DROMEN
Islands in Heaven - Acryl - 75cm x 115cm
Een eiland in de hemel — of misschien een hemel die in zee weerspiegeld ligt.
In dit schilderij ontmoeten water en lucht elkaar, en vormen samen een landschap dat niet aards lijkt, maar ook niet los van de aarde is.
De vormen ademen, bewegen, ontstaan.
Ze herinneren aan eilanden van rust in een onbegrensd bewustzijn.
Tussen blauw en groen ontvouwt zich een stilte die leeft.
Een ode aan het samenvallen van hemel en aarde — waar vorm oplost in licht.
Vanaf hier begint een nieuwe reis.
De dromen in deze rubriek behoren niet meer tot de intense herstelfase na mijn CVA van 22 januari 2025 — die periode heb ik vastgelegd in mijn blog.
Wat je hier leest, zijn dromen die verschijnen ná die eerste verwarring, ná de lichamelijke en mentale instabiliteit.
Een andere fase. Een ander bewustzijn.
Ze markeren een vervolg — een reis van verdieping, inzicht, beweging.
Niet ter verklaring. Maar om te bewaren wat zich toont.
______________
________
De kracht van het kleine.
15 februari 2026
Mijn droom vervloog deze morgen toen mijn man zich niet helemaal lekker voelde. Hij had verhoging en zag er wat verkouden uit. We spraken over zijn conditie — en weg vloog de droom.
Het was dit keer een droom in twee delen.
In het eerste deel ben ik politie-inspecteur die een brand onderzoekt. Door onschuldige sterretjes te branden is er een vonkje tussen het plafond gaan smeulen. De hitte verspreidt zich over het hele plafond en ineens staat alles in lichterlaaie. Het hele pand brandt af, met nog een aantal mensen binnen.
In het tweede deel ben ik nog steeds die inspecteur. Nu los ik de ene moord na de andere op. Door een uitzonderlijke opmerkingsgave en een ontwikkelde helikopterview is ze ongeëvenaard in haar vak.
Er komen wel een stuk of tien moorden voorbij, als in een spannende film. Ik ben zowel deelnemer als toeschouwer.
De aanwijzingen waarop ik doorga, zijn telkens zo klein en bijna onbeduidend als mosterdzaad.
Dan word ik wakker.
Hoe klein mag een oorzaak zijn om alles te veranderen?
Wat smeult onopgemerkt totdat het zichtbaar wordt?
Welke aanwijzingen zie ik die anderen missen?
En is inzicht soms niet groter dan het drama dat het onthult?
Hoe verkleden zich ontvouwt
13 februari 2026
Alles is weggezakt. Ik weet nog maar weinig van de context.
Het waren opnieuw drie afzonderlijke delen.
Het thema bleef helder: verkleden.
In de ene film ging het om vermommen — om niet herkend te worden.
In een andere om omkleden thuis — uit sportkleding, terug naar gewone kleding.
En in het laatste deel ging het om uitdossen.
Een chique omgeving. Het uitzoeken van een prachtige galajurk.
Toen werd ik wakker.
Welke lagen van mij tonen zich — en welke blijven verborgen?
Wanneer beschermt verandering van vorm — en wanneer onthult zij juist?
Is kleding slechts uiterlijk — of ook een taal van identiteit?
En wie blijft er over wanneer alles weer wordt afgelegd?
Ongeloof
12 februari 2026
Weer een droom in drie delen.
In het eerste deel zie ik een man en een vrouw samenwerken. Politierechercheurs. De vrouw ben ik. We zijn geïnfiltreerd in een zeer gevaarlijke criminele bende. Ik zit aan een tafel in een restaurant te dineren met de top van deze organisatie. Zij weten niet wie ik werkelijk ben. Mijn partner verschijnt vermomd als oudere man met wandelstok en neemt plaats aan een naburig tafeltje. Zijn stok is rood met zwarte stippen — hetzelfde merk als dat ik zelf heb. Eén van de criminelen merkt hem op en voelt nattigheid. De spanning is voelbaar. Levensgevaar ligt vlak onder de oppervlakte.
Er komt een moment waarop alles samenvalt en we de bende kunnen ontmantelen. Hoe precies weet ik niet meer. Ik weet wel dat het escaleert. Dat ik — de vrouw — op een haar na word gedood. Letterlijk bijna door een bus overreden. Mijn partner voelt de schrik tot stilstand in zijn hart. Na een korte maar hevige strijd sta ik aan de overkant van een brede weg en zwaai lachend. Het is gelukt. Het heeft een goed einde gekregen.
In het tweede deel loop ik door een groot, prachtig afgewerkt huis midden in een bos. Gelijkvloers, majestueus zonder protserig te zijn. Ik verken eerst de rechtervleugel, keer terug naar de centrale ronde hal met glazen koepel, en ga dan naar de linkervleugel. Imposant en toch warm. Ik denk: hier zou ik zo kunnen wonen. Wat een plek.
Dan komt de eigenaar thuis. Mijn moeder.
Ik vertel haar hoe mooi het huis is. Zeg dat ik hier zou kunnen wonen als ik ooit geen onderkomen meer zou hebben. Met een scherpe stem antwoordt ze dat ik dat direct uit mijn hoofd moet zetten. Ik heb genoeg gezien en kan beter vertrekken. Ze zet me buiten. Ik ben niet boos. Alleen verbaasd. Ik denk: wat een pech heb ik met zo’n moeder. Ik voel ongeloof.
Dan zit ik plots op een tribune in Milaan bij het schaatsen. Ik zie hoe Joep Wennemars wordt gehinderd door zijn tegenstander en een seconde verliest — een seconde die een medaille had kunnen betekenen. Achter mij staan zijn vader en vriendin, in schok en ongeloof.
Dan word ik wakker.
Wanneer draag ik risico — en wanneer draag ik afstand?
Wat betekent thuishoren wanneer deuren gesloten blijven?
Welke strijd wordt gewonnen zonder dat ik de details hoef te kennen?
En wanneer ik toeschouwer ben — wat zie ik dan werkelijk gebeuren?
Wanneer kijken genoeg is.
11 februari 2026
Terwijl ik droom, droom ik dromen die ik al eerder gedroomd heb. Ik denk: een herhaling van zetten.
Met een mannelijk persoon bespreek ik dit. Hoe gaan we hier mee om? We besluiten met de bus te gaan — dat kost minder energie en geeft ruimte om te zien wat de bedoeling zal zijn.
We zitten in de bus en kijken naar het landschap dat zich ontvouwt. Gelaagd. Wegen boven ons, wegen onder ons. Bergen, heuvels, dalen, meertjes en rivieren. Alles beweegt langs ons terwijl wij kijken.
De bus rijdt nog. Ik zit nog midden in het genieten van dit landschap. En langzaam begin ik iets te begrijpen.
Op dat moment word ik wakker.
Wat herhaalt zich om opnieuw gezien te worden?
Wanneer is bewegen minder belangrijk dan waarnemen?
Welke lagen ontvouwen zich wanneer ik energie spaar?
En wat is het inzicht dat zich net buiten woorden bevindt?
Inventieve samenwerking
10 februari 2026
Twee jonge mensen — een man en een vrouw — zitten beneden in de hal van een enorm gebouw te wachten. Het is hoog, eindeloos veel verdiepingen, een ruimte waarin je klein wordt van het volume. Ze wachten op een gesprek.
De jonge vrouw ben ik.
De man is een vriend — of mijn vriend — dat weet ik niet precies.
Ik word naar binnen geroepen. Hij wenst me succes.
Wanneer ik terugkom zit hij er nog. Hij wacht. Om hem heen staan vier grote waterzakken. Blij vertel ik dat ik het ook geworden ben. Ik mag samen met hem de waterzakken veiligstellen op het dak van het gebouw. Ik krijg er zelf ook vier.
De liften werken niet meer. Het wordt een taak die uithoudingsvermogen vraagt, kracht, doorzetten. Vol goede moed beginnen we. We brengen de zakken omhoog, stap voor stap. Dag en nacht werken we door. Al snel merken we dat samenwerking de enige manier is. Alleen is het te zwaar.
Uiteindelijk staan er acht zakken op het dak.
Zo hoog dat je over de wereld uitkijkt.
Ik kijk rond en zeg tegen hem:
“Ik denk dat we nog niet klaar zijn. We moeten een stevige opslagruimte bouwen om deze zakken te beschermen. Hier is waarschijnlijk niet goed over nagedacht.”
Hij knikt.
“Daar ben ik het mee eens.”
Dan word ik wakker.
Welke last draag ik — en welke dragen wij samen?
Wat vraagt om bescherming wanneer het eenmaal boven is gebracht?
Is inspanning het doel — of het bouwen dat daarna volgt?
En wanneer ik over de wereld uitkijk — wat zie ik dan dat nog moet ontstaan?
Terugvinden wat van mij is
9 februari 2026
Een droom in drie etappes, totaal verschillend — en toch vloeiden ze moeiteloos in elkaar over. Ik bevond me met een klein groepje mensen op een enorme expo, zo groot dat het voelde als de RAI. Hallen vol beweging, geluid, indrukken. We waren met z’n vieren. Een vrouw — een bekende van Ton — hielp me zoeken, de andere twee kende ik niet. We zochten mijn schilderijen. Niet om ze te maken. Niet om ze op te hangen. Maar om te kijken of we ze konden terugvinden.
Na lang dwalen door de hallen vonden we er drie. We trokken ons terug in een achterafkamertje dat ik blijkbaar zelf had gehuurd — een plek om op adem te komen. Twee schilderijen stonden tegen de muur op de grond. Toen vroeg iemand: “Waar is dat schilderij met die tong?” De vrouw liep naar een tafel bij het raam en haalde het tevoorschijn van onder een stapel jassen.
Op dat moment besefte ik iets. Ik heb helemaal geen schilderij met een tong. En toch bestond het daar — in de droom — als een van de mijne. Het was groot, een enorme tong, gespiegeld, opgebouwd uit minuscule stippen. De ondergrond licht zalmroze, rode stippen vormden samen de contouren waaruit de tong zichtbaar werd, hier en daar een klein accent van donkere stippen. De techniek voelde vertrouwd, de uitvoering niet. Als observeerder dacht ik: dit ken ik niet. Als deelnemer wist ik: dit is van mij.
Op dat moment klonk muziek — Whatever you want, whatever you need… — ZZ Top, en plots stond de zanger daar gewoon in dezelfde ruimte, alsof dat de normaalste zaak van de wereld was. En toen, zonder overgang, zat ik in een auto naast mijn man. Niet zoals wij eruitzien, niet zoals we ooit waren, maar ik wist dat wij het waren. Ik keek naar hem terwijl hij reed, streek door zijn haar en zei: “Dat heb ik goed gedaan.” Hij keek verbaasd. “Wat heb je goed gedaan?” “Oooh… vannacht heb ik je haar geknipt.”
Daarna werd ik wakker.
Wat zoek ik terug wanneer ik mijn eigen werk zoek? Wat ontstaat al voordat het bestaat? Wat ligt zichtbaar — en wat verborgen onder lagen? Welke veranderingen breng ik aan vanuit liefde, nog vóór woorden verschijnen? En wanneer identiteit oplost — wat blijft er dan over dat zegt: dit zijn wij?
Tussen graven en beweging
8 februari 2026
Deze droom springt van film naar cartoon, van ernst naar lichtheid, zonder waarschuwing.
Ik zie een begraafplaats. Mooie grafstenen, beelden, veel groen en bloeiende bloemen. De zon schijnt. Het voelt vredig.
Dan verschijnen er neonletters en hoor ik een stem in het Engels: RENT.
Ik denk nog: huren? Tijdelijk gebruiken?
De scène verandert. Als in een getekende film komen doodskisten omhoog uit de graven. Niet dreigend — bijna speels. In de kisten liggen dieren, ook prehistorische soorten. Ik zie een supersaurus. Ze komen eruit — gezond, levend. Mensen zie ik niet meer.
De stem klinkt opnieuw, nu in het Nederlands: UITZOEKEN.
Een keuze maken? Onderzoeken?
In dit deel observeer ik alleen.
Dan verandert alles.
Ik sta met Ton buiten bij mijn ouderlijk huis. Het landschap is zoals vroeger — landweg, velden, een Ahob-overweg. Geen flats, geen tunnel. Wij zijn wel zoals nu. Zijn zoon nadert in de verte, scheurend in een witte Tesla. Hij rijdt voorbij om te keren, en terwijl ik kijk verandert de auto in een scooter met zijspan — open, zonder bescherming. De veiligheidsriemen liggen los op de grond. Hij is gehaast, gespannen. Ik geef Ton een kus voordat hij opstapt. Ze rijden weg zonder helm, zonder gordel.
Het voelt onprettig om dit te zien.
Wanneer hij aankomt stuurt Ton een bericht — zoals altijd. Opluchting. Ik vraag hem voorzichtig om op de terugweg bescherming te gebruiken. Hij had dat zelf inmiddels ook besloten.
Daarmee word ik wakker.
Wat als leven en dood slechts tijdelijke vormen zijn die zich blijven openen?
Wat vraagt er werkelijk om onderzocht te worden — kiezen of blijven waarnemen?
Wanneer verleden en heden tegelijk zichtbaar zijn — waar sta ik dan zelf in de tijd?
En wanneer ik niet alleen kijk maar ook zorg draag — verandert dan mijn plaats in het verhaal?
Het vogelhuisje
7 februari 2026
Vandaag is er weinig. Geen grote beelden, geen uitgebreide droom die zich ontvouwt. Mijn lichaam is nog bezig — koorts die komt en gaat, zweten, rust nemen wanneer dat gevraagd wordt. Alles voelt licht en tegelijk werkend van binnen.
Ton maakt me wakker zoals afgesproken. De dag begint eenvoudig.
Er moet een vogelhuisje gekozen worden. Aan ieder huisje is een persoon gekoppeld. Die persoon mag het gaan doen — wat dat precies inhoudt weet ik niet. Misschien iets bouwen. Misschien iets verzorgen. Misschien alleen maar kiezen.
Ik kijk ernaar zonder er betekenis op te willen leggen.
Een huisje voor vogels. Een plek waar iets mag landen. Waar iets even kan verblijven zonder vastgehouden te worden. Ieder met zijn eigen huisje. Ieder met zijn eigen handeling.
Vandaag hoeft niets groots te zijn.
Alleen aanwezig zijn in wat zich aandient.
Wat als ook kleine momenten een eigen symboliek dragen —
niet om begrepen te worden, maar om gezien te worden?
Wat als ruimte geven soms begint met iets eenvoudigs kiezen —
zonder te weten wat er daarna zal ontstaan?
Oversteken
6 februari 2026
Er wordt mij gevraagd of ik wil oppassen.
Niet op een kind. Niet op een dier.
Op een huis.
Ik ben een lange, slanke, aantrekkelijke vrouw, gekleed in een glanzende zijden jurk.
Het huis blijkt groot — eerder een villa, gelegen op een landgoed aan zee.
Ik heb het er naar mijn zin. De ruimte voelt licht en vrij.
Dan zie ik een foto staan.
Een klasgenootje van de basisschool — zo lijkt het — getrouwd met Dr. Burke uit Grey’s Anatomy, met hun zoon.
Ik herken de man onmiddellijk, maar moet zoeken: waarvan ook alweer?
Het antwoord komt niet.
En dan — uit het niets — verschijnt een gedachte:
“Er zijn wel duizend muizen nodig, die gekookt moeten worden, om het juiste weefsel te creëren.”
Op dat moment breken mijn vliezen.
Maar ik heb geen buik gezien.
De droom springt verder.
Situaties volgen elkaar op, vreemd en onlogisch — maar zonder verwarring.
Ik zit achter het stuur van mijn auto, in een kleine file aan de rand van een dorp.
Achter mij rijdt een ongeduldig persoon in een witte auto.
Ik weet dat er verderop een rotonde is — tweede afslag, een brug over een brede rivier.
Ik vertraag iets, creëer ruimte voor mij.
Niet voor hem.
Wanneer de weg vrij komt, geef ik gas.
Ik hang in de bocht, neem de rotonde soepel en rijd de brug op.
In mijn spiegel zie ik de witte auto volgen —
maar ver achter mij blijven.
Ik word wakker.
Ik voel me beter dan gisteren.
Alleen nog koorts.
Wat vraagt er om gedragen te worden zonder dat het zichtbaar groeit?
Wat ontstaat er in stilte terwijl ik slechts de ruimte bewaak?
Wanneer ongeduld achter mij dringt — kies ik dan mijn eigen tempo, of laat ik me sturen?
En als ik de brug over ben — wat heb ik dan werkelijk achtergelaten?
Rijk, maar niet zoals men denkt
5 februari 2026
Ik ben in een mooi gebouw. Organische vormen, helder licht — alles voelt open en rustig.
Een stem zegt: “Je kunt nu gaan werken.”
Ik loop door het gebouw en ga de sauna schoonmaken. Kennelijk ben ik hier schoonmaakster. Al neuriënd begin ik aan mijn taak. Het is al fris en schoon; eigenlijk ben ik alleen aan het bijhouden. Het werk gaat vanzelf, zonder weerstand.
Dan verandert het beeld.
Ik zit op een balkon. Zon op mijn huid, uitzicht voor me — een wijde verte zonder einde. Mijn tante komt erbij zitten, de enige zus van mijn moeder. Ze gaat op de grond zitten en laat haar benen tussen de spijlen door bungelen.
Samen kijken we. Zwijgend.
De lucht is strak blauw.
Weer verschuift het beeld.
Ik ben in een garage waar mijn auto staat. Een zwarte Rolls Royce met een zilveren grill. De motorkap staat open. De monteur ziet mij aankomen en sluit hem.
Ik stap in en rijd weg.
Onderweg glimlach ik.
Ik weet hoe er naar me gekeken wordt. Aan de buitenkant denkt men rijkdom te zien.
Ze kunnen nooit vermoeden dat ik zojuist een sauna heb schoongemaakt.
En ik denk:
Ja — ik ben rijk.
Maar niet zoals men denkt.
Ik word wakker. Mijn lichaam voelt warm — koorts.
Na een half uur zakt het weer.
Ik ga sporten, hoe dan ook.
Goedemorgen.
Wat als waarde niet zichtbaar is in wat ik bezit, maar in hoe ik beweeg door wat ik doe?
Wat als dienen en genieten geen tegenpolen zijn, maar dezelfde stroom?
Wie ben ik wanneer niemand ziet wat er achter de façade ligt — en doet dat er eigenlijk toe?
En als ik glimlach om wat men denkt te zien — waar ligt dan mijn werkelijke rijkdom?
TAKE HIM HOME
4 februari 2026
De droom is volledig Engelstalig.
Bam — een stem, luid en helder: TAKE HIM HOME!!
Ik schrik ervan wakker in de droom zelf, omdat ik daarvoor oude dromen droomde. Dat wist ik daar ook: dit hoorde erbij.
Alleen over het woord him struikel ik even. Wie is him?
Ik haal mijn schouders op. Waarom zou ik alles moeten begrijpen?
Even later begint de stem te zingen.
The Logical Song van Supertramp.
Ik voel me meteen blij. Dit lied heb ik zo lang niet gehoord.
Ik zing mee. Alles.
Vroeger kende ik de teksten van Breakfast in America uit mijn hoofd — en dat blijkt nog steeds zo.
In mijn droom zing ik het hele nummer, van begin tot eind.
Aan het einde begin ik opnieuw.
Maar nu zing ik alleen het eerste couplet.
Drie keer.
Dan — plop.
Ik ben wakker.
Wat als “him” geen ander is, maar een deel van mij dat ooit werd weggezonden?
Wat als thuiskomen niet betekent teruggaan, maar weer mogen zijn wie ik was vóór het logisch werd?
En wat als herhalen geen vastlopen is, maar een zachte manier om iets te laten landen — precies daar waar het ooit begon?
MOVE
3 februari 2026
MOVE! Heel hard schreeuwt een stem: MOVE. Ik schrik enorm. Verward. Waarom zo intens schreeuwen? Om mij angst aan te jagen? Of moet ik opschieten? Wat, wat, wat?
Dan zie ik ineens dat een skelet wordt opgegraven. De vraag is natuurlijk wie dat is. Na onderzoek komt de politie me vertellen dat ik dat ben. Mijn rechten worden opgesomd, ik word in de boeien geslagen en gearresteerd. Want ja — wie ben ik dan wel?
Na onderzoek en DNA-testen blijkt dat ik óók Annette ben. Nu kunnen ze me niet vasthouden, ik mag weer naar huis. De vraag blijft: hoe kan dit? Het is een mysterie.
Ik zeg niets, maar ik heb zelf wel een idee. De wereld is daar nog niet aan toe. Dank je wel, Universum, dat je het mij hebt laten zien.
Door het harde gesnurk naast mij word ik wakker. Mijn hand gaat onder de dekens om Ton aan te raken, maar ik vind alleen een harig bolletje — mijn hondje. Ik ben wakker.
Wat als bewegen niet betekent dat ik wegga,
maar dat ik loskom van wat al is onderzocht?
Wat als identiteit niet verdwijnt wanneer ze sterft,
maar pas zichtbaar wordt wanneer ze niet meer vast te houden is?
En wat als zwijgen soms de enige juiste beweging is,
omdat niet alles al gedeeld kan worden —
maar wel geleefd.
Wat gebleven is.
2 februari 2026
De droom laat mij zien dat er uit het verre verleden toch iets is gebleven.
Of liever gezegd: weer heel zachtjes aanwezig is — sinds een jaar, misschien twee.
Een vakantievriendje van vijftig jaar geleden.
Altijd nieuwsgierig gebleven naar hoe het met mij zou zijn. Via internet had hij me weer gevonden. Sindsdien hebben we af en toe contact.
Een vakantievriendin van vijfenvijftig jaar geleden.
Door het overlijden van haar moeder spraken we elkaar voor het eerst weer na veertig jaar. Er staat een afspraak om elkaar opnieuw te zien.
Weer contact met een zwager van vijfenveertig jaar geleden.
Ook met hem is er een afspraak om elkaar dit jaar te ontmoeten.
Als een film laat mijn droom deze mensen voorbij komen.
Beelden van toen.
Opeens zie ik mezelf ook weer zitten, kijkend naar de film The Deer Hunter. Misschien ook wel vijfenveertig jaar geleden. Die film heeft destijds diepe indruk op mij gemaakt.
De vriendschappen.
Het overleven.
De keuzes.
En dat wat de bedoeling is.
De complexiteit van een levenspad.
Hoe levens uit elkaar gaan en soms weer samenkomen.
De oorlog.
Het Russische roulette — voor mij een beeld van keuzes en kansen.
Waarom moet ik dit nu weer zien?
Waarom komen juist deze mensen terug in mijn droom?
En waarom eindigt dit alles met die film?
Met een frons word ik wakker.
Wat als sommige verbindingen geen bestemming hebben, maar een herinnering aan richting?
Wat als wat terugkeert niet vraagt om herhaling, maar om erkenning?
Hoe voelt het om te zien wat is gebleven, zonder ernaar terug te hoeven?
En wanneer het leven zichzelf toont als een spel van kansen en keuzes —
wat vraagt dat dan van mij, hier en nu?
De vraag zonder antwoord
1 februari 2026
Ik droom heel uitgebreid. Tijdens de droom denk ik:
Jeetje, dit heb ik al eerder gedroomd — precies zo.
Nu ik wakker ben, weet ik niet meer welke droom dat was.
Alleen het laatste beeld herken ik. Hetzelfde einde als toen.
Nu wordt er iets aan toegevoegd.
Ik hoor een stem die vraagt:
“Waarom heb je die kristallen vaas?”
In mijn hoofd herhaal ik die vraag wel tien, elf keer.
Moet ik dat weten?
Heb ik daar een antwoord op?
Dan komt er iemand van achteren die mij omarmt en knuffelt.
Ik heb het niet zien aankomen, maar de rugknuffel is fijn en vertrouwd.
Het voelt als rugdekking. Als bescherming.
Het beeld blijft als het ware stilstaan —
maar het blijft levend.
Linksonder verschijnt een grote, getekende zon met zonnestralen.
Hij neemt ongeveer een zesde van het beeld in.
Dan verschijnt er los een beeld van mij,
zoals op de tarotkaart De Gehangene.
In de droom weet ik al: zo ziet dit eruit.
Tot slot verschijnt in het eerste beeld, in de zon,
een even grote maan.
Mijn hond stoot als een bok tegen mijn been, keer op keer,
om mij letterlijk wakker te duwen.
En dat gebeurt.
Wat als niet alles begrepen hoeft te worden om gedragen te zijn?
Wat als vragen mogen blijven klinken zonder antwoord?
Hoe voelt het om gesteund te worden zonder te weten door wie?
En wanneer zon en maan tegelijk aanwezig zijn —
wat hoeft er dan nog gekozen te worden?
De weg naar huis.
31 januari 2026
In mijn droom ben ik met iemand gaan wandelen in een natuurgebied.
Ik ben zoals ik nu ben. Er is een persoon bij me, maar ik weet niet wie.
Voordat we gaan wandelen drinken we eerst iets op een terrasje. Daarna maken we een flinke wandeling. Wanneer we terugkomen is het terras propvol.
Mijn wandelvriend kijkt en zegt:
“Hey, kijk daar zitten je vrienden van vroeger — weet je wel, die gasten waar je ooit mee samengewoond hebt. Zullen we even naar ze toe lopen?”
Nee, ik wil dat niet.
Wat geweest is is geweest. Het was een leuke tijd, maar ik hoef het niet weer op te rakelen. Ik wil daar niet opnieuw beginnen.
Dan loop ik alleen verder over een weg richting mijn huis. Het is duidelijk platteland. Hoger loopt nog een weg — een dijk. Daar parkeren mensen hun auto om te gaan wandelen.
Ik zie een witte stationwagon. Mijn voormalige vriendin stapt uit. De vriendin met wie ik gebroken heb na de transformatie van Michel. Ze is gekleed als een witte yogi. Ze heeft nu lang grijs haar. Haar man is bij haar.
Ze ziet mij lopen.
“Hoi, hoe gaat het met je?” roept ze.
“Ik zie dat je nog met een wandelstok loopt.”
Ze loopt op de dijk evenwijdig aan mij en praat met me terwijl ik doorloop op de lager gelegen weg richting mijn huis.
Dan zie ik de blauwe voordeur van mijn witte huis. De dijk maakt vlak voor mijn huis een scherpe bocht naar links. Zij loopt tot aan die bocht en zegt dat ze gehoord heeft van mijn CVA.
Ik haal de voordeursleutel uit mijn zak en bevestig haar woorden.
Nu gaat het goed met me. Dat is wat telt.
Ik ben duidelijk niet van plan dit gesprek verder te voeren of de vriendschap weer aan te halen.
Met de sleutel vlak bij het slot van mijn voordeur word ik wakker.
Wat als afronden geen verlies is, maar ruimte?
Wat als parallel lopen genoeg is?
Hoe voelt het om het verleden te erkennen zonder erin terug te stappen?
En wanneer ik mijn sleutel al in handen heb —
waar ben ik dan eigenlijk nog bang voor?
Zon in en om me heen
30 januari 2026
De stem praat tegen mij.
Het wordt nu tijd om te stoppen met overleven.
Het wordt tijd om het kind te zijn — dat plezier maakt, huppelt, lacht.
Vooral lachen is belangrijk voor jou nu.
Zet iedere dag een lach op je gezicht.
Fake it till you make it.
Laat de zon van binnenuit je leven gaan beheersen.
Dat doet niets af aan serieus zijn.
Lachen en plezier hebben staan niet gelijk aan oppervlakkig zijn.
De lach en de zon zijn wat je nu nodig hebt.
En wat je kunt gaan ademen.
Nogmaals:
ga hem vinden.
roep hem op in jezelf.
Fake it till you make it.
Met die woorden word ik wakker.
Moge de eeuwige zon
over je schijnen.
Moge liefde je omringen.
En moge het zuivere licht in mij
mijn weg blijven leiden.
Leid mij verder.
Leid mij verder.
Leid mij verder.
Sat Nam.
Just like flipping a coin
29 januari 2026
Heel duidelijk blijft er één zin hangen.
“Just like flipping a coin.”
Dit keer droomde ik Engelstalig.
Ik zie een munt die in de lucht wordt gegooid. Hij draait snel. Heel snel. Zo snel dat hij niet lijkt te vallen. Hij blijft hangen in de lucht, nog zonder uitkomst.
De munt is niet rond.
Hij heeft de vorm van een dikke komma — maar dan op z’n kop, met de punt omhoog.
Geel. Goudkleurig.
Hij draait.
En blijft.
Meer is er niet.
Wat als het beslissende moment niet de uitkomst is, maar het draaien zelf?
Wat als blijven hangen geen aarzeling is, maar ruimte?
Wanneer alles nog mogelijk is — waar rust ik dan?
En durf ik te vertrouwen op wat valt,
zonder het moment ervoor te willen verkorten?
Niet herhalen, maar begrijpen
28 januari 2026
Toen ik wakker werd, wist ik het nog.
Ik was weer in het ziekenhuis geweest — net als gisteren.
Maar nu stond er iemand bij de uitgang.
Die persoon zei:
“De volgende keer gaan we het allemaal goed herbeleven.
Niet door opnieuw ziek te worden,
maar door dit keer goed te onderzoeken.
Zonder steken te laten vallen.”
Het sleutelwoord was helder.
Herbeleven.
Wat als herbeleven geen herhaling is —
maar een nieuwe vorm van zien,
waarbij niets verloren gaat,
en alles opnieuw kan spreken?
HET KAN OPNIEUW
27 januari 2026
Ik ben in een warm land.
Op straat lopen bontgekleurde vogels vrij rond — zoals hier duiven en mussen, maar dan talrijker, levendiger. Tussen de mensen bewegen ook grotere dieren: kamelen, langharige geiten, honden van allerlei soort. Alles loopt door elkaar heen, zonder spanning. Het voelt vanzelfsprekend. Harmonieus.
Ik zie een terras en ga zitten om iets te drinken. Mensen zitten aan verschillende tafeltjes, maar praten met elkaar alsof het één geheel is. Ook met mij. Er is openheid, geen afstand.
Op de grond zie ik dat er ooit een groot, kleurrijk schilderwerk is geweest. Ik vraag of ik de vloer van het terras opnieuw zou mogen schilderen.
“Zo groot?” vraagt iemand.
Ja, zeg ik. Natuurlijk kan ik dat. Dat deed ik vroeger ook. Grote projecten. Dat is gewoon leuk om te doen.
Dan zijn we ineens in een zaal. Ik toon een film die ik zelf heb gemaakt.
Het begint met zwart. Heel langzaam verschijnen kleine lichtjes. Het ontstaan van sterren, planeten, stof, wolken — het veelkleurige heelal.
Daarna verschijnt een wereld. Een stad, gebouwd met ronde vormen en lichte stenen. Ik zie Romeinse boogbruggen. Eerst zie je alleen de stenen. En wanneer dat staat, begint het groen te verschijnen. Planten en bloemen ontspruiten letterlijk tussen de gebouwen door. Het is idyllisch. Levend.
Dan komen de donkere wolken.
De zon verdwijnt.
Eerst verdwijnt de natuur uit de stad. Daarna beginnen de stenen af te brokkelen. Langzaam verandert alles in een grote ruïne. Het voelt niet alleen als een stad die vergaat — het voelt als de wereld zelf.
Het wordt donker.
Dan hoor ik mijn stem.
Mijn stad.
Vrees niet.
Wat vergaat, kan opnieuw worden opgebouwd — met de kennis en ervaring die we hebben.
Langzaam komt er weer licht. De wolken verdwijnen. De zon begint opnieuw te schijnen. Stenen stapelen zich weer op. En uit de grond zie ik het groen weer tevoorschijn schieten. Leven keert terug.
Dan word ik wakker.
Wat als verval geen mislukking is, maar een noodzakelijke ademhaling?
Wat als herinnering aan hoe het ooit was, tegelijk ruimte schept voor iets nieuws?
Waar sta ik wanneer werelden instorten — als toeschouwer, als bouwer, of als degene die blijft?
En durf ik opnieuw te schilderen op de grond waar mensen elkaar ontmoeten,
zonder te weten wat het zal worden — alleen dat het weer mag ontstaan?
26 januari 2026
Geen droom
Geen beelden, geen stemmen, geen verhaal.
Alleen leegte. Of misschien: rust.
Wat als het niet-zien ook een weten is?
Een stille nacht die niets toevoegt — en daardoor iets voltooit.
Er zijn nachten die niets tonen,
omdat het genoeg is geweest.
Of omdat wat droomde, nog niet wil spreken.
Ik laat het zo.
Morgen misschien weer een andere wereld.
De droom die terugkwam
25 januari 2026
Ik droom en herken meteen de plek waar ik ben, want ik was daar al eerder — in een andere droom. Alleen nu zie ik dat het gebouw rond is, en zich eindeloos voortzet in de krullen van een Mandelbrot-fractal. Overal bogen, zoals in een amfitheater, een structuur zonder begin of einde. Het voelt als een nieuwe wereld: oorspronkelijk, licht, vredig.
Maar dan gaat het mis. Er ontstaat wrijving, ruzie, geroddel. Ik merk dat ik teleurgesteld raak en besluit: ik begin deze droom opnieuw, om hem wel mooi te laten verlopen. En dat lukt. Ik keer terug naar het gevoel van 13 januari — een wereld waarin mensen gelukkig zijn en stralen, waar samenleven licht en open aanvoelt. Toch mis ik nog iets.
Dus begin ik dezelfde droom opnieuw, voor de derde keer. Nu zie ik dat mensen niet alleen in harmonie leven, maar ook samen een structuur vormen. Er ontstaat een bestuursvorm, een systeem dat beweegt en rouleert. Elke krul-cirkel heeft zijn eigen bestuur, waarin iedereen een keer deelneemt. De verschillende cirkels overleggen met elkaar, en één keer per jaar is er een feest dat alle cirkels verbindt — zelfs die ver van elkaar verwijderd zijn. Deze wereld voelt mogelijk. Leefbaar. En diep vertrouwd. Dan word ik wakker.
Ik zoek de twee eerdere dromen op waarin ik op dezelfde plek was, en herken ze nu als deel van deze grotere beweging.
13 januari 2026
Ik weet de context niet meer, alleen wat ik zag. Jonge mensen. Groepen. Beweging. Een gebouw zonder begin of einde — je liep erdoorheen als door een levende stroom. Alles was verbonden: slaapkamers, eetzalen, scholen, werkplaatsen, tuinen. Geen rechte lijnen, maar ronde vormen. Organisch en zacht. Het voelde als woongroepen, maar niet als een commune. Eerder als een toekomst die zich al begon te vormen — eenvoudig, aandachtig, vreedzaam. Ik zag hoe er gespeeld werd, hoe mensen overleggen, samenwerken. Er was veel kleur, vooral geel en groen. Licht en levend. Ik liep erdoorheen, verwonderd, en nam het in me op.
23 januari 2026
Je hebt je stekkie gevonden. Na vele ijsbanen, trainingen, gesprekken met verschillende coaches was het daar. Niet per se groot of opvallend, maar wel stevig. Juist. Een plek die klopte. Ik zie ronde stenen bogen, zoals in een oud Romeins amfitheater. Zacht licht. Stilte. Rondheid. Dan word ik wakker. Mijn man praat tegen me, en ik voel hoe de droom wegzweeft — alsof hij zachtjes terug de nacht in glijdt.
Wat als dromen geen herhalingen zijn, maar verdieping?
Wat als de kring die je loopt, geen kring is maar een spiraal
— een richting die zich langzaam ontvouwt?
KLEURENPALLET
24 januari 2026
Een stem zegt tegen mij:
“Het kleurenpalet dat jij gebruikt is bijzonder, maar wel bekend.”
Het is conceptueel, zegt hij.
“Kijk maar.”
Ik zie een hele rij kleuren, lang als een lint, en herken ze meteen.
Het zijn de kleuren van mijn huis.
Onder de strook staat in kleine letters geschreven:
conceptueel.
Dan ben ik opeens ergens anders —
in een woonkamer, in gesprek met iemand.
Het is een bijzonder gesprek.
Bijzonder van toon.
Bijzonder van inhoud.
Maar zodra ik wakker word,
glipt het bij me weg.
Wat blijft, is het beeld.
Alsof het uit een oude analoge camera komt —
een negatief in grijs, zwart en wit.
Zonder geluid. Zonder scherpte.
Zonder kleur.
En dan, uit het niets:
op een trottoir loopt mijn nichtje voorbij.
Niet in grijstinten.
Maar levend, warm, in kleur.
Misschien zijn sommige gesprekken te kostbaar om te onthouden —
omdat hun waarheid al is binnengedruppeld in het palet van je ziel.
Wat verdwijnt in grijs, leeft verder in kleur.
En soms is één voorbijganger genoeg om je daaraan te herinneren.
JE STEKKIE GEVONDEN
23 januari 2026
Je hebt je stekkie gevonden.
Na vele ijsbanen, trainingen, gesprekken met verschillende coaches —
was het daar.
Een plek die klopt.
Niet per se groot of opvallend,
maar stevig. Juist.
Ik zie ronde stenen bogen,
zoals in een oud Romeins amfitheater.
Zacht licht. Stilte. Rondheid.
Dan word ik wakker.
Mijn man praat tegen me.
En ik voel hoe de droom wegzweeft —
alsof hij zachtjes terug de nacht in glijdt.
Wat als het niet de droom is die verdwijnt —
maar jij die net op tijd arriveert
in een plek die al die tijd op je wachtte?
DE ZOON
22 januari 2026
Het is niet veel wat is blijven hangen.
Maar dit weet ik:
Ik red het kind van de man
die mijn familie heeft vermoord.
Dezelfde man die al jarenlang
pogingen doet
mij ook te vernietigen.
Het kind —
ik voed het op als het mijne.
Hij wordt mijn oudste zoon.
En dat blijft hij,
zelfs als ik ooit kinderen krijg.
Ik hou direct van hem.
Zonder voorbehoud.
Wat als liefde niet vraagt wie je bent —
maar wie je durft te worden, ondanks alles?
Wat als het leven je het kind geeft van de dader,
omdat jij degene bent die het lot kan keren —
en niet hij?
GEZOND
21 januari 2026
Mijn droom komt met een interessant perspectief.
Ik ben gezond.
Altijd gezond geweest.
Met andere woorden: ik heb nooit lichamelijk ongemak gevoeld, geen pijn gehad. Sportief, krachtig, soepel.
In mijn naaste omgeving — wie dat precies is weet ik niet meer, misschien mijn partner, kind of beste vriend(in) —
draagt iemand vanaf de geboorte juist míjn pijnen, míjn ongemakken, met al het onbegrip dat daarbij komt.
De droom lijkt zich af te vragen: hoe zou ik daar dan mee omgaan?
Tja. Een dilemma.
Ben ik, als dromer, nog steeds de gehandicapte die droomt dat ze gezond is?
Of is dat aspect van mijn wakkere leven helemaal verdwenen in deze droom?
Hoe werkt dat eigenlijk?
Of is dat juist niet de vraag?
Misschien vraagt de droom niet: hoe gaat een gezond mens om met een beperkt lichaam —
maar: hoe kijkt de échte ik, de wakkere, lichamelijk beperkte ik,
naar gezonde mensen?
Verder ben ik niet gekomen…
Wat als de droom me niet vroeg om te kiezen —
maar om te leren begrijpen wat ik nooit ben geweest?
Wat als dit niet ging over pijn of gezondheid —
maar over het mysterie van écht weten, zonder bewijs?
TERUG NAAR HET LICHT
20 januari 2026
In mijn droom ben ik jong. Ik zie mezelf niet, maar ik voel het aan alles. Mijn lichaam is soepel. Mijn geest alert. Mijn man en ik worden gedropt — midden in een wilde, ongenadige zee. Voor ons: een langgerekt eiland van zwarte rotsen. Rauw. Onherbergzaam. We zijn militairen. Er is geen uitleg. Geen context. Alleen de noodzaak om te rennen.
We rennen. Steeds verder over de scherpe rotsen, richting het einde van het eiland. Achter ons barst het los: we worden beschoten, zwaar. De kogels schrapen over de rug van het eiland en laten een diepe geul achter. We duiken het water in — instinctief, geen tijd voor angst. In het water komen ze naar boven. Enorme kaaimannen. Donker, log, dreigend. Ze zijn op jacht. Op ons.
We halen het. Bereiken een nieuw eiland. Groot. Onbekend. De rotsen lijken zachter, maar de dreiging is nog niet voorbij. De kaaimannen volgen. We duiken weg. Hurken neer voor een witte deur. Naast mij… is er ineens een kind. Ons kind. Het is er gewoon. In een zwembroekje. Klein, kwetsbaar. Eén kaaiman snuffelt aan hem, snuit tegen zijn huid. Klaar om toe te slaan. Mijn man en ik kijken elkaar aan. Geen woorden nodig. We openen de deur, duiken naar binnen — kaaimannen op onze hielen. Dan trekken we de deur achter ons dicht. Op slot. Achtergelaten. Weg.
Buiten is alles nog steeds ruig. Rook. Vuur. Andere militairen sneuvelen om ons heen. Mijn man rent een open veld in. Vuurgevecht. Hij overleeft. De anderen niet. Samen, met het kind, rennen we naar het water. Onder vuur. Maar we redden het.
En dan — ben ik thuis. Niet het huis dat ik ken, maar het voelt als thuis. Mijn man en kind zijn er. Ik zie ze niet, maar ik voel het. Er wordt aangebeld. Een vriendin staat voor de deur. Een Aziatische vrouw in een stijlvolle witte jurk, rood colbert, hoge pumps. Haar bobkapsel strak, haar uitstraling helder. Ze gaat zitten. Naast een wc. En terwijl we praten, ga ik gewoon plassen. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is.
Dan zie ik mezelf weer. In beweging. In uniform. Samen met hem. Niet in oorlog, maar alert. Wakker. En dan... word ik wakker.
Wat als het licht pas zichtbaar wordt na de strijd —
niet omdat het verborgen was,
maar omdat ik eerst moest voelen wat het beschermt?
Wat als het kind in mij niet alleen gered werd,
maar mij liet zien waar mijn kracht al lang lag te wachten —
stil, onzichtbaar, en onaangetast door alles wat kwam?
STRAAL VAN OVERGANG
19 januari 2026
Er is een aureool van licht. Niet heilig, niet mystiek — maar precies, technisch, als een straal die iets activeert. Ton staat eronder. Het licht omcirkelt zijn hoofd. Stil. Bewegingloos. En toch gebeurt er iets. Alsof hij getransporteerd wordt — niet lichamelijk, maar in een andere zin. Zoals in Star Trek: Mister Scotty, beam me up.
Ik weet: ik ben daarna aan de beurt.
Dan klinkt er een stem:
“Zeg maar… is dit God — of iets anders?”
Op dat moment maakt Ton me wakker.
Maar de zin blijft nagalmen. Niet als vraag, maar als poort.
Wat als het goddelijke niet verschijnt als verklaring,
maar als doorgang — een moment van stil licht dat je optilt?
Wat als ik niet hoef te begrijpen waarheen,
maar slechts hoef te vertrouwen dat ik word geroepen?
En wat als zien hoe een ander gaat,
precies is wat mij voorbereidt op mijn eigen overgang?
TUSSEN LIEFDE EN LEEGTE
18 januari 2026
Ik heb gedroomd over Ton en mij. Waar de droom precies over ging, weet ik niet meer. Maar toen ik wakker werd, bleef er iets hangen: een conclusie, en een paar vragen die zich niet lieten wegdrukken.
Zie ik en ervaar ik hetzelfde als toen?
Hoe ga ik daar nu mee om?
En hoe doe ik dit — zonder mezelf opnieuw te verliezen?
Mijn eerste man, de vader van mijn oudste dochter, leerde ik kennen op vakantie. We werden hevig verliefd. Jong getrouwd. We mochten een lief meisje ontvangen, Renée. Daarna volgde een zware operatie en twee jaar revalidatie. Aan het einde van die periode werd Renée geboren. Mijn lichamelijke conditie ging zo achteruit dat ik volledig werd afgekeurd.
Het maakte toen allemaal niet uit. Ik was gelukkig getrouwd en had een kind. Het leven was moeilijk, waardoor mijn ouders een deel van de zorg voor mijn dochter overnamen. Ik bleef vaak alleen achter in mijn flat. Mijn auto werd aangepast, ik kreeg een rolstoel en een scootmobiel. Mijn wereld werd weer iets groter.
In die tijd kwam yoga op mijn pad. Ik stortte me er volledig op. Mijn energie keerde terug. Ik kon weer beter lopen — letterlijk en figuurlijk. Er gebeurde in die jaren veel meer dat bepalend is geweest voor mijn leven, maar dat is nu niet het punt.
Door de verdieping die ik doormaakte, door hoe ik altijd al in het leven stond maar nu nog sterker, raakte ik steeds verder verwijderd van mijn man. Tot er een moment kwam waarop er naar mijn gevoel niets meer was. Geen communicatie. Geen gezamenlijk doel. Geen liefde. Leegte.
Ton leerde ik acht jaar geleden kennen, nadat Michel tweeënhalf jaar daarvoor was overleden. Ook wij werden smoorverliefd. We waren al snel onafscheidelijk. Ton is iemand die zorgt — beter gezegd: hij verzorgt. Hij kookt, doet boodschappen, neemt het huishouden over. Voor mij voelde dat als de hemel op aarde. Het gaf me ruimte. Ruimte om weer te schilderen. Om creatief te zijn.
Totdat hij in mijn leven kwam, was leven en overleven meer dan genoeg. Dat was wat mijn lichaam aankon. Niets mis mee. Ik had niets te klagen. Maar door die ruimte werd ook iets aangeraakt wat lang had stilgelegen. De energie die schilderen me gaf, was enorm.
We verhuisden samen naar een gelijkvloers appartement, met een klein atelier. Perfect. We kochten fietsen zodat we de natuur in konden en ik beweging had. En toen kwam het CVA. De revalidatie. De bewustwording. En het herboren gevoel van nu.
Ton is zo goed voor mij. En tegelijk spreken we niet dezelfde taal. Hij kan niet mee in mijn gedachtegang. Hij wil alles rationaliseren. Hij gaat discussies aan over dingen die voor mij geen discussie zijn, maar er gewoon zijn. Ik wil de ruimte om dat hardop te benoemen — en telkens belanden we dan in afstand. In leegte.
En dan komen de vragen.
Wat gebeurt er met mij als het zo goed blijft gaan als nu?
Als mijn energie weer volledig terugkomt?
Laat ik die leegte opnieuw ontstaan?
Word ik weer liefdeloos — niet uit onwil, maar uit overleving?
Ik wil het anders doen. Zonder in herhaling te vallen.
Geen verwachtingen hebben van dezelfde denkbeelden.
Zien wat hij wél voor mij doet.
De kleine liefdevolle dingen niet veronachtzamen.
Mijn liefde niet laten afhangen van herkend worden, maar wel erkend.
Liefde geven. Liefde delen. Zodat er ook ruimte is voor Ton om te ademen.
Dat is waar ik nu sta.
Niet met antwoorden.
Maar met een keuze om aanwezig te blijven — ook wanneer het schuurt.
Misschien vraagt liefde soms niet om samenvallen,
maar om naast elkaar blijven staan
zonder jezelf te verlaten.
Niet om dezelfde taal te spreken,
maar om elkaar ruimte te geven
om in die verschillen te blijven ademen.
WIE ZEGT DAT IK MEE MOET DOEN?
17 januari 2026
Ik hoor mezelf zeggen:
“Ik doe niet meer mee.”
Een andere stem antwoordt:
“Dat gaat niet. Je kunt het herzien, maar mensen hebben dit nodig.
Zonder orde ontstaat anarchie. Het wordt onbestuurbaar.
Zonder normen en waarden werkt het niet.”
Ik zucht. En zeg:
“Okee… dan ga ik ermee aan de slag.”
Het was een uitgebreide droom, vol details, vol scènes.
Maar nu, achter mijn laptop, is het grootste deel opgelost.
Wat bleef:
Een vrouw — ik, maar niet zoals ik mezelf ken.
Rond de veertig, lang zwart haar. Gezond. Ze loopt licht, als een kievit.
En ze is ergens waar ik nog nooit ben geweest.
Een onbekende wereld.
Onbekende mensen.
En toch… hoorde ik mezelf daar.
Met die ene zin.
Wat als er delen van mij bestaan die een ander leven leiden,
in andere tijden, andere werelden — maar toch van mij zijn?
Wat als niet alles hoeft te worden onthouden,
om iets te betekenen?
En wat als één besluit — “ik doe niet meer mee” —
juist het begin is van iets nieuws,
wat zich nog niet laat tonen, maar al aan het bewegen is?
EEN WOORD
16 januari 2026
Soms is er geen droom, maar alleen een woord.
Vandaag was dat woord:
VOLTOOIEN
Ik weet niet precies wat het betekent.
Maar het kwam helder binnen.
En dus schrijf ik het op.
Wat als één woord genoeg is —
om iets in gang te zetten wat ik nog niet begrijp?
HET HUIS DAT IK NOG NIET KEN
15 januari 2026
Ik word wakker in een auto, met mijn hoofd tegen Ton aan. We zitten achterin, onderweg naar onze eigen auto. De verhuizing is achter de rug: we hebben ons huis helemaal leeggehaald. Alles is weg. Het voelt vreemd… kalm… en onomkeerbaar.
De nieuwe bewoners zijn vriendelijk. Ze hebben een groot bedrijf dat chips produceert — en ze leenden ons een bedrijfswagen om te verhuizen. Het bedrijf heet Van Pelt. Modern, imposant. Een enorme, lichtgrijze hal, van binnen en van buiten strak en schoon. We brengen de bus terug en krijgen een rondleiding.
Wat me opvalt is de perfectie. Alles is afgewerkt. Het gebouw is bijna steriel. Aan het plafond platen met reliëf — gelijkmatige heuvels van zo’n dertig centimeter hoog, maar door de hoogte van de hal vallen ze nauwelijks op. Toch trekken ze mijn aandacht. Er liggen er nog een paar op de vloer. Ze lijken iets te willen zeggen.
We betreden een afgesloten ruimte, waar mensen in witte pakken in stilte werken. In glazen omgevingen — als couveuses — worden de chips bewerkt. Alles ademt precisie, aandacht, rust. Achter glas zie ik de opslagruimte waar de kant-en-klare chips liggen. Een medewerker vertelt waar ze voor dienen, en het klinkt als een lijst vol toekomst.
Dan kom ik buiten, bij een plek waar mensen pauze houden. Er is een voedselkar, iedereen mag nemen wat hij wil — gratis. Niemand misbruikt het. De sfeer is licht. Mensen zijn vrolijk. Ze werken hier graag. Ik voel het.
De eigenaar van Van Pelt — straks de bewoner van ons oude huis — brengt ons terug naar de auto. Die staat nog geparkeerd bij ons voormalige thuis.
En terwijl ik tegen Ton aan lig, stil en moe, komt één gedachte op:
ik heb ons nieuwe huis nog nooit gezien.
Maar ik weet zeker: het voldoet aan al mijn wensen.
Wat als het onbekende geen leegte is,
maar een plek die al op mij wacht —
gevuld met dat wat ik nog niet heb durven dromen?
Wat als loslaten pas echt mogelijk wordt
wanneer ik vertrouw op wat ik nog niet kan zien —
maar wél al voel?
En wat als elke zorgvuldig gebouwde hal in een droom
slechts de voorbode is van een innerlijk huis
dat eindelijk bewoond mag worden?
WERELDSCHIJVEN
14 januari 2026
Soms is het moeilijk uit te leggen, omdat je in een droom dingen ziet die niet bestaan zoals wij ze kennen. Maar ik probeer het.
Ik zie werelden. Geen landkaarten of continenten — maar ronde schijven, die kriskras boven en onder elkaar bewegen. Samen vormen ze een immense bol, een wereld van lagen. Op elke schijf leeft iemand. Ik zie mensen — ik weet dat het mensen zijn — maar hun verschijning is anders: lang haar, lange gewaden, elegant. Chic, maar niet van hier.
Iedere schijf is persoonlijk. Uniek. En tussen die schijven beweeg je je vrij — zwevend, gedragen door een soort onzichtbare stroming. Je hoeft niet te lopen. Je beweegt als vanzelf.
Dan gebeurt er iets. Iemand verlaat zijn eigen schijf, zweeft de ruimte in. Tegelijkertijd betreedt een ander zijn schijf. Hij ziet het gebeuren — en besluit zich te wenden tot een soort leider, iemand die aan het hoofd staat van deze wereld.
Ik hoor het gesprek:
“Wat is dat — iemand die jouw wereldschijf bespiedt?”
“Bespieden?”
“Ja. Hij was er en keek rond.”
“Maar bespieden bestaat niet,” zegt de ander. “Het is waarnemen. En het is de bedoeling dat we leren waarnemen…”
Dan word ik wakker.
Wat als het geen inbreuk is wanneer een ander jou werkelijk ziet —
maar een uitnodiging tot wederkerigheid?
Wat als leren waarnemen betekent dat je het onderscheid loslaat tussen kijken en bekeken worden —
en je durft bewegen tussen werelden, open, stromend, en zonder verweer?
EEN RONDE WERELD
13 januari 2026
Ik weet de context niet meer, alleen wat ik zag.
Jonge mensen. Groepen. Beweging.
Een gebouw dat niet begon of eindigde — je liep er doorheen als door een levende stroom. Alles was verbonden: slaapkamers, eetzalen, scholen, werkplaatsen, tuinen. Geen rechte lijnen, maar ronde vormen, organisch en zacht. Een wereld die samen ademde.
Het voelde als woongroepen, maar niet als een commune. Eerder als een toekomst die zich al aan het vormen was — eenvoudig, aandachtig, vreedzaam.
Ik zag hoe er gespeeld werd, hoe er werd overlegd, hoe mensen samenwerkten. Er was kleur, vooral veel geel en groen. Licht en levend.
Ik liep erdoorheen, verwonderd.
Ik nam het in me op.
En toen… werd ik wakker.
Wat als hoop niet schuilt in grote plannen —
maar in kleine, samenhangende werelden,
waar leven, leren en zorgen hand in hand gaan?
Wat als deze droom niet alleen een beeld was,
maar een herinnering aan iets wat mogelijk is —
rond, verbonden, en zacht van binnen?
LICHT UIT HET VERLEDEN
12 januari 2026
In mijn droom ben ik tegelijk deelnemer en toeschouwer.
Ik ben samen met mijn nichtje — in de droom is ze springlevend, net als vroeger — en het voelt warm, vertrouwd, licht. We giechelen zoals we dat deden in onze jonge jaren. We smeden een plannetje om er even tussenuit te glippen, net als die ene keer bij Euro Disney. Een saunaatje pikken, dat is het idee.
We lopen naar een karretje waar pakketjes liggen: handdoeken en wat toiletartikelen. Ze zijn allemaal mat licht aquagroen/blauw — op twee na. Die stralen. Ze lichten bijna op. Vanuit mijn ooghoeken zie ik het verschil. Mijn nichtje pakt vier pakketjes: twee voor haar, twee voor mij. Drie zijn mat, één straalt. Zonder dat ze het merkt, wissel ik snel. Ik neem het stralende pakketje. Niet omdat ik meer verdien — maar omdat ik het zie.
Even later lopen we langs twee mensen. Wie het zijn weet ik niet. Mijn nichtje kijkt op naar één van hen en zegt:
"Ik wil je bedanken voor die nacht die we samen gehad hebben, maar ik ga nu weer verder."
Daarna lopen we samen verder, vrolijk, richting de sauna.
De droom herhaalt zich, als een film die steeds opnieuw begint.
Tot ik gewekt word door mijn man.
En langzaam besef: iets in mij wilde dit licht bewaren.
Wat als ik niet hoef te begrijpen waarom iets bij me past —
omdat ik het al zie, zonder te kijken?
Wat als kiezen geen daad van wil is,
maar een beweging die vanzelf ontstaat,
wanneer iets in mij herkent wat stilletjes klopt?
TUSSEN SCHULD EN MENSELIJKHEID
10 januari 2026
In mijn droom zie ik mezelf niet, maar ik ben er wel. Ik ben getuige van iets bijzonders. Steeds weer zie ik twee gezinnen aan een grote tafel zitten — de een rondom de dader, de ander rondom het slachtoffer. Er zijn vooraf afspraken gemaakt: niemand mag reageren als iemand spreekt. De ruimte moet veilig zijn. En dat lukt. De stilte is voelbaar, respectvol.
In één van de ontmoetingen spreekt een jonge man. Hij is de oudste zoon van zijn gezin. Blond, krullend haar, een mosterdgele trui. Charmant. Hij vertelt waarom hij vrouwen benadert, hoe hij hen manipuleert tot seksuele handelingen. Maar hij spreekt zonder haat, zonder opzet. Zijn verhaal klinkt niet als dat van een monster. Eerder als een verloren jongen, verdwaald in een innerlijke verwarring. Wat hij vertelt is moeilijk, vreemd — maar hij zegt het eerlijk.
Daar tegenover het slachtoffer. Een vrouw. Ze spreekt over angst, verwarring, pijn. Over schuld en schaamte. Over hoe haar grenzen zijn vervaagd. En, verrassend genoeg, ook over de aantrekkingskracht — die ze wíl begrijpen. Er wordt geluisterd. Zonder interruptie.
Later is er een huisvader. Lieve man, op het oog. Zijn geheim: dat hij zichzelf masturbeert wanneer de vriendjes van zijn kinderen komen spelen. Nooit is hij betrapt — behalve door zijn vrouw. Hij spreekt over wat er in hem gebeurt. Over de oncontroleerbare impuls. Zijn woorden zijn rauw, open. En vreemd genoeg voel ik geen afkeer — alleen een verlangen om te helpen, om het te begrijpen.
Zo volg ik vijf gesprekken. Elk pijnlijk eerlijk. Elk transformerend. Niemand schreeuwt. Iedereen luistert. Het zijn bijeenkomsten die niet oordelen, maar zichtbaar maken. Waarin daders mensen worden. Waarin slachtoffers hun stem terugvinden. En dan… word ik wakker.
Wat als heling pas begint wanneer het onbespreekbare niet langer wordt gemeden?
Wat als het delen van dat wat het meeste schaamte oproept, juist ruimte schept voor menselijkheid?
Wat als de grens tussen dader en slachtoffer minder scherp is dan we denken —
en het luisteren zonder oordeel de eerste stap is naar werkelijk begrijpen?
Niemand aan de tafel voelde afkeer.
En misschien was dát wel de grootste kracht van dit moment.
ALS DE DEUR OP EEN KIER STAAT
9 januari 2026
Ik zie een jonge vrouw. Ze vraagt of ze zo af en toe bij mij langs mag komen. Sinds haar broers en zussen het huis uit zijn, is ze alleen. Ze woont bij mij om de hoek.
Natuurlijk mag dat, zeg ik. De deur staat altijd open.
Maar ik leg ook iets uit: ik ben bezig met schilderen of schrijven of iets anders. Ik stop daar niet mee als je komt.
“Oh,” zegt ze, “dan zet ik zelf thee en doe ik iets in jouw buurt.”
Dat mag.
Een vriend hoort dit gesprek en kijkt naar haar.
“Als zij er is,” zegt hij, “dan denk ik dat ik ook kom…”
“Dat moet je zelf weten,” zeg ik, “als je je maar gedraagt.”
Dan voel ik een hand over mijn been.
“Schatje, word je langzaam wakker — zonder je droom te vergeten?”
En inderdaad, ik open mijn ogen. Slaapdronken. Maar wakker.
Reflectieve notitie
Deze droom laat precies zien wat ooit ontbrak: een heldere grens, zonder afwijzing.
Vroeger kwamen er dagelijks mensen binnen — met hun behoeften, hun verhalen, hun energie — tot ik letterlijk en figuurlijk leeg was. Ik verdween uit mijn eigen huis, uit mijn eigen leven. En ik kwam niet terug.
Nu komt er weer iemand, met zachtheid. Ze vraagt. Ik stem toe — maar onder mijn voorwaarden. Ik blijf doen wat ik doe. De deur staat op een kier, niet wijd open.
De vriend die op haar afkomt, wordt direct begrensd: niet op mijn energie. Niet op mijn kosten.
En dan word ik wakker. Aangeraakt. Zacht. En helder.
Ik hoef niet meer te verdwijnen. Ik ben er al. Thuis. In mezelf.
DE SPIRAAL EN DE STEM
8 januari 2026
Waarom haken zoveel mensen af zodra het over wiskunde gaat? Terwijl het leven er vol van is. Patronen, ritme, structuur — alles beweegt in berekeningen, spiralen, systemen. En toch. Zodra het woord ‘wiskunde’ valt, klapt iets dicht. Alsof het denken het overneemt van het voelen. Alsof men vergeet dat het leven zelf een puzzel is, een formule zonder uitkomst. Iemand stelt me een vraag. Waarom wil je onderdeel zijn van de puzzel? Waarom niet de puzzel zelf? Ik geef geen antwoord. Ik hoef niets te zeggen. Ik word die vraag. Mijn vorm verandert. Ik laat zien dat mijn stukje niet vlak is, niet lineair, niet losstaand. Het is een spiraal. En die spiraal wéét. Iedere keer als een vraag op me afkomt, beweeg ik. Ik draai, open, verspring. Het ene sluit aan op het andere. Mijn beweging maakt verbinding. Mijn bestaan is antwoord. Al die spiralen samen vormen het geheel. En dan... net voor het moment dat ik verder kan buigen, verder kan ontvouwen — roept Ton mijn naam. Zijn stem trekt me wakker. Weg uit de wiskunde van het zijn. Terug in de dag.
Wat als mijn weten geen rechte lijn is, maar een zich steeds verdiepende spiraal?
Wat als ik de taal van patronen begrijp — zonder dat ik ooit één formule leerde?
Ben ik misschien gemaakt om te bewegen tussen logica en mysterie —
zodat mijn stilte spreekt waar woorden tekortschieten?
“Iedere spiraal is uniek, en toch onderdeel van het geheel — steeds veranderend, nooit af, altijd levend.”
WAT BLIJKT ALS JE DIEPER KIJKT
7 januari 2026
Er dwaalden vannacht maar twee woorden door mijn droom. In het Engels: morality and immorality. Geen verhaal, geen beeld, alleen die twee begrippen, alsof ze de ruimte vulden waarin ik sliep. Ik weet niet waarom — maar ze bleven hangen. Als een echo die iets wilde aanstoten.
Persoonlijke noot
Ik werd rond half vier wakker met barstende hoofdpijn. De woorden ‘morality’ en ‘immorality’ bleven zich herhalen — alsof ze in mijn hoofd gebrand stonden. Op weg naar de wc vroeg ik me af: moet ik dit nu opschrijven? Maar nee, dit zou ik niet vergeten, dat wist ik zeker. Na een paracetamol en een moment van stilte viel ik weer in slaap, tot negen uur ’s ochtends. De woorden waren er nog. En de droom die volgde liet zien wat er verborgen zat, onder een façade van schijnbare zuiverheid.
Later, alsof een tweede droom begint, bevind ik me in het huis van mijn moeder. Ik ben er aan het schoonmaken, samen met een jonge Afrikaanse man. Alles lijkt netjes. Zoals altijd. Mijn moeder staat bekend om haar smetteloosheid — alles op orde, alles perfect. Tot ik begin schoon te maken. Tot ik onder de oppervlakte kijk. Achter de kasten, in de hoeken, onder de glanzende laag… Het is vies. Smerig zelfs. Ik schrik ervan.
Even later komt mijn oudste dochter erbij. Zij heeft buiten schoongemaakt en is net zo verbaasd. We zeggen niets, maar ik lees haar gedachten. “Jeetje, bij mij is het nog schoner dan hier.” En ik denk hetzelfde. Alleen… daar komt iets achteraan. Zelfs ik wist dat niet van mezelf. Want jarenlang heeft mijn moeder me laten geloven dat ík degene was die vies was. Dat het aan mij lag. En nu zie ik… het lag ergens anders.
Dan word ik wakker.
Wat als zuiverheid niets te maken heeft met wat zichtbaar is aan de buitenkant?
Wat als het beeld dat mij ooit werd opgelegd — van minder zijn, van onzuiver — nooit over mij ging?
En wat als ik nu pas voel hoe schoon mijn eigen wezen eigenlijk is,
omdat ik het niet langer spiegel aan een verhaal dat niet van mij was?
Was dit nodig om te kunnen zien: ik ben nooit dat beeld geweest.
En is dat misschien wat de droom onthult — in stilte, zonder oordeel, maar glashelder?
DE VRAGEN DIE NIET GESTELD WERDEN
6 januari 2026
Ik bevind me in een theater. Rode pluche stoelen. Donkere muren. Een plek die herinneringen draagt. Maar het is stil. Slechts een vijfde van de zaal is gevuld. Een conferentie, wordt er gezegd. Het thema: Hoe brengen we het individuele gevoel weer terug naar het collectieve? Hoe hervinden we gemeenschapszin?
We worden gevraagd in de rij te gaan staan. Eén voor één mag je iets zeggen. Iets bijdragen.
En dat doen ze. Maar wat ik hoor is niet de vraag die gesteld werd. Iedereen spreekt over zichzelf. Hun bedrijf. Hun land. Hun pijn. Hun trots. Alles klinkt als ‘ik’. Alsof de vraag niet binnenkwam.
Ik luister. Ik wacht. En net voordat ik iets zou kunnen zeggen… word ik wakker.
Het enige dat overblijft, is dat slotbeeld. Die ene vraag.
Waarom sprak niemand namens het geheel?
Wat als de sleutel tot gemeenschap niet ligt in wat we zeggen — maar in wie we durven zijn voor elkaar?
Wat als het ‘ik’ pas echt tot bloei komt wanneer het zichzelf in het ‘wij’ herkent?
En wat als het laatste stukje van een droom precies dát toont wat ik moet meenemen?
Wat als we pas werkelijk samenkomen
wanneer het systeem waarin we verdwaald zijn, instort?
Wat als verbinding niet groeit uit idealen,
maar uit het rauwe besef dat we elkaar weer nodig hebben?
En wat als we die pijn eerst ten diepste moeten voelen —
voordat het collectieve hart zich weer opent?
TAKEN EN VRIJHEID
5 januari 2026
De details zijn vervaagd bij het ontwaken, maar de essentie bleef. In mijn droom ben ik onderworpen aan een autoriteit – misschien mijn vader, misschien een baas, of gewoon een kracht die denkt zeggenschap over mij te hebben. Ik mag pas weg als ik mijn taken heb volbracht, geen seconde eerder. De sfeer is streng, controlerend, alsof ik getest word. Ik herken die toon uit mijn jeugd. Toch doe ik wat er gevraagd wordt, eerst braaf, dan met meer vaardigheid, en gaandeweg zelfs met groeiend plezier. De droom ontvouwt zich in herhalingen: steeds opnieuw moet ik opdrachten vervullen voordat ik mag vertrekken. En telkens lukt het me. Ik hoor zelfs wat die ander denkt: dat hij het morgen moeilijker zal maken, zodat ik langer vastzit, korter weg kan zijn. Maar zijn plan slaagt niet. Ik word steeds sneller, handiger, slimmer. Wat bedoeld was als onderdrukking, wordt een spel waarin ik groei. De rollen verschuiven. De macht verdwijnt. Hij begint respect te krijgen – voelbaar, zonder woorden. En dan… ben ik ineens wakker. Alsof de droom me wilde laten zien: ik heb al lang de sleutel tot vrijheid in handen. Niet ondanks de taken, maar juist daardoor
Wat als vrijheid niet ontstaat door te ontsnappen aan verplichtingen,
maar juist door ze bewust te vervullen — op mijn manier?
Wat als de autoriteit buiten mij slechts een spiegel is van de innerlijke stem
die ooit geloofde dat ik eerst iets moest bewijzen?
Ben ik al vrij zolang ik beweeg, leer, en mezelf niet verlies in weerstand?
En wat als groei soms begint waar onderdrukking eindigt —
in de stille kracht van trouw zijn aan mezelf?
BESTAAT DAT,.....DE WAARHEID ?
4 januari 2026
Mijn dromen waren weer overvol vannacht, maar bij het wakker worden bleef alleen een gesprek hangen. Geen beelden, geen context. Alleen stemmen.
“Voor jou is het duidelijk… dat wat men God noemt.”
Ik antwoord: “Nou… dat vind ik nogal een aanname. Ik denk eerder aan ‘het Geheel’. Iets waar wij allemaal onderdeel van zijn. Alles wat we kunnen zien, aanraken, voelen. Ik geloof in een Bron — daar waar alles naar terugkeert.”
Even stilte.
“Maar ja… dat blijft geloof, toch?”
En dan, alsof ik het mezelf herinner:
“En trouwens… ‘het Geheel’ verandert. Het beweegt. Het is levend.”
Dan zeg ik nog: “Leuk dat je dit tegen me zegt, maar het is alleen maar hoe ik het zie. Ik kan daar helemaal naast zitten. Daar hou ik altijd rekening mee…”
Ogen open. Wakker.
Wat als het goddelijke geen antwoord is, maar een richting?
Wat als waarheid slechts een perspectief is, dat leeft en beweegt — net als wij?
En wat als het niet gaat om gelijk hebben,
maar om ruimte laten voor het mysterie waarin we bestaan?
DE SLEUTELS VAN HET NIEUWE BEGIN
3 januari 2026
Ik leid een groot bedrijf. Niet als herinnering of vroeger leven, maar met de leeftijd die ik nu heb. Toch moet het stoppen. Overheid, wetten, duurzaamheid, boycotten – alles stapelt zich op. Het besluit is gevallen: het houdt op te bestaan. Daarna begint de zoektocht. Ik ga solliciteren. Honderden keren. Steeds opnieuw. Te oud. Te veel ervaring. Te duur. Te weinig aansluiting. Brieven werken niet. E-mails verdwijnen in stilte. Dus besluit ik fysiek op pad te gaan. Ik loop overal naar binnen. Gewoon vragen. Gewoon proberen.
Op een dag zit ik aan tafel met iemand, voor wat weer een mislukte sollicitatie lijkt. Toch drinken we nog koffie. En ik vraag hem: “Is dat gebouw van jullie? Dat aan het eind van de straat?” Hij knikt. “Ja, dat hele blok. Het was ooit een ziekenhuis. Later een school. Nu zit er een kunstenaarscollectief in. Honderd mensen ongeveer. Maar het rommelt. Er staan ook veel zalen leeg.” Ik kijk hem aan. “Heb je iemand die het leidt? Iemand die overzicht houdt, administratie regelt, projecten aanjaagt, visie heeft, het geheel in beweging brengt, zorgt dat het rendabel wordt, en ook nog zelf de handen uit de mouwen steekt?” Hij antwoordt: “Nee, daar hebben we de middelen niet voor.” Dan zeg ik: “Wat als ik begin met schoonmaken? Gewoon echt. Dat ik het gebouw leer kennen, terwijl ik schoonmaak. En vanuit daar ontstaat een plan. Betaal me als schoonmaakster. Maar geef mij de ruimte om het te herstructureren. Met hart en visie.” Hij kijkt me verbaasd aan. “Zou je dat echt doen? Dat aanbod kan ik niet weigeren.” Hij geeft me de sleutels.
Ik begin. In het eerste gebouw is het kaal, grauw, verlaten. In de gang een kast met tientallen verrijdbare schermen – zoals je die vroeger tussen ziekenhuisbedden zag. Maar niet wit. Regenboogkleuren. Achter me verschijnt een man. Hij kijkt achterdochtig. Stelt zich niet voor. Gaat een zaal in en houdt me in de gaten. Alle zalen hebben ramen vanaf lambriseringhoogte. Ik haal alles uit de kast. Alle schoonmaakmiddelen. Alles naar buiten. Eerst zien wat er is. Dan pas terugzetten. De schermen gaan als eerste terug. Daarna de rest. Overzicht ontstaat.
Terwijl ik werk, ontvouwen zich plannen. Niet in woorden. Maar ergens achterin mijn hoofd. En in mijn hart. Er vormt zich iets. Iets dat al wist waar het heen wilde. Ik zie – als van bovenaf – hoe het gebouw verandert. De kunstenaars lopen stralend rond. Ze raken de tafels aan alsof ze niet geloven dat het weer leeft. Ik voel dat ik er al even werk. Alles is anders. Het bloeit. Het ademt. Het klopt.
En ik? Ik ben niet zichtbaar in de droom. Maar ik ben de kern. Ik kijk met een helikopterview. Als iemand die de film kent. En precies weet waar het naartoe gaat.
Wat als mijn weg zich pas opent wanneer ik zelf de sleutel oppak?
Wat betekent het om opnieuw te beginnen — niet bovenaan, maar onderaan, vanuit de basis?
Ben ik degene die het oude stof weghaalt om ruimte te maken voor iets nieuws — in stilte, onzichtbaar misschien, maar met visie?
En is het misschien precies dát wat mij laat floreren — dienstbaarheid als kracht, structuur als bedding voor bezieling?
Wat zie ik wanneer ik met een helikopterblik naar mezelf kijk?
Draak uit het donker
2 januari 2026
Dit schilderij begon zijn reis drie jaar geleden, maar bleef onvoltooid — ik wist niet welke kant het op wilde. Vandaag, na een krachtige droom en een heldere innerlijke stem, is de boodschap zichtbaar geworden.
Ik droomde dat ik door een wirwar van steegjes reed in een stad die voortdurend van vorm veranderde — eerst leek het op mijn geboortestad, daarna op zonnige zuidelijke steden in Spanje, Italië of Frankrijk. Ik was op zoek naar een plek, misschien een bestemming — al wist ik niet precies wat ik zocht.
Naast mij zat iemand die steeds zei: “links… rechts…”
Ik voelde twijfel.
Maar toen kwam het besef:
Nu ga ik naar mezelf luisteren.
Ik nam de regie terug — en kwam uit waar ik moest zijn.
Een stem zei toen tegen mij:
Kijk eens naar jezelf. Durf die draak te zijn — op momenten dat het nodig is.
Binnen wordt buiten. Buiten wordt binnen.
Snap je dat? Je hebt het al geschilderd. Maak het af.
Haal het doek uit zijn frame. Sla er ringetjes in. Plaats het in een baklijst met openingen.
Dit schilderij mag niet tegen een muur hangen, maar tegen het licht.
Zonder het licht moet je zoeken naar de draak —
maar met het licht komt hij tevoorschijn.
DIT BEN JIJ.
Later herinnerde ik me nog iets:
De stem sprak ook over onzichtbaar kunnen zijn —
de kracht van nederigheid —
én zichtbaar durven zijn wanneer het nodig is om je licht te laten schijnen.
En ik zal het afmaken.
Er gloort iets van richting.
Maar het jaar is jong, en de stuiptrekkingen zijn nog voelbaar.
Laat ik luisteren. Niet haasten.
Nederigheid wijst de weg.
Draak uit het donker – het schilderij in wording
“Dit schilderij begon ik drie jaar geleden, maar liet het onaf — ik wist toen nog niet welke richting het op wilde.
Na de droom van 2 januari 2026 zie ik het anders: het wíl zichtbaar worden.
De draak komt uit het donker. En ik zal hem afmaken.
Daarom deel ik het hier alvast, zoals het nu is: halverwege — in transformatie.”
Over het kleurgebruik – buiten mijn palet
Ik herken mijn kleuren. Ik werk gedachteloos met een eigen taal van ondertonen en gelaagdheid — mijn kleuren jargon. Automatisch weet ik precies wat ik meng, voel ik waar het heen gaat, hoe iets ontstaat. Maar bij dit schilderij… voel ik het niet. De kleuren zijn warmer, voller, anders. Geen koele toets, maar een gloed die ik niet herken van mezelf. Het blauw neigt naar ultramarijnviolet, het oranje is diep en vurig — een kleur die me doet denken aan de tint van mijn marmoleum vloer: “Asian Tiger”. Niet letterlijk die kleur, maar wél die intensiteit, dat gevoel.
Ik weet dat ik het geschilderd heb — en ik weet dat het via mij tot stand kwam, buiten mijn bekende palet om. Alsof iets ouds zich als nieuw aan mij presenteerde en ik kon herinneren hoe het moest.
Misschien is dat precies wat dit werk laat zien: dat er momenten zijn waarop er meer aspecten uit mezelf kunnen komen, alsof het iets nieuws in me aanboort — omdat het mij al lang kende.
Dat wat mij laat schilderen, laat letterlijk meer lagen, meer kleur zien .