen van Max zag je diepte, ondeugd en joie de vivre. Bij Michel zag je eerder geslotenheid en melancholie. Alsof zij elk een andere manier hadden gevonden om met hetzelfde leven om te gaan.
Wat ik toen nog niet kon benoemen, maar nu wel zie, is dit:
Max leefde vrijheid niet als luxe, maar als noodzaak. Niet als iets wat je je permitteert wanneer het leven meewerkt, maar als iets wat je kiest omdat er anders geen leven overblijft. Dat herkende ik onmiddellijk. Zonder woorden. Zonder aarzeling. Misschien was dat de reden dat ik hem meteen zag.
Max werd door mensen bewonderd en veroordeeld. De bewondering kwam vaak uit de creatieve kringen waarin hij zich bewoog — kunstenaars, schrijvers, dansers, zangers — mensen die hij ontmoette in cafés als Reijnders en Eijlders op het Leidseplein. De veroordeling kwam vaker uit zijn directe omgeving. Na de oorlog besloot Max dat het leven van hém was. Dat niemand hem ooit nog beperkingen zou opleggen. Vrijheid was zijn leidraad, op alle vlakken. Niet altijd gemakkelijk voor de mensen om hem heen, maar voor hem onontkoombaar.
De eerste keer dat ik hem ontmoette, gingen we samen uit eten. Toen Michel even naar het toilet was, pakte Max mijn hand en keek me indringend aan. Met zijn diepe, beschaafde stem vroeg hij of ik het zou willen overwegen hem er ook bij te nemen. Meteen daarna zei hij:
“Volgens mij ben jij niet geschokt door deze vraag.”
Hij had gelijk. Dat was ik niet. Ik vertelde hem dat ik het liever bij Michel hield — en daarmee was het goed. Die vrijheid van spreken, zonder drama of oordeel, typeerde hem.
Max overleefde de oorlog — naar eigen zeggen door puur geluk. Hij droeg die geschiedenis met zich mee, zonder haar uit te dragen als wapen of schild. Hij wist hoe kwetsbaar de mens is, en hoe noodzakelijk het soms is om een pantser te dragen. Dat pantser beschermt. Maar als het afgaat, blijft de mens over — kwetsbaar, open, levend.
Door hem ben ik gaan zien hoe vrijheid niet gegeven wordt, maar gekozen. En hoe je daar soms een prijs voor betaalt: afwijzing, onbegrip, eenzaamheid. Maar ook hoe trouw blijven aan die keuze iets oplevert wat niemand je meer kan afnemen.
Vanmorgen keek ik opnieuw naar de uitzending van Achter het Nieuws, geheel gewijd aan Max, gepresenteerd door een jonge Paul Witteman. Ik zie hem dan. Ik hoor hem. En meteen gebeurt het weer: mijn zon gaat op.
Ik voel geen verdriet dat hij er niet meer is.
Ik voel dankbaarheid dat hij in mijn leven was — en nog steeds is.
Ik mis hem niet.
Ik draag hem.
Niet als herinnering die pijn doet,
maar als aanwezigheid die warm blijft.
Misschien is dat ook een vorm van vrijheid:
dat wat werkelijk verbonden was,
niet verdwijnt,
maar van plaats verandert.
Als je benieuwd bent naar de uitzending die ik noem, hier is de link:
https://youtu.be/LVbnR_LpI8Q
Trouw voor jou
25 januari 2026
Soms valt iets wat je al je hele leven leeft ineens samen met woorden van buitenaf.
Niet als bewijs, maar als herkenning.
Er zijn weinig foto’s van mij als kind. En als ze er zijn, zit ik bijna altijd met mijn neus tegen een hond aan. Alsof dat vanzelf zo hoorde. In mijn jonge jaren heb ik heel wat tranen achtergelaten in de vacht van mijn hond Rakker. Stille tranen. Door niemand gezien — behalve door hem. Dat was genoeg.
Herken je dat — dat wat je ziet of hoort je even een steuntje in de rug kan geven?
Een glimp is soms al genoeg om te voelen dat je niet de enige bent.
Mijn hondjes zijn mijn meest trouwe partners. Ze lijken altijd te voelen hoe het met me gaat. Alsof ze mij lezen zonder vragen te stellen. Andersom voelen zij zich ook veilig bij mij. Het is een vanzelfsprekendheid tussen ons, geen afspraak.
Ooit had ik een hondje dat Donald heette. Niet mooi, maar ontzettend lief en eigenwijs. Ze mocht van ons niet op de bovenverdieping komen. Ze sliep beneden, in haar mand. Toch lag ze soms boven, op de overloop bij mijn slaapkamer. Het lukte ons niet om haar daar weg te krijgen. Ze opende zelf deuren, ook als we de sloten hadden omgedraaid.
Ik ontdekte later het patroon: wanneer ze zo halsstarrig boven bleef liggen, werd ik ziek. Zij voelde het al voordat ik het zelf doorhad. In die tijd was ik jong en ging ik structureel over mijn grenzen om zo normaal mogelijk te functioneren — als vrouw, partner en moeder. Dat hield ik een tijdje vol. Tot ik instortte. Mijn hond wist het eerder.
Als ik haar daar zag liggen, dacht ik: ojee, ik moet gas terugnemen. Dat was altijd te laat. Zij bleef naast mijn bed liggen tot ik weer beter was.
De blik in haar ogen toen we haar lieten inslapen, het vertrouwen dat ze had — dat zijn kostbare momenten. Een band die ik met geen enkel mens ken. Dat kan aan mij liggen, maar zo ervaar ik het.
Veel later kreeg ik Pan. Als pup werd hij ernstig ziek. Wekenlang verzorgde ik hem dag en nacht. Ik zette ’s nachts de wekker om zijn medicatie te geven. Hij overleefde het. Hij werd groot, zwaar, lief en trouw. Voor anderen indrukwekkend, voor mij — als hij de kans kreeg — een schoothond.
Toen Michel ziek werd, week Pan niet van zijn zijde. Op de bank, in bed, overal. Na Michels overlijden verplaatste Pan zijn aandacht direct naar mij. In die periode was ik zwak, mentaal en fysiek. Pan voelde dat hij mij moest beschermen. Dat sloeg om in dominantie en gevaarlijk gedrag naar iedereen buiten onze directe kring.
Bij mij lag hij samen met Kiba op bed. Zacht, beschermend, afgestemd. Maar naar de buitenwereld toe was hij niet meer veilig. Ik heb nog een hondencoach ingeschakeld, maar ik kon hem letterlijk niet aan. Hij was te sterk. Zijn roedel bestond uit mij, Kiba, de katten, de kinderen en ons kleinkind.
Voor het eerst in mijn leven moest ik afstand doen van een dier. Dat is nu tien jaar geleden. Nog steeds, als ik een Berner Sennen zie, gaat er een scheut door mijn hart.
Kiba was in die tijd een vrolijk, atletisch hondje. Na het verlies van Michel en Pan veranderde ze. Ze lag dagenlang in een hoekje, liep met haar staart tussen haar pootjes. De dierenarts vertelde me dat dieren ook rouwen. Ze had twee verliezen te verwerken. Pas na een half jaar kwam er weer leven in haar terug.
Vlak bij mijn huis stond eens een woning in brand. De brandweer gebruikte mijn huis als commandopost. Er werd een hondje uit het huis gered en het trillende dier werd op mijn schoot gezet. Ze heette Fluffy. Vanaf dat moment is ze nooit meer bij me weggegaan. Soms hoor ik haar getrippel nog in mijn hoofd, vlak achter mijn been. Ze werd vijftien en mocht bij de dierenarts in mijn armen inslapen.
In de coronaperiode namen veel mensen een huisdier. Puck werd als pup aangeschaft door jonge mensen. Toen het leven weer normaal werd, verdween hun aandacht. De moeder van het stel vond het zielig en zocht een nieuw baasje. De eigenaresse van de trimsalon stuurde mij een foto met de vraag of ik nog een plekje had.
Ik was verkocht.
Puck loopt, net als Fluffy, de hele dag achter mij aan. Ze ligt bij me op bed, wil naast me zitten of op schoot. Ze houdt me in de gaten. Ik knuffel mijn hondjes veel.
De laatste tijd zie ik steeds meer verschijnen over honden en mensen. Artikelen, gesprekken, reflecties.
Je hond als therapeut.
Wat huisdieren doen voor je mentale gezondheid.
Een monnik die zich afvraagt of het vies is dat een hond op bed slaapt — en concludeert dat er zelfs voordelen zijn.
Ik neem zo’n blad niet stiekem mee uit de wachtkamer. Ik schrijf het nummer op en bestel het later. Niet omdat ik iets zoek, maar omdat ik herken wat ik al lang leef. Het doet me goed dat er nu vanuit meerdere hoeken anders gekeken wordt naar dieren. Naar wat zij doen voor ons — en wij voor hen.
Trouwe aanwezigheid vraagt geen uitleg.
Ze is er.
Ze voelt wat ik zelf nog niet kan dragen.
Ze blijft, zonder voorwaarden.
Dat is voor mij trouw.
Puck en Kiba
Missen als een ronde vorm
24 januari 2026
Verlies is een groot onderdeel van mijn leven.
Van ieders leven.
Al jong ontdekte ik dat schrijven hierover voor mij winst kon zijn.
Op deze plek schrijf ik vooral over hoe ik verlies ervaar en hoe ik ernaar kijk. Dat maakt het niet tot waarheid. Voor mij wel, voor een ander misschien niet. Wat ik nu als waar ervaar, kan verschuiven door nieuwe inzichten.
Nieuwe inzichten kondigen zich bij mij altijd lichamelijk aan. Als een soort bevestiging.
Er gaat een Willie Wortel-lichtje aan in mijn hoofd. Of ik krijg kippenvel. Soms nog sterker, als een korte elektrische schok. Ik ga er niet bewust naar op zoek. Ik geloof dat de tijd zijn eigen tijd kiest. Dat vraagt rust en geduld. Groeien als mens vraagt wachten. Gek genoeg zijn inzichten die ik forceer voor mij vaak niet zuiver. Ze halen me weg bij wat zich werkelijk wil laten zien.
Het leven voelt voor mij als een kronkelig, breed pad met zijwegen. Uiteindelijk kom ik altijd weer terug op dat brede pad. Ik heb geleerd geen spijt te hebben van de zijwegen die ik nam. Soms uit ongeduld. Soms geleid door emotie. Het vallen en opstaan, de pijn, de ervaringen — ze blijken later winst.
Zo is geboren worden voor mij het begin van verlies.
Een lichaam hebben betekent beperking. Het moet gevoed worden, onderhouden, beschermd.
Elke verandering tijdens het opgroeien is het verlies van wat was en de winst van wat nieuw ontstaat. Dat geldt lichamelijk en mentaal. Iedere dag sterft er iets. En iedere dag komt er ook iets bij. Letterlijk: gisteren is weg, morgen is er nog niet.
Wat is er dan wel?
NU. Dit moment.
Ton en ik bezochten een tentoonstelling met de titel Missen als een ronde vorm. Kunstenaars die vorm hebben gegeven aan missen, aan omgaan met verlies en rouw. Ik was nieuwsgierig hoe zij dat hadden gedaan.
— Ieder mens krijgt vroeg of laat te maken met verlies. Of het nu gaat om het verlies van een dierbare, een huisdier of een vaderland. Hoe ga je om met het gemis en hoe houd je je dierbaren dicht bij je? —
Dat waren de eerste zinnen uit de aankondiging. In de zalen zag ik vooral het verdriet om dierbaren. De pijn van het missen werd op veel manieren verbeeld. Mooie kunst, maar het maakte me ook wat somber.
In een grote zaal, met uiteenlopende werken, stond een tekst op de muur die iets in mij raakte:
— In deze zaal wordt verdriet niet als een moment getoond, maar als een beweging. Als een trage golf die blijft komen en gaan, zelfs na het overlijden. Hoe krijgt de afwezigheid van de ander vorm in het dagelijks bestaan? —
Daar werd iets helder voor mij. Verlies en doorleven hebben voor mij niet alleen te maken met het missen van een dierbare of een vaderland. Ze zitten ook in de kleinste, dagelijkse dingen. Dichtbij. Voor mij is dat de essentie van wat wij leven noemen. Het begint in de kleinste atomen, in en om ons heen. Afsterven en vernieuwen.
Wanneer je dit kunt zien als een onafgebroken cyclus, is het altijd NU.
Voor mij is de enige ware ervaring van het heden het loslaten van verwachtingen, angst, zorgen, onrust en pijn. Door mijn hoofd leeg te maken van het verleden en de controle over de toekomst los te laten, kan ik in dat ware nu zijn.
De Annette die mij in de spiegel aankijkt, ben ik op het moment dat ik er voor sta.
Geen seconde eerder.
Geen seconde later.
Wat nam ik mee van deze tentoonstelling?
Het besef dat ieder mens een ander referentiekader heeft om vorm te geven aan iets als — missen.
En dat het allemaal waar is.
Missen is geen leegte die gevuld wil worden,
maar een beweging die rondgaat.
Wat verdwijnt, verandert van vorm.
Wat blijft, beweegt met me mee.
En telkens weer
is er alleen dit moment
waarin alles samenkomt.
24 januari 2026
🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.
Wanneer lachen kantelt
23 januari 2026
OMG!!!
Dit keer heb ik mezelf wel even op m’n nummer moeten zetten.
Aan het begin van de week waren mijn twee vriendinnen op visite. Hilde en ik hebben een gezamenlijke vriendin met een bepaalde, serieuze naïviteit waar we altijd enorm om moeten lachen. Met haar maak je Fawlty Towers-achtige situaties mee. Doordat zij zelf zo serieus is, lijkt het voor Hilde en mij soms alsof we in een sprookjesachtige comedy terecht zijn gekomen. We hebben onszelf toegestaan om hier samen over te praten — misschien is roddelen wel het juiste woord. In ieder geval komen die situaties soms boven en dan lachen we echt tranen met tuiten.
We vertelden dit aan Carry. Ik zag aan haar gezicht dat ze het geen fijn idee vond. Roddelen — het woord alleen al. En eerlijk gezegd ben ik het helemaal met haar eens. Ik heb slechte herinneringen aan roddelen. Het kan heel naar zijn. Hilde en ik bedoelen het niet kwaad. Maar waar ligt dan de grens tussen roddelen en het vertellen van een anekdote over iemand?
De afkeurende blik van Carry kwam wel bij me binnen. Ik voelde me schuldig. Het was geen vervelend verhaal, het was vooral heel komisch. Maar dan gaat het er misschien niet om wat je vertelt, maar waarom. Lachen we om een situatie — of lachen we iemand uit?
Vandaag was ik samen met Ton in een museum. Ton leest bij alle schilderijen en beelden de teksten, waardoor hij langzaam en geconcentreerd door een zaal schuifelt. Ik was ondertussen in het restaurant gaan zitten. Daar staan lange tafels aan elkaar, waardoor onbekenden zomaar naast je komen zitten. Zo zat ik daar eerst alleen, rustig te lezen.
Toen kwam er een groep dames naast mij zitten — een stuk of zes, zeven. Ze hadden het over een vrouw die er nu niet bij was. Het was overduidelijk roddel.
“Ach ja, ze heeft altijd wat.”
“Nou, als jij wist wat ík allemaal heb meegemaakt.”
“Waarom heeft ze jou geappt en niet in de groepsapp?”
“Ja, ze mag mij natuurlijk niet.”
“Geeft niet hoor, ik zorg gewoon dat ik nooit naast haar ga zitten.”
“Ik heb een appje gekregen — zal ik het voorlezen?”
Op een schertsende toon begon een van hen het bericht voor te lezen. En op dat moment zakte alle energie uit mij weg. Ik wilde alleen nog maar naar buiten. Dan maar in de kou wachten.
Ooooh… wat is dat erg.
De conclusie diende zich bijna lichamelijk aan: lelijk praten over iemand doet iets. Met jezelf. Met de ruimte. Met de ander — ook al is die er niet bij.
Buiten stond ik in de winterkou diep adem te halen. En ik dacht:
Annette, laat dit een les zijn.
Misschien niet om nooit meer over iemand te praten — leuk of niet —
maar om het alleen te doen wanneer je bereid bent je gedachten ook open en eerlijk met die persoon zelf te delen.
Of misschien is dat geen regel,
maar een oefening.
Eén die vandaag weer zichtbaar werd.
Misschien begint eerlijkheid niet bij wat ik zeg,
maar bij wat ik voel wanneer ik het zeg.
En misschien vraagt vrijheid soms niets groots,
alleen de moed om stil te worden
op het moment dat iets niet meer klopt.
Vandaag luisterde ik.
23 januari 2026
🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.
VRIJHEID
22 januari 2026
Op 22 januari 2025 werd ik opgenomen op de stroke-unit van het ziekenhuis. Natuurlijk was dat vervelend. Tegelijkertijd was het een moment waarop mijn gedachten direct vooruit gingen: hoe nu verder met deze verlammingen?
Geen schrik. Nee — eerder acceptatie van wat er was. Zelfs in de ergste scenario’s zag ik al mogelijkheden. Het weten dat ik altijd een weg vind om me gelukkig te voelen, hoe mijn situatie ook zal zijn. Dat geeft mij een gevoel van vrijheid.
Vandaag gaat het zoveel beter, zowel mentaal als fysiek. Veel beter dan ik had kunnen bedenken. Een kantelpunt in mijn leven. Je ziet het misschien niet aan de buitenkant, maar van binnen voel ik rust. Ik voel me vrij van de donkere geesten uit het verleden. Ze zijn onderdeel van wie ik ben, zonder dat ze me nog raken. Ze zijn er als ervaring — en dat voel ik als vrijheid.
Na het trainen vandaag scheen de zon in mijn lichaam. Mijn gezicht straalde ervan. Dat is vrijheid.
Sinds Ton en ik op de EGYM trainen, heb ik een app die alles registreert: wat ik gedaan heb, hoe zwaar, hoeveel, de vooruitgang en/of achteruitgang. Het is fijn en aantrekkelijk om dit niet alleen te voelen en te ervaren, maar ook visueel in kaart te zien. Helaas werkt deze app bij Ton niet. We maakten daarom een afspraak met de administratie om daar persoonlijk langs te gaan. Zo gezegd, zo gedaan.
Ton vroeg ook naar mijn medische indicatie en hoe de vergoeding loopt. Eerst moet je langs een fysiotherapeut, die voert het in, en dan loopt het via de zorgverzekering. Maar… dan mag je alleen tussen 12.00 en 16.00 uur komen. Alleen als je zelf betaalt, kun je kiezen wanneer je wilt trainen — van 8.00 tot 21.00 uur.
Wat voor mij op dit moment zo goed werkt, is: opstaan, wassen, ontbijten (de helft), trainen, en daarna terugkomen om verder te ontbijten. De hele dag ligt dan nog voor me. Dat zou dus niet meer kunnen.
Op het moment dat deze vriendelijke dame dit tegen ons zegt, voel ik het vuur uit mijn ogen schieten en zeg ik:
“Dus als je gehandicapt bent, wordt niet alleen je lichamelijke vrijheid beperkt, maar deze vrijheid ook?”
De schrik in haar ogen laat mijn opkomende woede direct zakken. Ik voel begrip: zij heeft deze regels niet gemaakt. Ik verontschuldig me meteen voor mijn snelle, verongelijkte reactie.
Er zijn twee opties.
-
Zelf een abonnement betalen zonder indicatie.
-
Het ziekenfonds bellen, in de hoop dat het anders geregeld kan worden.
Het ziekenfonds houdt zich strikt aan de regels. Ga ik op de vastgestelde tijden, dan betalen ze €50 per dag. Doe ik dat niet, dan betalen ze niets en kost het mij €50 per maand. De keuze was eenvoudig. Liever zelf bepalen.
Het grappige is dat ik als puber een tijdlang de boeken van Jean-Paul Sartre verslond. Het existentieel humanisme stelt dat de mens volstrekt vrij is en zelf zijn leven en betekenis moet creëren in een wereld zonder inherente zin. Dat brengt een totale verantwoordelijkheid met zich mee: de mens is ‘veroordeeld tot vrijheid’. Vrijheid is geen cadeau, maar een opdracht. Elke keuze vormt niet alleen jezelf, maar ook de mensheid.
Daarin paste ik mijn eigen moraal, zoals ik die had geleerd en geïnterpreteerd uit de Bijbel. Ik dacht daarbij meer aan een BRON dan aan een God.
Jaren later, tijdens mijn studie, kwam ik Carl Rogers tegen. Opvallend was dat dit existentieel-humanistische denken nauwelijks aandacht kreeg op de universiteit. Voor mij sloot Rogers nog dichter aan bij hoe ik in het leven sta. Zijn humanisme legt de nadruk op vrijheid via zelfactualisatie: de aangeboren drang van de mens om zijn volledige potentieel te benutten. Dat kan alleen bloeien in een omgeving van onvoorwaardelijke positieve acceptatie, empathie en echtheid. Van daaruit ontstaat autonomie — leven vanuit een intern referentiekader, los van externe, vaak voorwaardelijke eisen.
Al tijdens mijn studie verzette ik mij innerlijk tegen vaste definities op dit vlak. Veel later ben ik het eclectische gaan omarmen en kon ik mezelf toestaan dit als een organisch groeiend concept te zien. Niets vaststaand. Beweeglijk. Veranderlijk zelfs. Vrijheid is nauwelijks te definiëren. Eigenlijk verlies je al een deel op het moment dat je geboren wordt. Je hebt opeens een lichaam.
Hoe vrij is dat?
Vrijheid is niet de afwezigheid van grenzen, maar de manier waarop ik me tot grenzen verhoud — ethisch, belichaamd, en met oog voor de ander.
Door dit sterke vrijheids-thema moest ik ook denken aan mijn schilderij Colorful Equality.
“For to be free is not merely to cast off one’s chains, but to live in a way that respects and enhances the freedom of others.”
Jaren geleden maakte ik dit schilderij met die quote van Nelson Mandela.
Colorful Equality is een ode aan gelijkwaardigheid, vrijheid en respect. De vele hoofden, elk met hun eigen kleuren en texturen, staan symbool voor de verscheidenheid van de mensheid. Ze zijn uniek, maar verbonden — gevormd door verschillende verhalen, achtergronden en perspectieven. Vrijheid is niet alleen het recht om jezelf te zijn, maar ook de verantwoordelijkheid om ruimte te scheppen voor de ander.
Wat ik nooit begreep, is waarom ik de achtergrond zo vurig schilderde. Vandaag snap ik voor het eerst waarom die gezichten in een vuurzee staan.
— Vrijheid die in het geding komt, voelt alsof je haar in eerste instantie te vuur en te zwaard zou willen verdedigen. —
Ook hier komt, na jaren, een betekenis boven drijven die ik zelf nog niet eerder had gezien.
Vrijheid is geen toestand die ik bereik.
Het is een beweging die ik telkens opnieuw maak.
Niet door grenzen te negeren,
maar door ze bewust te bewonen.
Vandaag kies ik niet voor minder,
maar voor waarachtiger.
En dat blijkt genoeg ruimte te zijn.
Colorful Equality - Acryl - 3D - 100 cm x 100 cm
22 januari 2026
🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.
FLEETING LIFE
Over tijd
Dit was het.
Eén heel jaar.
Een lang jaar.
Een traag jaar.
Een kort jaar.
Een supersnel jaar.
Fleeting life.
We zeggen: de tijd vliegt.
En ineens zie ik het helder:
als mens leef je altijd in twee tijdzones tegelijk.
Er is tijd die gemeten wordt in tijd.
Die is vluchtig.
Bijna niets.
Eén jaar.
Tien jaar.
Honderd.
Duizend.
Een mensenleven
is een druppel
in de oceaan van tijd.
En tegelijk
staat de tijd stil.
Je béleeft.
Er gebeurt van alles.
Er ligt nog zoveel in het verschiet.
Over vijftien jaar dan…
Vroeger toen…
Dat voelt als een eeuwigheid.
En toch
vliegt de tijd voorbij.
Als ik terugkijk naar dit dagboek
ervaar ik beide.
De tijd is vluchtig.
De tijd staat stil.
En de tijd vliegt aan mij voorbij.
De tijd eindigt niet.
De tijd begint niet.
De tijd is.
De stem terug
21 januari 2026
21 januari 2025 werd ik wakker en kon ik niet meer praten.
21 januari 2026 heb ik mijn stem letterlijk en figuurlijk terug.
Wat er tussen die twee zinnen ligt, was geen rechte lijn. Het was ook geen herstelverhaal in stappen of doelen. Het begon met ontregeling.
Mijn lichaam vroeg aandacht, maar dat was niet waar de grootste strijd zat. De lichamelijke tegenslag nam ik direct serieus. Revalidatie hoorde erbij, vanzelfsprekend bijna. Daar zat geen drama, geen verzet. Het lichaam kende ik al langer als een eigenzinnig maar eerlijk instrument. Dat deel liep.
Wat niet liep, waren mijn emoties.
Ze kwamen ongefilterd naar boven. Rauw, oud, niet te sturen. Pijn, herinneringen, reacties die ik herkende maar niet meer kon beheersen. Alsof er deuren openvlogen die jarenlang gesloten waren gebleven. Niet één voor één, maar tegelijk. Dat verraste me — en het confronteerde me.
Daarom besloot ik te gaan schrijven. Niet om het kwijt te raken, maar om het te onderzoeken.
Waarom doe ik wat ik doe?
Waarom reageer ik zoals ik reageer?
Kan ik dat veranderen?
Wil ik dat veranderen?
Heb ik keuzes?
En als ik kies — mogen die keuzes dan ook veranderen?
Het werd geen analyse, maar een proces. Met ups en downs. Met momenten van helderheid en momenten van verwarring. Geen spectaculaire groei, maar — zo zag ik later — wel een onzichtbaar stijgende lijn.
Een aanvaring met mijn zoon werd een kantelpunt. Niet door de omvang van het conflict, maar door wat het zichtbaar maakte. Dat dit niet alleen mijn binnenwereld was. Dat wat in mij gebeurde, doorwerkte. En dat ik hier niet alleen doorheen hoefde — en misschien ook niet alleen doorheen kón.
Ik zocht hulp. En daar werd iets zichtbaar wat ik lang niet onder ogen had willen zien: mijn hart droeg een pantser. Geen klein schild, maar een harde laag, gevormd over jaren. Beschermend, functioneel — en uiteindelijk verstikkend. Het beeld dat daarbij hoorde was helder.
Een kogel vernielt. Die slaat in, scheurt kapot, laat geen twijfel over wat geraakt is. Zo had schade er in mijn hoofd altijd uitgezien. Maar dit was geen kogel. In mijn leven was het een naald. Een dunne, bijna onzichtbare beweging, die langzaam door het pericard glijdt. Niet om te vernietigen, maar om ruimte te maken. Geen klap, geen drama — wel een onmiskenbaar proces. Je ziet het nauwelijks gebeuren, maar je voelt het wel. Adem krijgt weer plaats. Het hart hoeft zich niet langer schrap te zetten.
Rond 23 december voelde ik iets wat ik alleen maar kan omschrijven als verlichting. Geen euforie. Geen groot inzicht. Maar een lichamelijk weten: hier is iets verschoven. Dit was voor mij het meest tastbare kantelpunt van dit jaar.
En toen gebeurde er nog iets onverwachts. De EGYM. Geen lange opbouw, geen traject. Eén dag. Alsof mijn lichaam ineens begreep dat het weer mee mocht doen. Niet vechten, niet compenseren, maar deelnemen. Het was geen prestatie. Het was integratie.
Nu, een jaar later, kijk ik terug zonder heroïek. Dit was geen overwinningstocht. Het was een eerlijk jaar. Een jaar waarin emoties niet langer te onderdrukken waren. Waarin oud materiaal zich aandiende en onderzocht mocht worden. Waarin ik ontdekte dat keuzes bestaan — en dat ze mogen veranderen. Waarin mijn hart zachter werd, mijn lichaam weer werd meegenomen, en mijn stem langzaam terugkeerde.
Niet luid.
Wel van mij.
Vandaag sluit ik geen hoofdstuk af om het dicht te doen.
Ik sluit het om ruimte te maken.
Ik ben hier.
Ik spreek weer.
Er zijn breuken die je neerhalen,
en er zijn openingen die je niet ziet ontstaan.
Ze maken geen geluid,
ze vragen geen aandacht,
maar ineens stroomt er weer iets wat lang had stilgestaan.
Dit is geen einde.
Dit is het moment waarop het leven weer door mij heen durft te gaan.
21 januari 2026
🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.
Kleine verschuivingen
20 januari 2026
Op dagen waarop ogenschijnlijk niets gebeurt, zijn er altijd kleine, stille momenten die het leven net even laten oplichten. Ik heb mezelf de opdracht gegeven die te zien en vast te leggen. Niet elke dag is spectaculair. Er zijn rustige, bijna saaie tijden, en er zijn dagen die bruisen. Momenteel vaar ik door kalm water.
Ik werd wakker doordat Ton me wekte. Mijn droom was intens. Er was gevaar, maar geen angst. Integendeel: ik ging in elke situatie vanzelfsprekend goed om met wat zich aandiende. Om mijn dromen niet te verliezen, loop ik altijd direct naar mijn laptop om ze op te schrijven. Vanmorgen deed ik dat met een opvallend optimistisch gevoel.
In de sportschool was het rustig. Ik deed wat extra oefeningen en zong zachtjes mee met de radio die door de zaal klonk. Thuis zag ik via de app dat mijn bestie Hilde mijn blog van gisteren had gelezen en er warm op reageerde. Dat deed me goed.
Even later belde Ton: of ik hem wilde ophalen bij de garage. In mijn kast hangt een bonte winterjas die ik nog nooit gedragen heb. Toen ik hem kocht zat hij te strak rond mijn armen en rug. Door een lange periode van slecht ter been zijn — al vóór mijn CVA — was ik behoorlijk aangekomen. Toch hield ik die jas. Voor betere tijden. Voor slankere misschien.
Vandaag trok ik hem weer aan. Hij zat perfect. Niet strak, gewoon goed. In de lift keek ik in de spiegel en dacht: wat staat daar een leuke vrouw. Ik voelde me oprecht tevreden. Dat ik überhaupt in de spiegel kijk is al nieuw. Dat ik mezelf daar ook nog met mildheid zie, is misschien nog wel bijzonderder.
Eind vorig jaar heb ik mijn atelier volledig opgeruimd. Het was lang een doorn in het oog geweest, simpelweg omdat ik de energie niet had om eraan te beginnen. Uiteindelijk lukte het. En toen — bijna achteloos — werden er weer spullen neergezet. Dozen. Opslag. Kerstspullen. Opnieuw geen ruimte.
Ik heb er iets over gezegd, meer dan eens. Maar Ton voelt die druk niet zoals ik dat doe. En dit keer merkte ik dat ik niet hoefde te vechten. Ik liet het liggen. Vandaag hebben we het samen opgeruimd. Rustig. Zonder spanning. In een harmonische sfeer.
Het waren geen grote gebeurtenissen vandaag. Geen mijlpalen. Maar voor mij waren het regelrechte pareltjes.
Misschien is dit wat leven soms doet:
het verschuift niets groots,
maar zet alles net een fractie beter.
En ineens past het weer.
20 januari 2026
🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.
Wie leest wie?
19 januari 2026
Twee vriendinnen kwamen vandaag bij mij langs.
Carry — mijn vriendin sinds de brugklas. Vijftig jaar inmiddels. Dat blijft een vreemd, bijna onwerkelijk getal.
En Hilde, mijn bestie. Ze kennen elkaar wel, maar zijn geen vriendinnen van elkaar. Dat hoeft ook niet. Het was een ontspannen middag. We hebben gelachen, echt gelachen, zoals vroeger.
De afgelopen tijd ben ik intensief bezig met mijn boek. Ik heb in een jaar ongelooflijk veel tekst geschreven en die gebruik ik nu als basis. In mijn hoofd is er een duidelijke structuur. Ik zie hoe alles samenhangt. Maar zodra ik het in het format van ChatGPT probeer te gieten, ontstaat er ruis. Het materiaal is groot, gelaagd, complex — en ergens raakt het systeem steeds de kluts kwijt.
Op een gegeven moment zei ik tegen Ton:
als dit een collega was geweest in plaats van een AI-hulp, dan hadden we nu bonje gehad. Dan had ik hem achter het behang geplakt.
Ik werd er gek van. Ik ging zweten. Maakte me te druk.
Ton stelde voor mijn bloeddruk te meten.
Die bleek die van een jonge, gezonde vrouw te zijn.
Dat viel dus reuze mee.
Knap eigenlijk — ruzie maken met een computer.
De komst van mijn vriendinnen was een welkome afleiding.
Hilde vroeg een paar keer hoe het met me ging.
En het eerlijke antwoord is: ongewoon goed.
Sinds ik naar de nieuwe sportschool ben gegaan, is er veel veranderd. Ik heb energie. Ik voel me stabiel. Er is een innerlijke rust die ik niet van mezelf ken.
Maar ze vroeg het zo indringend.
Ze vertelde dat ze, na het lezen van mijn stukken, het idee had gekregen dat ik depressief was.
Dat raakte me. En het verbaasde me.
Ik ervaar juist helderheid. Natuurlijk gebeurt er van alles — maar het beklijft niet. Het slaat niet naar binnen. Ik heb het gevoel dat alles er mag zijn, zonder dat het me onderuit haalt. Niet zoals vroeger, toen ik het oploste door een ondoordringbaar pantser te dragen.
Nu is het anders: zien, voelen, en weer loslaten.
Een voor mij nieuwe manier van in het leven staan.
Wat zegt dit over de manier waarop ik schrijf?
Wat zegt het over hoe mijn vriendin mijn teksten laat binnenkomen?
Wat zegt het over mij?
Over haar?
Ik vind dat een interessante vraag.
Vorig jaar schreef ik nog duidelijk vanuit een zelftherapeutische beweging. Nu schrijf ik meer vanuit existentiële nieuwsgierigheid. Minder om mezelf te redden, meer om te kijken. Misschien raakt dat iets universelers — waardoor de thema’s zich kleuren naar de lezer zelf.
Althans, dat denk ik.
Maar dat zijn aannames.
En wie ben ik?
Wie is zij?
Wie ben jij?
Misschien is schrijven geen spiegelen van wat ís,
maar een ruimte waarin ieder ziet wat hij kan dragen.
Niet omdat het daar staat,
maar omdat het in beweging komt —
tussen mij, jou, en wat nog geen naam heeft.
19 januari 2026
🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.
TUSSEN LIEFDE EN LEEGTE
18 januari 2026
Ik heb gedroomd over Ton en mij. Waar de droom precies over ging, weet ik niet meer. Maar toen ik wakker werd, bleef er iets hangen: een conclusie, en een paar vragen die zich niet lieten wegdrukken.
Zie ik en ervaar ik hetzelfde als toen?
Hoe ga ik daar nu mee om?
En hoe doe ik dit — zonder mezelf opnieuw te verliezen?
Mijn eerste man, de vader van mijn oudste dochter, leerde ik kennen op vakantie. We werden hevig verliefd. Jong getrouwd. We mochten een lief meisje ontvangen, Renée. Daarna volgde een zware operatie en twee jaar revalidatie. Aan het einde van die periode werd Renée geboren. Mijn lichamelijke conditie ging zo achteruit dat ik volledig werd afgekeurd.
Het maakte toen allemaal niet uit. Ik was gelukkig getrouwd en had een kind. Het leven was moeilijk, waardoor mijn ouders een deel van de zorg voor mijn dochter overnamen. Ik bleef vaak alleen achter in mijn flat. Mijn auto werd aangepast, ik kreeg een rolstoel en een scootmobiel. Mijn wereld werd weer iets groter.
In die tijd kwam yoga op mijn pad. Ik stortte me er volledig op. Mijn energie keerde terug. Ik kon weer beter lopen — letterlijk en figuurlijk. Er gebeurde in die jaren veel meer dat bepalend is geweest voor mijn leven, maar dat is nu niet het punt.
Door de verdieping die ik doormaakte, door hoe ik altijd al in het leven stond maar nu nog sterker, raakte ik steeds verder verwijderd van mijn man. Tot er een moment kwam waarop er naar mijn gevoel niets meer was. Geen communicatie. Geen gezamenlijk doel. Geen liefde. Leegte.
Ton leerde ik acht jaar geleden kennen, nadat Michel tweeënhalf jaar daarvoor was overleden. Ook wij werden smoorverliefd. We waren al snel onafscheidelijk. Ton is iemand die zorgt — beter gezegd: hij verzorgt. Hij kookt, doet boodschappen, neemt het huishouden over. Voor mij voelde dat als de hemel op aarde. Het gaf me ruimte. Ruimte om weer te schilderen. Om creatief te zijn.
Totdat hij in mijn leven kwam, was leven en overleven meer dan genoeg. Dat was wat mijn lichaam aankon. Niets mis mee. Ik had niets te klagen. Maar door die ruimte werd ook iets aangeraakt wat lang had stilgelegen. De energie die schilderen me gaf, was enorm.
We verhuisden samen naar een gelijkvloers appartement, met een klein atelier. Perfect. We kochten fietsen zodat we de natuur in konden en ik beweging had. En toen kwam het CVA. De revalidatie. De bewustwording. En het herboren gevoel van nu.
Ton is zo goed voor mij. En tegelijk spreken we niet dezelfde taal. Hij kan niet mee in mijn gedachtegang. Hij wil alles rationaliseren. Hij gaat discussies aan over dingen die voor mij geen discussie zijn, maar er gewoon zijn. Ik wil de ruimte om dat hardop te benoemen — en telkens belanden we dan in afstand. In leegte.
En dan komen de vragen.
Wat gebeurt er met mij als het zo goed blijft gaan als nu?
Als mijn energie weer volledig terugkomt?
Laat ik die leegte opnieuw ontstaan?
Word ik weer liefdeloos — niet uit onwil, maar uit overleving?
Ik wil het anders doen. Zonder in herhaling te vallen.
Geen verwachtingen hebben van dezelfde denkbeelden.
Zien wat hij wél voor mij doet.
De kleine liefdevolle dingen niet veronachtzamen.
Mijn liefde niet laten afhangen van herkend worden, maar wel erkend.
Liefde geven. Liefde delen. Zodat er ook ruimte is voor Ton om te ademen.
Dat is waar ik nu sta.
Niet met antwoorden.
Maar met een keuze om aanwezig te blijven — ook wanneer het schuurt.
Misschien vraagt liefde soms niet om samenvallen,
maar om naast elkaar blijven staan
zonder jezelf te verlaten.
Niet om dezelfde taal te spreken,
maar om elkaar ruimte te geven
om in die verschillen te blijven ademen.
18 januari 2026
🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.
OMARM DE HOOP
17 januari 2026
In de postbus lag een pakje, aan mij geadresseerd, met een voor mij bekend handschrift: lange halen en enigszins sierlijke krullen. Het was een pakketje van mijn zus, dat zij voor mijn verjaardag had gestuurd. De post liep wat achter na de sneeuwval aan het begin van het jaar. Op de begrafenis van mijn nichtje vroeg mijn zus voorzichtig of ik niets had ontvangen. Nee, maar maak je geen zorgen, het komt echt wel, zei ik.
Prachtig ingepakt in een geel zijden doek met fluitenkruid kwam er een mooi gebonden boek tevoorschijn.
Onthoud dit altijd…
De jongen, de mol, de vos, het paard en de storm, geïllustreerd en geschreven door Charlie Mackesy.
Zonder het gelezen te hebben voelt het boek al prettig. Het doet me denken aan mijn jeugd, toen boeken nog ouderwets gebonden waren en de kaft wat zacht en dik was, met reliëf. De tekening en de titel doen vermoeden dat het — net als Olivier B. Bommel en Winnie de Poeh — een boek zal zijn met prachtige tekeningen en gedragen teksten, met diepere lagen.
Nieuwsgierig als ik ben, ga ik eerst op internet op zoek naar wie Charlie Mackesy is.
Het idee voor het boek ontstond nadat auteur en illustrator Mackesy zijn Instagram-account begon te vullen met tekeningen die vrede, empathie en zelfreflectie uitstralen. Dat was voor mij meteen duidelijk.
Na het overlijden van een goede vriend begon hij een jongen te tekenen die met een paard praat — als uiting van zijn verdriet en als gesprek over de aard van moed. In een tijd van verwarring, wrok en tragedie biedt het verhaal van de jongen, de mol, de vos en het paard een eenvoudige manier om opnieuw naar de wereld om ons heen te kijken. Sommige gevoelens lijken misschien simpel, maar het zijn juist de essentiële dingen die we in tijden van onrust gemakkelijk vergeten of onderdrukken.
Het is een boek over hoop. Zoals ik zelf in eerdere blogdagen heb geschreven: het licht zien en ervaren in kleine, eenvoudige dingen.
Mijn zus en ik hebben altijd een ambivalente relatie gehad. Liefde en afgunst. We weten allebei waar de wortels daarvan liggen. We hebben allebei geprobeerd zaadjes van liefde te laten landen, in de hoop dat ze zouden ontkiemen, groeien en bloeien.
Vandaag kan ik, na het lezen van haar briefje dat zij in een mooie open envelop bij het boek had gevoegd, zeggen dat die zaadjes enorme bomen zijn geworden — met diepe wortels en vol bloesem. Voor mij was dit vandaag een waardevol geschenk. Een voorbeeld van hoe magisch en wonderlijk levens kunnen verlopen.
Ik leg het boek op mijn nachtkastje, om iedere nacht voor het slapen gaan een stukje te lezen.
Misschien is hoop niet iets groots om vast te houden,
maar iets kleins dat je zachtjes toelaat.
Een gebaar.
Een boek.
Een zin die naast je mag liggen
wanneer de dag tot rust komt.
17 januari 2026
🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.
MAGISCH LEVEN
16 januari 2026
Het leven is iets wonderbaarlijks. Ik bedoel: wat maakt dat iets leeft? Dat alleen al is een wonder. We weten voor een groot deel hoe ons instrument — ons lichaam — werkt. Als het hart stopt, als de adem stopt, dan leven we niet meer. Vooral de laatste jaren word ik zo vaak met de dood geconfronteerd, dat deze wezenlijke vraag in mij leeft als het trillen van geluidsgolven, als resonantie — zoals we die terugzien in het heelal. Ritmische, synchrone bewegingen en trillingen op kosmische schaal: planeten in harmonische banen, de natuurlijke vibraties van sterren.
Na het overlijden van mijn opa, oma en mijn vader popte deze vraag wel even op, maar verdween daarna weer ver weg uit mijn systeem.
Na het overlijden van Michel begon deze vraag echter te leven — bijna als iets organisch. Hij was het startsein in mijn leven waarin mensen verdwenen als sterren die uitdoven. Sommigen als een supernova, met een spetterende explosie. Anderen verdwenen in een zwart gat. Ook dat blijft mysterieus.
In ieder geval blijft het begin en het einde, en de betekenis van dit alles, in mijn bewustzijn aanwezig. Niet zwaarmoedig — nee, eerder organisch, als een stukje dat een vast deel van mijn bestaan is geworden. Of misschien was het er altijd al. In ieder geval is het een deel dat mij nog dieper naar het leven en de betekenis daarvan leert kijken.
Zo heb ik wel keuzes gemaakt. Wat zich ook aandient: ik wil er met verwondering en nieuwsgierigheid naar kijken. Waarom ik dat een keuze noem? Soms voel ik negatieve emoties — gekwetst zijn, niet begrepen worden, pijn, of iets anders vervelends. Mijn keuze is dan niet om het te ontkennen, maar om het te voelen en ermee om te gaan, zo goed als ik kan. Dan word ik vanzelf nieuwsgierig naar waarom ik zo reageer, of wat maakt dat iets zo’n pijn doet. De verwondering over hoe dit werkt volgt dan vanzelf. Sterker nog: door deze keuze groeien verwondering en vertrouwen. Ze worden groter.
Iedere dag — hoe middelmatig die ook lijkt — zit vol magische momenten. Soms zo klein dat ze nauwelijks waarneembaar zijn.
Inmiddels weet ik het zeker… het is er écht.
Hahaha — daar kan ik iedereen van verzekeren.
De dag is traag en vervelend. Ik kijk naar de kersenbloesemtakken die ik in de supermarkt heb gekocht, en er komen waarachtig bloemen uit. Een piepklein magisch moment. Mijn hond die met zijn trouwe ogen naar me opkijkt — een magisch moment. Mijn man die iedere dag met liefde eten voor me klaarmaakt. Misschien routine, misschien gewoon, maar in wezen zijn het magische momenten.
Iedere dag wil ik ernaar kijken, het voelen — en het vooral zien en waarnemen.
Wat de betekenis van het leven is, kan ik niet definiëren.
Maar dit is hoe ik het wil invullen.
En zo wil ik het beleven.
Iedere dag — hoe gewoon ook — draagt iets magisch, zodra ik bereid ben het te zien en te voelen.
Misschien is magie niets bijzonders.
Misschien is het wat zichtbaar wordt
wanneer ik ophoud te haasten,
en blijf bij wat er al is.
Niet groots, niet spectaculair —
maar levend,
ademend,
en precies genoeg.
16 januari 2026
🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.
DE HERDER IN MIJ
15 januari 2026
Vandaag ben ik naar de begrafenis geweest van een nichtje. Zij woonde in het dorp waar mijn vader is grootgebracht. Een groot gezin met acht kinderen, die altijd met elkaar zijn blijven omgaan. In ieder geval gingen ze af en toe bij elkaar langs. Al hun kinderen, waaronder ikzelf, hebben dus met elkaar gespeeld. Nadat de oudere generatie allemaal zijn overleden, zijn wij begonnen met 1x in het jaar een nichten en nevendag te organiseren om op deze manier nog verbinding te ervaren als familie. Nu de oudere garde getransformeerd is, is de uitdunning binnen deze nichten en neven groep begonnen. Het is een apart gevoel om te zien dat we allemaal ouders zijn geworden en allemaal grootouders en sommigen van ons zelfs overgrootouder. Vrijwel iedereen is aanwezig. Deze mensen zijn heel verschillend maar hebben een liefdevolle familieband, altijd blij elkaar te zien. Elkaar steunen op dit soort verdrietige momenten hoort er dan ook bij.
Mijn overleden nichtje was gelovig en onderdeel van een kerkgemeenschap. De dienst werd dus voorgedragen door een dominee. Een normale man die het gelukkig ook dicht bij zichzelf hield. Geen opzwepende gedragen teksten, zoals ik weleens heb meegemaakt. De dienst begon met ‘De Heer is mijn Herder’. Een bekende tekst, die veel mensen een zekere rust geeft. Ik kan mij herinneren dat dit ook voor mijn ouders gold. Voor mij is de interpretatie wat moeilijk. Ik geloof in een oerkracht. Ik ben bereid om het ‘God’ te noemen. Maar voor mij is het een kracht in mij, een kracht in iedereen, in de natuur, in de lucht die ik inadem. Het is overal. Het is een kracht die ik in mijzelf kan oproepen, en waar ik vervolgens op vertrouw. Het houdt niet in dat het ‘Het Leven’ buiten mij houdt. Nee, door pijn en moeilijkheden gaan hoort erbij. Alles wat op mijn weg komt, goed of slecht, leuk of vervelend, mooi of lelijk enz. hoort daarbij. De kracht in mij, de oerkracht, de ‘God’ in mij geeft richting aan hoe ik ermee omga. Dus zou ik nooit vragen ; “Waarom overkomt dit mij ?”
Nee, ik geloof dat ‘Het Leven’ mij de weg aanbiedt die ik kan en mag gaan. De bijbelse teksten vind ik mooi als ik dit meer metaforisch kan interpreteren. Want als de Heer mijn Herder is en hij mij de weg wijst, dan heeft hij de leiding. Laat ik me dan leiden ? Of zoek ik naar de herder in mijzelf en laat ik dat leiden ? Misschien bedoelen we hetzelfde, voelen we hetzelfde maar is het een taalkundig misverstand.
Misschien zoeken we geen andere waarheid,
maar andere woorden.
Misschien is wat ons draagt niet buiten ons,
en ook niet alleen van ons,
maar iets wat zich van binnenuit laat voelen
wanneer we stil genoeg worden om te luisteren.
En misschien is volgen dan niets anders
dan leren vertrouwen
op wat zich van binnen al weet
Het gemaal in Ouderkerk aan de IJssel — een plek van water, stilte en herinnering, waar ieder van ons op zijn eigen manier deel van is.
15 januari 2026
🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.
Aangewakkerd
14 januari 2026
Mijn droom van vanochtend heeft een vraag aangewakkerd.
Wat is eigenlijk het verschil tussen kijken en waarnemen?
Volgens mij is kijken dat wat je ziet: een onderwerp, een object, een persoon — zonder werkelijk waar te nemen. Het is een passieve manier van zien. Je ziet iemand, maar niet per se zijn of haar kleding, of iemand lacht of juist niet.
Waarnemen gaat dieper. Waarneming vraagt om aandacht; kijken niet. Grappig eigenlijk: bij allebei gebruik je het werkwoord zien, maar het betekent iets anders. Bij waarnemen gebruik je je zintuigen — zien, horen, ruiken, proeven, voelen — om betekenis te geven aan wat je ziet. Het is een zintuiglijk proces en daardoor ook subjectief. Je neemt immers altijd je eigen ervaringen mee.
Kijken is letterlijk zien met de ogen. Het is objectief.
Goed. Laat ik er dan van uitgaan dat dit de definities zijn van kijken en waarnemen. Dan komt vanzelf de volgende vraag op. Wat is belangrijker: kijken of waarnemen? Objectief of subjectief? Zo breng ik mezelf weer in een dualistisch vraagstuk — en dat is nu juist waar ik het liefst van verschoond blijf.
Wanneer je een verder reikende vraag stelt, kom je, als je eerlijk bent, bijna altijd uit bij dualistische stellingen. Misschien is dat wel wat leven is. Het vraagt uiteindelijk niet om het één uit te sluiten ten gunste van het ander, maar om ze samen te laten bestaan. Alleen samen vormen ze een geheel. Misschien zien we dan het best door te kijken én waar te nemen.
En dan ben ik er nog niet.
Wat als je blind bent? Hoe werkt het dan? Kun je dan alleen maar waarnemen? Ervaar je de wereld dan volledig subjectief? Ik weet dat bij blinde mensen andere zintuigen sterker worden aangesproken — en misschien ook een zesde, onzichtbaar zintuig meer ruimte krijgt. Wat betekent dat eigenlijk?
Zou je dan kunnen zeggen dat er mensen zijn die zichtbaar een defect hebben, maar misschien juist door datzelfde defect gezegend zijn? Kunnen zij daardoor sneller of anders ontwikkelingen doormaken? En zou het kunnen dat wat wij als een defect beschouwen, in het geheel misschien helemaal geen defect is?
Ik weet dat ik mezelf — en misschien ook de lezer — met deze gedachtenhoepels een beetje tureluurs maak. Maar een antwoord op het bestaan of hoe het precies werkt, hoeft voor mij niet per se. Vragen stellen en ze hardop benoemen, vind ik prettig om op deze plek te kunnen doen.
Misschien hoeft het leven niet opgelost te worden.
Niet opgeheven in één waarheid.
Zolang ik hier ben — met een lichaam, met zintuigen, met vragen —
beweeg ik tussen onderscheid en verbinding.
En misschien is dat geen gebrek aan non-dualisme,
maar juist de manier waarop het geheel
zich in de materie laat ervaren.
14 januari 2026
🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.
Zondagsgevoel
13 januari 2026
Het zondagsgevoel. Het is dinsdag, maar het voelt als een zondag. Vroeger betekende dat: nog even vrij en dan weer werken. Een soort verlies van autonomie. Maar dat ken ik eigenlijk al veertig jaar niet meer. Dus wat betekent dit gevoel nu?
Voor mij is het rust. Gezelligheid. Niets moeten, alles mogen. Een wereld die niet aan me rammelt, maar redelijk stil is. Dat is het vooral: wanneer mijn omgeving weinig inbrengt, weinig geluid maakt, ontstaat dit zondagsgevoel.
Ik sta op, ga trainen, ontbijt thuis. Tijdens het ontbijt gaat de tv aan. Politiek — het vragenuurtje in de Tweede Kamer. Daarna Maestro. De klassieke filmmuziek maakt dat de tranen over mijn wangen lopen. Ook dát, bedenk ik me, hoort bij dit gevoel.
Ik wil altijd graag naar huis. Mijn man vindt dat bijna aandoenlijk — zo blij als ik ben wanneer ik thuis ben. Voor mij is de plek waar ik woon een huis waarin ik me werkelijk thuis kan voelen. Een plek waar ik veilig ben, waar mijn eigen energie hangt, waar ik niets hoef uit te leggen.
Ik zou kunnen zeggen dat ‘thuis’ geen fysieke plek is, dat ik me overal thuis kan voelen als ik thuis ben in mezelf. En dat is ook waar. In de natuur voel ik me thuis. In het fietsen langs bomen en water. In regen, vogels, planten, sterren. In muziek die me opent. In schilderen en schrijven, wanneer ik opga in de flow en de tijd oplost. Dan voel ik me verbonden. Niet afgescheiden. Alsof alles deel uitmaakt van dezelfde beweging.
Maar dat betekent niet dat het aardse verdwijnt. Aan het eind van de dag wil ik naar mijn huis. Naar mijn stoel. Mijn tafel. Mijn muren. Mijn stilte. Juist daar kan dat alles landen. Juist daar kan ik ontspannen zonder te verdwijnen.
Thuis is voor mij geen tegenstelling. Het is geen keuze tussen binnen of buiten, lichaam of geest, aarde of kosmos. Het is én de wereld voelen — én ergens mogen aankomen. En soms voelt een dinsdag dan gewoon als een zondag.
Misschien is thuis zijn niets anders dan mogen rusten in wat er is
— in de natuur, in muziek, in stilte,
en uiteindelijk ook gewoon tussen je eigen muren,
waar alles even blijft zoals het is.
13 januari 2026
🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.
De eerste dag
12 januari 2026
De eerste dag voor de rest van mijn leven.
Die zin resoneert door mij heen. Eigenlijk best een krachtige zin. Waarom drijft die juist nu bij me boven?
Ik heb altijd het gekke idee gehad dat ik 96 jaar oud zal worden. Het gaf me op moeilijke momenten in mijn leven de moed om door te gaan — en door te willen gaan. Vaak twijfel ik aan die vreemde, niet-gegronde aannames van mezelf. En toch… wat maakt het uit of het waar zal zijn of niet? Men zal dan vanaf nu nog 33 jaar van mijn lijfelijke aanwezigheid mogen genieten. Twee derde zit erop, nog een derde te gaan. Klinkt lekker toch?
De spirituele betekenis van 33 draait om het meestergetal 33, de Leraar der Leraren. Het staat voor onvoorwaardelijke liefde, creativiteit, spiritueel leiderschap en het helpen van anderen groeien. Het wordt geassocieerd met het transformeren van oude structuren en het openen van nieuwe paden — met onthulling en diepe innerlijke wijsheid. Vaak wordt het gezien als een teken van roeping en dienstbaarheid.
Wow. Als dit dan de eerste dag van mijn leven is, heb ik nog een mooi pad te volgen. Natuurlijk is dat wat zweverig en hoog gegrepen — maar een meisje mag best af en toe dromen en fantaseren.
Laat me vandaag gewoon filosoferen.
Ik denk dat ik op een leeftijd ben gekomen waarop je met enige rust kunt zeggen dat je overzicht hebt gekregen over het landschap van het leven. Alsof de contouren zichtbaar zijn geworden. Daardoor kan ik het leven nu vrijer, natuurlijker en moeitelozer bewandelen. Omdat ik meer van mezelf ben gaan houden en meer zelfbeheersing heb ontwikkeld, kan ik hopelijk gemakkelijker met anderen samenwerken. Meer op mijn gemak herken ik mogelijkheden wanneer ze zich aandienen — soms zelfs voordat anderen ze zien. Omdat ik in harmonie ben met mezelf, begrijp ik dat het leven mij precies geeft wat ik nodig heb.
Hoe mooi, magisch en wonderlijk het leven is, ga ik steeds meer zien. Langzaam merk ik dat ik de hemel op aarde begin te beleven. Blij met de kleine dingen, de kleine vreugden, de kleine vervoeringen — klein in hun stilte, maar groot in hun onbegrensde potentieel.
Misschien kan ik de zin die vandaag in mijn hoofd blijft resoneren ook anders verstaan.
De eerste dag van de rest van je leven kan een uitnodiging zijn: om los te laten, te leren, bewuste keuzes te maken, en het leven te ontmoeten zoals het zich nu aandient — zonder te wachten op perfecte omstandigheden.
En om de rust te bewaren wanneer het moment nog niet het moment is.
Om te vertrouwen dat je mag loslaten.
Ik geloof dat ik vanzelf kom op het punt waar ik moet zijn — in welke omstandigheid dan ook.
Misschien is dit wat beginnen werkelijk betekent:
niet alles omgooien,
maar anders kijken.
Niet haasten,
maar vertrouwen dat het leven me draagt —
precies vanaf hier.
12 januari 2026
🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.
Na middernacht
11 januari 2026
Mijn dag begon zonder een droom. Dat is zeldzaam voor mij.
Het is mijn verjaardag.
Voor het eerst in mijn leven heb ik hier geen gevoelens bij. Normaal ben ik al weken van tevoren wiebelig en misselijk, en op de dag zelf opgefokt. Vandaag is alles stil — in mij en om me heen.
Om klokslag twaalf gebeurde er wél iets. In één helder moment besefte ik dat ik nu officieel een jaar ouder ben dan Michel ooit is geworden. Dat was het eerste wat door me heen ging. Geen verdriet, geen drama — alleen dat weten. Als Assepoester die het bal verlaat wanneer de klok slaat. Niet omdat de betovering verdwijnt, maar omdat de tijd onverbiddelijk verder gaat.
Ik heb Ton gevraagd tegen niemand te zeggen dat ik jarig ben. Zeker niemand uit te nodigen. Hahaha — op zich al geen makkelijke opdracht voor hem. Maar hij hield zich eraan. Het werd een huiselijke dag. Lang douchen. Vreselijk lui zijn. Geen rol, geen verwachting.
Even werd de stilte onderbroken toen Miranda met haar man voor de deur stond om mijn schilderij terug te brengen. Het schilderij met de ibis. Ik zag aan de insigne dat ik het drieëndertig jaar geleden heb gemaakt. Dat het juist vandaag terugkwam, liet ik verder rusten. Het mocht gewoon zo zijn.
De hele dag keek ik naar de Chinese serie The Untamed. Deze serie laat een andere modaliteit van liefde zien:
liefde als aanwezigheid,
liefde zonder eis,
liefde die niet hoeft te worden voltrokken.
Geen oproep om lichamelijke liefde te overstijgen. Geen idee dat dit “beter” zou zijn. Het verhaal durft simpelweg één specifieke vorm van liefde volledig te laten bestaan. En dat is zeldzaam.
In de materiële wereld is liefde altijd begrensd. Lichamen blijven gescheiden, verlangens botsen, pijn en schoonheid bestaan naast elkaar. Dat is geen oordeel — het is een constatering binnen het verhaal.
Tussen de hoofdpersonages zie ik iets anders. Twee mensen die niet via lichamelijke vereniging, maar via trouw, afstemming, keuze en aanwezigheid zo samenvallen dat het voelt als één beweging. Eén intentie. Eén zijn. Niet als idee of ideaal, maar als verhalende werkelijkheid.
Voor mij is dat de hoogste vorm van liefde in de materie. Niet omdat zij boven andere vormen staat, maar omdat zij binnen dit verhaal niet verder kan worden getild zonder het stoffelijke te verlaten. Precies dát maakt het zo indrukwekkend.
Misschien is dat waarom deze verjaardag zo stil mocht zijn.
Waarom er geen droom was.
Waarom ik niets hoefde te vieren.
Aan het eind van de dag keek ik de laatste afleveringen. Het was het verjaardagscadeau van mezelf aan mezelf.
En dat was genoeg.
Misschien zijn sommige overgangen niet bedoeld om gevierd te worden,
maar om ongemerkt te passeren.
Zoals tijd dat doet —
zonder lawaai, zonder bewijs.
En blijft er dan iets achter
dat niet ouder wordt,
maar eenvoudiger aanwezig is
dan ooit.
MEER HEEL
10 januari 2026
De hele week ga ik, voor mijn doen, op tijd naar bed. Het gevolg is dat ik weer vroeg wakker ben. Ik kan iedere ochtend vroeg gaan trainen. In het weekend geef ik mezelf vrij. Dan kan en mag ik uitslapen, gewoon lui zijn.
Morgen ben ik jarig. Mijn jongste kleinkind ook. Vandaag wordt haar verjaardag gevierd.
Buiten heeft het de hele week flink gesneeuwd. Het dooit en vriest om en om. Alleen buiten lopen durf ik nu niet. Bij gladheid heb ik absoluut geen balans. Iedere vreemde beweging maakt dat mijn lichaam zich weer ontzet en ik alleen bij een arts de boel weer recht moet laten zetten. Veel pijn, veel moeite — daar kies ik niet voor als ik het zelf kan vermijden.
Mijn andere kleindochter belt me om te vragen of ik vandaag kom, in verband met de gladheid. Op de doorgaande wegen is het goed te doen, behalve in de kleinere straten.
“Als ik zonder moeite bij mijn auto kan komen en bij jullie voor het huis ook niet glad is, dan ben ik van de partij,” zeg ik.
Bij de eerste afslag bij Eindhoven moet ik ineens denken aan een vriendin van mijn overleden man. Twee jaar lang heb ik haar iedere week naar Eindhoven gereden voor een medische behandeling. Haar gedrag naar mij toe was vriendelijk, maar naar mijn man toe ook bezitterig.
Ik vertel dit aan Ton, mijn huidige man. Tijdens het vertellen hoor ik mezelf dingen zeggen die ik nooit eerder met elkaar in verbinding had gebracht. Deze vriendin ging over een grens en ik heb deze relatie uiteindelijk in de koelkast moeten zetten. Michel was geen bezit van niemand — maar wel mijn man, moge dat duidelijk zijn.
Zijn ex-vrouw had hem ook als bezit gezien. Zelfs toen hij overleden was, belde er een voor mij onbekende vrouw op. Ze commandeerde mij dat Michel per se wilde dat zij aanwezig zou zijn bij de uitvaart. Terwijl ik in gedachten mijn schouders ophaalde, zei ik:
“Prima, je kan komen — als je het goed vindt dat ik er ook ben.”
Mijn vriendin die naast me zat en dit had aangehoord, was stomverbaasd over mijn reactie. Zelf vond ik het een bijna lachwekkende situatie.
Ook de zus van Michel wilde, toen hij ziek was, gaan bepalen wat er met hem moest gebeuren. Toen ik zei dat ik bepaalde wat er gedaan werd en hoe, zei ze:
“Ja, maar ík ben zijn zus.”
Het feit dat ik vijfentwintig jaar zijn vrouw was, werd weggewimpeld. In die vijfentwintig jaar heb ik haar misschien tien keer gezien. We waren niet close. Tijdens de ziekte van Michel heb ik haar zelfs het huis uit moeten zetten, om mijn en onze ruimte te kunnen behouden.
Dit alles kwam boven op weg naar Veldhoven.
Michel had mensen aangetrokken die hem als bezit zagen. Degene die hem totaal vrij liet, was ik.
Verder heb ik dit laten liggen in de ether. Het kwam door me heen en ik kon het hardop aan Ton vertellen. Dat was genoeg.
Op de verjaardag van mijn kleinkind heb ik naast mijn ex-man en zijn vrouw gestaan. Totdat ik wegging, heb ik met hen gekletst en gelachen. In al die jaren komen we elkaar tegen op verjaardagen, maar meestal vermijd ik dat. Even praten, maar zeker niet te lang.
Dit keer was het anders. Spontaan. Pas terug in de auto besefte ik dat. Het zijn geen aardverschuivingen. En toch verander ik. Word ik meer heel.
Het zijn geen grote bewegingen.
Geen besluiten, geen verklaringen.
Alleen momenten die niet meer blijven haken.
Herinneringen die mogen passeren
zonder dat mijn lichaam ze hoeft vast te houden.
Misschien is dat wat heel worden doet:
niet alles begrijpen,
maar merken dat ik kan blijven staan
waar ik vroeger moest wijken.
10 januari 2026
🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.
Kijken zonder haast
9 januari 2026
Ik kijk The Untamed niet om het verhaal te volgen, maar om te voelen waar het mij raakt.
Met mijn laptop op schoot, soms stil, soms hardop reagerend, alsof ik niet alleen kijk. Alsof er iemand naast me zit die begrijpt wat ik zie voordat ik het kan uitleggen.
Wat zich langzaam ontvouwt, is geen strijd tussen goed en kwaad, maar een landschap van bewustzijn. Clans als innerlijke toestanden. De Lan-clan als iets engelachtigs: helder, zuiver, bijna onaards. De Jiang-clan als liefelijk, dragend, menselijk warm. De Wen-clan als beschadigd — kwaad niet als oorsprong, maar als gevolg. En de Nie-clan… niet onrein, maar menselijk: aannames, conclusies, misvattingen waardoor het fout lijkt te gaan.
Ik merk hoe mijn aandacht blijft haken aan de stilte. Aan wat niet wordt uitgesproken. Aan details die nauwelijks zichtbaar zijn, maar alles dragen. Een bijna onmerkbaar glimlachje van Lan Zhan, pas in aflevering tien echt te zien — terwijl het er al die tijd al was. Alsof het verhaal mij vertrouwt. Alsof het weet dat ik kijk.
Deze serie legt niets uit. Ze toont.
Ze laat zien hoe innerlijke ruis mist veroorzaakt, en hoe helderheid niet ontstaat door kracht, maar door stilte. Hoe “het kwaad” een oorsprong heeft, en hoe macht reageert op leegte. Hoe mensen eerst hun autonomie verliezen, voordat geweld begint.
Ik kijk zonder vooruit te lopen. Ik kijk zoals ik leef, schrijf en schilder: aanwezig, open, soms verwonderd. Niet om te begrijpen, maar om te zien wat zich aandient. En misschien is dat alles wat nodig is — een verhaal dat niet uitlegt wie je bent, maar ruimte laat waarin je jezelf herkent.
Misschien is kijken soms genoeg.
Niet om te weten waarom iets raakt,
maar om toe te laten dát het raakt.
Zonder haast. Zonder uitleg.
Gewoon — gezien worden,
in stilte.
9 januari 2026
🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.
De spiraal raakt
8 januari 2026
Een vriendin die ik al zo’n vijfendertig jaar ken, stuurt me een bericht via WhatsApp. Ze woont al lange tijd niet meer in Nederland. We hebben weinig contact, maar als we elkaar zien is er altijd direct een verbinding. In het moment blijken we dan vaak met dezelfde thema’s in ons leven bezig te zijn. Het contact is intens, dichtbij, bijna vanzelfsprekend. En daarna gaat ieder weer zijn eigen weg.
Zo gaat dat al jaren. Soms zien we elkaar lange tijd niet. En als we elkaar dan weer ontmoeten, is de intensiteit er meteen weer. Alsof er niets tussen heeft gezeten.
Los van elkaar wandelt er ook een derde persoon door ons leven. Al vanaf mijn schooltijd kruist hij mijn pad — en los van mij ook het hare. Weinig contact, maar als hij er is, dan is het intens. Tot het weer uitgekristalliseerd is. Dan verdwijnt hij opnieuw uit beeld.
Rond de jaarwisseling stuur ik, zoals altijd, nieuwjaarswensen. Deze gezamenlijke vriend stuurt een filmpje terug van een dansende Koreaanse acteur en zanger. Ik herken hem onmiddellijk en laat dat weten. We raken in gesprek over onze fascinatie voor Aziatische films en cultuur. Hij vertelt dat onze gezamenlijke vriendin daar ook van houdt.
En dan begint het cirkeltje weer te draaien.
Zij neemt contact met me op. Zonder omhaal zitten we direct weer in een intense resonantie. Wat me raakt, is niet dat dit gebeurt — maar hoe vanzelfsprekend het voelt. Alsof de spiraal ons weer even op hetzelfde punt brengt, precies waar het klopt.
Dit is voor mij verticale tijd, heel concreet zichtbaar in relaties. Je hoeft elkaar niet vast te houden. Je hoeft niets bij te houden. De verbinding ís er, of ze is er niet. Je beweegt met elkaar mee, raakt elkaar aan, en gaat weer verder. De spiraal maakt haar eigen weg, verdiept zich, en komt elkaar later opnieuw tegen.
De intensiteit blijft.
De liefde blijft.
De herinnering blijft.
Het is dus niet zo vreemd dat ook deze fascinatie opnieuw resoneert. Wat ik opvallend vind, is dat we hier door de jaren heen nooit eerder over gesproken hebben. Blijkbaar kiest ook dit zijn eigen moment. Tijd kiest zijn tijd.
Mijn levensfilosofie ontvouwt zich niet in theorie, maar in het dagelijks leven. In ontmoetingen die komen en gaan, zonder verlies. In verbinding zonder bezit.
En elke keer wanneer de spiraal weer raakt, weet ik:
dit is genoeg.
Misschien is dat wat tijd werkelijk doet:
niet vasthouden, niet verliezen, maar bewegen.
Ontmoeten zonder bezit.
Loslaten zonder afscheid.
En telkens weer herkennen
dat wat waar is, niet verdwijnt —
het wacht tot de spiraal opnieuw raakt.
8 januari 2026
🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.
PLAUSIBEL
7 januari 2026
Vanmorgen vroeg pikken mijn oren een interview op van de radio. Gek genoeg blijft het hangen. Waarom? Ik zou het werkelijk niet weten.
De stem op de radio kondigt een collega-journalist aan. Ze blijkt getrouwd te zijn met een Canadees. Lachend, bijna smadelijk, vertelt ze dat haar man ‘de ballen uit zijn broek lacht’ om hoe Nederlanders met een beetje sneeuw omgaan. De interviewer vindt het ook enorm leuk en lacht mee. Vervolgens laat hij het ochtendnieuws horen, inclusief waarschuwingen. Ze herkennen hun collega die met ernstige stem ‘code oranje’ uitspreekt — en lachen opnieuw, omdat deze collega dit ‘lachwekkende nieuws’ de wereld in moet slingeren.
Deze manier van journalistiek, verpakt als een quasi-diepte-interview dat serieus genomen zou kunnen worden, verstoort mij. Ik zet de radio uit. Ton, mijn man, reageert direct. Hij vindt het ook kortzichtig en ongepast.
Gelukkig, denk ik.
Dit soort geluiden hoor ik voortdurend, over allerlei onderwerpen. Heel stellig, bekeken vanuit een enorm smal perspectief. Dan moet ik denken aan mijn schilderij Vistas / Vergezichten. In dit tweeluik zie je het universum, de Big Bang, de mens, de dualiteit, de vrouw, de volgers, de individuen en de verbinders.
Volgens mij bestaat de mensheid momenteel vooral uit volgers van individuen — en zijn er te weinig verbinders. Dat is geen mening, maar een observatie. De tijd van de verbinders komt vanzelf weer terug. Maar nu duidelijk niet.
De presentatie is vaak grappig, bijna gezellig. Ik noem dat altijd plausibel. Het lijkt zo — maar ís het ook zo? Onbewust komen dit soort ‘gezellige’ babbels en interviews tot ons via radio, tv en social media. Voor veel mensen is het moeilijk om daar los van te blijven staan. Technische vooruitgang heeft voordelen, maar zeker ook nadelen.
Persoonlijk kies ik ervoor om hier niet naar te kijken of te luisteren. Er zit immers een uitknop op.
En toch…
wat is het in mij dat dit de hele dag blijft hangen?
… hahaha, hij lacht de ballen uit z’n broek…
Misschien blijft het hangen omdat ik hoor waar gelachen wordt om wat gedragen wil worden.
Omdat ernst hier niet zwaar is, maar wel werkelijk.
En omdat ik, zelfs met een uitknop, niet kan doen alsof ik niet hoor wat ontbreekt.
Niet alles wat plausibel klinkt, klopt.
En niet alles wat stoort, wil weg.
7 januari 2026
🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.
WANNEER WOORDEN LEREN DRAGEN.
6 januari 2026
Er was een tijd waarin ik dacht dat eerlijk spreken vanzelf verbinding zou brengen. Dat als ik mijn woorden zorgvuldig koos, bij mezelf bleef en geen vinger wees, de ander mij wel zou kunnen volgen. Ik nam de tijd, woog zinnen, haalde alles weg wat als aanval kon klinken. Wat overbleef was zuiver, dacht ik. En juist dát bleek ontregelend. Er kwam geen gesprek, geen reactie, zelfs geen afwijzing. Er kwam stilte. Een verdwijnen. Ik begreep het niet. Ik had niets geëist, niets beschuldigd, niets opgelegd. Toch leek precies die openheid iets te raken waarvoor geen bedding was. Lang dacht ik dat ik iets verkeerd had gedaan. Dat ik te direct was geweest, te helder misschien. Dat eerlijkheid soms zachter verpakt moet worden om te mogen bestaan. Pas veel later begon ik iets anders te zien. Woorden die geen uitweg bieden — geen schuldige, geen strijd, geen tegenstem — kunnen iemand confronteren met zichzelf. En niet iedereen kan of wil dat dragen. Ik leerde dat spreken vanuit jezelf niet automatisch betekent dat de ander het ook kan ontvangen. Dat was geen makkelijke ontdekking, want ik was gewend om stevig te blijven staan in hoe ik iets zag en voelde. Wijken deed ik niet. Bruggen slaan ook niet. Ik dacht dat dat hetzelfde was als mezelf verloochenen. Inmiddels antwoord ik anders. Niet omdat ik minder waarachtig ben, maar omdat ik geleerd heb ruimte te laten voor de ander zonder mezelf te verlaten. Als iemand woorden gebruikt als verlangen, teleurstelling, berusting en acceptatie, dan poets ik dat niet meer weg met mijn waarheid. Ik voeg er iets aan toe, subtiel, door te zeggen: niet echt. Niet om het gevoel van de ander te ontkennen, maar om het intact te laten. Ik heb ontdekt dat bruggen slaan niet betekent dat je je standpunt opgeeft. Het betekent dat je een plank neerlegt tussen twee oevers, zodat niemand hoeft te vallen. Voorheen stonden mijn woorden soms als muren. Nu probeer ik ze te laten functioneren als draagbalken. Beide kanten mogen blijven staan in hun eigen recht. Ik ook. Dat is de groei die ik nu zie. Niet zachter worden ten koste van mezelf, maar beweeglijker zonder te breken. Ik spreek nog steeds vanuit mijn kern, maar ik luister beter naar wie er tegenover me staat. Niet om me aan te passen, maar om af te stemmen. Misschien is dat wat ik nu pas leer: dat waarheid pas kan landen als er ook een brug is waarover ze kan komen.
Misschien is dit wat rijpen is:
niet minder waar spreken,
maar leren hoe woorden kunnen dragen
zonder te duwen.
Ik blijf staan waar ik sta —
en leg ondertussen een plank neer.
6 januari 2026
🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.
RUIMTE IN EN OM ME HEEN
5 januari 2026
Het is toch al een tijd geleden dat er bij ons in Nederland echte pakken sneeuw vielen. Vanochtend moest de auto uitgegraven worden. Terwijl wij op de sportschool waren, bleef het sneeuwen en een uur later konden we de auto opnieuw letterlijk uitpakken van een dikke witte laag.
Het roept nostalgische gevoelens op. Tegelijk voel ik vreugde, een lichte blijheid wanneer ik naar buiten kijk. Buiten voel ik zelfs niet dat het koud is — misschien is het ook niet koud. Ik zou het niet weten, omdat ik zo bezig ben met het ervaren van deze serene, witte rust.
De eerste stap zetten in die maagdelijk verse sneeuw, zodat mijn voeten diepe sporen achterlaten. Dan denk ik: hoe laat ik eigenlijk nog meer mijn sporen na? Wil ik dat? En zo ja — hoe?
Wit staat voor zuiverheid. Voor vrede. Voor het witte canvas van mijn schilderijen. Wit staat voor een nieuw begin. Nu ook letterlijk, in dit nieuwe jaar. Zo toepasselijk voor mij op meerdere vlakken: mijn verjaardag aankomend weekend, mijn vernieuwde bewustwording. Een nieuwe lichamelijke start. Frisse moed. Nieuwe ideeën. Ja — alles klopt momenteel.
Ik zie veel minder auto’s. Nog maar weinig fietsen. De wereld vertraagt door deze sneeuw. Alles mag even stiller worden. We mogen opladen, verinnerlijken, voordat er weer nieuwe uitdagingen op ons pad komen.
Ik ontvang mooie foto’s en filmpjes. Op Instagram en Facebook zie ik dat veel mensen genieten, opgetogen zijn. Natuurlijk zijn er in de wereld allerlei vervelende dingen gaande — ook in ons eigen land is er onrust. Dat zien we op televisie en sociale media.
Misschien vindt men het egocentrisch. Misschien denkt men dat ik mijn kop in het zand steek. Maar ik kies er vandaag bewust voor om te genieten van deze witte pracht en van het plezier dat ik om me heen zie. Ik probeer sowieso niet extra naar het nieuws te kijken of te luisteren. Er komt al genoeg binnen. Het actief opzoeken hoeft voor mij niet.
Een lach. Een vriendelijk woord. Mooie gedachten. Genieten van de natuur. Mij creatief uiten. Dat is wat ik kan doen. Dat is wat voor mij het leven lichter maakt.
Ik zie hoe dit wit ruimte schept in veel mensen. Dat doet me goed. Zulke momenten wil ik blijven meepakken, want uiteindelijk zijn mooie herfst-, lente-, zomer- of winterdagen zoals deze kleine cadeautjes in een uitdagend bestaan.
Tegelijk voel ik ook dat mooie externe omstandigheden het makkelijker maken om je zo te voelen. Dit gevoel wil ik niet alleen hier ervaren, maar onder alle omstandigheden. Want volgens mij is leven niet wachten tot de storm voorbij is —
maar leren dansen in de regen.
Misschien is ruimte niet iets wat ontstaat door stilte,
maar door aandacht.
En laat sneeuw ons dat soms even herinneren.
5 januari 2026
🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.
VERTROUWEN OP MIJN KOMPAS
4 januari 2026
Om half vijf werd ik wakker. Mijn onderkant kriebelde enorm. Nu denk je misschien: bah, dit wil ik niet weten. Begrijpelijk. Maar voor mij is het belangrijk om dit te benoemen.
Op 1 januari 2019 ben ik hard gevallen, waarbij mijn heiligbeen een flinke draai maakte. De pijn zal ik nooit vergeten. Sindsdien heb ik voortdurend last van mijn heupen.
Ondanks mijn ziekte CMT ben ik altijd erg sterk geweest. Ik kon zware dingen tillen en verplaatsen; fysieke klussen waren aan mij besteed. Om iets op te tillen heb je stabiele heupen nodig. Vanaf dat moment merkte ik dat de kracht die ik altijd had, letterlijk weg was. Het is vreemd om te ontdekken dat de kracht waarvan je denkt dat die in je armen of rug zit, eigenlijk vanuit je heupen komt.
Sindsdien geldt: als ik struikel of een onverwachte draai maak, moet ik naar de bewegingsarts om mijn botten weer recht te laten zetten. Die heupen bepalen dus in hoge mate mijn bewegingsvrijheid, mijn kracht en mijn zelfstandigheid. Het hele gebied rond mijn heupen, heiligbeen en schaambeen is daardoor gevoelig en instabiel.
Nu train ik bij de E-Gym. Alle toestellen zijn zorgvuldig afgesteld en doen mij letterlijk geen centje pijn — behalve de leg press. Zodra ik daarop ging zitten, schoot er direct een felle pijnscheut door mijn heup, gevolgd door een enorme kramp in mijn been. De pijn trok door tot in mijn rechterwang; mijn huid stond zichtbaar en voelbaar vol kippenvel. Dit hield thuis nog urenlang aan.
Toch ben ik vanaf dat moment met volledige focus blijven oefenen. Dag na dag. Na een paar dagen lukte het me om deze oefening zonder pijn te doen.
Je zou kunnen zeggen: bij pijn moet je stoppen. Waarschijnlijk wel. Maar ik herinnerde me een moment van veertig jaar geleden.
Toen ik met yoga begon, voelde ik diep van binnen: dit is het. Mijn hele wezen wist dat. Ik ging al snel dagelijks oefenen en heb zeker een half jaar krom gelopen van de pijn erna. Maar de overtuiging was sterker dan de pijn. En het resultaat was groots. Yoga heeft me jaren gegeven waarin ik kon doen wat gezonde mensen ook kunnen. Dat maakt me dankbaar — niet verdrietig dat het nu anders is.
Diezelfde overtuiging voel ik nu bij E-Gym. Geen paniek bij pijn in mijn heupen of onderkant. Wel vertrouwen.
Vannacht kon ik niet slapen van het kriebelen. Ik wist: dit zijn zenuwen die kennelijk weer geactiveerd worden. Ik ben een uur in de woonkamer gaan zitten, tot ik voelde dat de slaap me toch overmande — ondanks de hevige kriebels. En gelukkig viel ik daarna direct weer in slaap.
Doordat mijn lichaam jarenlang getraind is door yoga, had ik nu maar een paar dagen nodig om een omslagpunt te bereiken. Met andere woorden: ik kon leunen op een oud systeem dat mij door vasthoudendheid nog steeds draagt. Een systeem dat, net als toen bij yoga, weet wanneer iets klopt. Dat mij nu, tegen alle medische logica in, laat vertrouwen op E-Gym — zonder mezelf te blesseren, of erger.
Zoals toen, herken ik het weer:
dit is geen overmoed, maar weten.
En weten vraagt vertrouwen.
4 januari 2026
🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.
BLUE BIRD
3 januari 2026
Terwijl Ton en ik aan het ontbijt zitten, vragen we ons af of het misschien toch een goed idee is om te gaan trainen. We zouden normaal gesproken niet in het weekend gaan. Het is inmiddels drie minuten voor elf en de laatste reservering kan om half twaalf gemaakt worden. Nog vijf plaatsen vrij. Dus: gaan met die banaan.
Buiten sneeuwt het. Er is nog niet gestrooid; straten en trottoirs zijn wit. Mijn wandelstok heeft vandaag geen zin, dus houd ik me aan Ton vast. We horen het geknisper en gebobbel onder de banden van de auto — weer een nieuw geluid, een nieuw gevoel. Mijn systeem is nog steeds gevoeliger dan voorheen en moet even wennen aan dit soort prikkels. Eenmaal op de toestellen in de gym kom ik tot rust. Het lichamelijke werk geeft me een tevreden gevoel, alsof alles weer even op zijn plek valt.
Op weg naar huis horen we op de radio over de toestand van Amerika. Wat is er nu weer aan de hand? Trump beweert dat Maduro, de president van Venezuela, gevangen is genomen en bevestigt aanvallen. Ik wil me niet bezighouden met politiek of met een uitgesproken mening, maar de analogie met het individu dringt zich aan me op.
Ik geloof dat wanneer wij als individu de chaos in onszelf durven oplossen — wanneer we ons eigen handelen onder de loep nemen — daar iets wezenlijks begint. Als wij in onze kleine kring onvoorwaardelijk steun geven én kunnen ontvangen, dus echt zonder verwachting van iets terug, dan is dat misschien wel de eerste stap richting vrede.
Ik begrijp de protesten, de meningen, alles wat via de media binnenkomt. Maar daar ligt volgens mij niet de oplossing. Het begint letterlijk en figuurlijk bij onszelf. Misschien heb ik het mis. Ik ben niet alwetend. Maar dit is hoe het voor mij voelt.
Op mijn cursussen vertelde ik wel eens een verhaal uit de Mahabharata. Het gaat over een klein vogeltje — de Blue Bird — dat haar eieren op het strand legt. Door een vloedgolf worden de eieren meegenomen door de oceaan. Het vogeltje begint druppel voor druppel de zee leeg te drinken, vastbesloten haar eieren terug te vinden. Arjuna, de god van wedergeboorte, ziet haar bezig en vraagt: “Is dit geen onmogelijke opgave?” Het vogeltje antwoordt: “Nee. Als ik lang genoeg drink, zal ik mijn eieren vinden.”
In het verhaal voeren het vogeltje en Arjuna vele gesprekken. Het vogeltje blijft vol vertrouwen, gedreven door eenvoud, onbaatzuchtigheid, doorzettingsvermogen en geduld — geduld met liefde. Na talloze beproevingen besluit Arjuna uiteindelijk om in één keer de oceaan leeg te drinken. Het vogeltje ervaart een wonder en vindt haar eieren terug.
Als wij mensen ons iets meer zouden gedragen als dit vogeltje, zouden we misschien ook wonderen kunnen verrichten — zonder wapens op te pakken, zonder elkaar te dwingen tot andere zienswijzen. Er zijn mensen in deze wereld die denken macht te hebben en zichtbaar verwarring en oorlog veroorzaken. Vanuit onze schommelstoel lijkt het alsof we daar niets aan kunnen doen. Alsof een handjevol mensen de richting bepaalt.
Mijn geloof — mijn idee — is dat wanneer wij van binnenuit macht krijgen over onze eigen emoties, over onze angsten, er energetisch iets verschuift op kosmisch niveau. Daar kan uiteindelijk geen enkele machthebber tegenop. In feite zeg ik dat de chaos en verwarring die we in de wereld zien, een spiegel is van wat in het leeuwendeel van het individu leeft. Dat is geen oordeel. Ik zie ons als deeltjes van één beweging. En als er steeds meer deeltjes een andere kant op bewegen, dan… kan ons misschien iets vergelijkbaars overkomen als het kleine vogeltje.
Tot slot wil ik iets belangrijks benoemen. Er zijn uitzonderingen. Mensen die leven in oorlogsgebieden of onder extreem slechte omstandigheden kunnen niet met dit soort bewustzijn bezig zijn. Hun systeem staat letterlijk op overleven. Niet iedereen kan naar die plekken afreizen om steun te verlenen. Wat wij wél kunnen doen — vanuit ons relatief comfortabele bestaan — is aan onszelf werken. Zodat er, stap voor stap, misschien een wereldwijde verschuiving kan ontstaan
Druppel voor druppel.
Zonder haast.
Dat is soms al wonder genoeg.
🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.
VERWONDERDE VERVLECHTING
2 januari 2026
Vandaag ben ik gaan trainen en heb ik me thuis beziggehouden met mijn droom. Ik heb het schilderij waarover in mijn droom gesproken werd snel teruggevonden.
De hele dag heb ik afwisselend verschillende dingen gedaan. Ik heb de planten water gegeven. Nee, niet gewoon een plons in de aarde gegooid, maar ze één voor één naar de keuken gedragen en zorgvuldig verzorgd. Zachtjes lauw water gegeven. Terwijl ik ze weer terugzette, zag ik dat het buiten sneeuwde. Ik nam de tijd om te genieten van het witte uitzicht en maakte er een paar foto’s van.
Ik heb contact gemaakt met een vriendin in Togo, waar het natuurlijk lekker warm is. Ik stuurde haar een foto om haar even mee te laten genieten van het winterwit. Ze stuurde vrijwel direct een foto terug: lekker buiten aan een tafel met vrienden. Een moment in tijd, dik 5000 kilometer uit elkaar… zo mooi.
Een vriendin die met Oud en Nieuw ziek was, heb ik even gevraagd of ze iets nodig had — boodschappen bijvoorbeeld. Ze was nog niet fit, maar wel alweer aan het werk geweest. Iedere dag maak ik contact met mijn bestie. We sturen elkaar dagelijks een hartje. We maken een foto als we ergens een hartje tegenkomen. Soms alleen dat, soms een uitwisseling van gedachten. Ik heb contact gemaakt met twee vriendinnen die ik al mijn hele leven ken en een afspraak vastgelegd. Ook met mijn zus heb ik contact gehad; we spraken over veranderingen en ‘anders’ zijn.
Ik volg een Chinese serie en een Koreaanse serie; die wisselen elkaar af. Deze momenten gebruik ik als rustpauze.
Vandaag ben ik voor de tiende keer bij de E-Gym geweest. In twee weken tijd vijf keer per week. De eerste week voelde ik me direct fris en fruitig, maar bleven mijn prestaties stabiel. Ik dacht eerst: goh, dat wordt dan niet gemeten. Maar de trainer zei: “Ja hoor, de apparatuur maakt het vanzelf zwaarder zodra ze meet dat je sterker bent geworden — dat gaat automatisch.”
“Nou ja,” dacht ik, “als ik me zo goed voel terwijl mijn kracht niet zichtbaar toeneemt, vind ik het prima. Energie krijg ik er in ieder geval wel van.”
Toen ik twee weken geleden begon, was mijn BioAge 73 jaar. En nu, na twee weken dagelijks trainen… 56 jaar. Volgende week ga ik de revalidatie afzeggen en me op deze manier volledig richten op herstel. Het voelt goed.
Ik bedacht me hoe vaak ik wel weet dát iets gedaan moet worden, maar dat het juiste vaak pas na wat schermutselingen duidelijk wordt. Is dat erg? Moet het altijd direct het juiste zijn? Nee, dat geloof ik niet. Ik geloof in de tijd, met zijn verdiepingen. Tijdens de revalidatie heb ik me opnieuw leren begeven tussen onbekende mensen — met vallen en opstaan. Nu kan ik de wereld alweer een stuk beter aan.
Deze dag lijkt voor de meeste mensen waarschijnlijk een gewone, bijna kabbelende dag. Misschien denk je nu wel: “Annette, lekker boeiend hoor.” Dat begrijp ik heel goed. Voor mij is het echter, na vele jaren, een nieuw fenomeen om met plezier huishoudelijke taken op te pakken. Om veelvuldig contact te maken en zelfs afspraken te plannen. Het is bijzonder om met een opgeruimd gevoel een gym binnen te stappen.
Zoveel ‘gewone’ handelingen die weer zo nieuw en verfrissend aanvoelen. Het gevoel om in verbinding te zijn met de wereld om mij heen, met de mensen om mij heen. In verbinding met de materie. Niet uit gewoonte, maar vanuit een open verbinding.
Ik voel verwondering dat het zo is.
Ik ben verwonderd over het feit dat ik me niet eens kan herinneren wanneer ik, op zo’n gewone dag, me zo heel heb gevoeld.
Misschien is dit wat herstel soms werkelijk is:
niet spectaculair, niet luid,
maar stil verweven met het alledaagse.
Een hand die water geeft,
een lichaam dat sterker wordt zonder strijd,
een wereld die weer binnenkomt
zonder dat ik haar hoef vast te grijpen.
Vandaag kabbelde het leven —
en ik kabbelde mee.
🌙 Vannacht gedroomd — terug te vinden op de pagina ‘Dromen’.
2 januari 2026
Op 2 januari 2026 had ik een droom die me terugbracht naar een schilderij dat ik drie jaar geleden begon. Een stem zei: "Durf die draak te zijn." Wat daarna volgde, is niet zomaar een droom — het is een innerlijk keerpunt. Je kunt het volledige verslag lezen op mijn dromenpagina:..
BESTE WENSEN
1 januari 2026
Al de hele avond vóór middernacht werd er veel vuurwerk afgestoken.
De kat hebben we in de badkamer gezet. Kiba, het oudste hondje, ligt lekker te slapen, maar Puck — het jongste hondje — veert bij iedere knal op. Inmiddels zit ze letterlijk aan mij vastgeplakt en probeert ze zelfs ín mij te kruipen. Ze graaft met haar pootjes in mijn nek, duwt haar kop zo dicht mogelijk tegen me aan. Ik hoor haar hijgen, haar lijf trilt.
Zelf ben ik ook geen fan van al die knallen. Ik ga nooit naar buiten — bang voor al die oncontroleerbare vuurflitsen in het rond. Vanmiddag stonden volwassen jonge mannen vuurwerk af te steken en gooiden het, nadat ze het hadden aangestoken, in mijn richting. Ik bedoel maar… geen kinderen, nee: jongvolwassenen.
Even later kwam er een alert-bericht op mijn mobiel dat 112 overbelast was.
Ik begrijp mijn kleine hondje helemaal. Het heeft iets angstaanjagends.
Ooit heb ik dit in Azië mogen meemaken. Het was feest — veel, maar gecontroleerd. En ja, natuurlijk is het van oudsher een traditie om met veel geknal de boze geesten te verdrijven. Daar heb ik me geen moment angstig of belaagd gevoeld. Het was misschien zelfs meer geluid, meer kabaal, maar met respect.
Hier gaat het om het afsteken van vuurwerk — en voor sommigen zelfs om, met te veel alcohol op, je buren te pesten. De diepere betekenis gaat verloren.
Wel hebben alle kinderen op één na even gebeld en gefacetimed.
Tot mijn groot genoegen kwamen er direct na 00.00 uur appjes binnen — zo’n twintig in totaal. Vrienden, familie.
Dankbaar dat er zo snel in het nieuwe jaar aan Ton en mij gedacht wordt.
Ik begin steeds meer te beseffen dat er toch een groep mensen is die, ondanks mijn afwezige staat, veel om me geeft.
Dat is dan ook mijn wens: om mij meer te verbinden.
Ik was er al langzaam mee begonnen, en vannacht kon ik constateren dat het zeker iets gedaan heeft.
Hopend op een mooi 2026 voor iedereen.
Hopend dat een ieder elkaar steun geeft, op de momenten dat het nodig is —
en dat men openstaat dit te ontvangen.
We praten altijd over liefde.
Maar juist in deze dagen wordt dat woord wat abstract.
Laten we daarom beginnen met STEUN mogen geven en ontvangen.
Een stap naar humaniteit.
Menslievendheid.
Misschien begint liefde niet bij grootse woorden,
maar bij een hand die niet terugdeinst,
en een hart dat even open blijft staan.